GESCHIEDENIS VAN ZOBEÏDE.

„Beheerscher der geloovigen,” ving Zobeïde aan, „de geschiedenis, welke

ik uwe Majesteit heb te verhalen, is eene der zonderlingste, waarvan men

ooit gehoord heeft. De twee zwarte honden en ik, wij zijn drie zusters

van de zelfde ouders, en ik zal u mededeelen, door welk vreemd toeval

zij in honden veranderd zijn.

De twee dames die bij mij wonen, en die gij hier bij mij ziet, zijn ook

mijne zusters van (den zelfden) vader, maar van eene andere moeder. Zij,

die den boezem vol lidteekens heeft, draagt den naam van Amine, de

andere heet Safie, en ik Zobeïde.

Na den dood van onzen vader werd zijne nalatenschap onder ons verdeeld,

en toen mijne beide half-zusters haar aandeel ontvangen hadden,

scheidden zij van ons, en gingen afzonderlijk wonen met hare moeder.

Mijne eigene zusters en ik bleven bij onze moeder inwonen tot aan haren

dood; zij liet ieder onzer duizend sequinen na.

Korten tijd daarna traden mijne beide oudste zusters, want ik ben de

jongste, in den echt, volgden hare mannen, en lieten mij alleen achter.

Niet lang na haar huwelijk, maakte de man van mijne oudste zuster al

zijne goederen tot geld, en vertrok met zijne vrouw naar Afrika. Hier

verkwistte hij spoedig, door goede sier te maken en door een losbandig

leven te leiden, zijn eigen geld en dat wat mijne zuster mede ten

huwelijk had gebragt. Toen hij zich tot de diepste armoede gebragt zag,

zocht hij naar een voorwendsel om haar te kunnen verstooten, en joeg

haar weg.

Na eene lange reis, waarop zij met bijna ongeloofelijke rampen had te

worstelen, kwam zij in Bagdad terug, en zocht bij mij hare toevlugt in

eenen toestand zoo medelijdenswaardig, dat het hardste gemoed er door

zou zijn bewogen geworden. Ik ontving haar met al de toegenegenheid,

welke zij van eene zuster kon verwachten, en vraagde haar, door welke

omstandigheden zij in zulk een' ongelukkigen toestand was gebragt. Zij

begon daarop bitter te schreijen, en maakte mij bekend met het slechte

gedrag van haren man, en met de onwaardige wijze waarop hij met haar

had gehandeld. Ik was zoo getroffen over haar ongeluk, dat ik niet kon

nalaten met haar te weenen. Vervolgens deed ik haar in het bad gaan, gaf

haar eenige van mijn eigene kleederen en zeide: „Lieve zuster! gij zijt

ouder dan ik en ik beschouw u als mijne moeder. In uwe afwezigheid,

heeft de hemel de weinige goederen, die mij ten deel waren gevallen,

vermeerderd, en het aankweeken van zijdewormen, heeft mij goede winsten

opgeleverd. Verlaat er u op dat ik niets heb, wat niet tevens het uwe

is, en waarover gij niet even als ik kunt beschikken.”

Wij woonden te zamen en leefden gedurende vele maanden in de volmaaktste

eensgezindheid. Dikwijls spraken wij over onze derde zuster, en het

bevreemdde en verontrustte ons, dat wij niets van haar vernamen.

Op zekeren dag echter stond zij eensklaps voor mij, en dit in een'

even ellendigen toestand, als waarin ik mijne oudere zuster had

teruggevonden. Haar man had haar op eene gelijke wijze behandeld en

eindelijk weggejaagd. Ik nam haar met liefde in mijne woning op.

Op zekeren tijd kwamen mijne zusters bij mij, en er zich op beroepende,

dat zij vreesden mij tot last te zijn, zeiden zij, plan te hebben om te

hertrouwen. Ik gaf haar te kennen dat, indien zij geene andere reden

hadden, dan vrees van mij tot last te zijn, zij gerust bij mij konden

blijven, daar mijn vermogen en mijne verdiensten toereikend waren, om

ons alle drie, overeenkomstig onzen stand, te onderhouden. „Maar,”

voegde ik er bij, „ik vrees veeleer; dat gij werkelijk lust hebt te

hertrouwen. Indien dit zoo is, moet ik bekennen, dat het mij zeer

verwondert. Hoe toch kunt gij, na hetgeen gij in uw eerste huwelijk

hebt ondervonden, naar een tweede haken. Het is u immers gebleken, hoe

bezwaarlijk het is een' man te vinden, die onze liefde in alle opzigten

waardig is. Gelooft mij, het zal beter voor u en ook voor mij zijn,

indien wij te zamen blijven wonen, en voortgaan elkander het leven zoo

aangenaam te maken, als mogelijk is.”

