Toen Richard, die, zonder het te vermoeden, het voorwerp was van het
zwarte verraad, dat wij aan het einde van het vorige hoofdstuk verhaald
hebben, voor het oogenblik althans, de zegepralende vereeniging van
de ten kruistocht getrokken vorsten bewerkstelligd had, ten einde
den oorlog met kracht voort te zetten, was zijne eerste zorg om de
rust in zijn eigen huisgezin te herstellen. Nu hij bedaarder kon
oordeelen, wilde hij nauwkeurig de omstandigheden onderzoeken, die
tot het verlies van zijne banier aanleiding gegeven hadden, alsmede
den aard en de mate van verstandhouding tusschen zijne bloedverwante
Edith en den verbannen Schotschen avonturier.
Met dit doel werden de Koningin en hare hofdames door een bezoek van
sir Thomas de Vaux verschrikt, die verzocht, dat lady Calista van
Montgaillard, de eerste kamerdame der Koningin, terstond bij Koning
Richard zou verschijnen.
"Wat zal ik zeggen, Mevrouw?" vroeg de sidderende freule de
Koningin. "Hij zal ons allen vermoorden."
"Vrees niet freule," antwoordde de Vaux. "Zijne Majesteit heeft het
leven van den grootsten beleediger, den Schotschen ridder, gespaard en
hem aan den Moorschen geneesheer ten geschenke gegeven--hij zal niet
streng jegens eene dame zijn, al heeft zij ook een misslag begaan."
"Bedenk eenig listig verhaal meisje," zeide Berengaria. "Mijn gemaal
heeft te weinig tijd, om onderzoek naar de waarheid te doen."
"Verhaal het voorval, zoo als het werkelijk geschied is," zeide Edith,
"of ik verhaal het voor u."
"Met de genadige toestemming van Uwe Majesteit," hernam de Vaux,
"mij dunkt lady Edith geeft een goeden raad; want ofschoon Koning
Richard wel wil gelooven, al wat uwe Genade behaagt hem te zeggen,
betwijfel ik het toch, of hij dezelfde inschikkelijkheid voor lady
Calista zal hebben, en inzonderheid in deze zaak."
"Mylord van Gilsland heeft gelijk," hervatte lady Calista, zeer
ongerust over het onderzoek, dat plaats zou hebben; "en bovendien, al
had ik tegenwoordigheid van geest om eene waarschijnlijke geschiedenis
te smeden, toch zou ik, op mijn woord, den moed niet hebben, om die
te verhalen."
In deze oprechte stemming werd lady Calista door de Vaux naar den
Koning geleid, en hier legde zij, zoo als zij zich had voorgenomen,
eene volledige bekentenis af omtrent het middel waardoor de
ongelukkigen ridder van den Luipaard overgehaald was, om zijn post
te verlaten. Zij verontschuldigde lady Edith, die, zoo als zij wel
begreep, niet in gebreke zou blijven zich zelve te verschoonen,
en legde den vollen last op de Koningin, hare meesteres, wier deel
in de grap, zoo als zij wel wist, het meest vergeeflijk in de oogen
van Leeuwenhart zou schijnen. Inderdaad was Richard een liefhebbend,
ja bijna een verwijfd echtgenoot. De eerste uitbarsting van zijne
gramschap was sinds lang voorbij, en hij was niet genegen om streng te
berispen, wat niet meer veranderd kon worden. De listige lady Calista,
die van hare vroegste kindsheid af gewoon was om de intriges van
een hof op te diepen, en de blijken van den wil van een vorst gade
te slaan, ijlde met de snelheid van een kieviet naar de Koningin
terug, belast met des Konings bevelen, dat zij weldra een bezoek
van hem te verwachten had. Hierbij voegde de hofdame een verklaring,
op hare eigen opmerking gegrond, strekkende, om aan te toonen, dat
Richard juist zoo veel gestrengheid wenschte te behouden, dat het
zijne koninklijke gemalin tot berouw over hare scherts kon brengen,
en dan zijne genadige vergiffenis uit te strekken over haar en alle,
die daaraan deel genomen hadden.
"Waait de wind uit dien hoek, meisje," riep de Koningin, door deze
boodschap vrij wat verlicht, "geloof mij, dat, hoe groot veldheer
Richard ook is, hij het moeilijk zal vinden, om ons in deze zaak
schrik aan te jagen; en dat, zoo als de herders in de Pyreneën van
mijn vaderland gewoon zijn te zeggen, menig een om de wol komt,
en geschoren weder heen gaat."
Koningin Berengaria, na zich van al hetgeen Calista haar zeggen kon,
op de hoogte te hebben gesteld, kleedde zich in het gewaad, dat haar
het best stond, en wachtte met vertrouwen de komst van den heldhaftigen
Richard af.
