HOOFDSTUK XXVI.

"Mijn tranenvloed moet eeuwig duren!

Geen minnaars afzijn doet ze vloeien;

Want mooglijk zullen blijder uren

Ons mingenot op nieuw doen bloeien.

'k Beween geen afgestorven vrinden:

Hun smart en zorgen zijn verdwenen;

En weldra zal 'k hen wedervinden,

De bleeke dood zal ons hereenen."

Maar zwaarder kamp verbleekt haar kaken:

Haar minnaar heeft zijne eer verloren;

En krijgsroem deed haar hart steeds blaken,

Zij was in eedlen stand geboren--

Ballade.

Men hoorde de gulle en krachtige stem van Richard in vroolijke

begroeting.

"Thomas de Vaux! dappere Toms van de Gills! bij het hoofd van Koning

Hendrik, gij zijt mij zoo welkom, als ooit eene flesch wijn aan een

lustigen drinkebroer! Ik zou nauwelijks mijn leger in slagorde hebben

weten te schikken, zoo ik niet uwe zwaarlijvige gedaante voor mijn oog

gehad had als een paal, om mijne gelederen daarnaar te richten. Wij

zullen spoedig slagen krijgen, Thomas, zoo de heiligen ons genadig

zijn; en indien wij in uwe afwezigheid gevochten hadden, dan zou ik

het bericht tegemoet gezien hebben, dat men u aan een vlierboom had

opgehangen gevonden."

"Ik zou mijne teleurstelling met meer christelijk geduld gedragen

hebben, vertrouw ik," antwoordde Thomas de Vaux, "dan dat ik

den dood van een afvalligen zou gestorven zijn. Maar ik dank uwe

Majesteit voor mijne verwelkoming, die te edelmoediger is, daar zij

een gastmaal van slagen betreft, waarvan gij, met uw verlof gezegd,

altijd genegen zijt om u het grootste deel toe te eigenen; maar hier

heb ik iemand medegebracht, wien, zooals ik zeker weet, uwe Majesteit

een nog hartelijker welkom zal toeroepen."

De persoon, die thans voorwaarts trad, om voor Richard zijne buiging te

maken, was een jongeling van kleine gestalte en tengere vormen. Zijne

kleeding was even zedig als zijn voorkomen onbeduidend was; maar hij

droeg op zijne muts eene gouden gesp met een edelgesteente, waarvan

de glans kon geëvenaard worden door het schitterende oog, dat door

de muts overschaduwd werd. Het was de eenige sprekende trek in zijn

gelaat; maar wanneer men dien eenmaal opmerkte, dan maakte hij een

onwederstaanbaren indruk op den aanschouwer. Om zijn hals hing in eene

sjerp van hemelsblauwe zijde een stemhamer voor de harp van echt goud.

Deze man wilde eerbiedig voor Richard nederknielen; maar de monarch

hief hem vroolijk en ijlings op, drukte hem vurig aan zijn hart,

en kuste hem op beide wangen.

"Blondel de Nesle!" riep hij vol blijdschap uit--"welkom van Cyprus,

mijn koning der minnezangers! welkom bij den Koning van Engeland,

die zijne eigen waardigheid niet hooger dan de uwe acht. Ik ben ziek

geweest, man, en bij mijne ziel, ik geloof dat het kwam, omdat ik

u miste; want, al ware ik halfweg naar de hemelpoort, mij dunkt uwe

liederen zouden mij terugroepen.--En wat nieuws, mijn lieve meester,

van het land der lier? Iets nieuws van de Trouveurs van Provence?--iets

van de minnezangers van het vroolijke Normandië?--En bovenal, zijt

gij zelf aan 't werk geweest?--Maar ik behoef u niet te vragen--gij

kunt niet lui zijn, al wildet gij het--uwe edele hoedanigheden zijn

gelijk aan een inwendig brandend vuur, en dwingen om u in muziek en

zang uit te storten."

"Iets heb ik geleerd, en iets heb ik gedaan, edele Koning," antwoordde

de beroemde Blondel met zedige bescheidenheid, die alle geestdriftige

bewondering van zijne bekwaamheid niet in staat geweest was te

verbannen.

