HOOFDSTUK XXI.

De ontvleesde moord, gewekt door 't huilen van

Zijn wacht, de wolf zweeft steeds met wijden tred.

Zoo als Tarquinius' schendstap, naar zijn doel.

Gelijk een spook.

Macbeth.

Gedurende een kwartier of langer na het voorgevallene bleef alles

volkomen rustig vóór het koninklijk verblijf. De Koning las en peinsde

aan den ingang van zijne tent--achter hem en met den rug naar den

ingang gewend, polijstte de Nubische slaaf nog het groote schild.--Op

den voorgrond, op een afstand van honderd schreden, stonden, zaten

of lagen de landlieden van de wacht op het gras uitgestrekt. Zij

waren met hunne eigen uitspanningen vervuld, maar speelden in stilte,

terwijl op het plein tusschen hen en het voorste gedeelte der tent,

het gevoellooze lichaam van den marabout lag, die nauwelijks van een

hoop vodden was te onderscheiden.

Maar de Nubiër was in het genot van een spiegel met schitterenden

glans: het fijn gepolijste schild, dat hij in zijn handen had. Door

middel van dezen bespeurde hij, tot zijn schrik en verbazing, dat

de marabout zijn hoofd zachtjes van den grond optilde, zoodat hij

alles om zich zien kon, terwijl hij zich met een goed berekende

voorzichtigheid bewoog, die met zijn beschonken toestand volstrekt

niet bestaanbaar scheen. Hij legde zijn hoofd dadelijk weder neder,

overtuigd dat hij niet werd opgemerkt, begon, met den minstmogelijken

schijn van vrijwillige poging, zich als bij toeval hoe langer hoe

nader bij den Koning te sleepen. Maar hij hield bij tusschenpoozen op

en bleef dan stil liggen, als eene spin, die haar prooi naderde, in

schijnbare levenloosheid verzinkt, wanneer zij meent, dat zij opgemerkt

wordt. Deze soort van beweging scheen den Ethiopiër verdacht toe,

die zich van zijn kant, zoo stil mogelijk voorbereidde om tusschen

beide te komen, zoodra die tusschenkomst noodzakelijk mocht blijken.

De marabout kroop intusschen langzamerhand en onbemerkbaar als eene

slang of liever als eene slak, totdat hij ongeveer tien ellen van

Richard's persoon af was. Toen sprong hij overeind, rende naar den

Koning met den sprong van een tijger, stond in minder dan een oogenblik

achter den Koning, en zwaaide den cangiar of dolk, dien hij in zijne

mouw verborgen had, boven zijn hoofd. Zelfs de tegenwoordigheid van

het geheele leger van den heldhaftigen monarch kon hem niet gered

hebben--maar de bewegingen van den Nubiër waren even goed berekend

geweest als die van den dweper, en eer de laatste kon toestooten,

vatte de eerste zijn opgeheven arm. De Charegiet, want dit was de

schijnbare marabout, zijne dweepzieke woede tegen den man richtende,

die zich zoo onverwachts tusschen hem en het voorwerp zijner wraak

plaatste, gaf den Nubiër een steek met zijn dolk, die echter alleen

diens arm schaafde, terwijl de veel grootere kracht van den Ethiopiër

hem gemakkelijk op den grond neder wierp. Richard, bespeurende, wat

er was voorgevallen, was nu opgestaan, en met weinig meer verbazing,

toorn of belangstelling van eenigen aard, dan een gewoon mensch

toonen zou in het afweren en verpletteren van een lastige wesp,

nam hij den stoel, waarop hij gezeten had, op en met de woorden

"Daar, hond!" verbrijzelde hij den schedel van den sluipmoordenaar,

die eenmaal luid en de tweedemaal met eene gebroken stem de woorden

"Allah ackbar" (God zegepraalt) uitsprak--en aan de voeten des Konings

den adem uitblies.

"Gij zijt zorgvuldige wachten," zeide Richard tot zijne boogschutters,

op een toon van minachtend verwijt, toen zij door het ontstane

gedruisch met schrik en verwarring zijne tent binnenstormden;--"gij

zijt waakzame schildwachten, om mij te noodzaken zulk beulenwerk

met eigen handen te verrichten.--Zwijgt allen stil, en houdt met

uw onverstandig geschreeuw op! Hebt gij nooit meer een dooden Turk

gezien?--Hier--werpt dat aas buiten het leger, slaat het hoofd van den

romp, en steekt het op eene lans, en draagt zorg het gelaat naar Mekka

te keeren, opdat hij den schandelijken belager, op wiens inblazing hij

herwaarts gekomen is, te gemakkelijker zeggen kan, hoe het hem met zijn

last gegaan is.--Wat u betreft, mijn zwarte, stomme vriend," voegde hij

er bij, zich tot den Ethiopiër wendende--"maar wat is dat?--gij zijt

gewond--en dat met een vergiftig wapen, daar sta ik voor in; want door

de kracht van een dolksteek kon zulk een zwak dier als dit, nauwelijks

hopen meer te doen, dan de huid van den leeuw te schrammen.--Een van

u zuige het vergif uit zijne wonde--het venijn is onschadelijk op de

lippen, al is het doodelijk, wanneer het zich met het bloed vermengt."