Hij kwam en bevond zich in den toestand van een vorst, die in een
gewest komt, dat hem beleedigd heeft, in het vertrouwen, dat hij
slechts een verwijt zal behoeven uit te spreken, en de betuiging
van zijne onderwerping te ontvangen, wanneer hij het onverwacht in
een toestand van volkomen wantrouwen en oproer vindt. Berengaria
kende zeer goed de macht van hare bekoorlijkheden, en de grootheid
van Richard's liefde, en zij was zeker, dat zij een goed verdrag
sluiten zou, zoodra de eerste vreeselijke uitbarsting van zijn toorn
zonder nadeel zou doorstaan zijn. Wel verre van te luisteren naar het
voorgenomen verwijt van den Koning, dat de lichtvaardigheid van haar
gedrag met recht verdiend had, verontschuldigde, ja verdedigde zij
zelfs, als eene onschuldige grap, de daad waarvan zij beschuldigd
werd. Zij ontkende inderdaad, met vele fraaie wendingen, dat zij
Nebectamus bepaald bevolen had, om den ridder verder te lokken dan
tot den rand van den heuvel, waarop hij de wacht hield--en dit was
ook inderdaad in zoo ver waar, dat zij niet voornemens geweest was, om
sir Kenneth in hare tent te doen brengen.--Was zij reeds welsprekend
in het voordragen van hare verdediging, de Koningin was dit nog veel
meer, toen zij Richard onvriendelijkheid ten laste legde, omdat hij
haar zulk een gering geschenk, als het leven van een ongelukkigen
ridder geweigerd had, die, door hare ondoordachte grap, aan de straf
van de krijgswet was blootgesteld. Zij weende en snikte, terwijl
zij over de hardnekkigheid van haar gemaal in dit opzicht uitweidde,
als eene gestrengheid, die haar voor haar geheele leven ongelukkig
zou hebben gemaakt, zoo dikwijls zij er aan denken zou, dat zij
onopzettelijk van verre de aanleidende oorzaak tot zulk een treurspel
gegeven had. Het gezicht van het vermoorde slachtoffer zou haar in
hare droomen beangstigd hebben--zelfs kon, voor zoo ver zij wist,
daar zulke dingen dikwijls gebeurden, terwijl zij waakte, zijn geest
wezenlijk bij hare sponde gestaan hebben. Aan al deze kwellingen des
gemoeds was zij alleen blootgesteld door de gestrengheid van een man,
die, terwijl hij voorgaf door haar minsten blik betooverd te worden,
eene daad van ellendige wraak niet wilde nalaten, al moest de uitslag
haar dan ook ongelukkig maken.
Deze geheele stroom van vrouwelijke welsprekendheid ging met de gewone
argumenten van tranen en zuchten gepaard, en werd op zulk een toon en
met zulke gebaren geuit, dat zij schenen te bewijzen, dat de gramschap
van de Koningin noch uit hoogmoed noch uit kwade luim sproot, maar uit
het gekrenkt gevoel, dat zij door haar echtgenoot minder werd geschat,
dan zij verwacht had.
De goede Koning Richard was in de hoogste mate verlegen. Hij trachtte
te vergeefs met eene vrouw te redeneeren, die zooveel van hem hield,
dat zij niet in staat was, om naar bewijzen te luisteren. Ook kon
hij niet over zich verkrijgen om zijn wettig gezag te doen gelden
tegen zulk een schoon wezen, bij haar onverstandig misnoegen. Hij
werd daarom genoodzaakt, verdedigender wijze te werk te gaan; hij
trachtte door zachte woorden haar achterdocht uit den weg te ruimen,
en haar ongenoegen tot kalmte te brengen, en herinnerde haar, dat
zij niet op het verledene met gedachten van berouw of bovenmatige
vrees behoefde terug te zien, daar sir Kenneth leefde en behouden
was, en hij hem aan den grooten Arabischen geneesheer geschonken
had, die zeker beter dan eenig mensch zou weten hem in het leven te
houden. Maar dit scheen de felste wonde van allen, en de smart der
Koningin werd vernieuwd door het denkbeeld, dat een Sarraceen--een
geneesheer--een geschenk ontvangen had, waarvoor zij blootshoofds
en met gebogen knie haar gemaal te vergeefs gesmeekt had. Bij deze
nieuwe beschuldiging begon Richard bijna het geduld te verliezen,
en hij zeide op ernstigen toon: "Berengaria, die geneesheer redde mij
het leven. Zoo dit van eenige waarde in uwe oogen is, zult gij hem de
eenige belooning niet benijden, die ik hem bewegen kon aan te nemen."
De Koningin was bevredigd, daar zij haar misnoegen tot op de uiterste
grenzen van hare veiligheid gedreven had.
"Mijn Richard," zeide zij, "waarom hebt gij dien wijzen man niet bij
mij gebracht, opdat Engeland's Koningin toonen kon, hoe zij den man
achtte, die de lamp der ridderschap, den roem van Engeland en het licht
van het leven en de hoop der arme Berengaria van den dood kon redden?"
