HOOFDSTUK XXIV.

Een enkel stofje,

Hetwelk den purp'ren beker nauw bezoedelt

Baart afkeer van den drank, waarnaar wij smachten;

Een roestig staal, bij 't trouw kompas geplaatst

Leidt af de naald en doet soms schipbreuk lijden.

Zoo breekt een klein geschil, de minste veete,

't Verbond van trouw en vriendschap tusschen vorste,

En doet hun edelst plan in rook verdwijnen.

De kruistocht.

Voor den lezer kan thans weinig twijfel bestaan, wie de Ethiopische

slaaf werkelijk was; met welk voornemen hij Richard's kamp had

opgezocht, en waarom en met welke hoop hij nu dicht bij den persoon

van den monarch stond, terwijl Leeuwenhart, omringd door zijne dappere

pairs van Engeland en Normandië, op den top van den St. Georgeberg

stond, met de banier van Engeland naast zich, die door den dappersten

in het leger gedragen werd, door zijn natuurlijken broeder namelijk,

Willem met het lange zwaard, Graaf van Salisbury, de telg van de

liefde van Hendrik den Tweeden met de beroemde Rosamunde van Woodstock.

Uit verschillende uitdrukkingen in het gesprek van den Koning met

Neville, den vorigen dag gehouden, was de Nubiër in grooten twijfel

gebleven, of zijne vermomming niet doorgrond was, vooral daar de Koning

scheen te begrijpen, op welke wijze de hond den dief, die de banier

gestolen had, zou ontdekken, ofschoon de omstandigheid, dat zulk

een dier bij die gelegenheid gekwetst was, nauwelijks in Richard's

tegenwoordigheid was vermeld. Evenwel, daar de Koning voortging hem

op geene andere wijze te behandelen, dan zijn uiterlijk eischte,

bleef hij onzeker, of hij al dan niet ontdekt was, en hij besloot

zijne vermomming niet vrijwillig af te werpen.

Intusschen vereenigden zich de troepen der verschillende vorsten,

die zich bij den kruistocht gevoegd hadden, onder het bevel van hunne

koninklijke en vorstelijke aanvoerders geschaard, in lange rijen aan

den voet van de kleine hoogte; en terwijl die van de onderscheidene

natiën voorbijtrokken, stegen hunne bevelhebbers een of twee schreden

tegen den heuvel op, en betuigden aan Richard en aan den standaard van

Engeland hun eerbied, "tot een teeken van achting en vriendschap", zoo

als het protokol van de plechtigheid dit voorzichtig uitdrukte, "niet

van onderwerping of vasalschap." De geestelijke waardigheidsbekleeders,

welke in die dagen hunne mutsen niet voor stervelingen afnamen,

schonken den Koning en het zinnebeeld van zijn opperbevel hun zegen,

in plaats van eene buiging.

Zoo trokken de lange rijen voorbij, en ofschoon zij reeds door

velerlei oorzaken verzwakt waren, scheen het nog een ijzeren leger,

voor hetwelk de verovering van Palestina eene gemakkelijke taak kon

schijnen. De soldaten, bezield met het bewustzijn van vereenigde

kracht, zaten reeds op hunne stalen zadels, terwijl het scheen, dat

de trompetten vroolijker en scheller klonken, de rossen, door rust en

goed voeder verkwikt, knabbelden op hun gebit, trappelden ongeduldig

op den grond. Voorwaarts trokken ze, het eene korps na de andere,

met wapperende banieren, schitterende speren, wuivende vederbossen,

in een lange eindelooze reeks--een leger, bestaande uit verschillende

natiën, kleuren, talen, wapenen en kleederdrachten; maar allen voor

het oogenblik met het heilige en echt romantische voornemen bezield,

om de treurende dochter van Sion uit hare slavernij te bevrijden en

de heilige aarde, die door Een hooger dan alle sterfelijken betreden

was, van het juk der ongeloovigen Heidenen te verlossen. En men moet

erkennen, dat, zoo onder andere omstandigheden, de soort van hulde,

welke zoo vele krijgslieden aan den Koning van Engeland bewezen,

van wie hij geene verplichte gehoorzaamheid had te vorderen, in

schijn iets vernederends had, dan was toch de aard en oorzaak van

den oorlog zoo geschikt voor zijn uitstekend ridderlijk karakter en

zijne beroemde wapenfeiten, dat eischen, die men elders had kunnen

doen gelden, hier vergeten werden, en de dappere gewillig hulde aan

den dappersten betoonde in een kruistocht, waar de onverschrokkenste

en veerkrachtigste moed tot een goeden uitslag noodig was.