De landlieden zagen elkander verlegen en aarzelend aan, daar de

vrees voor zulk een zonderling gevaar de overhand kreeg bij mannen,

die voor geen ander gevaar schroomden.

"Hoe nu, knapen," vervolgde de Koning; "hebt gij zulke teedere lippen,

of vreest gij den dood, daar gij zoo talmt?"

"Niet den dood van een man," antwoordde Lange Allen, dien de Koning

onder het spreken aanzag, "maar mij dunkt, ik wilde niet gaarne als

een vergiftige rot sterven, althans niet voor een zwart stuk vee als

daar staat die op de markt als een gemeste os verkocht wordt."

"Zijne Majesteit spreekt tegen mannen van het uitzuigen van vergif,"

bromde een ander landman, "als of hij zeide, toe, slok die aalbes

door!"

"Neen," riep Richard, "ik heb nooit iemand bevolen iets te doen,

wat ik niet zelf zou doen."

En zonder verderen omslag, en in weerwil van de algemeene

tegenwerpingen der omstanders, en het eerbiedig verzet van den Nubiër

zelven, legde de Koning van Engeland zijne lippen op de wond van den

zwarten slaaf, alle vertoogen met spotternij bejegenende, en allen

tegenstand trotseerende. Hij had nauwelijks zijn zonderling werk

gestaakt, of de Nubiër sprong van hem af, sloeg een sjerp om zijn arm,

en gaf door teekens, die evenzeer zijn vast voornemen aanduidden,

als zij eerbiedig waren, zijn besluit te kennen, dat hij den Monarch

niet veroorloven zou, om zulk een vernederend werk te hervatten. Lange

Allen kwam ook tusschen beide, zeggende, dat, zoo het noodig ware om

den Koning te beletten, zijne handelwijs te herhalen, zijne eigene

lippen, tong en tanden ten dienste van den Neger (zoo als hij den

Ethiopiër noemde) waren, en dat hij hem liever heelhuids zou opeten,

dan dat de mond van Koning Richard hem weer zou naderen.

Neville, die met andere officieren binnentrad, voegde er zijne

betoogen bij.

"Maakt toch geen noodeloos geschreeuw over een hert, dat de honden

verloren hebben, of een gevaar, wanneer het over is," zeide de

Koning, "de wond is slechts een kleinigheid, want er is nauwelijks

bloed uitgekomen--eene nijdige kat zou een dieperen krap hebben

toegebracht--en wat mij betreft, ik behoef slechts een drachma orviëtan

te nemen, bij wijze van voorzichtigheid, hoewel het onnoodig is."

Zoo sprak Richard een weinig beschaamd misschien over zijn eigen

vernedering, ofschoon deze door menschlievendheid en dankbaarheid

geheiligd werd. Maar toen Neville voortging met betoogen over het

gevaar van zijn koninklijken persoon te maken, legde de Koning hem

het stilzwijgen op.