Hiermede was de huwelijkstwist ten einde; maar opdat de gerechtigheid
toch voldaan zou worden, kwamen de Koning en de Koningin overeen,
om de geheele schuld op den bode Nebectamus te leggen, die--daar de
Koningin zijne grappen moede begon te worden--met zijne koninklijke
echtgenoote Guenevra veroordeeld werd, om van het hof verbannen te
worden. De ongelukkige dwerg ontging eene andere kastijding alleen
door de verzekering der Koningin, dat hij reeds eene lichamelijke
straf ondergaan had. Er werd verder besloten, dat, daar er binnen kort
een afgevaardigde van den raad, om de vijandelijkheden te hervatten,
zoodra de wapenstilstand ten einde was, en Richard voornemens was den
Sultan een geschenk van waarde te zenden, uit erkentelijkheid voor de
hooge weldaad, die hij van de diensten van El Hakim ontvangen had,
de twee ongelukkige schepsels als rariteiten daarbij gevoegd zouden
worden. En inderdaad waren zij door hun zeer zonderling voorkomen
en den treurigen toestand van hun verstand, geschenken, die zeer wel
door den eenen vorst aan den anderen konden gedaan worden.
Richard had dien dag nog een anderen vrouwelijken storm te
doorstaan; maar hij ging dien in vergelijking met den vorigen
met onverschilligheid te gemoet. Want mocht Edith schoon zijn en
door haren koninklijken bloedverwant hoog geschat worden,--ja, had
zij door zijne onrechtvaardige vermoedens inderdaad de beleediging
geleden, waarover Berengaria slechts veinsde te klagen, zij was noch
Richard's gemalin noch zijne beminde, en hij vreesde hare verwijten,
ofschoon op rede gegrond, minder dan die der Koningin, al waren deze
onrechtvaardig en hersenschimmig. Toen hij haar het verzoek had doen
toekomen, om haar alleen te spreken, werd hij in haar vertrek geleid,
aan dat der Koningin grenzende, terwijl twee Koptische slavinnen
gedurende de bijeenkomst in den uitersten hoek op hare knieën bleven
liggen. Een dunne zwarte sluier hulde in zijne ruime plooi de ranke en
schoone gedaante der hooggeboren maagd, en zij droeg geen vrouwelijk
sieraad van welken aard ook. Zij stond op en maakte een diepe neiging,
toen Richard binnentrad, daarop hernam zij hare plaats op zijn bevel,
en wachtte, toen hij zich naast haar neergezet had, zonder een woord
te uiten, totdat hij haar daartoe verlof zou geven.
Richard, wiens gewoonte het was, vertrouwelijk met Edith te zijn,
zoo als hunne bloedverwantschap medebracht, voelde dat deze ontvangst
koel was, en opende het gesprek met eenige verlegenheid.
"Onze schoone nicht," zeide hij eindelijk, "is boos op ons; en wij
bekennen, dat ernstige omstandigheden ons bewogen hebben, om haar,
zonder grond, van een daad te verdenken, die geheel in strijd was met
het gedrag haar leven lang door haar gevolgd. Maar zoo lang wij in
dit nevelig dal der menschheid wandelen, zullen wij schaduwen voor
wezenlijke dingen houden. Kan mijne schoone nicht haar eenigszins
heftigen bloedverwant, Richard, niet vergeven?"
"Wie kan vergeving aan Richard weigeren," antwoordde Edith, "als
Richard vergiffenis van den Koning kan krijgen?"
"Kom, nicht," hernam Leeuwenhart, "dit is alles te plechtstatig. Bij
onze heilige Maagd, zulk een droefgeestig gelaat!--En deze ruime zwarte
sluier zou de menschen doen denken, dat gij eerst onlangs weduwe
geworden waart, of ten minste een verloofde verloren hadt. Schep
moed--gij hebt zeker gehoord, dat er geene wezenlijke reden tot
droefheid is.--Waarom draagt gij dan het kleed van rouw?"
"Voor de verloren eer van Plantagenet--voor den roem, die het huis
mijns vaders verlaten heeft."
Richard fronste het voorhoofd. "Verloren eer! Roem, die het huis
mijns vaders verlaten heeft!"--herhaalde hij toornig; "maar onze
nicht Edith heeft een vrijbrief. Ik heb haar te haastig beoordeeld;
zij heeft derhalve een recht om zeer streng over mij te oordeelen. Maar
zeg mij ten minste; waarin ik gefeild heb."
"Plantagenet," antwoordde Edith, "moest eene beleediging vergeven
of gestraft hebben. Het past hem niet vrije mannen, Christenen en
dappere ridders tot de boeien der ongeloovigen te veroordeelen. Het
past hem niet, het leven bij verdrag te schenken of te verruilen tegen
het verlies der vrijheid. Den ongelukkige ter dood veroordeeld te
hebben, kon gestrengheid geweest zijn, maar het had nog een zweem van
gerechtigheid gehad; hem tot slavernij en ballingschap te verwijzen,
was bepaalde dwingelandij."
"Ik zie, lieve nicht," hervatte Richard, "dat gij eene van die
schoonen zijt, die een afgewezen minnaar met geen of met een doode
gelijk stellen. Heb geduld; een tiental lichte ruiters kunnen hem
nog volgen en de dwaling goed maken, zoo uw minnaar nog een of ander
geheim in bewaring heeft, dat zijn dood wenschelijker mocht maken
dan zijne verbanning."
