HOOFDSTUK XXV.

Zoo groot is zijn standvastigheid

Dat gij hem ook vereeren zult;

Ja, ik beminde u niet zoo teer,

Beminde ik nog mijne eer niet meer.

Montrose.

Toen Koning Richard in zijne tent terugkeerde, liet hij den Nubiër

voor zich brengen. Deze trad met zijne gewone eerbiedige en plechtige

buiging binnen, en na zich gebogen te hebben, bleef hij voor den Koning

staan, in de houding van een slaaf, die op de bevelen van zijn meester

wacht. Het was misschien een geluk voor hem, dat het volhouden van

zijne rol van hem vorderde, dat hij de oogen op den grond vestigde,

daar de scherpe blik, waarmede Richard hem gedurende eenigen tijd in

stilte beschouwde, moeilijk door te staan zou geweest zijn, indien

hij dien ten volle ontmoet had.

"Gij hebt goed verstand van de jachtkunst," zeide de Koning na een

oogenblik zwijgen; "en gij hebt uw wild opgejaagd en in het nauw

gedreven, zoo behendig, als of Tristrem zelf u onderwezen had. Maar dit

is niet genoeg--het moet met geweld ter neder geworpen worden. Ik zelf

zou gaarne mijn jachtspeer tegen hem geveld hebben. Er zijn echter,

naar het schijnt, omstandigheden, die dit verhinderen. Gij staat op het

punt van naar het kamp van den Sultan terug te keeren, met een brief,

waarin van zijne welwillendheid verzocht wordt, een onzijdigen grond

voor dit ridderlijk feit aan te wijzen, en zoo het hem behaagde, dit

met ons te aanschouwen. Nu slechts ons vermoeden te kennen gevende,

gelooven wij, dat gij in die legerplaats wel een ridder zoudt kunnen

vinden, die, ter liefde voor de waarheid, en de verhooging van zijn

eigen roem, tegen dezen verrader van Montserrat zou willen strijden."

De Nubiër sloeg zijne oogen op en vestigde die op den Koning met

innige geestdrift: vervolgens richtte hij ze ten hemel met zulk eene

plechtige dankbaarheid, dat de tranen er in doorblonken--hierop boog

hij het hoofd, alsof hij bevestigde, wat Richard vroeg, en hernam

zijne gewone houding van onderworpen gehoorzaamheid.

"Het is goed", zeide de Koning; "en ik zie uwe begeerte om mij

in deze zaak van dienst te zijn. En hierin, dit moet ik zeggen,

bestaat de voortreffelijkheid van zulk een dienaar als gij, daar gij

geene spraak bezit om ons voornemen te betwisten, of verklaring te

vragen van hetgeen wij besloten hebben. Een Engelsche dienaar zou

mij in uwe plaats zijne ruwe meening gezegd hebben, om het gevecht

aan de eene of andere goede lans van mijn hofstoet te vertrouwen,

daar allen, van mijn broeder Langzwaard af, wedijveren om voor mij

te strijden. Een praatziek Franschman zou duizend pogingen aangewend

hebben, om te ontdekken, waarom ik een kampvechter in het kamp der

ongeloovigen zoek. Maar gij, mijn zwijgende zaakbezorger, gij kunt

mijn last volvoeren zonder er naar te vragen of hem te begrijpen;

bij u heet hooren gehoorzamen."

Eene buiging met het lichaam en de knie waren het passend antwoord

van den Ethiopiër op deze aanmerkingen.

"En nu iets anders", zeide de Koning op haastigen en snellen

toon;--"hebt gij Edith Plantagenet reeds gezien?"

De stomme zag op, alsof hij op het punt stond te spreken,--ja, zijne

lippen waren begonnen een duidelijk neen uit te spreken,--toen de

mislukte poging in het onvolmaakt gebrom van een stomme wegstierf.