"Stil, bid ik u--spreek er niet meer over--ik deed het slechts om

deze onwetende, bevooroordeelde knapen te toonen, hoe zij elkander

helpen konden, als deze lafhartige honden ons met vergiftigde

pijlen aanvallen.--Maar", voegde hij er bij, "neem dezen Nubiër

in uw kwartier, Neville--ik ben van meening ten zijnen opzichte

veranderd--laat goed voor hem zorgen.--Maar luister wel--zie toe,

dat hij niet ontsnapt--er steekt meer in hem, dan hij schijnt. Laat

hem alle vrijheid genieten, maar zoo, dat hij het leger niet verlaten

kan.--En gij, vleeschvretende, wijnzwelgende Engelsche bulhonden,

gaat dadelijk weder op wacht, en zorgt dat gij waakzamer zijt. Denkt

niet, dat gij thans in uw eigen land zijt, waar gij een eerlijk

spel hebt, waar de menschen spreken, eer zij toeslaan, en elkander

de hand drukken, vóór dat zij elkander de keel afsnijden. Het gevaar

in ons land treedt openlijk op en met getrokken zwaard, en daagt den

vijand uit, dien het aanvallen wil. Maar hier geschiedt de uitdaging

met een zijden handschoen in plaats van met een stalen, snijdt men

de keel uit met de veder van eene tortelduif; doorsteekt u met de

tong van een priesterlijk kleinood, of worgt u met de snoer van

een keurslijf. Gaat--houdt uw oogen open, uw mond gesloten--drinkt

minder, en ziet scherper toe op hetgeen rondom u is; of ik zal uwe

groote magen op zulk een rantsoen zetten, dat het zelfs de maag van

een geduldigen Schot honger zou doen krijgen."

De landlieden keerden beschaamd en ootmoedig naar hun post terug,

en Neville begon weder zijn meester te onderhouden over het gevaar

van de verwaarloozing van hun plicht zoo lichtelijk over het hoofd

te zien, en de wenschelijkheid van een voorbeeld te stellen in

een geval, met zoo bijzonder bezwarende omstandigheden gepaard,

dat men zulk een zoo verdacht persoon als den marabout vergunde,

om op een dolklengte tot zijn persoon te naderen. Maar Richard viel

hem in de rede: "Spreek er niet van, Neville--zoudt gij willen, dat

ik een klein gevaar voor mijn eigen persoon strenger strafte dan het

verlies van de banier van Engeland? Deze is gestolen--gestolen door

een dief, of overgegeven door een verrader, en er is geen bloed om

gestort.--Mijn zwarte vriend, gij zijt een verklaarder van geheimen,

zegt de doorluchtige Sultan--nu zou ik u uw eigen gewicht in goud

geven, als gij, door een nog zwarteren, dan gij zelf zijt, of door

welke andere middelen gij ook wilt, mij den dief kondt aanwijzen,

die mijne eer dien schimp heeft aangedaan. Wat zegt gij, he?"

De stomme scheen verlangend te spreken, maar gaf slechts dien

onvolmaakten toon, eigen aan zijn treurigen toestand, kruiste daarop

de armen, zag den Koning met een blik aan, die zeide, dat hij hem

verstond, en knikte ten antwoord op zijne vraag.

"Hoe!" riep Richard met een vroolijk ongeduld. "Wilt gij het

ondernemen, deze zaak te ontdekken?"

De Nubische slaaf herhaalde dezelfde beweging.

"Maar hoe zullen wij elkander verstaan?" vroeg de Koning.--"Kunt gij

schrijven, beste kerel?"

De slaaf beaamde dit weder door een teeken.

"Geef hem schrijfgereedschap," zeide de Koning. "Dit was spoediger bij

de hand in de tent van mijn vader dan in de mijne--maar het zal wel

hier of daar zijn, wanneer dit verzengend klimaat de inkt niet heeft

verdroogd. Wel, deze man is een juweel--een zwarte diamant, Neville."

"Met verlof van uwe Majesteit," zeide Neville, "als ik met mijn

arm verstand mij daarover mag uitlaten, het is altijd gevaarlijk,

om met zulke waar om te gaan. De man moet een toovenaar zijn, en

toovenaars staan met den vijand in verband, die er het meeste belang

bij heeft om onkruid onder de tarwe te zaaien en oneenigheid in onze

raadsvergadering te brengen, en...."

"Zwijg, Neville," zeide Richard. "Roep uw Noordschen hond een halloo

toe, wanneer hij het wild te dicht op de hielen zit, en hoop hem

terug te roepen, maar tracht niet, Plantagenet tegen te houden,

als hij hoop heeft, zijne eer te herstellen."

De slaaf, die gedurende deze woordenwisseling geschreven had, in welke

kunst hij zeer vaardig scheen, stond nu op, drukte het geschrevene

tegen zijn voorhoofd, en boog zich, als naar gewoonte, eer hij het

in handen van den Koning overgaf. Het geschrift was in het Fransch,

ofschoon hun onderhoud tot hiertoe door Richard in de Lingua Franca

gehouden werd.

"Aan Richard, den overwinnenden en onverwinlijken Koning van Engeland,

dit van den minsten zijner slaven. Geheimen zijn de verzegelde kisten

des hemels; maar de wijsheid kan middelen vinden, om het slot te

openen. Zoo uw slaaf geplaatst werd daar, waar de aanvoerders van het

leger in orde voor hem voorbij moesten trekken, twijfel dan niet,

of, wanneer diegene, die den smaad, waarover mijn Koning klaagt,

bedreven heeft, zich onder hun getal bevindt, hij in zijne boosheid

ontdekt zal worden, al is hij ook onder zeven sluiers verborgen."