De goede Koning, te paard gezeten, had eene plaats ingenomen op

de helft der helling van den berg. Hij droeg een helm op het hoofd

met eene kroon daarboven, die zijne mannelijke trekken voor ieder

zichtbaar deden zijn, terwijl hij met een kalm en rustig oog, elke

rij, die hem voorbijtrok, monsterde en de begroeting der aanvoerders

beantwoordde. Zijn onderkleed was van hemelsblauw fluweel, met zilveren

platen bedekt, en zijne broek van karmozijn roode zijde, met goudstof

afgezet. Naast hem stond de gewaande Ethiopische slaaf, den edelen

hond aan een riem vasthoudend, zoo als bij de jagers gebruik was. Deze

omstandigheid viel volstrekt niet in het oog, want verscheiden vorsten

van den kruistocht hadden zwarte slaven in hunne huishouding ingevoerd,

in navolging van de heidensche pracht der Sarraceenen. Boven het hoofd

des Konings wapperde de banier in breede plooien, en terwijl hij van

tijd tot tijd daarop een blik wierp, scheen hij eene plechtigheid,

die, als hem persoonlijk betreffende, onverschillig was, gewichtig te

achten, wanneer die beschouwd werd als de boete voor eene beleediging,

jegens het koninkrijk, dat hij beheerschte. Op den achtergrond,

op den top zelven, stond een houten torentje, voor deze gelegenheid

opgericht, waarin de Koningin Berengaria en de voornaamste hofdames

zich bevonden. Daarheen zag de Koning van tijd tot tijd, en nu en dan

waren zijne oogen op den Nubiër en zijn hond gevestigd, maar alleen

dan, wanneer zulke aanvoerders naderden, die hij wegens vroegere

bewijzen van kwaadwilligheid vermoedde, dat zij deel aan den roof van

den standaard gehad hadden, of die hij tot zulk een lage misdaad in

staat oordeelde.

Zoo, bij voorbeeld, zag hij niet in die richting, toen Filips Augustus

van Frankrijk aan het hoofd van zijne prachtige korpsen van Gallische

ridders naderde--zelfs voorkwam hij de bewegingen van den Franschen

Koning, door van den berg af te dalen, terwijl de laatste er opsteeg,

zoodat zij elkander in het midden ontmoetten, en hunne begroeting

zoo vriendelijk wisselden, dat het scheen, of zij in broederlijke

gelijkheid waren bijeengekomen. Het tooneel van de twee grootste

vorsten van Europa, in rang zoowel als macht, die hunne eensgezindheid

zoo openlijk betuigden, verwekte eene uitbarsting van donderende

toejuichingen van het leger der kruisvaarders op verscheiden mijlen,

afstands, die de rondzwervende benden Arabieren van de woestijn

het kamp van Saladin deden vreezen, dat het leger der Christenen

in beweging was. Maar wie anders dan de Koning der Koningen kan

in het hart der Monarchen lezen? Onder dezen vleienden schijn van

hoffelijkheid koesterde Richard wrevel en verdenking tegen Filips,

en deze was er op bedacht om zich met zijne troepen van het leger van

het Kruis te verwijderen, en Richard achter te laten, om met zijne

eigen troepen de onderneming ten einde te brengen, of daarbij ten

gronde te gaan.

Richard's gedrag was geheel verschillend, toen de in het zwart

uitgeruste ridders en knapen van de Tempeliers naderden--mannen,

wier gelaat door de zon van Palestina tot eene Aziatische bronskleur

verbrand was; en de bewonderenswaardige toestand van wier paarden

en uitrusting zelfs die van de uitgezochtste troepen van Frankrijk

en Engeland overtrof. De Koning wierp een vluchtigen blik ter zijde,

maar de Nubiër stond pal, en zijn trouwe hond zat aan zijne voeten,

met een schranderen en toch tevreden blik de rijen, die hen thans

voorbijtrokken, beschouwende. De blik des Konings wendde zich weder

naar de ridderlijke Tempeliers, terwijl de Grootmeester, zich van

zijn tweeslachtig karakter bedienende, Richard zijn zegen schonk,

als priester, in plaats van hem zijn eerbied, als aanvoerder van een

legerkorps, te betoonen.

"De hoogmoedige, dubbelhartige schurk zendt den monnik op mij af",

zeide Richard tot den Graaf van Salisbury. "Maar, Langzwaard, wij

zullen het door de vingers zien. Te grootte gevoeligheid moet het

Christendom de diensten van deze ervaren lansen niet doen verliezen,

omdat hunne overwinningen hen trotsch gemaakt hebben.--Zie, daar komt

onze dappere tegenstander, de Hertog van Oostenrijk,--let op zijne

houding en wijze van zich te gedragen, Langzwaard--en gij, Nubiër,

laat den hond hem goed in het oog vatten. Bij den Hemel, hij brengt

zijne narren met zich!"