"Ei, zie eens!" riep de Koning, "de klank alleen van den naam van

een koninklijke maagd, van zulk eene uitstekende schoonheid, als

die van onze beminnelijke nicht, schijnt bijna kracht genoeg te

hebben, om een stomme te doen spreken. Welke wonderen zouden dan

hare oogen op zulk een voorwerp uitwerken! Ik wil de proef nemen,

vriend slaaf. Gij zult deze uitgelezen schoonheid van ons hof zien,

en den last van den vorstelijken Sultan overbrengen."

Wederom een blijde blik--wederom eene kniebuiging--maar toen

hij oprees, legde de Koning zijne hand zwaar op zijn schouder, en

vervolgde dus met statige majesteit en ernst:--"laat ik u voor ééne

zaak waarschuwen, mijn zwarte zendeling. Zelfs zoo gij voelen mocht,

dat de vriendelijke invloed van haar, die gij welhaast zult zien,

de banden van uwe tong mocht losmaken, die tegenwoordig gevangen zit,

zoo als de goede Sultan het uitdrukt, binnen de ivoren muren van haar

kasteel, zoo wacht u, uw stilzwijgend karakter te veranderen, of een

woord in hare tegenwoordigheid te uiten, zelfs zoo uw spraakvermogen

op eene wonderdadige wijze hersteld werd. Geloof mij, dat ik u de

tong bij den wortel zou laten uitrukken, en haar ivoren paleis,

dat is, gelijk ik vermoed, de rij tanden, de eene na de andere,

uittrekken. Derhalve wees verstandig en dood stil."

Zoodra de Koning zijne zware hand van den schouder van den Nubiër

genomen had, boog deze zijn hoofd, en legde zijne hand op zijne lippen,

tot een teeken van stille gehoorzaamheid.

Maar Richard legde zijne hand weder, ofschoon zachter, op hem,

en voegde er bij: "dit gebod leggen wij u als slaaf op. Waart gij

een ridder en edelman, dan zouden wij uwe eer tot borg voor uwe

stilzwijgendheid vorderen, daar deze eene bijzondere voorwaarde van

ons tegenwoordig vertrouwen is."

De Ethiopiër verhief zijn lichaam fier, zag den Koning open in het

gelaat, en legde zijne rechterhand op zijn hart.

Hierop riep Richard zijn kamerheer.

"Ga, Neville", zeide hij, "met dezen slaaf naar de tent van onze

koninklijke gemalin, en zeg, dat het ons welbehagen is, dat hij een

gehoor--een geheim gehoor--bij onze nicht Edith hebbe. Hij is met

eene boodschap aan haar belast. Gij kunt hem den weg ook wijzen, zoo

hij uwe leiding noodig heeft, ofschoon gij misschien opgemerkt hebt,

dat het verwonderlijk is, hoe vertrouwd hij reeds schijnt te zijn met

den omtrek van onze legerplaats.--En gij, mijn vriend de Ethiopiër",

vervolgde de Koning, "doe snel, wat gij doet, en keer binnen een half

uur hier terug."