"Nu, bij St. George!" zeide Koning Richard, "gij hebt geheel ter

gelegener tijd gesproken.--Neville, gij weet, dat wanneer wij

morgen onze troepen monsteren, de vorsten overeengekomen zijn,

dat, ten einde den schimp, Engeland door het stelen van de banier

aangedaan, weder goed maken, de aanvoerders bij onzen nieuwen

standaard zullen voorbijtrekken, die op den St. Georgeberg wappert,

en hem met plechtigen eerbied zullen groeten. Geloof mij, de geheime

verrader zal het niet wagen, zich aan zulk eene plechtige zuivering

te onttrekken, uit vrees dat zijne afwezigheid alleen reeds reden

tot achterdocht zou geven.--Daar zullen wij onzen zwarten raadsman

plaatsen, en indien zijne kunst den schurk kan ontdekken, laat mij

dan maar met hem omspringen."

"Mijn Koning," antwoordde Neville met de vrijmoedigheid van een

Engelsch baron, "zie toe, welk werk gij begint. De eendracht tusschen

ons heilig verbond is onverwacht vernieuwd--wilt gij op vermoedens, die

een Negerslaaf u inboezemt, wonden openrijten, die eerst sedert kort

gesloten zijn.--Of wilt gij den plechtigen stoet, die voor het herstel

uwer eer, en voor de bevestiging van eensgezindheid onder de oneenige

vorsten bepaald is, als een middel gebruiken, om nieuwe redenen tot

beleediging te vinden, of oude twisten te doen herleven? Het zon

nauwelijks te sterk gezegd zijn, dat dit een inbreuk zou wezen op

de verklaring, die uwe Majesteit aan den vergaderden raad van den

kruistocht gedaan heeft."

"Neville," viel de Koning hem barsch in de rede, "uw ijver maakt u

onbescheiden en lomp. Nooit heb ik beloofd, mij te onthouden, alle

middelen in het werk te stellen, die het dienstigst konden zijn, om

den schandelijken aanrander van mijne eer te ontdekken. Liever dan dit

te doen, zou ik van mijn koninkrijk--ja van mijn leven afstand gedaan

hebben. Al mijne verklaringen geschiedden onder deze noodzakelijke en

volstrekte voorwaarde,--alleen, indien de aartshertog van Oostenrijk

als een man ware voorgetreden en de beleediging erkend had, betuigde

ik, dat ik hem, uit liefde voor het Christendom vergeven zou."

"Maar," vervolgde de baron met nadruk, "welke hoop bestaat er, dat

deze goochelende slaaf van Saladin den spot niet met uw Majesteit

zal drijven?"

"Zwijg, Neville," antwoordde de Koning; "gij houdt u voor zeer wijs

en zijt maar een dwaas. Denk gij om mijn last ten opzichte van dezen

knaap--er steekt meer in hem, dan uw Westmorelandsch vernuft kan

doorgronden.--En gij, zwijgende zwarte, bereid u voor om het werk

te verrichten, dat ge beloofd hebt, en, op het waar woord van een

Koning, gij zult uwe eigen belooning kunnen kiezen. Zie, hij schrijft

al weder."

De stomme schreef en overhandigde den Koning met dezelfde plechtigheid

als de eerste maal een ander stuk papier dat deze woorden bevatte:

"de wil des Konings is de wet voor zijn slaaf--ook betaamt het hem

niet om een loon voor de vervulling van zijn plicht te vragen."

"Loon en plicht!" riep de Koning, het lezen afbrekende, en tot Neville

in het Engelsch sprekende met eenigen nadruk op de woorden.--"Deze

Oostersche volken zullen van de kruisvaarders leeren--zij nemen reeds

de taal der ridderschap aan.--En zie, Neville, hoe ontroerd de man er

uitziet--als zijne kleur het niet verhinderde, zou hij blozen. Het

zou mij niet verwonderen, zoo hij verstond wat ik zeg--het zijn

gevaarlijke taalkenners."

"De arme slaaf kan den blik van het oog uwer Majesteit niet verdragen,"

zeide Neville, "anders is het niets."

"Goed, maar," vervolgde de Koning, terwijl hij onder het spreken op

het papier wees, "dit stoute geschrift zegt verder, dat onze getrouwe

stomme belast is met eene boodschap van Saladin aan lady Edith

Plantagenet, en hij verzoekt een middel en gelegenheid, om die over

te brengen. Wat dunkt u van zulk een bescheiden verzoek--zeg, Neville?"

