Wie daar?--Treed nader--wel gedaan--
Mijn geleerde dokter en een vriend.
Eustace Grey.
Ons verhaal keert tot een tijdvak terug, dat aan de laatst beschreven
gebeurtenissen kort voorafging, toen, zoo als de lezer zich herinneren
zal, de ongelukkige ridder van den Luipaard, dien Koning Richard den
Arabischen geneesheer geschonken had, veeleer als slaaf dan in eenige
andere betrekking, verbannen werd uit het kamp der kruisvaarders,
in welke gelederen hij zoo dikwijls en zoo schitterend zich had
onderscheiden. Hij volgde zijn nieuwen meester, want zoo moeten wij nu
den Hakim noemen, naar de Moorsche tenten, die zijn gevolg en eigendom
bevatten, met het verstompte gevoel van iemand, die, van den top van
een steilen berg in een afgrond nedergevallen, tegen zijne verwachting
het levend er heeft afgebracht en nog maar juist in staat is, om zich
van de noodlottige plek weg te slepen, maar zonder de mate van de
ontvangen wonden te kunnen beoordeelen. Toen hij in de tent gekomen
was, wierp hij zich, geheel sprakeloos, op eene legerstede van bereide
buffelshuiden, die zijn leidsman hem aanwees, en zijn gelaat in zijne
handen verbergende, zuchtte hij zwaar, alsof zijn hart op het punt
was te barstten. De geneesheer hoorde hem, terwijl hij zijne bevelen
aan zijn talrijke bedienden gaf, ten einde zich voor hun vertrek tegen
den volgenden morgen vóór het aanbreken van den dag gereed te maken,
en door medelijden bewogen, staakte hij zijne bezigheid, legde de
beenen kruiselings over elkander, en ging naast zijn leger zitten,
om hem troost toe te spreken volgens de Oostersche wijze.
"Mijn vriend", zeide hij, "wees getroost--want wat zegt de dichter? Het
is beter, dat een mensch de slaaf van een goed meester is, dan de slaaf
van zijne eigen wilde driften. Nog eens, houd goeden moed, omdat,
gelijk Isoef Ben Jagoebe door zijne broeders aan een Koning, en wel
aan Farao, Koning van Egypte, verkocht werd, uw Koning u daarentegen
aan iemand geschonken heeft, die voor u zijn zal als een broeder."
Sir Kenneth deed een poging om den Hakim te danken, maar zijn hart was
te vol, en de onverstaanbare woorden, die zijne mislukte pogingen tot
een antwoord vergezelden, bewogen den vriendelijken meester, om van
zijne te voorbarige moeite tot vertroosting af te zien. Hij liet zijn
nieuwen bediende of gast in rust, opdat hij zich aan zijne smart mocht
overgeven, en toen hij de noodige voorbereidingen voor hun vertrek op
den volgenden morgen bevolen had, zette hij zich op het tapijt neder,
en gebruikte een soberen maaltijd. Nadat hij zich aldus verfrischt had,
werden den Schotschen ridder gelijke spijzen aangeboden; maar, ofschoon
de slaven sir Kenneth te verstaan gaven, dat de volgende dag reeds ver
gevorderd moet zijn eer zij zouden stilhouden, om zich te ververschen,
kon hij den tegenzin tegen alle voedsel niet te boven komen, en men kon
hem niet overreden om iets anders te gebruiken dan een teug koud water.
Hij was nog wakker, lang nadat zijn Arabische gastheer zijne gewone
godsdienstoefeningen verricht, en zich ter rust begeven had. De
slaap had hem nog niet eens te middernacht bezocht, toen er eene
beweging onder de bedienden plaats greep, die, ofschoon er niets bij
gesproken en zeer weinig gedruisch gemaakt werd, hem deed bespeuren,
dat zij de kameelen laadden en zich tot het vertrek voorbereidden. Bij
deze voorbereidingen was de persoon, die het laatst gestoord werd,
op den geneesheer zelven na, de Schotsche ridder, wien eene soort van
huis-hofmeester tegen drie uren des morgens verwittigde, dat hij moest
opstaan. Hij deed dit zonder verder antwoord en volgde hem in het
maanlicht, waar de kameelen stonden, die voor het grootste gedeelte
reeds beladen waren, en waarvan nog slechts een op de knieën lag,
totdat hij zijne volle lading zou hebben.