"Zwijg met uwe laffe scherts!" hernam Edith, hoog blozende.--"Bedenk
veeleer, dat gij, om uwe blinde drift voldoening te geven, een gezond
lid van deze groote onderneming afgesneden, het kruis van een zijner
dapperste verdedigers beroofd, en een dienaar van den waren God in
de handen der Heidenen geleverd hebt; dat gij aan gemoederen, die
even kwaaddenkend, als gij het uwe bij deze gelegenheid getoond hebt,
eenig recht hebt gegeven, om te zeggen, dat Richard Leeuwenhart den
dappersten krijgsman uit zijn leger verbannen heeft, uit vrees dat
die naam in den slag den zijnen mocht evenaren."
"Ik--ik!" riep Richard, nu inderdaad zeer ontroerd--"ben ik de man er
naar, om ijverzuchtig op roem te zijn?--Ik wilde, dat hij hier ware,
om zulk eene verzekering tegen mij vol te houden. Ik zou rang en kroon
er aan geven, en hem als man in het strijdperk ontmoeten, opdat het
blijken mocht, of Richard Plantagenet reden had de dapperheid van een
sterveling te vreezen of te benijden. Kom, Edith, gij denkt niet,
zooals gij spreekt. Laat toorn of verdriet over de afwezigheid van
uw minnaar u niet onbillijk maken jegens uw bloedverwant, die, in
weerwil van uw grilligheid, uwe goedkeuring even hoog schat als die
van eenig mensch ter wereld."
"De afwezigheid van mijn minnaar?" herhaalde lady Edith. "Maar
ja--hij mag wel mijn minnaar genoemd worden, daar hij dien naam zoo
duur betaald heeft. Hoe onwaardig ik die hulde ook was, toch was ik
voor hem, als een licht, dat hem voorwaarts leidde op het pad der
ridderschap; maar dat ik mijn rang vergat, of dat hij zijne eerzucht
boven den zijnen verhief, dit is valsch, al zeide het ook een Koning."
"Lieve nicht", antwoordde Richard, "leg mij geen woorden in den mond,
die ik niet gesproken heb. Ik zeide niet, dat gij dezen man meer
gunst hadt bewezen dan een goed ridder oogsten mag, zelfs van eene
prinses, welke dan ook zijn afkomst zij. Maar bij onze lieve Vrouw,
ik weet iets van de hoop der liefde--zij begint met stommen eerbied en
verwijderde betuiging van achting; maar, wanneer de gelegenheden zich
opdoen, neemt de vertrouwelijkheid toe, en zoo.... maar het baat niet
met iemand te spreken, die zich wijzer acht dan de geheele wereld."
"Ik luister gaarne naar den raad van mijn bloedverwant," hervatte
Edith, "wanneer deze geene beleediging voor mijn rang en mijn karakter
bevat."
"Koningen, schoone nicht, raden niet, maar bevelen veeleer," hernam
Richard.
"Sultans bevelen, zeker," zeide Edith, "maar het is, omdat zij over
slaven heerschen."
"Nu, gij kondt wel leeren, deze minachting van het Sultanschap af
te leggen, daar gij zoo veel van een Schot houdt," antwoordde de
Koning. "Ik houdt Saladin voor getrouwer aan zijn woord, dan dien
Willem van Schotland, die bepaald een Leeuw moet genoemd worden;--hij
heeft mij valschelijk bedrogen, door mij de beloofde hulptroepen niet
te zenden. Laat ik u zeggen, Edith, gij kunt nog beleven, dat gij de
voorkeur geeft aan een getrouwen Turk boven een valschen Schot."
"Neen--nooit," hernam Edith--"Richard zelf zou den valschen godsdienst
niet aannemen, tot welks verdelging uit Palestina hij over de zee
getrokken is."
"Gij wilt het laatste woord hebben," hervatte Richard, "en gij zult het
hebben. Denk van mij wat gij wilt, lieve Edith. Ik zal niet vergeten,
dat uw vader mijn broeder was."
Dit zeggende nam hij beleefd afscheid van haar, maar zeer weinig
voldaan over den uitslag van zijn bezoek.
Het was de vierde dag, nadat sir Kenneth uit het leger was ontslagen,
en Koning Richard zat in zijne tent, eene westelijke avondkoelte
genietende, die met ongewone frischheid op haar wieken, uit het
vroolijke Engeland scheen over te waaien tot verfrissching van zijn
avontuurlijken monarch, terwijl hij geleidelijk de volle kracht
terugkreeg, die noodig was om zijn reusachtig plan ten uitvoer te
brengen. Er was geen mensch bij hem, daar de Vaux naar Ascalon was
gezonden, om versterking en nieuwen voorraad van krijgsbehoeften te
halen, en de meeste van zijn overige volgelingen in verscheidene
betrekkingen bezig waren, daar allen zich voorbereidden op de
naderende heropening der vijandelijkheden, en voor eene groote daaraan
voorafgaande wapenschouwing van het leger der kruisvaarders, welke
den volgenden dag plaats zou hebben. De Koning zat te luisteren naar
het bedrijvig gedruisch der soldaten, het gekletter uit de smederijen,
waar de hoefijzers gemaakt werden, en uit de tenten der wapensmeden die
de wapenrustingen herstelden. De stem der soldaten was onder het heen-
en weergaan luid en vroolijk, en getuigde van hoogen en opgewekten
moed, en een voorteeken van naderende overwinning. Terwijl Richard
deze tonen met genot inzwolg en zich overgaf aan de vizioenen van
verovering en roem, die ze opleverden, zeide hem een stalbediende,
dat er buiten een bode van Saladin stond.