Alles wat ik mogt inbrengen, bleef echter zonder uitwerking. Zij hadden

besloten te hertrouwen en volvoerden haar voornemen. Maar na verloop van

slechts eenige maanden kwamen zij terug, en vraagden mij duizendmaal

verschooning, omdat zij mijnen raad niet hadden gevolgd. „Gij zijt onze

jongste zuster,” zeiden zij, „maar gij zijt verstandiger dan wij. Indien

gij de goedheid wilt hebben, ons andermaal in uwe woning te ontvangen,

zoo beschouw ons als uwe slavinnen, en wij zullen ons in het vervolg

wel wachten, wijzer te willen zijn dan gij, en ons eigen dwaas hoofd te

volgen.” „Lieve zusters,” zeide ik, „onze laatste scheiding heeft aan

mijne genegenheid voor u niets veranderd; gij zijt mij welkom, en wat ik

bezit, beschouwt dat ook als het uwe.” Ik omhelsde haar, en wij bleven

weder te zamen wonen.

Gedurende een jaar leefden wij in volkomene eendragt; door de gunst des

hemels nam mijn klein kapitaal zoo zeer toe, dat ik mij in staat zag

gesteld, een handel van meer omvang te ondernemen. Tot dat einde begaf

ik mij met mijne zusters naar Balsora, waar ik een tot de reis geheel

uitgerust schip voor zeer matigen prijs aankocht, en met de goederen,

welke ik uit Bagdad ontbood, bevrachtte. Wij gingen met een' gunstigen

wind onder zeil, en weldra kwamen wij door de golf van Perzië in de

ruime zee. Hier zetten wij koers naar Indië, en na twintig dagen zeilens

zagen wij land. Het was een zeer hooge berg, aan wiens voet wij eene

stad bemerkten, die ons zeer groot en aanzienlijk toescheen. Daar er

eene frissche koelte woei, liepen wij nog vóór den avond de haven

binnen, waar wij het anker lieten vallen.

Ik had niet zoo lang geduld, tot mijne zusters zich gereed gemaakt

hadden, om mij te vergezellen. Ik liet mij aan wal zetten en ging regt

op de stadspoort aan. Hier vond ik eene talrijke wacht van soldaten, van

welke sommige zaten en andere stonden, en die alle met knuppels gewapend

waren. Het voorkomen dezer lieden was zoo afschuwelijk, dat ik er van

schrikte. Daar ik evenwel spoedig bemerkte dat zij zich niet bewogen, en

zelfs de oogen niet verdraaiden, herstelde ik mij, trad nader bij, en

ontdekte dat zij versteend waren.

Ik ging de stad binnen en verscheidene straten door, doch de menschen

die ik zag waren, even als de schildwachten aan de poort, levenloos

en versteend. In den bazar vond ik bijna alle winkels gesloten, en

in de weinige, die hierop eene uitzondering maakten, waren de zich

daarin bevindende kooplieden en winkelbedienden ook in steenen beelden

veranderd. Ik zag nu naar de schoorsteenen, maar geen enkel rookwolkje

steeg daaruit op, hetgeen mij tot de overtuiging bragt, dat de geheele

bevolking dezer stad, zoo wel binnen als buiten de huizen, door eene

voor mij onverklaarbare oorzaak, in één oogenblik des tijds, te midden

van hare bezigheden in steen was veranderd.