Op eenigen afstand van de kameelen stonden een aantal paarden, die
getoomd en gezadeld waren, en de Hakim zelf te voorschijn komende,
besteeg er een van met zoo veel vlugheid, als de ernstige deftigheid
van zijn karakter toeliet, en hij wees op een ander met bevel om het
aan sir Kenneth te brengen. Er was een Engelsch officier tegenwoordig,
om hen door de legerplaats der kruisvaarders te geleiden, en hunne
veiligheid te verzekeren, en alles was gereed voor hun vertrek. De
tent, die zij verlaten hadden, werd midderlerwijl afgebroken, en
de tentstukken en het bekleedsel maakten den last van den laatsten
kameel uit.--Hierop sprak de geneesheer plechtig het vers uit den
koran uit: "God zij onze leidsman, en Mahomed onze beschermer zoowel
in de woestijn als in het door water bevochtigde veld." Toen was de
geheele troep oogenblikkelijk in beweging.
Onder het doortrekken van het kamp werden zij door verscheidene
schildwachten aangeroepen, die hen zwijgend lieten voorbijtrekken,
of een vloek tegen hun profeet bromden, terwijl zij den post van den
een of anderen meer ijverigen kruisvaarder voorbijreden. Eindelijk
lieten zij de laatste barrières achter zich, en de troep stelde
zich voor den marsch op met voorbehoedende maatregelen, die uit
een krijgskundig oogpunt noodig waren. Twee of drie ruiters trokken
als voorhoede vooruit; een of twee bleven een boogschotslengte in
de achterhoede; en overal waar de grond dat toeliet, werden anderen
afgezonden om op de flanken een waakzaam oog te houden. Op deze wijze
trokken zij voorwaarts, terwijl sir Kenneth, thans op het door de
maan verlichte kamp terugziende, werkelijk verbannen kon schijnen,
daar hij te gelijkertijd van de eer en vrijheid beroofd was, en tevens
van de schitterende banieren, waaronder hij gehoopt had nog meer roem
te verwerven, en van de tenten der ridderschap, van de Christenheid
en--van Edith Plantagenet.
De Hakim, die naast hem reed, poogde op zijne gewone wijze hem door
spreuken te troosten, "het is onverstandig achterwaarts te zien,
wanneer de weg vóór ons ligt", en terwijl hij sprak, deed het paard
des ridders zulk een gevaarlijken misstap, dat het dreigde eene
practische zedeles bij het verhaal te voegen.
Door dezen wenk werd de ridder verplicht meer acht te slaan op het
bestieren van zijn paard, dat meer dan eens de hulp en den steun
van toom en teugel vereischte, ofschoon in andere opzichten niets
gemakkelijker en tevens sneller kon zijn, dan de telgang, waarmede
het dier voortstapte.
"Het is met het paard gesteld als met het menschelijk geslacht",
merkte de spreukrijke geneesheer aan, "daar, te midden van zijn
snelsten en gemakkelijksten gang, de ruiter zich voor een val moet
hoeden, en, wanneer de voorspoed het hoogst is, onze voorzichtigheid
het waakzaamst en ijverigst moet zijn, om het ongeluk te voorkomen."
De overladen eetlust heeft zelfs van de honigraat een afkeer, en
het is niet te verwonderen, dat de ridder, gekweld en vermoeid door
rampen en vernedering, eenigermate ongeduldig werd, toen hij hoorde,
dat zijne ellende, bij elke wending, de aanleiding tot spreekwoorden
en zinspreuken werd, hoe billijk en juist ter snede die ook waren.