"Wij zullen u hooren, man--wij zullen u dadelijk hooren," zeide

de Koning;--daarna Blondel vriendelijk op den schouder kloppende,

voegde hij er bij, "dat is te zeggen, als gij niet door uwe reis

vermoeid zijt; want ik wilde liever mijn beste paard dood rijden,

dan eene noot van uwe stem te schenden."

"Mijne stem is, als altijd, ten dienste van mijn koninklijken

beschermer," hervatte Blondel; "maar uwe Majesteit," voegde hij er

bij, met een blik op eenige papieren op tafel, "schijnt gewichtiger

bezigheden te hebben, en het wordt reeds laat."

"Niet in het minst, man, niet in het minste, mijn dierbaarste

Blondel. Ik heb slechts een slagorde tegen de Sarraceenen ontworpen,

de zaak van een oogenblik--bijna even zoo schielijk gedaan als hen

op de vlucht gejaagd."

"Mij dunkt evenwel," zeide Thomas de Vaux, "dat het niet ongeschikt

ware, om te onderzoeken, welke soldaten uwe Majesteit in slagorde te

stellen heeft. Ik breng te dien opzichte berichten van Ascalon."

"Gij zijt een muilezel, Thomas," hernam de Koning--"een ware muilezel

in domheid en stijfhoofdigheid!--Komt, edelen,--plaatst u rondom

hem. Geef Blondel den zetel--waar is zijn harpdrager?--of neen,--leent

hem mijne harp, de zijne kan door de reis geleden hebben."

"Ik wenschte, dat uwe Majesteit mijn bericht wilde aanhooren," zeide

Thomas de Vaux. "Ik heb een verren rit gedaan, en heb meer zin naar

mijn bed, dan om mij de ooren te doen kittelen."

"Uwe ooren gekitteld!" riep de Koning uit; "dat moet met eene

snippeveer geschieden, en niet met zachte klanken. Luister, Thomas,

kunnen uwe ooren het gezang van Blondel van het gebalk van een ezel

onderscheiden?"

"Waarlijk, mijn Koning," hervatte Thomas, "ik kan het niet juist

zeggen; maar Blondel, die een geboren edelman is, en zonder twijfel

groote talenten bezit, uitgezonderd, zal ik in het vervolg wegens de

vraag van uwe Genade, nooit een minnezanger aanzien, of ik zal aan

een ezel denken."

"En kon uwe beleefdheid," zeide Richard, "ook mij uitgezonderd hebben,

daar ik zoo wel een geboren edelman ben als Blondel, en even als hij

een gildebroeder van de vroolijke kunst?"

"Uwe Majesteit moet zich herinneren," antwoordde de Vaux glimlachende,

"dat het nutteloos is, beleefdheid bij een muilezel te zoeken."

"Zeer waar gesproken," hervatte de Koning; "en een slecht geschapen

dier zijt gij.--Maar kom hier, meester muilezel, en ontlaad u,

opdat gij naar uw leger kunt gaan, zonder dat er eenige muziek aan

u verkwist wordt.--Intusschen, goede broeder van Salisbury, gaat gij

naar de tent van onze gemalin, en zeg haar, dat Blondel is gekomen,

met een zak vol van de nieuwste minnezangers kunst.--Verzoek haar

om dadelijk te komen, en begeleid haar, en zie toe, dat onze nicht,

Edith Plantagenet, niet achterblijve."

Zijn oog rustte toen voor een oogenblik op den Nubiër, met die

uitdrukking van twijfel, die zijn gelaat gewoonlijk aan den dag legde,

wanneer hij hem aanzag.

"Ha, onze stilzwijgende en geheime lastdrager is teruggekeerd?--Neem

plaats, slaaf, achter de Neville, en gij zult zoo terstond klanken

hooren, die u God zullen doen zegenen, dat Hij u liever met stomheid

dan met doofheid bezocht heeft."

Dit zeggende, wendde hij zich van het overige gezelschap af naar de

Vaux, en verdiepte zich dadelijk in de berichten, omtrent militaire

aangelegenheden, welke de baron hem voorlegde.