Door nieuwsgierigheid gedreven, kwam ik eindelijk op een groot plein in

het midden der stad. Hier zag ik eene groote en hooge poort, waarvan de

deuren, die met gouden platen belegd waren, openstonden. Boven de poort

hing eene gouden lamp en voor den ingang van het portaal bevond zich een

zijden voorhangsel, dat mij belette naar binnen te zien. De prachtige

geheel uit wit marmer opgetrokken voorgevel van dit trotsche gebouw,

liet mij evenwel geen' twijfel over, of ik bevond mij voor het paleis

van den regerenden vorst. Ik ligtte het voorhangsel op; de lijfwachten

des konings, die zich in het voorhof bevonden, en zich in verschillende

standen aan mijn verwonderd oog vertoonden, stonden zaten of lagen als

steenen beelden, en konden mij dus den toegang naar het binnenste van

het paleis niet beletten. Eerst kwam ik in een ruim voorhof; hier

bevonden zich eene groote menigte hofdienaren van welke de een scheen te

komen, de andere te gaan, zonder dat echter een hunner zich van zijne

plaats bewoog, daar ook zij versteend waren. Ik ging over een tweede en

derde binnenhof, maar overal heerschte de stilte van het graf en eene

doodschheid, welke mij deed huiveren.

Het vierde binnenhof overgegaan zijnde, bevond ik mij tegenover een zeer

schoon gebouw, waarvan de vensters van massief gouden traliën voorzien

waren. Dit scheen mij toe het verblijf van de koningin te zijn. Ik trad

het gebouw binnen, en het eerste wat ik zag was de zwarte wacht, vóór

de vertrekken van de vorstin. Zij belette mij niet mijn onderzoek te

vervolgen, en ik kwam nu in eene zeer prachtige zaal. Hier lag op eene

sofa eene dame van uitstekende schoonheid, maar ook in steen veranderd.

De gouden kroon, welke zij op het hoofd had, en het snoer parels,

grooter dan hazelnoten, om haren hals overtuigden mij dat dit de

koningin was.

Mijne oogen konden zich niet verzadigen aan al den rijkdom en al de

pracht van dit vertrek. Het tapijt, de kussens en de sofa waren met goud

gestikt, en dit met zooveel kunst, dat ik nooit iets dergelijks gezien

had.

Van het vertrek der koningin kwam ik in eene andere zaal, welke de

vorige nog ver in pracht overtrof. Ik zag daar eene verhevenheid van

massief goud met smaragden ingelegd, waarop een praalbed van de rijkste

stof, overdekt met eene sprei van de fijnste zijden en met paarlen

geborduurd. Doch hetgeen mijne verbazing in nog hoogere mate opwekte

was, een fel licht, gelijk dat der zon op hare middag-hoogte, hetwelk

mij van het rustbed in de oogen flonkerde. Nieuwsgierig naar de oorzaak

van dit wonderlijke licht, klom ik de trappen op, die naar die

verhevenheid geleidden, en voorover buigende, zag ik op een voetbankje

een' diamant liggen, zoo groot als het ei van een' struisvogel, en

met zoo veel kunst geslepen, dat de bekwaamste juwelier dit werk als

onverbeterlijk had moeten prijzen. Toen ik den steen in mijne hand

nam en tegen het daglicht hield, schitterde hij zoo, dat ik er als

door verblind, en het licht van twee aan het hoofdeneinde van het

rustbed brandende flambouwen er door verduisterd werd. Deze laatste

bijzonderheid echter deed mij de opmerking maken, dat zich in dit

paleis, hoe vele versteenden ik daar ook had aangetroffen, toch nog

een levend wezen moest bevinden, daar ik niet kon gelooven dat deze

flambouwen door eigen kracht ontstoken waren.

Toen nu de hoop bij mij verlevendigd werd dat ik eindelijk in deze

eenzaamheid een mensch zou aantreffen, zette ik mijn onderzoek met

vernieuwden ijver voort. Ik kwam nog in verscheidene vertrekken, het

eene al prachtiger dan het andere, maar wat ik ook zocht, een levend

wezen ontmoette ik nergens. Intusschen spoedde de dag ten einde, en

ofschoon ik door mijne nieuwsgierigheid mij zelve, mijn schip en mijne

zusters had vergeten, begon ik thans toch te begrijpen dat het hoog tijd

werd, om naar boord terug te keeren. Ik wilde nu langs denzelfden weg

heengaan, maar daar het reeds donker werd, verdwaalde ik in dien doolhof

van vertrekken, en het was reeds geheel duister, toen ik weder te regt

kwam in de zaal, waar zich het praalbed, de diamant en de brandende

flambouwen bevonden.

Ik bevond mij in groote verlegenheid; van twee kwaden echter het

kleinste kiezende, besloot ik den nacht in deze zaal door te brengen, en

den volgenden morgen naar mijn schip terug te keeren. Ik legde mij op

het praalbed neder, doch de doodsche stilte die mij omgaf, verontrustte

mij, zoodat ik den slaap niet kon vatten.