"Mij dunkt", zeide hij een weinig gevoelig, "dat ik geen verdere
opheldering van de onstandvastigheid der fortuin behoefde, ofschoon
ik u danken zou, heer Hakim, voor de keus van een paard voor mij,
zoo het slechts eens zoo flink struikelen wilde, dat het mijn hals
te gelijk met den zijnen brak."
"Broeder", antwoordde de Arabische wijze, met onverstoorbare
deftigheid, "gij spreekt als een der dwazen. Gij zegt in uw hart,
dat de wijze aan zijn gast het jongste en beste paard had moeten
geven, en het oude voor zich behouden; maar verneem, dat de gebreken
van het oudere paard door de kracht van den jongeren ruiter kunnen
vergoed worden, terwijl de drift van het jonge paard door het bedaarde
karakter van den ouderen moet worden bekoeld."
Zoo sprak de wijze; maar ook op deze aanmerking gaf sir Kenneth
geen antwoord, dat tot eene voortzetting van hun gesprek kon leiden;
en de geneesheer, die het misschien moede werd iemand te troosten,
die niet getroost wilde zijn, gaf een teeken aan een van zijn gevolg.
"Hassan", zeide hij, "hebt gij niets om den weg te verkorten?"
Hassan, een sprookverteller en een dichter van beroep, naderde bij
deze uitnoodiging, om zijn ambt uit te oefenen.--"Heer van het paleis
des levens", zeide hij, zich tot den geneesheer wendende, "gij,
voor wien de engel Azraël zijne wieken uitspreidt, om de vlucht te
nemen--gij, wijzer dan Soliman Ben Daved, op wiens zegelring de ware
naam geschreven stond, die de geesten van de elementen beteugelt--de
Hemel verhoede, dat, terwijl gij op den weg der weldadigheid wandelt,
en genezing en hoop brengt, overal waar gij verschijnt, uwe eigen reis
door gebrek aan verhalen en gezang onaangenaam zou gemaakt worden. Zie,
zoolang uw dienaar aan uwe zijde is, zal hij de schatten van zijn
geheugen uitstorten, gelijk de fontein haar stroom langs het pad zendt,
ter verversching van hen, die daarop wandelt."
Na deze inleiding verhief Hassan zijne stem, en begon een verhaal van
liefde en tooverij, met daden van krijgsroem doormengd, en versierd
met overvloedige aanhalingen uit de Persische dichters, met wier
werken de redenaar gemeenzaam bekend scheen te zijn. Het gevolg van
den geneesheer, behalve diegenen, welke noodzakelijk op de kameelen
moeten passen, drongen zich om den verhaler, en kwamen zoo nabij, als
de eerbied voor hun meester toeliet, om het genot te smaken, welke de
Oosterschen altijd in deze soort van kunstbeoefeningen gevonden hebben.
Op een anderen tijd zou sir Kenneth, ondanks zijne gebrekkige
kennis van de taal, in de voordracht belang gesteld hebben, daar
deze ofschoon zij door een meer weelderige verbeelding ingegeven
en in eene meer buitensporigen en figuurlijken stijl geuit werd,
toch eene sterke gelijkenis had met de romancen der ridderschap,
die toen in Europa zoozeer in zwang waren. Maar zoo als de zaken voor
hem stonden, bespeurde hij nauwelijks, dat een man in het midden van
den troep, ongeveer twee uren lang op een zachten toon iets opzeide
en zong, terwijl hij zijne stem naar de verschillende aandoeningen
van hartstocht, die in het verhaal te pas kwamen, veranderde, en
tot belooning dan eens een zacht geprevelde goedkeuring, dan weder
uitdrukkingen van verwondering ontving, dan eens zuchten en tranen,
en somtijds, hetgeen veel moeilijker van zulk een gehoor te verkrijgen
is, den zweem van een stillen glimlach, ja, zelfs van gelach.