Tegen den tijd, dat het gehoor van den lord van Gilsland geëindigd was,

kondigde een bode aan, dat de Koningin en haar gevolg de koninklijke

tent naderden.--"Een flesch wijn, hola!" riep de Koning; "van den

langgespaarden Cypruswijn van den ouden Koning Izaäk, dien wij buit

gemaakt hebben bij het bestormen van Famagusta--vult den dapperen

lord van Gilsland een beker--nooit had een Vorst een meer zorgvollen

en getrouwen dienaar."

"Het verheugt mij," antwoordde Thomas de Vaux, "dat uwe Majesteit den

muilezel een nuttigen slaaf acht, ofschoon zijne stem minder muzikaal

is dan paardenhaar of koperdraad."

"Hoe, kunt gij die scherts omtrent een muilezel nog niet

verdragen?" hervatte Richard. "Wasch die met een bruisenden beker

af, man, of gij zult er nog in stikken.--Goed geledigd!--en nu zal

ik u zeggen, gij zijt een krijgsman, zoowel als ik, en wij moeten

elkanders schertsen in de zaal verdragen, zoowel als elkanders

stooten in het toernooi, en elkander des te meer liefhebben, hoe

harder wij treffen. Op mijn woord, zoo gij mij in onzen laatsten

strijd niet even hard getroffen hebt, als ik u, dan hebt gij toch al

uw verstand bij den stoot verbruikt. Maar hier ligt het onderscheid

tusschen u en Blondel. Gij zijt slechts mijn makker--mijn kweekeling

zou ik kunnen zeggen--in de krijgskunst, Blondel is mijn meester in

de kunst der minnezangers en de muziek. U vergun ik de vrijheid der

vertrouwelijkheid--hem moet ik eerbied bewijzen, als mijn meerdere

in zijne kunst. Kom, man, wees niet verdrietig, maar blijf en hoor

ons gezang."

"Uwe Majesteit, in een zoo vroolijken luim te zien," hernam de lord

van Gilsland, "op mijn woord, dit zou er mij toe kunnen brengen, dat

ik bleef, totdat Blondel de groote romance geëindigd had van Koning

Arthur, die drie dagen duurt."

"We willen uw geduld niet op zoo harde proef stellen," hervatte

de Koning. "Maar zie, die toortsglans daar buiten bewijst, dat

onze gemalin nadert.--Ga schielijk heen om haar te ontvangen,

vriend, en verwerf goede gunst in de schitterendste oogen van

het Christendom.--Neen, houd u niet op, om uw mantel in orde te

brengen. Zie, gij hebt Neville tusschen den wind en de zeilen uwer

gallei laten komen."

"Hij was op het slagveld mij nooit vóór," zeide de Vaux, niet

bijzonder tevreden, dat hij door den grooten dienstijver van den

kamerheer voorkomen was.

"Neen, noch hij noch iemand anders is u daar voorgekomen, mijn goede

Tom van Gills," zeide de Koning, "zoo niet wij zelven het tusschen

beide waren."

"Ja, mijn Koning," hernam de Vaux, "en laat ons den ongelukkigen

recht laten wedervaren;--de ongelukkige ridder van den Luipaard is

ook eens vóór mij geweest; want, ziet gij, hij weegt minder te paard,

en dus...."

"Stil!" zeide de Koning hem op bevelenden toon in de rede vallende,

"geen woord van hem," en hij stapte terstond voorwaarts, om zijne

koninklijke gemalin te begroeten; en na dit gedaan te hebben, stelde

hij haar Blondel als Koning der minnezangers en zijn meester in de

vroolijke wetenschap voor. Berengaria, die wel wist, dat de neiging

van haar gemaal voor dichtkunst en muziek bijna zijne zucht naar

krijgsroem evenaarde, en dat Blondel zijn bijzondere gunsteling was,

droeg de grootste zorg om hem met al de vleiende onderscheiding te

ontvangen, die zij verschuldigd was aan hem, dien het den Koning

een genoegen was te eeren. Toch was het blijkbaar, dat, ofschoon

Blondel naar behooren bij de komplimenten, waarmede hij wat te ruim

door de Koningin overstelpt werd, antwoordde, hij met dieper eerbied

en nederiger dankbaarheid de eenvoudige en aanvallige verwelkoming

van Edith erkende, daar hare korte begroeting hem misschien in

evenredigheid van de kortheid en eenvoudigheid oprechter toescheen.