Inderdaad was Leopold, hetzij uit gewoonte, of, wat waarschijnlijker

is, om zijn geringschatting te kennen te geven voor de plechtigheid,

die hij op het punt was te verrichten, door zijn spreukspreker en

hofnar vergezeld; en terwijl hij Richard naderde, floot hij, als het

ware om zijne onverschilligheid te toonen, ofschoon zijne grove trekken

de norschheid, met vrees vermengd, verrieden, waarmede een ondeugende

schooljongen zijn leermeester nadert. Toen de onwillige vorst met

verstoorde en norsche blikken de geëischte buiging maakte, schudde

de spreukspreker met zijn stok, en riep als een heraut uit, dat de

Aartshertog van Oostenrijk, in hetgeen hij thans deed, niet geacht kon

worden, iets van den rang en de voorrechten van een souvereinen vorst

prijs te geven; waarop de nar met een luidklinkend amen antwoordde,

wat een schaterend gelach bij de omstanders teweegbracht.

Koning Richard zag meer dan eens naar den Nubiër en zijn hond,

maar de eerste bewoog zich niet, en de laatste trok geheel niet aan

den riem, zoodat Richard met eenige minachting tot den slaaf zeide:

"Uw uitslag in deze onderneming, mijn zwarte vriend, zal, ofschoon

gij de schranderheid van uw hond tot steun van de uwe gebruikt,

naar ik vrees, u niet zeer hoog in den rang der toovenaars plaatsen,

of uwe verdiensten jegens onzen persoon veel vermeerderen."

De Nubiër antwoordde, als naar gewoonte, slechts met eene diepe

buiging.

Intusschen trokken de troepen van den markies van Montserrat in orde

langs den Koning van Engeland. Die machtige en listige baron had,

om eene grootere vertooning met zijne troepen te maken, deze in twee

deelen gesplitst. Aan het hoofd van den eersten, bestaande uit zijne

vasallen en volgelingen, en gelicht uit zijne Syrische bezittingen,

reed zijn broeder Enguerran, en hij zelf volgde aan het hoofd van

eene dappere schaar van twaalf honderd Stradioten, eene soort van

lichte ruiterij, die de Venetiërs in hunne Dalmatische bezittingen

hadden gelicht, en waarvan zij het bevel aan den markies toevertrouwd

hadden, met wien de republiek op verschillende wijzen in verbintenis

stond. Deze Stradioten waren gedeeltelijk in Europeesch, maar

hoofdzakelijk in Oostersch gewaad gekleed. Zij droegen, weliswaar,

korte borstharnassen, maar hadden daarover bonte onderkleederen

van rijke stoffen, met wijde broeken en halve laarzen. Op hunne

hoofden droegen zij rechtopstaande mutsen, zooals die der Grieken,

en verder hadden zij kleine, ronde schilden, bogen en pijlen, sabels

en dolken. Zij zaten op met zorg gekozen paarden, die voor rekening

van de Republiek van Venetië goed onderhouden werden; hunne zadels

en hun tuig geleken naar die der Turken, en zij reden op dezelfde

wijze met korte stijgbeugels en op hooge zadels. Deze troepen waren

van groot nut in het schermutselen met de Arabieren, ofschoon zij

niet in staat waren, aan een strijd man tegen man deel te nemen,

gelijk de in ijzer gekleede krijgslieden van West- en Noord-Europa.

Aan het hoofd van deze schoone bende reed Koenraad in hetzelfde gewaad

als de Stradioten, maar van zulke rijke stoffen, dat hij van goud en

zilver scheen te schitteren, en de sneeuwwitte pluim, die aan zijne

muts met eene diamanten gesp bevestigd was, scheen bijna de wolken

te raken. Het edele ros, dat hij bereed, sprong en steigerde en legde

zijn vuur en zijne behendigheid aan den dag, op eene wijze welke een

minder voortreffelijken ruiter dan den markies had kunnen verlegen

maken, die het bevallig met de eene hand bestierde, terwijl hij in de

andere den staf hield, die schijnbaar getuigde van een even volstrekt

gezag over de rijen, die hij aanvoerde. Nochtans was zijn gezag over

de Stradioten meer in schijn dan in wezenlijkheid; want er reed naast

hem op een paard van de makste soort een klein oud man, geheel in

het zwart gekleed, zonder baard of knevels, en met een geheel gewoon

en onbeduidend voorkomen, wanneer men hem met de pracht en den glans

rondom hem vergeleek. Maar deze man, die er zoo onbeduidend uitzag,

was een van die afgevaardigden, welke de Venetiaansche regeering in

de kampen zond, om te letten op het gedrag der generaals, aan wie het

bevel toevertrouwd was, om dat ijverzuchtig stelsel van bespieding

en toezicht te handhaven dat van oudsher de staatkunde der republiek

onderscheiden had.