Onder het verhalen werd de aandacht van den balling, hoe afgetrokken
ook door zijne eigen diepe smart, nu en dan opgewekt door het dof
gehuil van een hond, die in een hok, dat op een der kameelen hing,
was opgesloten. Als ervaren jager kon hij er niet aan twijfelen, of
het was dat van zijn eigen trouwen hond; en uit den klagenden toon van
het dier begreep hij, dat het de nabijheid van zijn meester bespeurde,
en op zijne wijze diens bijstand vroeg, om hem te bevrijden.
"Helaas! arme Roswal", zeide hij, "gij roept iemand om hulp en
medelijden aan, die in een strenger slavernij is dan gij zelf. Ik wil
mij houden, of ik u niet bemerk, en uwe liefde niet beantwoorden, daar
dit slechts dienen zou, om onze scheiding nog te grievender te maken."
Zoo gingen de uren van den nacht voorbij, en de tijd van den grijzen
nevel, die het schemerlicht van een Syrischen morgen vormt. Maar toen
de eerste omtrek van de zonneschijf boven den gezichteinder begon te
rijzen, en de eerste straal door den dauw langs de oppervlakte van
de woestijn schoot, die de reizigers thans bereikt hadden, verhief
El Hakim zelf zijne luidklinkende stem, waarmede hij het verhaal van
den spreukverteller afbrak, terwijl hij over de woestijn de plechtige
oproeping deed weergalmen, die de muezzins des morgens van den minaret
van elke moskee doen hooren.
"Ten gebede--ten gebede! God is de eenige God.--Ten gebede--ten
gebede! Mahomed is de profeet Gods.--Ten gebede--ten gebede! de tijd
ontvliedt u.--Ten gebede--ten gebede! Het oordeel nadert u met rasse
schreden."
In een oogwenk wierp ieder Muzelman zich van zijn paard, wendde het
gelaat naar Mekka, en verrichtte met zand eene nabootsing van die
afwasschingen, die anders met water moesten geschieden, terwijl ieder
in het bijzonder, in korte maar vurige uitroepen, zich zelven aan
de zorg, en zijne zonden aan de vergiffenis van God en den profeet
aanbeval.
Zelfs sir Kenneth, wiens rede en vooroordeelen tevens gekrenkt werden,
door dat hij zijne reismakkers iets zag verrichten, dat hij als eene
daad van afgoderij beschouwde, kon niet nalaten de oprechtheid van
hun verkeerden ijver te eerbiedigen. Door hunne geestdrift opgewekt,
richtte hij in zuiverder vorm gebeden tot den Hemel. Tevens verwonderde
hij zich, welk nieuw geboren gevoel hem kon leeren, om zich in het
gebed te vereenigen met diezelfde Sarraceenen, wier heidenschen
eeredienst hij als eene onteerende misdaad beschouwde voor het land,
waarin groote wonderen geschied waren, en de ster der verlossing
was opgekomen.
In welk vreemd gezelschap zijn gebed dan ook geuit werd, het sproot
zuiver voort uit zijn natuurlijk gevoel omtrent godsdienstplicht, en
het had zijne gewone uitwerking, namelijk den geest, die door eene zoo
snelle opvolging van rampen was geschokt, tot kalmte te brengen. De
oprechte en ernstige toenadering van den Christen tot den troon van
den Almachtige is de beste aansporing tot geduld in droefheid; want
waarom zouden wij met God door onze gebeden spotten, wanneer wij Hem
door het morren tegen zijne bedoelingen beleedigen?--Of hoe zouden wij,
terwijl onze gebeden bij ieder woord de ijdelheid en nietigheid van
de vergankelijke goederen in vergelijking met de eeuwige erkennen,
hopen den Doorgronder der harten te bedriegen, door toe te laten, dat
de wereld en wereldsche driften hare onstuimige heerschappij over onze
harten hernemen op hetzelfde oogenblik, dat onze godsdienstoefening
geëindigd is?--Er zijn zulke met zich zelf in strijd zijnde menschen
geweest, en misschien zijn zij er nog, die toelaten, dat aardsche
driften de teugels hernemen, terstond nadat zij zich in een ernstig
gebed tot den Hemel hebben gericht; maar sir Kenneth behoorde niet tot
deze. Hij gevoelde zich vertroost en versterkt, en beter voorbereid,
om alles, waartoe zijn toestand hem mocht verplichten, te doen en te
lijden en te volvoeren of zich daaraan te onderwerpen.