Het zal omstreeks middernacht geweest zijn, toen ik tot mijne verbazing,

en ik moet er bijvoegen tot mijne vreugde eene menschelijke stem hoorde,

die overluid in den koran las. Het moest dus iemand van mijn geloof

zijn, wat mij nog meer verblijdde. Ik stond dadelijk op, nam eene der

flambouwen, en ging op het geluid af door eene lange rij van vertrekken,

tot dat ik aan een kabinet kwam, waaruit de stem scheen te komen. Ik

doofde mijne flambouw uit, en mijn oog voor het sleutelgat houdende,

bespeurde ik dat het een bidvertrek was. Ik zag er, even als in onze

moskeën, eene nis, welke aanwees, naar welken kant de bidder zich moest

wenden, om het gelaat naar Mekka gekeerd te hebben, waar zich het graf

van den grooten profeet bevindt. Ook ontdekte ik eenige aan de zoldering

hangende lampen, en twee op kandelaars brandende waskaarsen.

Maar wat mij de grootste belangstelling inboezemde, was een jongeling

van een zeer innemend uiterlijk, die op een tapijt nedergehurkt in den

koran las, welken hij op een' lessenaar voor zich had liggen. Ten

hoogste verbaasd in eene stad, waarvan de geheele bevolking versteend

was, dezen jongeling in leven te zien, twijfelde ik niet, of met hem

moest een groot wonder hebben plaats gehad.

Daar de deur van het bidvertrek niet geheel gesloten was, opende ik die

zonder gedruisch te maken, plaatste mij tegenover de nis, en sprak met

luider stem het volgende gebed uit: „Geloofd zij Allah! die ons met

eene gelukkige zeereis heeft begunstigd! Dat het hem behage, ons ook op

de terugreis te beschermen, en ons behouden in het vaderland terug te

brengen! Hoor mij, Heer, en laat mijn gebed bij u verhooring vinden.”

De jongeling dus eensklaps gestoord, en zeker hier niemand verwachtende,

zag mij met eenige verbazing aan. „Mijne goede dame!” zeide hij, „heb

de beleefdheid mij te zeggen, wie gij zijt, en wat u heeft bewogen in

deze verwoeste stad te komen. Tot dank daarvoor ben ik bereid u te

zeggen, wie ik ben, wat met mij is gebeurd, hoe de inwoners van deze

stad in den toestand zijn gebragt waarin gij ze gevonden hebt, en

waarom juist ik alleen in deze algemeene ramp ben gespaard gebleven.”

Ik verhaalde nu den jongeling in weinige woorden, wat mij tot mijne

zeereis had bewogen, en hoe ik, na eenen togt van twintig dagen, met

mijn schip in de haven was aangekomen. Eindelijk gaf ik hem mijne

verbazing te kennen over hetgeen ik in deze stad had gezien, en

herinnerde hem aan zijne belofte om dit raadsel voor mij op te lossen.

„Lieve Dame,” sprak nu den jongeling, „heb een oogenblik geduld.” Dit

zeggende, rolde hij den koran op, borg ze in eenen kostbaren koker en

plaatste dezen in de nis. Deze oogenblikken nam ik waar, om hem met

aandacht te beschouwen, en hij kwam mij zoo schoon en zoo bevallig

voor, dat in mij een gevoel opkwam, waaraan ik tot dusverre vreemd was

gebleven. Hij deed mij naast zich plaats nemen, en ik was mij zelven

zoo weinig meester dat ik, vóór hij nog begon te spreken, mij niet kon

weêrhouden tot hem te zeggen, en wel met een' blik die hem de teedere

gevoelens moest doen kennen, welke hij mij reeds op het eerste gezigt

had ingeboezemd: „Beminnenswaardig jongeling! geliefde van mijn hart!

niemand kan met meer ongeduld dan ik de opheldering afwachten van zoo

vele wonderlijke zaken, die mij zijn voorgekomen, van het oogenblik af,

dat ik mijne voeten in deze stad heb gezet, tot nu toe. Spreek dus, ik

bid er u om, en zeg mij door welk wonder gij alleen in leven zijt van de

vele duizenden, die zulk een' vreeselijken dood gestorven zijn.”

[Illustratie: Geschiedenis van Zobeïde.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel · 第 4 / 22 题