"Ik ben ontdekt", dacht de gewaande Nubiër, terwijl hij, met ter

neergeslagen blikken en gekruiste armen, den haastigen tred van

Neville naar de tent van Koningin Berengaria volgde,--"ik ben zonder

twijfel ontdekt en doorgrond door Koning Richard; evenwel kan ik

niet bespeuren, dat zijn toorn groot tegen mij is. Indien ik zijne

woorden begrijp, en voorzeker is het mogelijk, om die verkeerd uit te

leggen, dan geeft hij mij eene edele kans, om mijne eer te herwinnen

op den vederbos van dien valschen markies, wiens schuld ik in zijn

verschrikten blik en zijne bevende lippen las, toen de beschuldiging

tegen hem werd aangevoerd.--Roswal, trouw hebt gij uw meester gediend,

en zeer duur zal het u aangedane leed gewroken worden.--Maar wat

zal het tegenwoordig verlof beduiden, om haar te aanschouwen, die

ik gewanhoopt had ooit weder te zien?--En, waarom of hoe kan de

koninklijke Plantagenet er in bewilligen, dat ik zijne aangebeden

bloedverwante zou zien, hetzij als de bode van den heidenschen

Saladin, of als de schuldige balling, dien hij nog zoo kort geleden

uit zijne legerplaats verdreven heeft--daar zijne stoute bekentenis

van de liefde, waarin hij zijn roem stelt, zijn schuld het grootst

maakt? Dat Richard er in zou toestemmen, dat zij een brief van een

ongeloovigen minnaar uit de handen van iemand van zoo ongeëvenredigden

rang zou ontvangen, zijn beide omstandigheden, die even ongelooflijk,

als tevens onbestaanbaar met elkander zijn. Maar wanneer Richard niet

door zijne onwederstaanbare hartstochten bewogen wordt, is hij mild,

grootmoedig en waarlijk edel, en als zoodanig wil ik hem behandelen,

en mij naar zijne rechtstreeksche of onmiddellijke voorschriften

gedragen, en trachten niet meer te weten, dan zich geleidelijk zonder

scherp onderzoek van mijn kant ontwikkelen zal. Hem, die mij zulk

eene schoone gelegenheid gegeven heeft, om mijne bevlekte eer te

herstellen, ben ik onderdanigheid en gehoorzaamheid verschuldigd;

en hoe smartelijk het ook zij, de schuld zal betaald worden. En

toch,"--zoo sprak de stem, van zijn fier hart, dat in verzet kwam,

"en toch kon Leeuwenhart, zoo als hij genoemd wordt, het gevoel van

anderen naar het zijne afgemeten hebben. Ik een aanzoek bij zijne

bloedverwante bevorderen! Ik, die nooit een woord tegen haar gesproken

heb, dan toen ik een koninklijken prijs uit hare hand ontving--toen

ik niet voor den geringste in ridderdaden onder de verdedigers van

het Kruis gerekend werd! Ik haar naderen in eene lage vermomming en

in een slaafsch kleed--en helaas! daar mijn tegenwoordige toestand die

is van een slaaf, met eene vlek van schande op datgene, wat eens mijn

schild was! Ik dat doen! Hij kent mij weinig. Toch dank ik hem voor

de gelegenheid, die ons allen beter met elkander bekend kan maken!"

Toen hij tot dit besluit gekomen was, stonden zij voor den ingang

van de tent der Koningin.

Zij werden dadelijk door de wachten toegelaten, en Neville, den

Nubiër in een klein voorvertrek latende, dat hij zich maar al te

wel herinnerde, ging in dat, hetwelk tot gehoorzaal der Koningin was

ingericht. Hij deelde het verlangen van zijn koninklijken meester op

zachten en eerbiedigen toon mede, die zeer verschilde van de barschheid

van Thomas de Vaux, voor wien Richard alles, en het overige Hof,

Berengaria zelve niet uitgezonderd, niets was. Eene uitbarsting van

gelach volgde op de mededeeling van zijn last.

"En hoe ziet de Nubische slaaf er uit, die met zulk een last als gezant

van den Sultan komt?--het is een neger, niet waar, Neville?" zeide

eene vrouwelijke stem, die men gemakkelijk als die van Berengaria

herkennen kon. "Het is toch een neger, de Neville, met een zwart

vel, een hoofd met kroes haar als dat van een ram, eene platte neus,

en vooruitstekende lippen--niet zoo, waardige sir Henry?"

"Uwe Majesteit vergete de schenen niet," zeide eene andere stem,

"naar buiten gebogen, als het scherp van eene Sarraceensche sabel."

"Veeleer gelijk de boog van een Cupido, daar hij met een minnebrief

komt," hernam de Koningin. "Goede Neville, gij zijt altijd gereed,

om ons arme vrouwen genoegen te doen, daar wij zoo weinig hebben

om onze ledige oogenblikken mede door te brengen. Wij moeten dezen

minnebode zien. Turken en Moren heb ik in menigte gezien, maar nog

nooit een neger."