Koenraad, die door Richard's luim te vleien een zekere mate van gunst

bij hem verworven had, was hem nauwelijks in het oog gekomen, of de

Koning van Engeland daalde een paar schreden van den berg om hem te

gemoet te gaan, te gelijker tijd uitroepende: "Zoo, heer markies, gij

aan het hoofd der vlugge Stradioten, en uwe zwarte schaduw vergezelt

u als gewoonlijk, hetzij de zon schijnt of niet!--Mag men u vragen,

of de bestiering der troepen bij de schaduw of bij het wezen berust?"

Koenraad wilde met een glimlach antwoorden, toen Roswal met een

woedend en wild gehuil vooruit sprong. De Nubiër liet te gelijker

tijd het riem los, en de hond, voortijlende, sprong op het edele

ros van Koenraad, en den markies bij de keel vattende, scheurde hij

hem van het zadel. De gevederde ruiter wentelde in het zand, en het

verschrikte paard vloog in wilden loop door de legerplaats.

"Ik wed, dat uw hond het rechte wild heeft geveld," zeide de Koning

tot den Nubiër, "en ik zweer bij St. George, dat het een hert van tien

takken is!--Scheur den hond van hem af, anders zal hij hem worgen."

De Ethiopiër maakte op dit bevel, ofschoon niet zonder moeite, den

hond van Koenraad los, en bond hem vast, terwijl het dier nog steeds

woedend zich van het riem trachtte los te maken. Intusschen liep er

een groote hoop naar de plek te zamen, voornamelijk volgelingen van

Koenraad en officieren der Stradioten, die, toen zij hun aanvoerder

daar zagen liggen, wild ten hemel starende, hem ophieven onder het

heftig geschreeuw van: "Houwt den slaaf en zijn hond in stukken!"

Maar de stem van Richard, luid en krachtig klinkend, liet zich

duidelijk boven al het ander geschreeuw hooren.--"Hij is des doods,

die zich aan den hond vergrijpt! Hij heeft niets gedaan dan zijn

plicht, volgens de schranderheid, die God en de natuur het brave dier

geschonken hebben.--Treed voor als een valsch verrader, gij Koenraad,

graaf van Montserrat! Ik klaag u aan van verraad."

Verscheiden Syrische aanvoerders waren er nu bij gekomen, en Koenraad,

bij wien ergernis en schaamte en verwarring met drift in zijne

houding en stem kampten, riep uit: "Wat beteekent dit?--Waarvan word

ik beschuldigd?--Waarom deez lage behandeling en deze verwijtende

woorden?--Is dit het verbond van eendracht, dat Engeland eerst zoo

kort geleden vernieuwd heeft?"

"Zijn de vorsten van den kruistocht hazen of herten geworden in de

oogen van Koning Richard, dat hij de honden tegen hen loslaat?" vroeg

de ruwe stem van den grootmeester der Tempeliers.

"Het moet eenig boos voorval--eenige ongelukkige misvatting zijn--"

zeide Filips van Frankrijk, die op dit oogenblik kwam aanrijden.

"Eenig bedrog van den vijand," zeide de aartsbisschop van Tyrus.

"Een krijgslist van de Sarraceenen," riep Hendrik van Champagne.--"Het

zou goed zijn, den hond op te hangen, en den slaaf op de pijnbank

te leggen."

"Laat niemand de hand naar hem uitsteken," zeide Richard, "zoo hij

zijn eigen leven lief heeft.--Koenraad, treed voorwaarts, zoo gij

durft, en ontken de beschuldiging, die dit stomme dier in zijn edel

instinkt tegen u aangevoerd heeft, door u de aangedane beleediging

en den smadelijken hoon tegen Engeland ten laste te leggen."

"Ik heb de banier nooit aangeraakt," zeide Koenraad haastig.

"Uwe woorden verraden u, Koenraad!" hernam Richard, "want hoe wist

gij, behalve door de bewustheid van uwe schuld, dat de vraag de

banier betreft?"

"Hebt gij het leger om deze en geene andere reden in beweging

gebracht!" antwoordde Koenraad; "en verwijt gij aan een vorst en

bondgenoot eene misdaad, die, ten slotte, waarschijnlijk door den een

of anderen lagen dief om het gouddraad begaan werd? of zoudt gij een

bondgenoot op gezag van een hond willen beschuldigen?"

Op dit oogenblik werd het oproer algemeen, zoodat Filips van Frankrijk

tusschen beide kwam.

"Vorsten en edelen," zeide hij, "gij spreekt in tegenwoordigheid

van diegenen, wier zwaarden weldra tegen elkander zullen getrokken

zijn, als zij hunne aanvoerders zulke woorden hooren wisselen. In des

Hemels naam, laat ons elk zijne eigen troepen naar hunne bijzondere

kwartieren wegvoeren, en wij zelven binnen een uur in de tent van den

raad bijeenkomen, om op dezen nieuwen toestand van verwarring eenige

orde te stellen."