"Laat hem dadelijk binnen," sprak de Koning, "en met verschuldigde
eer, Joseline."
De Engelsche ridder voerde daarop een man binnen, die, naar het scheen,
van geen hoogeren rang scheen, dan een Nubischen slaaf, wiens voorkomen
echter hoogst belangwekkend was. Hij was van eene prachtige gestalte
en edel gevormd, en zijn trotsche trekken, ofschoon bijna gitzwart,
herinnerden in niets aan eene Neger-afkomst. Hij droeg over zijne
koolzwarte lokken een sneeuwwitten tulband, en over zijn schouders
een korten mantel van dezelfde kleur, open van voren en bij de mouwen,
waaronder een wambuis van bereide luipaarden-huid te voorschijn kwam,
dat een handbreed boven de knie reikte. Het overige van zijne gespierde
leden, zoowel beenen als armen, was bloot, behalve dat hij sandalen
aan de voeten, en een halsband en armbanden van zilver had. Een
recht, breed zwaard met een gevest van ebbenhout, en eene scheede,
die met eene slangenhuid bekleed was, hing om zijn middel. In zijne
rechterhand hield hij eene korte werpspies, met eenen breeden, stalen
kop, eene span lang, en in zijne linker leidde hij aan eene snoer
van zijde en goud gevlochten, een grooten, edelen jachthond.
De bode boog zich, terzelfder tijd zijne schouders tot een teeken
van vernedering gedeeltelijk ontblootende. Na den grond met zijn
voorhoofd aangeraakt te hebben, stond hij zoover op, dat hij op de
eene knie rustte, terwijl hij den Koning een zijden doek overhandigde,
waarin een andere van goudlaken was gewikkeld. Deze bevatte een brief
van Saladin in het oorspronkelijke Arabisch, met eene vertaling in
het Normandisch-Engelsch, die aldus in de hedendaagsche taal kan
overgebracht worden:
"Saladin, Koning der Koningen, aan Melec Ric, den Leeuw van
Engeland. Doordien wij door uwe laatste boodschap kennis hebben
bekomen, dat gij den oorlog boven den vrede verkozen hebt, en onze
vijandschap boven onze vriendschap, zoo houden wij u voor verblind
in deze zaak, en vertrouwen u spoedig van uwe dwaling te overtuigen,
door de hulp van onze onoverwinlijke macht van de duizend stemmen,
wanneer Mahomed, de Profeet van God, en Allah, de God van den Profeet,
den twist tusschen ons zullen beslissen. Voor het overige schatten
wij u hoog, alsmede de giften, die gij ons gezonden hebt, en vooral
de twee dwergen, zonderling in hunne mismaaktheid als Esophus, en
vroolijk als de luit van Isaäk. En tot vergelding van deze blijken
uit de schatkamer van uwe goedheid, hebben wij u een Nubischen slaaf,
Zohauk genaamd, gezonden, dien gij niet naar zijne kleur beoordeelen
moet, op de wijze van de dwazen der aarde, aangezien de vruchten met
zware schil de heerlijkste geur hebben. Verneem, dat hij sterk is, om
den wil van zijn meester te volvoeren, gelijk Rustan van Zablestan;
ook is hij wijs in het geven van raad, wanneer gij leeren zult, om
verkeering met hem te hebben, want de Heer der spraak heeft hem met
stilzwijgen getroffen tusschen de ivoren muren van zijn gehemelte. Wij
bevelen hem aan uwe zorg, hopende, dat het uur niet ver af moge zijn,
dat hij u een goeden dienst bewijst. En hiermede zeggen wij u vaarwel;
vertrouwende, dat onze allerheiligste Profeet u nog tot het aanschouwen
der waarheid zal roepen. En zoo deze verlichting niet mocht komen, dan
is onze wensch voor het spoedig herstel van uwe koninklijke gezondheid,
opdat Allah tusschen u en ons op een open terrein moge beslissen."
De brief was door de onderteekening en het zegel van den Sultan
bekrachtigd.
Richard wierp een zwijgenden blik op den Nubiër, die vóór hem
stond, met de oogen op den grond geslagen, de armen over zijne borst
gekruist, met het voorkomen van een zwart marmeren standbeeld van het
uitgezochtste maaksel, het leven van de aanraking van een Prometheus
verbiedende. De Koning van Engeland, die, zoo als men nadrukkelijk
van zijn opvolger, Hendrik VIII, zeide, gaarne een man mocht aanzien,
vond veel behagen in de spieren, zenuwen en geëvenredigden bouw van
den man, dien hij thans beschouwde, en vroeg hem in de Lingua Franca:
"Zijt gij een Heiden?"