"Ik ben geschapen om de bevelen van uwe Majesteit te voorkomen;

dus zult gij het bij mijn Koning weder goed maken, als ik dit doe,"

antwoordde de onderdanige ridder. "Evenwel laat ik uwe Majesteit

verzekeren, dat gij iets zult zien, dat eenigszins verschilt van

hetgeen gij verwacht."

"Zoo veel te beter--nog leelijker, dan mijne verbeelding zich hem

voorstellen kan, en nochtans de uitverkoren liefdebode van dezen

hoffelijken Sultan!"

"Genadige mevrouw," zeide lady Calista, "mag ik u bidden, den goeden

ridder te vergunnen, dezen bode rechtstreeks aan lady Edith over te

brengen, daar zijne geloofsbrieven aan haar gericht zijn? Wij zijn

slechts ternauwernood de ernstige gevolgen van zulk eene zoodanige

scherts ontkomen."

"Ontkomen?"--herhaalde de Koningin minachtend. "Maar toch gij kunt

gelijk hebben, Calista, met uwe voorzichtigheid--laat dezen Nubiër, zoo

als gij hem noemt, eerst zijne boodschap bij onze nicht doen. Bovendien

is hij ook stom--niet waar?"

"Ja, uwe Majesteit," antwoordde de ridder.

"Een vorstelijk genoegen hebben deze Oostersche dames," zeide

Berengaria, "daar zij door wezens bediend worden, tot wie zij alles

kunnen zeggen, en die toch niets kunnen overbrengen; terwijl in

onze legerplaats, zooals de prelaat van St. Juda pleegt te zeggen,

een vogel uit de lucht de zaak verder brengt."

"Omdat," zeide De Neville, "uwe Majesteit vergeet, dat gij binnen

linnen muren spreekt."

Bij deze opmerking zonken de stemmen, en na een weinig gefluister

keerde de Engelsche ridder naar den Ethiopiër terug, en gaf hem een

teeken hem te volgen. Hij deed dit, en Neville geleidde hem naar eene

tent, die een weinig van die der Koningin verwijderd was, en, naar het

scheen, ten dienste van Edith en hare bedienden was opgericht. Eene van

hare Koptische dienaressen nam de door sir Henry Neville medegedeelde

boodschap aan, en na verloop van zeer weinige minuten werd de Nubiër in

Edith's tegenwoordigheid gevoerd, terwijl Neville aan de buitenzijde

van de tent bleef. De slavin, die hem binnenleidde, verwijderde zich

op een teeken van hare meesteres, en het was met diepen ootmoed,

niet alleen van zijne houding, maar van het binnenste zijner ziel,

dat de zoo zonderling vermomde, ongelukkige ridder zich op eene knie

wierp, met ter neder geslagen blikken, en gekruiste armen, gelijk een

misdadiger, die zijn vonnis verwacht. Edith was op dezelfde wijze

gekleed, als toen zij Koning Richard ontving, terwijl haar lange,

doorschijnende sluier om haar hing, als de schaduw van een zomernacht

over een schoon landschap, en de schoonheden, die hij niet verbergen

kon, bedekte en verduisterde. Zij had in hare hand een zilveren lamp,

met geurigen spiritus gevuld, die ongemeen helder brandde.

Toen Edith weinige schreden van den knielenden en onbeweeglijken slaaf

stond, hield zij het licht naar zijn gelaat toegekeerd, alsof zij

zijne trekken nauwkeuriger wilde onderzoeken; daarop wendde zij zich

van hem af, en plaatste hare lamp zoodanig, dat de schaduw van zijn

gelaat in profil viel op het gordijn, dat aan de zijde hing. Eindelijk

zeide zij op bedaarden en toch diep bedroefden toon:

"Zijt gij het?--Zijt gij het inderdaad, dappere ridder van

den Luipaard--dappere sir Kenneth van Schotland--zijt gij het

wezenlijk?--als slaaf vermomd--aldus door honderd gevaren omringd?"