"Toegestaan," hernam Koning Richard; "ofschoon ik gaarne dezen

ellendeling verhoord had, terwijl zijn bont jak nog met zand bemorst

was.--Maar de wil van Frankrijk zal in deze zaak de onze zijn."

De aanvoerders scheidden dus, zoo als voorgesteld was, terwijl ieder

vorst zich aan het hoofd van zijne eigen troepen plaatste. Toen

hoorde men van alle zijden het krijgsgeschreeuw, en de signalen

tot verzameling van horens en trompetten, welke de verschillende

verstrooide soldaten onder de banier van hun vorst terugriepen; en

binnen korten tijd zag men de troepen in beweging, terwijl ieder

een verschillenden weg door het kamp naar zijn eigen kwartier

nam. Maar ofschoon men op deze wijze elke onmiddellijke daad van

geweld voorkwam, bleef de indruk van 't geen plaats gehad had in

aller gemoederen heerschen; en de vreemdelingen, welke dien morgen

Richard als den waardigsten bevelhebber van het leger begroet

hadden, vatten thans hunne vooroordeelen tegen zijn hoogmoed en

zijne onverdraagzaamheid weder op, terwijl de Engelschen, die

begrepen, dat de eer van hun vaderland gemengd was bij den twist,

waaromtrent verschillende geruchten in omloop waren, de inboorlingen

van andere landen beschouwden als naijverig op den roem van Engeland

en zijn Koning, en genegen, om dezen door de laagste kuiperijen te

ondermijnen. Veelvuldig en velerlei waren de geruchten, die bij deze

gelegenheid verspreid werden; en er was er een, hetwelk bevestigde,

dat de Koningin en hare dames door het rumoer zeer verontrust waren,

en dat eene van haar in zwijm was gevallen.

De raad vergaderde op het bepaalde uur. Koenraad had intusschen zijn

bezoedeld gewaad afgelegd, en daarmede de schaamte en verwarring,

welke hem, in weerwil van zijne vlugheid en bekwaamheden, in het

eerst overstelpt hadden, en door het zonderlinge van het voorval

en het plotselinge van de beschuldiging veroorzaakt waren. Hij was

thans als prins gekleed, en trad in de raadkamer, vergezeld door

den aartshertog van Oostenrijk, den grootmeester van de Tempeliers

en dien van de orde van St. Jan en verscheidene andere grooten,

die zich hoofdzakelijk misschien om staatkundige beweegredenen,

of uit persoonlijke vijandschap tegen Richard, het aanzien gaven,

dat zij hem ondersteunden of het met zijne zaak hielden.

Deze schijn van eensgezindheid ten gunste van Koenraad was ver van

eenigen invloed op den Koning van Engeland te hebben. Hij trad in den

raad met zijne gewone onverschilligheid van manieren, en in dezelfde

kleeding, waarin hij zoo even van het paard gestegen was. Hij wierp een

zorgeloozen en eenigszins verachtelijken blik op de aanvoerders, die

zich met in het oog vallend vertoon rondom Koenraad geschaard hadden,

alsof zij zijne zaak als de hunne beschouwden, en beschuldigde in de

duidelijkste bewoordingen Koenraad van Montserrat, dat hij de banier

van Engeland gestolen, en het getrouwe dier, dat zijn verdediging

had beproefd, gekwetst had.

Koenraad stond vermetel op om te antwoorden, en ten spijt, zoo als

hij zich uitdrukte, van man en dier, Koning of hond, betuigde hij

zijne onschuld aan de hem aangetijgde misdaad.

"Broeder van Engeland," zeide Filips, die gaarne de rol van bemiddelaar

der vergadering op zich nam, "dit is een ongewone aanklager. Wij

hooren niet, dat gij uwe eigen kennis van de zaak betuigt, maar dat

uw geloof in het gedrag van dezen jachthond tegen den markies van

Montserrat berust. Voorwaar, het woord van een ridder en vorst moest

meer dan het geblaf van een gemeenen hond gelden."