De slaaf schudde het hoofd, en zijn vinger aan zijn voorhoofd
brengende, maakte hij een kruis ten teeken, dat hij Christen was;
daarop hernam hij zijne houding van onbewegelijke nederigheid.
"Een Nubisch Christen, zonder twijfel," zeide Richard, "en van het
spraakvermogen beroofd door deze heidensche honden?"
De stomme schudde wederom langzaam het hoofd, ten teeken van
ontkenning, wees met zijn voorsten vinger naar den Hemel, en legde
dien toen op zijn lippen.
"Ik versta u," zeide Richard, "gij lijdt onder de straf van God,
en niet door de wreedheid der menschen. Kunt gij eene wapenrusting
en een zwaardriem schoon maken, en in tijd van nood toegespen?"
De stomme knikte, en naar den maliënkolder stappende, welke met het
schild en den helm van den ridderlijken monarch, aan een pilaar van
de tent hing, behandelde hij deze voorwerpen met zulk eene netheid
en zoo behendig, dat genoegzaam bleek, dat hij het werk van een
wapendienaar volkomen verstond.
"Gij zijt een handige knaap," zeide de Koning, "en gij zult zeker
van nut zijn--gij zult in mijne kamer en bij mijn persoon de wacht
houden, als een bewijs, hoe hoog ik de gift van den koninklijken
sultan schat. Indien gij geen tong hebt, volgt daaruit, dat gij
geene vertelsels kunt overbrengen, en mij ook niet in drift zult doen
ontsteken door een niet passend antwoord."
De Nubiër boog zich andermaal, zóódat zijn voorhoofd de aarde
aanraakte, en bleef toen rechtop staan op eenige schreden afstand,
alsof hij op de bevelen van zijn nieuwen meester wachtte.
"Nu, gij zult uw dienst dadelijk beginnen," zeide Richard, "want ik
zie een vlek roest op dat schilt schemeren; en wanneer ik het in het
gelaat van Saladin zwaai, moet het schitterend en onbezoedeld zijn,
gelijk de eer zelve van den Sultan."
Er werd buiten op een horen geblazen, en dadelijk daarop kwam sir
Henry Neville met eenige dépêches binnen.--"Van Engeland, Mylord,"
zeide hij bij het overhandigen.
"Van Engeland--ons eigen Engeland!" antwoordde Richard op een toon
van droefgeestige verrukking.--"Helaas! zij denken er weinig aan,
hoeveel hun vorst door ziekte en smart te lijden heeft gehad--flauwe
vrienden en stoute vijanden." Toen, de dépêches openende, zeide hij
haastig: "Ha! dat komt uit geen vreedzaam land--zij hebben ook hunne
twisten.--Neville, ga heen.--Ik moet deze tijdingen alleen en op mijn
gemak doorlezen."
Neville verwijderde zich, en Richard was weldra verdiept in de
treurige tijdingen, die hem uit Engeland geworden waren, omtrent de
partijschappen, welke zijne erf-Staten verscheurden--de oneenigheid
tusschen zijne broeders, Jan en Godfried, en de geschillen van
beiden met den opperrichter, Longchamp, bisschop van Ely,--de
verdrukking der landlieden door de edelen en het oproer der eersten
tegen hunne meesters, wat overal tooneelen van tweedracht, en in
sommige gevallen bloedige botsingen veroorzaakt had. Berichten van
voorvallen, krenkend voor zijn hoogmoed, en ingrijpend in zijn gezag,
waren vermengd met den ernstigen raad van zijne verstandigste en het
meest aan hem gehechte raadslieden, dat hij dadelijk naar Engeland
moest terugkeeren, daar zijne vertegenwoordigheid het eenige redmiddel
was, om het koninkrijk van alle ijselijkheden van een burgeroorlog te
redden, waarvan Frankrijk en Schotland waarschijnlijk voordeel zouden
trekken. Vervuld met de pijnlijkste vrees, las en herlas Richard de
onheilspellende brieven, vergeleek de berichten, die eenige ervan
bevatten met dezelfde feiten, verschillend meegedeeld in andere, en
hij werd spoedig geheel ongevoelig voor hetgeen rondom hem voorviel,
ofschoon hij wegens de koelheid dicht nabij den ingang van zijne tent
zat, en de gordijnen had teruggetrokken, zoodat hij zien kon en gezien
worden door de wachten en anderen, die buiten stonden.