Toen de ridder zoo onverwacht de klank hoorde van de stem zijner

dame, wier woorden tot hem gericht waren, en dat wel op een toon

van medelijden, die aan teederheid grensde, vloog er een daarmede

overeenstemmend antwoord op zijne lippen; en nauwelijks konden

Richard's bevelen en zijne beloofde stilzwijgendheid hem beletten

te antwoorden, dat het gezicht, hetwelk hij zag, de klanken, die

hij zoo even gehoord had, voldoende waren om de slavernij van een

geheel leven, en alle gevaren, welke dit leven elk uur bedreigden,

te vergelden. Hij bedacht zich echter nog, en een diepe en vurige

zucht was zijn eenig antwoord op de vraag der hooggeboren Edith.

"Ik zie--ik weet, dat ik goed gegist heb--" vervolgde Edith. "Ik heb u

van het oogenblik, dat gij u voor de eerste maal hebt vertoond nabij

het platform, waarop ik met de Koningin stond, opgemerkt. Ik kende

ook uw dapperen hond. Geene trouwe dame zou zij zijn, en de dienst

van zulk een ridder, als gij zijt, onwaardig, zoo eenig vermomming of

kleeding of kleur een trouw dienaar voor haar kon verbergen. Spreek

dus, zonder vrees, tot Edith Plantagenet. Zij weet in het ongeluk den

ridder te achten, die haar diende en eerde en dappere wapenfeiten in

haar naam bedreef, toen de fortuin hem begunstigde.--Nog zwijgt gij? Is

dit de schuld van vrees of schaamte? De vrees moest u onbekend zijn;

en de schaamte, laat die aan hen, welke u onrecht gedaan hebben."

De ridder, wanhopend dat hij verplicht was, den stomme bij eene zoo

belangrijke bijeenkomst te spelen, kon zijne smart alleen uitdrukken

door eene diepen zucht, en den vinger op de lippen te leggen. Edith

trad een weinig terug, alsof zij eenigszins ontevreden was.

"Hoe!" zeide zij, "de Aziatische stomme in daden, zoo wel als

gewaad. Dit verwachtte ik niet--of misschien veracht gij mij, nu ik

zoo stoutmoedig beken, dat ik de hulde, die gij mij betoond hebt, heb

opgemerkt? Koester daarom geene onwaardige gedachten van Edith. Zij

kent de grenzen wel, die ingetogenheid en zedigheid aan hooggeboren

vrouwen voorschrijven, en zij weet, wanneer en hoe ver die voor de

dankbaarheid moeten wijken.... voor eene oprechte begeerte, dat het

in hare macht mocht zijn, om diensten te beloonen en beleedigingen

te vergoeden, die uit de genegenheid, welke een goed ridder voor haar

had, ontsproten.... waarom uwe handen gevouwen, en met zulk eene drift

gewrongen? Kan het zijn," voegde zij er bij, bij dit denkbeeld van

schrik terugdeinzende, "dat hunne wreedheid u wezenlijk van de spraak

beroofd heeft? Gij schudt met het hoofd. Het zij eene betoovering--het

zij stijfhoofdigheid, ik ondervraag u niet verder, maar wil u uw last

op uwe eigen manier laten overbrengen. Ook ik kan stom zijn."

De vermomde ridder maakte eene beweging, alsof hij te gelijk zijn

eigen toestand betreurde, en haar misnoegen bezweren wilde, terwijl

hij haar te gelijker tijd, zoo als gewoonlijk, in fijne zijde en

goudlaken gewikkeld, den brief van den Sultan overreikte. Zij nam dien

aan, beschouwde hem onverschillig, legde hem toen ter zijde, en hare

oogen nogmaals op den ridder vestigende, zeide zij op zachten toon:

"Zelfs geen woord, bij uwe boodschap aan mij?"

Hij drukte beide handen tegen het voorhoofd, alsof hij de smart te

kennen wilde geven, die hij gevoelde, omdat hij niet bij machte was

haar te gehoorzamen, maar zij wendde zich toornig van hem af.