"Koninklijke broeder," hernam Richard, "herinner u, dat de Almachtige,

die ons den hond tot metgezel van onze vermaken en moeilijkheden

gegeven heeft, hem eene edele natuur heeft geschonken, die niet tot

bedriegen in staat is. Hij vergeet vriend noch vijand--herinnert zich,

met de grootste nauwkeurigheid, weldaden en beleedigingen. Hij heeft

een deel van het verstand der menschen, zonder hunne valschheid

te deelen. Gij kunt een soldaat omkoopen, om iemand met zijn

zwaard te vermoorden, of een getuige, om hem het leven door eene

valsche beschuldiging te benemen; maar gij kunt niet maken, dat een

hond zijn weldoener bijt--hij is de vriend des menschen, behalve

wanneer deze terecht zich zijne vijandschap op den hals haalt. Kleed

gindschen markies in welke pauwenveeren gij ook wilt--vermom zijn

voorkomen--verander zijn vel door kruiden en blanketsel--verberg

hem onder honderd anderen--en ik wil nog mijn scepter verwedden, dat

de hond hem ontdekt en zijne gramschap op dezelfde wijze als heden

uit. Dit is geen nieuw voorval, ofschoon het vreemd is. Moordenaars

en roovers zijn voor langen tijd reeds door zulke bewijzen overtuigd

geworden, en hebben de doodstraf ondergaan, en men zeide, dat de

vinger Gods daarin te zien was. In uw eigen land, koninklijke broeder,

en bij eene dergelijke gelegenheid, werd de zaak beslist door een

plechtig tweegevecht tusschen den man en den hond, als beschuldiger

en verweerder in eene zaak van moord. De hond zegepraalde, de man

bekende de misdaad en werd gestraft. Geloof mij, koninklijke broeder,

dat verborgen misdaden dikwijls aan het licht gebracht zijn door het

getuigenis zelfs van onbezielde dingen, om niet te spreken van dieren,

welke in natuurlijke schranderheid ver beneden den hond zijn, die de

vriend en metgezel is van ons geslacht."

"Zulk een tweegevecht heeft inderdaad plaats gehad, koninklijke

broeder," antwoordde Filips, "en dat onder de regeering van een onzer

voorgangers, dien God genadig zij. Maar het was in den ouden tijd, en

wij kunnen het voor geen voorbeeld houden, dat voor deze gelegenheid

past. De verweerder in dat geval was een bijzonder man, van geringen

rang en weinig aanzien; zijne wapenen tot aanval waren slechts eene

knots, die tot verdediging een lederen wambuis. Maar wij kunnen een

vorst tot zulke ruwe wapenen of zulk een gevecht niet vernederen."

"Dat was ook nooit mijne meening," hervatte Koning Richard; "het

zou een boos spel zijn, het leven van den goeden hond te wagen tegen

dat van zulk eenen dubbeltongigen verrader, als deze Koenraad zich

betoond heeft. Maar hier ligt onze eigen handschoen--wij dagen hem

ten strijd uit, ter handhaving van de beschuldiging, die wij tegen

hem ingebracht hebben.--Een Koning, ten minste, is geen te geringe

partij voor een markies."

Koenraad maakte geen haast, om het pand op te vatten, dat Richard in

het midden van de vergadering wierp, en Filips had den tijd om te

antwoorden, eer de markies eene beweging maakte, om den handschoen

op te nemen.

"Een Koning," zeide hij, "is eene partij zoo veel verheven boven

den markies Koenraad, als een hond beneden hem zou zijn. Koninklijke

Richard, dit kan niet toegestaan worden. Gij zijt de aanvoerder van

onzen krijgstocht--het zwaard en het schild van het Christendom."

"Ik protesteer tegen zulk een strijd," zeide de Venetiaansche

proveditore, "tot dat de Koning van Engeland de vijftigduizend

byzantynen zal betaald hebben, die hij der republiek schuldig is. Het

is genoeg, zoo wij bedreigd worden met het verlies van onze schuld,

wanneer onze schuldenaar door de hand der Heidenen valt, zonder het

bijkomende gevaar, dat hij in twisten onder Christenen over honden

en banieren doodgeslagen wordt."

"En ik," zeide Willem met het lange zwaard, graaf van Salisbury,

"protesteer op mijne beurt er tegen, dat mijn koninklijke broeder zijn

leven in zulk eene zaak in gevaar begeeft, daar dit het eigendom van

het volk van Engeland is.--Hier, edele broeder, neem uw handschoen

weder terug, en denk slechts, dat de wind u dien van de hand had

geblazen. De mijne zal in zijne plaats liggen. Een Konings zoon,

ofschoon hij de balk op zijn schild aan de linkerzijde heeft, is ten

minste eene partij voor deze meerkat van een markies."

"Vorsten en edelen," zeide Koenraad, "ik zal de uitdaging van

Koning Richard niet aannemen. Hij is tot onzen bevelhebber tegen

de Sarraceenen gekozen; en indien zijn geweten de beschuldiging

verantwoorden kan, een bondgenoot om zulk eene beuzelachtige reden

uitgedaagd te hebben, zoo kan het mijne, ten minste, het verwijt

van den strijd aangenomen te hebben, niet verdragen. Maar wat zijn

bastaardbroeder, Willem van Woodstock betreft, of ieder ander,

die deze allervalschste aanklacht zal durven aannemen of verdedigen,

tegen dien zal ik mijne eer in het strijdperk beschermen, en bewijzen,

dat elk, die mij deze aanwrijft, een valsch leugenaar is."