Intusschen had de troep Sarraceenen zich weder in de zadels geworpen,
en zij vervolgden hun weg, terwijl de verhaler, Hassan, den draad
van zijn vertelsel weer opnam; maar hij deed dit niet langer voor
dezelfde aandachtige toehoorders. Een ruiter, die eene hoogte aan de
rechterhand van de kleine bende bestegen had, was in snellen galop naar
El Hakim teruggekeerd en had met hem gesproken. Daarop waren vier of
vijf andere ruiters afgezonden, en de kleine troep, die uit ongeveer
twintig of dertig personen bestond, begon hen met de oogen te volgen,
als mannen van wier gebaren, nadering of terugtocht zij zich goed
of kwaad konden voorspellen. Hassan, ziende, dat zijne toehoorders
geen aandacht meer hadden, of zelf door de onzekere gebeurtenissen op
de flank aangetrokken, hield met zijn zang op, en de marsch werd in
stilte voortgezet, behalve wanneer een kameeldrijver zijn geduldig
lastdier toeriep, of de een of andere beangste volgeling van den
Hakim met zijn nevenman op gejaagden en zeer zachten toon sprak.
Deze onzekere toestand duurde voort, totdat zij rondom eene
kleine hoogte kwamen, uit heuveltjes zand bestaande, die voor het
hoofdkorps het voorwerp verborgen, dat onder hunne veldwachten zulk
eene onrust had verwekt. Sir Kenneth kon thans op den afstand van
eene (Engelsche) mijl of iets meer een zwart voorwerp zien, dat zich
snel over de woestijn bewoog, en dat zijn geoefend oog als een troep
ruiterij herkende. Zij was veel talrijker dan de hunne, en, uit de
sterke en voortdurende flikkeringen, die de stralen der opgaande
zon weerkaatsten, bleek het dat het Europeanen in hunne volkomen
wapenrusting waren.
De angstige blikken, die de ruiters van El Hakim thans op hun
aanvoerder wierpen, schenen van groote vrees te getuigen. Deze
intusschen zond met dezelfde kalmte, waarmede hij zijn volgelingen tot
het gebed opgeroepen had, twee van zijne bereden ruiters af, met last
om zoo dicht, als de voorzichtigheid toeliet, deze woestijn-reizigers
te naderen, en hun getal, hun stand, en, zoo mogelijk, hun voornemen
nauwkeurig op te nemen. De nadering van het gevaar, of van hetgeen als
zoodanig gevreesd wordt, is als een prikkelende drank voor iemand,
die tot onverschilligheid gezonken is, en zij riep sir Kenneth tot
zich zelven en de bewustheid van zijn toestand terug.
"Wat vreest gij van deze Christen ruiters, want dit schijnen zij te
zijn?" vroeg hij aan El Hakim.
"Vreezen!" hervatte deze, het woord minachtend herhalende--"de wijze
vreest niets dan den Hemel--maar verwacht altijd van goddelooze
menschen het ergste, dat zij doen kunnen."
"Het zijn Christenen", hernam sir Kenneth, "en het is een tijd van
wapenstilstand--waarom zoudt gij eene inbreuk op de goede trouw
duchten?"
"Het zijn de priesterlijke soldaten van den Tempel", antwoordde El
Hakim, "wier gelofte hen voorschrijft, noch wapenstilstand noch goede
trouw met de vereerders van den Islam te kennen. Moge de profeet hen
met wortel, takken en twijgen uitroeien!--Hunne vrede is oorlog, en
hunne trouw is valschheid. Andere aanvallers van Palestina hebben hunne
tijden en wijzen van ridderlijkheid. De leeuw Richard spaart, wanneer
hij overwonnen heeft--de arend Filips sluit zijne vleugelen, wanneer
hij een prooi heeft gegrepen--zelfs de Oostenrijksche beer slaapt,
wanneer hij doorvoed is; maar deze horde van altijd hongerige wolven
kent, geen stilstand noch verzadiging in hare roofzucht.--Ziet gij
niet, dat zij een troep van hun hoofdkorps afzenden, en eene oostelijke
richting nemen? Ginds zijn hunne pages en schildknapen, die zij in
hunne vervloekte geheimen opvoeden, en die zij, als lichter gewapend,
afzenden, om ons van onze drinkplaats af te snijden. Maar zij zullen
bedrogen worden. Ik ken den oorlog in de woestijn nog beter dan zij."