"Ik kan niet zeggen," antwoordde Neville, "hoe zulk eene vrijheid

uwe Majesteit behagen zal; maar de afgezant, die zulk een verzoek

van wege uwe Majesteit aan den Sultan zou overbrengen, zou spoedig

een hoofd kleiner zijn."

"Nu, ik dank den Hemel, dat ik geen van zijne door de zon verzengde

schoonen begeer," zeide Richard; "en dezen man te straffen, omdat

hij den last van zijn meester overbrengt, en nu hij juist mijn leven

gered heeft--mij dunkt, dit zou toch al te streng zijn. Ik wil u een

geheim mededeelen, Neville--want hoewel onze zwarte en stomme dienaar

tegenwoordig is, weet gij toch, dat hij het niet over vertellen

kan, al verstond hij ons toevallig ook--ik zeg u, dat ik sedert een

veertien dagen onder eene zonderlinge betoovering gestaan heb, en

ik wenschte, dat ik onttooverd ware. Er heeft mij nauwelijks iemand

een goeden dienst bewezen, of zie, hij wischt zijn dienst tegenover

mij door eene diepe beleediging uit; en van den anderen kant, hij,

die den dood van mijne handen door eenig verraad of eenige beleediging

verdiend heeft, is voorzeker juist degene, boven alle anderen, die mij

eene verplichting oplegt, zwaarder dan zijne misdaden weegt, en mij

in weerwil van zijne veroordeeling met het oog op mijne eer tot zijn

schuldenaar maakt. Dus ziet gij, dat ik van het beste gedeelte van mijn

koninklijk ambt beroofd ben, daar ik de menschen noch straffen noch

beloonen kan. Tot dat de invloed van deze noodlottige planeet voorbij

is, wil ik niets zeggen over het verzoek van onzen zwarten dienaar,

behalve dat het hoogst vermetel is, en dat zijn beste kans, om genade

in onze oogen te vinden, daarin bestaat, dat hij tracht de ontdekking

te doen, die hij ten onzen behoeve voorgenomen heeft. Intusschen,

Neville, let goed op hem, en laat voor hem zorgen met inachtneming

van alle goede vormen.--En luister nog eens," zeide hij fluisterende,

"zoek gindschen kluizenaar van Engaddi op, en breng hem dadelijk

bij mij, hij moge een heilige of een wilde, een zinnelooze of een

verstandig mensch zijn. Laat ik hem in het geheim zien."

Neville verwijderde zich uit de koninklijke tent, en gaf den Nubiër

een teeken om hem te volgen, terwijl hij zeer verbaasd was over

hetgeen hij gezien en gehoord had, en bijzonder over het ongewone

gedrag des Konings. Over het algemeen was het geen gemakkelijke taak

Richard's gezindheid en bepaalde meeningen te ontdekken, ofschoon

het in sommige gevallen moeilijk was den duur ervan te berekenen;

want geen weerhaan gehoorzaamde den veranderlijken wind gereeder

dan de Koning zijne aanvallen van drift. Maar in de tegenwoordige

omstandigheden scheen zijn gedrag ongemeen gedwongen en geheimzinnig,

en het was niet licht te gissen, of er misnoegen dan vriendelijkheid

lag in zijne handelwijze jegens zijn nieuwen dienaar of in de blikken,

waarmede hij van tijd tot tijd dien beschouwde. De gereede dienst,

dien de Koning hem bewezen had, om de nadeelige werking van de wond

van den Nubiër tegen te gaan, kon den schijn hebben van op te wegen

tegen de verplichting, die de slaaf hem had opgelegd, toen hij den slag

van den sluipmoordenaar afweerde. Maar het scheen of er veel grooter

rekening tusschen hen te vereffenen bleef; de Koning twijfelde, of de

balans hem ten slotte schuldeischer of schuldenaar zou laten, en het

scheen of hij intusschen een onzijdig gedrag aannam, dat voor beide

toestanden zou passen. Wat den Nubiër betrof, en door welke middelen

hij ook de kunst om de Europeesche talen te schrijven verkregen had, de

baron was overtuigd, dat althans de Engelsche taal hem vreemd was, daar

hij hem gedurende het laatste gedeelte van de bijeenkomst oplettend

had gadegeslagen, en hij het voor onmogelijk hield voor iemand,

die een gesprek verstond, waarvan hij zelf het onderwerp was, zoo

volkomen den schijn te kunnen vermijden, dat hij belang daarin stelde.

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 24 / 36 题