"Vertrek!" riep zij, "ik heb genoeg--te veel gesproken tot iemand,

die geen woord tot antwoord tegen mij verliezen wil. Vertrek! en zeg,

dat, zoo ik u onrecht heb aangedaan, ik ook geboet heb; want ik ben het

ongelukkige werktuig geweest om u van een eervollen post te ontrukken;

ik heb, bij deze bijeenkomst, mijne eigen waarde vergeten, en mij in

uwe oogen en mijne eigene vernedert."

Zij bedekte hare oogen met de hand, en scheen diep ontroerd. Sir

Kenneth wilde naderen, maar zij gaf hem een teeken, om op een afstand

te blijven.

"Terug! gij, wiens ziel de Hemel voor haar nieuwen toestand heeft

geschikt gemaakt! Ieder, die minder dom en vreesachtig dan een stomme

slaaf geweest ware, zou een woord van dankbaarheid gesproken hebben,

al ware het slechts om mij met mijne vernedering te verzoenen. Waarom

draalt gij nog?--Vertrek."

De vermomde ridder zag bijna onwillekeurig naar den brief, als eene

verontschuldiging voor langer vertoef. Zij nam dien op terwijl zij

op een toon van spot en verachting zeide: "Ik had het vergeten--de

gehoorzame slaaf wacht op een antwoord op zijne boodschap.--Wat is

dat--van den Sultan!"

Zij doorlas schielijk den inhoud, die in het Arabisch en Fransch was

opgesteld, en toen zij geëindigd had, lachte zij met bittere gramschap.

"Nu, dit gaat alle verbeelding te boven!" zeide zij; "geen goochelaar

kan eene zoo spoedige verandering vertoonen. Hij kan zechynen en

byzantynen in duiten en marevadi veranderen; maar kan zijne kunst

een Christen ridder, die altijd onder de dappersten van den heiligen

kruistocht gerekend werd, in den het stof kussenden slaaf van een

heidenschen Sultan veranderen--den overbrenger van zijne onbeschaamde

voorstellen aan eene Christenmaagd--ja, hem zelfs de wetten der

ridderschap zoowel als van den Godsdienst doen vergeten! Maar het

baat niets, om tegen den gewilligen slaaf van een heidenschen hond

te spreken. Zeg aan uw meester, wanneer zijn geesel u eene tong zal

hebben doen vinden, wat gij mij hebt zien doen."--Dit zeggende wierp

zij den brief van den Sultan op den grond, en zette er haar voet

op.--"En zeg hem, dat Edith Plantagenet de hulde van een ongedoopten

Heiden versmaadt."

Met deze woorden was zij op het punt om zich snel van den ridder

te verwijderen, toen deze in bitteren zieleangst aan hare voeten

knielende, het waagde, zijne hand op haar gewaad te leggen en zich

tegen haar vertrek te verzetten.

"Hebt gij niet gehoord, wat ik gezegd heb, domme slaaf?" vroeg zij,

zich snel van hem afwendende, en met nadruk sprekende: "Zeg den

heidenschen Sultan, uw meester, dat ik zijn aanzoek even zeer veracht,

als ik het knielen van een onwaardigen afvallige van Godsdienst en

ridderschap--van God en zijne dame versmaad!"

Dit zeggende scheurde zij zich van hem los, rukte haar gewaad uit

zijne handen, en verliet de tent.

Buiten riep hem op hetzelfde oogenblik de stem van Neville. Uitgeput

en verstompt door de smart, die hij gedurende deze bijeenkomst

geleden had, en waarvan hij zich alleen door eene inbreuk op de met

Koning Richard aangegane overeenkomst had kunnen redden, waggelde

de ongelukkige ridder veeleer den Engelschen baron na, dan dat hij

hem naging, tot dat ze de koninklijke tent bereikten, waarvoor juist

een troep ruiters was afgestegen. Er was licht en beweging binnen

de tent, en toen Neville met zijn vermomden begeleider binnentrad,

vonden zij den Koning met verscheidene zijner edelen bezig om de pas

aangekomenen te verwelkomen.

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 28 / 36 题