Zoowel de Koningin als de Koning bemerkten dit onderscheid, en Richard

ziende, dat zijne gemalin eenigszins boos was over de voorkeur, die

aan zijne nicht betoond werd, en die hem misschien zelf niet zeer

aangenaam was, zeide, zoodat beide het hoorden,--"en minnezangers,

Berengaria, zoo als gij aan het gedrag van onzen meester Blondel zien

kunt, betoonen een grooter eerbied aan een gestrengen rechter, zooals

onze bloedverwante, dan aan een welwillenden, partijdigen vriend,

gelijk gij, die hunne waarde wel op goed geloof wil aannemen."

Edith werd door deze schijnbare spotternij van haar koninklijken

bloedverwant getroffen, en aarzelde niet te antwoorden: "een hard

en gestreng rechter te zijn, is eene eigenschap, die niet mij alleen

onder de Plantagenets eigen is."

Zij had misschien meer gezegd, daar zij iets van het karakter

van dit Huis had, dat, zijn naam en zijn wapen van de lage braam

(Planta Genista), als een teeken van nederigheid aangenomen hebbende,

misschien eene der meest trotsche familiën was, die ooit in Engeland

regeerden. Maar haar oog, dat reeds tot een antwoord ontvlamde,

viel eensklaps op dat van den Nubiër, ofschoon hij zich achter de

edelen trachtte te verbergen, en zij zonk op een stoel, zoo bleek,

dat Koningin Berengaria zich verplicht achtte, water en welriekende

olie te vragen, en de verdere gebruikelijke middelen aan te wenden,

die bij de flauwte eener dame van dienst zijn. Richard, die Edith's

geestkracht beter op prijs wist te stellen, riep Blondel toe,

zijne zitplaats te nemen, en zijn gezang te beginnen, en verklaarde,

dat de minnezangerskunst ieder ander geneesmiddel overtrof, om eene

Plantagenet in het leven terug te roepen.--"Zing voor ons," zeide hij,

"dat lied van het Bloedige Gewaad, waarvan gij mij vroeger den inhoud

verteld hebt, eer ik Cyprus verliet; gij moet er thans wel volkomen

in zijn, of, zoo als onze landlieden zeggen, uw boog is gebroken."

Met bezorgdheid rustte het oog van den minnezanger echter op Edith,

en eerst toen hij bemerkte, dat hare kleur terugkeerde, gehoorzaamde

hij aan het herhaald bevel des Konings. Hierop zijne stem met de harp

begeleidende, zoodat hij den zin van hetgeen hij zong verhoogde en

niet verdoofde, zong hij in eene soort van recitatief, een van die oude

avonturen van liefde en ridderschap, die in vroeger eeuwen de algemeene

aandacht plachten te trekken. Zoodra hij begon voort te spelen, scheen

het onbeduidende van zijn persoonlijk voorkomen te verdwijnen, en zijn

gelaat gloeide van geestdrift en bezieling. Zijne volle, mannelijke,

welluidende stem, zoo geheel onder bedwang van den zuiversten

smaak, trof ieder oor en ieder hart. Richard, verheugd als na eene

overwinning, riep om tot stilzwijgen te vermanen: "Luistert, heeren,

in tuin en zaal." Te gelijk zorgde hij voor orde en stilte in de kring

rondom hem met den ijver van een beschermer en een leerling tevens. Hij

zelf zette zich neder met een gelaat van ingespannen belangstelling,

niet geheel ontbloot van den ernst van den bevoegden beoordeelaar. De

hovelingen richtten hunne oogen naar den Koning, om gereed te zijn,

de aandoeningen, die zijne trekken zouden uitdrukken te bespieden en

na te volgen, en Thomas de Vaux geeuwde verschrikkelijk, als iemand,

die zich tegen zijn wil aan een strenge boete onderwerpt. Het gezang

van Blondel was natuurlijk in de Normandische taal; maar de volgende

verzen geven den inhoud er van weder.

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 29 / 36 题