Dieper in de schaduw van de tent en bezig met de taak, die zijn
nieuwe meester hem opgedragen had, zat de Nubische slaaf, met den rug
naar den Koning gekeerd. Zoo even was hij met het in orde brengen,
en polijsten van het borstharnas en ander staalwerk gereed gekomen,
en was thans ijverig bezig met een breed schild van ongewone grootte,
en met stalen platen belegd, dat Richard dikwijls gebruikte bij het
verkennen of bestormen van versterkte plaatsen, als eene krachtiger
bescherming tegen werpspiesen, dan het smalle driehoekige schild,
dat te paard gebruikt werd. Dit schild droeg noch de koninklijke
leeuwen van Engeland noch eenig ander teeken, om niet de aandacht van
de verdedigers der muren, waartegen het gebruikt werd, te trekken;
de zorg van den wapensmid had zich daarom bepaald om de oppervlakte
ervan zoo helder als kristal te doen schitteren, en hierin scheen hij
bijzonder geslaagd te zijn. Naast den Nubiër, en nauwelijks zichtbaar
van buiten, lag de groote hond, die zijn medeslaaf kon genoemd worden,
en die als het ware beschroomd was nu hij een koninklijken eigenaar
had gekregen. Hij lag dicht aan de zijde van den stomme, met kop
en ooren op den grond, en zijne pooten en staart gebogen en onder
zich getrokken.
Terwijl de monarch en zijn nieuwe dienaar aldus bezig waren, trad
een nieuw medespeler op het tooneel, en mengde zich onder den troep
Engelsche landslieden, van wie ongeveer een twintigtal, uit achting
voor de niet gewone peinzende en zwijgende houding van hun Koning,
tegen hunne gewoonte in, stilte wacht vóór zijne tent hielden. Die
wacht was echter niet waakzamer dan gewoonlijk. Eenigen van hen
speelden hazard met keisteentjes, anderen fluisterden met elkander
over den naderenden strijd, en verscheidenen van hen lagen te slapen,
hunne half gekleede lichamen in hunne groene mantels gewikkeld.
Tusschen deze zorglooze wachters door gleed de onaanzienlijke gestalte
van een kleinen ouden Turk, armoedig gekleed, gelijk een marabout of
santon van de woestijn, eene soort van dwepers, die zich somtijds
in de legerplaats der kruisvaarders waagden, ofschoon zij altijd
met verachting, en somtijds met geweld behandeld werden. De weelde
en ongebonden toegevendheid der Christen aanvoerders had dan ook in
hunne tenten een bonten samenloop gelokt van muzikanten, kunstemakers
en Joodsche kooplieden, Kopten, Turken en allerlei uitvaagsel
der Oostersche natiën, zoodat de kaftan en de tulband volstrekt
geen ongewone verschijning in de legerplaats der kruisvaarders
waren, ofschoon het duidelijk voornemen van den krijgstocht was,
om beide uit het heilige Land te verdrijven. Toen echter de kleine,
onbeduidende gestalte, die wij beschreven hebben, zoo nabij kwam,
dat hij eenige belemmering van de wacht ontmoette, wierp hij zijn
morsigen groenen tulband van het hoofd, toonde, dat zijn baard en
zijne wenkbrauwen geschoren waren, als die van een nar van beroep,
en dat de uitdrukking van zijne zonderlinge en verweerde trekken,
zoowel als van zijne kleine zwarte oogen, die schitterden als gitten,
getuigden van een kranken geest.
"Dans, marabout," riepen de soldaten, bekend met de zeden van deze
zwervende dwepers--"dans, of wij zullen u met onze boogstangen
geeselen, totdat gij u ronddraait als een tol."--Zoo schreeuwden
de onbarmhartige wachten, even verheugd een voorwerp tot plagen te
hebben, als een kind, als het een vlinder vangt, of een schooljongen,
als hij een vogelnest ontdekt.
De marabout scheen gelukkig, hun genoegen te kunnen geven; hij
sprong van den grond op, en draaide duizelingwekkend voor hen rond
met eene ongekende behendigheid. Dit deed hem, in verband met zijn
ellendig en uitgeteerd voorkomen, en zijne kleine gestalte op een
verdord blad gelijken, dat naar welgevallen door een winterstorm
wordt rondgeslingerd. Zijn enkele bos haar vloog opwaarts van zijn
kaal geschoren hoofd, alsof geesten hem daarbij staande hielden,
en inderdaad scheen het of eene bovennatuurlijke kunst noodig was
tot de uitvoering van den wilden wervel dans, waarbij men nauwelijks
de punten van de teenen des dansers den grond zag raken. Onder de
rondzwervingen van zijne kunstvertooning vloog hij her- en derwaarts,
van de eene plek naar de andere, terwijl hij intusschen, ofschoon
bijna onmerkbaar, den ingang van de koninklijke tent naderde, zoodat,
toen hij eindelijk uitgeput ter aarde zonk, na twee of drie sprongen,
die nog hooger waren dan die, welke hij tot nog toe had gemaakt, hij
niet meer dan dertig meter van den persoon des Konings was verwijderd.
"Geef hem water," zeide de eene soldaat; "zij begeeren altijd een
dronk na hun luchtigen dans."
"Ei, water, zegt gij, Lange Allen?--" riep een ander boogschutter tot
antwoord; "hoe zoudt gij zelf zulk een drank vinden na zulk een dans?"