Hij sprak eenige weinige woorden tot zijn voornaamsten officier,
en zijn geheel gedrag en uiterlijk was eensklaps veranderd van de
plechtstatige rust van een Oosterschen wijze, meer aan bespiegeling
dan werkzaamheid gewoon, in het koen en stout voorkomen van een dapper
krijgsman, wiens veerkracht door de snelle nadering van een gevaar,
dat hij te gelijk voorziet en veracht, wordt opgewekt.
In sir Kenneth's oogen had de naderende crisis een verschillend
karakter, en toen Adonbec hem zeide: "gij moet u dicht aan mijne
zijde houden", antwoordde hij plechtig in het ontkennende.
"Ginds", zeide hij, "zijn mijne wapenbroeders--de mannen, in wier
gezelschap ik beloofd heb te vechten, of te sneven. Op hunne banier
schittert het teeken van onze allergezegendste verlossing.--Ik kan
niet in gezelschap van de halve maan het Kruis ontvlieden."
"Dwaas!" zeide de Hakim; "hunne eerste daad zou zijn u ter dood
te doemen, al ware het ook slechts om hunne schending van den
wapenstilstand te verbergen."
"Daarop moet ik het laten aankomen", hervatte sir Kenneth, "maar ik
draag de boeien der ongeloovigen geen oogenblik langer dan dat ik ze
van mij kan afwerpen."
"Dan zal ik u dwingen om mij te volgen," zeide El Hakim.
"Dwingen!" antwoordde sir Kenneth toornig: "waart gij niet mijn
weldoener, of iemand, die den goeden wil getoond heeft om dit te
zijn, en zoo ik niet aan uw vertrouwen de vrijheid van deze handen
verschuldigd was, dan zou ik u toonen, dat, hoewel ik ongewapend ben,
dwang geene gemakkelijke zaak was."
"Genoeg, genoeg", hernam de Arabische geneesheer, "wij verliezen den
tijd, terwijl die kostbaar begint te worden."
Dit zeggende verhief hij zijn arm, en gaf een luiden en schelle gil,
als een teeken aan zijn gevolg, dat zich oogenblikkelijk over de
vlakte van de woestijn verspreidde, in even veel richtingen als
een rozenkrans, wanneer de snoer gebroken is. Sir Kenneth had den
tijd niet om op te merken wat er verder volgde; want tegelijkertijd
vatte de Hakim den toom van zijn paard, liet het aan zijn eigen
vuur over, en beide renden eensklaps voort met de snelheid van het
licht, en met eene vlugheid, die den Schotschen ridder bijna van
zijne ademhaling beroofde, en hem geheel buiten staats stelde, om,
al had hij ook gewild, den loop van zijn gids tegen te houden. Hoe
geoefend sir Kenneth ook van zijne vroegste jeugd in de rijkunst was,
was het snelste paard, dat hij ooit gereden had, eene schildpad
in vergelijking met dat van den Arabischen wijze. Zij wierpen
het zand achter zich--zij schenen de woestijn, die vóór hen lag,
te verslinden--mijlen vlogen weg in minuten, en toch scheen hunne
kracht onverminderd, en hunne ademhaling even vrij, als toen zij den
wonderbaarlijken rit begonnen. De beweging, die even gemakkelijk als
snel was, geleek meer naar vliegen door de lucht dan naar rijden over
de aarde, en ging met geen onaangenaam gevoel gepaard, behalve de
vrees, die natuurlijk degene voelt, die zich met zulk eene verbazende
snelheid beweegt, en de moeielijkheid door de zoo geweldige zuiging
van de lucht veroorzaakt.