"De markies van Montserrat," zeide de Aartsbisschop van Tyrus, "heeft

gesproken als een wijs en bedaard edelman; en mij dunkt dat deze twist,

zonder schande voor eene van beide partijen, hier wel kon eindigen."

"Mij dunkt, zij kon zoo ten einde gebracht worden," zeide de Koning

van Frankrijk, "mits Koning Richard zijne beschuldiging wil herroepen,

als op al te lichtvaardigen grond gedaan."

"Filips van Frankrijk," antwoordde Leeuwenhart, "mijne woorden

zullen mijne gedachten nooit zoo veel oneer aandoen. Ik heb alleen

Koenraad van diefstal beschuldigd, omdat hij onder begunstiging van

den nacht het teeken van Engeland's waardigheid van zijne plaats heeft

gestolen. Ik geloof en klaag hem nog als zoodanig aan; en indien er

een dag voor den strijd bepaald wordt, twijfel niet, daar Koenraad

weigert om met ons te strijden, of ik zal een kampvechter vinden,

die verschijnt, om aan mijne uitdaging gevolg te geven; want gij,

Willem, moet uw lang zwaard niet zonder ons bijzonder verlof in dezen

twist gebruiken."

"Daar mijn rang mij tot scheidsman in deze allerongelukkigste zaak

maakt," antwoordde Filips van Frankrijk, "zoo bepaal ik dat heden over

vijf dagen tot beslissing ervan, bij wijze van tweegevecht, volgens

ridderlijk gebruik--Richard, Koning van Engeland, zal verschijnen

vertegenwoordigd door zijn kampvechter als aanklager, en Koenraad,

markies van Montserrat, in zijn eigenen persoon, als aangeklaagde. Maar

ik beken, dat ik geen onzijdigen grond weet te vinden, waar zulk een

twist kan bevochten worden; want het moet niet in de nabijheid van

dit kamp zijn, waar de soldaten van beide zijden partij zouden kiezen."

"Het ware goed," hernam Richard, "zoo wij een beroep deden op de

edelmoedigheid van den koninklijken Saladin, daar ik, hoewel hij een

heiden is, nooit een ridder gekend heb, die rijker is aan waren adel,

of op wiens trouw wij ons zoo onvoorwaardelijk verlaten kunnen. Ik

spreek hier voor hen, welke eenig ongeluk mochten vreezen--wat mij

zelven betreft, overal, waar ik mijn vijand zie, is mijn strijdperk."

"Het zij zoo," hervatte Filips; "wij zullen Saladin met deze zaak in

kennis stellen, ofschoon wij daardoor aan een vijand den ongelukkigen

geest van tweedracht verraden, dien wij gaarne, zoo het mogelijk was,

onder ons zelven zouden willen verbergen. Intusschen sluit ik onze

vergadering, en belast u allen, als Christenen en edele ridders,

om te zorgen, dat deze ongelukkige twist geen verderen strijd in

de legerplaats verwekke; maar dat gij het als eene zaak beschouwt,

die eerbiedig aan het Godsoordeel is overgelaten. Elk van u bidde

den Heer, dat Hij de overwinning in den strijd naar waarheid van den

twist beschikke; en hiermede geschiedde zijn heilige wil!"

"Amen, amen!" antwoordde men van alle zijden; terwijl de tempelier

den markies toefluisterde: "Koenraad, zult gij er niet eene bede

bijvoegen, dat gij van het geweld van den hond moogt bevrijd worden,

zooals de Psalmist zegt?"

"Zwijg stil," antwoordde de markies, "er is een duivel opgestaan,

die, onder andere dingen u kan berichten, hoever gij het motto van

uw orde moet drijven--Feriatur leo (dat de leeuw geveld worde!)"

"Zult gij op de uitdaging verschijnen?" vroeg de Tempelier.

"Twijfel niet aan mij," antwoordde Koenraad. "Ik zou inderdaad niet

gaarne tegen den ijzeren arm van Richard zelven opgetreden zijn, en

ik schaam mij niet te bekennen, dat ik blijde ben, hiervan ontslagen

te zijn. Maar van zijn bastaardbroeder af, is er geen man in zijne

gelederen, dien ik vrees onder de oogen te zien."