"Ik mag des duivels zijn, als hij hier een droppel water krijgt,"
zeide een derde. "Wij zullen den ouden ongeloovige met zijn lichte
voeten leeren, een goed Christen te worden en Cyprus wijn te drinken."
"Ja, ja," zeide een vierde; "en als hij koppig is, haal dan den horen
van Dick Hunter, waarmede hij zijne merrie drenkt."
Een kring vormde zich oogenblikkelijk rondom den liggenden en
uitgeputten dervisch, en terwijl een krachtig krijgsman zijn zwak
lichaam van den grond opbeurde, bood een ander hem eene groote flesch
wijn aan. De oude man, die niet in staat was om te spreken, schudde met
het hoofd, en wees met de hand den door den Profeet verboden drank af;
maar zijne kwelgeesten waren niet op die wijze te bevredigen.
"De horen, de horen!" riep een. "Er is weinig verschil tusschen een
Turk en een Turksch paard, en wij willen hem als zoodanig behandelen."
"Bij St. George, gij zult hem doen stikken!" zeide Lange Allen; "en
bovendien is het eene zonde aan een heidenschen hond zoo veel wijn
weg te werpen, als een goed Christen voor een drievoudige nachtdronk
zou dienen."
"Gij kent den aard van deze Turken en heidenen niet, Lange
Allen." hernam Hendrik Woodstall; "ik zeg u, man, dat deze flesch
Cypruswijn zijne hersens aan het draaien zal brengen, juist in de
tegenovergestelde richting, als zij onder het dansen dwarrelden,
en hem op die manier, als het ware, weder tot zich zelven zal
brengen.--Stikken? Hij zal er niet meer van stikken, als Benjamins
zwarte teef van het pond boter."
"En het hem te misgunnen," zeide Thomalin Blacklees, "waarom zoudt gij
den armen heidenschen duivel een droppel drinken op aarde misgunnen,
daar gij weet, dat hij geen droppel zal krijgen, om de punt van zijn
tong te verkoelen gedurende eene lange eeuwigheid."
"Dat zouden harde wetten zijn, ziet gij," zeide Lange Allen, "alleen
omdat hij een Turk is, zoo als zijn vader vóór hem was. Ware hij van
een Christen heiden geworden, dan stem ik u toe, dat de heetste hoek
een goed kwartier voor hem geweest was."
"Houd je stil, Lange Allen," zeide Hendrik Woodstall, "ik zeg je,
dat je tong niet het kortste lid van je is, en ik voorspel dat die
je in ongenade zal brengen bij vader Franciscus, zoo als eens bij de
zwartoogige Syrische meid.--Maar hier komt de horen.--Werk een weinig
mede, man, wilt gij, breek hem de tanden met het hecht van uw kleinen
dolk open."
"Kijk! Kijk!--hij schikt er zich in," zeide Thomalin; "zie, zie, hij
geeft een teeken voor den beker--maak ruimte jongens. "Op is het,"
zegt de Hollander--dat gaat naar binnen als zoet bier! Ja het zijn
ware zuipers, als zij beginnen--een Turk hoest nooit bij zijn beker,
en kent geen maat bij zijn drank."
Werkelijk dronk de dervisch, of wat hij dan ook was, de groote flesch
in een teug tot op den bodem leeg, of scheen die tenminste uit
te drinken, en toen hij die van zijn lippen nam, nadat de geheele
inhoud geledigd was, sprak hij slechts de woorden "Allah Kerim",
God is barmhartig, uit. Er ontstond zulk een luidruchtig gelach
onder de landlieden, die dezen meesterdronk zagen, dat des Konings
aandacht opgewekt werd en hij toornig zijn vinger opheffend, zeide:
"Hoe, schurken, is er geene achting, geen tucht?"
Alle zwegen plotseling stil, daar zij het karakter van Richard
wel kenden, die op sommige tijden veel militaire gemeenzaamheid
toeliet, en op andere tijden de stipste tucht vorderde, ofschoon de
laatste stemming veel zeldzamer voorkwam. Zij haastten zich om op
verderen afstand van den persoon des konings zich te verwijderen,
en trachtten den marabout met zich te trekken, die, waarschijnlijk
door voorafgaande vermoeienis afgemat, of door den machtigen dronk,
dien hij zooeven verzwolgen had, overmand, zich door worstelen en
steunen er zich tegen verzette, om van de plaats gebracht te worden.
"Laat hem stil liggen, gekken," fluisterde Lange Allen zijne makkers
toe. "Bij St. Christoffel, gij zult onzen Richard driftig maken, en
zijn dolk zal zoo dadelijk naar onze koppen geslingerd worden. Laat
hem liggen, binnen een minuut zal hij slapen als een marmot."
Op hetzelfde oogenblik wierp de monarch eene tweede ongeduldigen blik
naar de plek, en allen verwijderden zich in haast, den dervisch op den
grond latende, die, naar het scheen, niet in staat was, om eene enkele
lid van zijn lichaam te verroeren. Een oogenblik daarna was alles
zoo stil en rustig, als het vóór de komst van den Turk geweest was.