"Het is goed, dat gij zoo veel vertrouwen hebt," vervolgde de

tempelier; "en in dat geval hebben de klauwen van dien hond meer

gedaan, om dit verbond van vorsten te ontbinden, dan uwe kunstgrepen,

of de dolk van den Charegiet. Ziet gij hoe, onder een gedwongen somber

gelaat, Filips de voldoening niet kan verbergen, die hij gevoelt over

het vooruitzicht van oplossing van het verbond, dat zoo zwaar op

zijn nek drukte? Let op, hoe Hendrik van Champagne bij zich zelven

glimlacht, gelijk een fonkelende beker van zijn eigen wijn--en zie

het blijkbaar genot van den Hertog van Oostenrijk, die denkt, dat

zijn geschil op het punt is van gewroken te worden, zonder gevaar of

last voor zijn eigen persoon. Stil, hij nadert.--Een zeer ongelukkig

toeval, mijn koninklijke aartshertog, dat deze inbreuken op de muren

van ons Sion...."

"Zoo gij dezen kruistocht bedoelt," antwoordde de hertog, "zoo wenschte

ik, dat die geëindigd ware, en ieder veilig in huis was.--Ik zeg dit

in vertrouwen."

"Maar," zeide de markies van Montserrat, "te denken, dat deze

oneenigheid door de handen van Koning Richard ontstaan is, ten wiens

wil wij ons vergenoegd hebben zooveel te verduren, en jegens wien

wij zoo onderdanig zijn geweest, als slaven jegens een meester, in

de hoop, dat hij zijne dapperheid tegen onze vijanden zou aanwenden,

in plaats van ze tegen onze vrienden uit te oefenen!"

"Ik zie niet, dat hij zoo veel dapperder is dan anderen," hernam de

aartshertog. "Ik geloof, dat zoo de edele markies hem in het strijdperk

ontmoet had, deze overwinnaar zou geworden zijn; want ofschoon de

eilander zware slagen met de strijdbijl uitdeelt, is hij toch met

de lans zoo behendig niet. Het zou mij weinig bekommerd hebben;

om hem wegens onze oude twist te bevechten, indien het welzijn van

het Christendom aan twee oppermachtige vorsten vergund had, om tegen

elkander in het strijdperk te verschijnen.--En zoo gij het begeert,

edele markies, dan wil ik zelf uw getuige in dezen strijd zijn."

"En ik ook," zeide de grootmeester.

"Komt aan en houdt uw middagmaal in onze tent, edele heeren," zeide

de hertog, "en wij zullen bij een glas echten Niersteiner over deze

zaak spreken."

Zij gingen dien ten gevolge te zamen binnen.

"Wat spraken onze beschermer en die groote lieden met elkaar?" vroeg

Jonas Schwanker aan zijn metgezel, den spreukspreker, die de vrijheid

genomen had, om in de nabijheid van zijn meester te dringen, toen de

raad uitging, terwijl de nar op meer eerbiedigen afstand wachtte.

"Dienaar der dwaasheid," zeide de spreukspreker, "matig uwe

nieuwsgierigheid--het past niet, dat ik u de beraadslagingen van

onzen meester verhale."

"Man der wijsheid, gij vergist u," antwoordde Jonas; "wij zijn beide

bestendige begeleiders van onzen beschermer, en er is ons beiden

even veel aan gelegen, om ze te weten--hetzij gij of ik--wijsheid of

dwaasheid--het meest bij hem gelden."

"Hij zeide tot den markies," hernam de spreukspreker, "en den

grootmeester, dat hij deze oorlogen moede was, en blijde zou zijn,

als hij veilig te huis was."

"Dat is een worp, die voor niets in het spel geldt," hervatte de nar;

"het was zeer wijs dit te denken, maar groote dwaasheid het aan

anderen te zeggen--ga voort."

"Ja, zoo!" zeide de spreukspreker; "hij zeide hun vervolgens, dat

Richard niet dapperder was dan anderen, of bijzonder behendig in

het strijdperk."

"O dwaasheid boven dwaasheid," antwoordde Schwanker; "dat behoort

tot mij. Wat meer?"

"Wel, ik ben een weinig vergeetachtig;" hernam de man der

wijsheid--"hij noodigde hen op een beker Niersteiner."

"Dit heeft een schijn van wijsheid," zeide Jonas; "gij, kunt dit

intusschen op uw credit zetten; maar zoo hij te veel drinkt, gelijk

zeer waarschijnlijk is, dan komt het op het mijne. Nog iets meer?"

"Niets merkwaardigs," antwoordde de redenaar; "alleen wenschte hij,

dat hij de gelegenheid aangegrepen had, om Richard in het strijdperk

te ontmoeten."

"Weg daarmede--weg daarmede!" riep Jonas uit--"dit is zulk eene

overmaat van dwaasheid, dat ik mij bijna schaam, het spel daardoor

te winnen.--Evenwel, hoe zot hij ook is, wij zullen hem volgen,

zeer wijze spreukspreker, en ons deel van den Niersteiner nemen."

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 27 / 36 题