Eerst een uur na deze vreeselijke beweging, en toen alle menschelijke
vervolging verre, verre achter hen was, vertraagde de Hakim eindelijk
zijn vaart, en deed hun loop in een handgalop veranderen. Hierna begon
hij met eene even bedaarde stem, alsof hij sedert het laatste uur
gewandeld had, tot den Schot eene lofspraak op de voortreffelijkheid
van zijne renners te houden, terwijl deze, ademloos, half blind, half
doof, en geheel duizelig door de snelheid van dezen zonderlingen rit,
nauwelijks de woorden verstond, die zijn metgezel zoo ruimschoots
ontstroomden.
"Deze paarden zijn van het ras, dat men het gevleugelde noemt,
die alles in spoed evenaren, behalve den Borak van den Profeet. Zij
worden gevoed met den gouden garst van Jemen, gemengd met specerijen
en met eene kleine hoeveelheid gedroogd schapenvleesch. Koningen
hebben provinciën gegeven, om ze in hun bezit te krijgen, en zij
zijn in hun ouderdom even vlug als in hunne jeugd. Gij, Nazareër,
zijt de eerste die, behalve ware geloovigen, ooit een dier van dit
edel ras onder zich gehad heeft, een geschenk van den Profeet aan
den gezegenden Ali, zijn bloedverwant en plaatsvervanger, te recht
de Leeuw Gods genaamd. De tijd treft deze edele rossen zoo weinig,
dat de merrie, die gij thans berijdt, reeds vijf maal vijf jaren heeft
zien verloopen, en toch hare eerste snelheid en hare jeugdige kracht
behoudt, behalve dat in den loop de steun van een toom, die door eene
meer ervarene hand dan de uwe bestuurd wordt, thans noodzakelijk
geworden is. De Profeet zij gezegend, dat hij de ware geloovigen
de middelen tot vooruit- of achteruittrekken heeft geschonken,
terwijl hunne in ijzer gekleede vijanden door hun eigen ontzaglijk
gewicht afgemat worden! Wat moeten de paarden van gindsche honden
van Tempeliers gesnoven en geblazen hebben, nadat zij tot aan de
knieën toe in de woestijn voor een twintigste gedeelte van de ruimte
hadden gearbeid, die deze brave paarden achter zich gelaten hebben,
zonder eene enkele hartklopping of een droppel vocht op hunne gladde,
fluweelen huid!"
De Schotsche ridder, die nu zijne ademhaling en zijn vermogen tot
luisteren herkregen had, kon niet nalaten in zijn hart het voordeel
te erkennen, dat deze Oostersche krijgslieden bezaten in een ras van
dieren, dat evenzeer tot het voor- als achteruittrekken geschikt
was, en zoo verwonderlijk bij de vlakte en zandige woestijnen van
Arabië en Syrië paste. Maar hij verkoos niet, om den hoogmoed van den
Muzelman nog grooter te maken, zijn trotschen eisch op meerderheid
toe te stemmen. Hij zag dus rond, en kon, bij den bedaarder stap,
waarmede zij zich bewogen, onderscheiden, dat hij in eene hem niet
onbekende landstreek was.
De woeste oevers en het sombere water van de Doode Zee, de oneffen
en steile keten bergen, die zich aan de linkerhand verhief, de twee
of drie palmboomen, die bijeenstonden en de enkele groene plek op de
uitgestrekte wildernis vormden--voorwerpen, die men niet licht vergat,
wanneer men die slechts eenmaal gezien had,--bewezen sir Kenneth,
dat zij de fontein, de Diamant der woestijn genoemd, naderden, die
bij eene vorige gelegenheid het tooneel van zijne samenkomst met den
Sarraceenschen emir Sheerkohf of Ilderim was geweest. Weinige minuten
daarna hielden zij hunne paarden bij de bron op, en de Hakim verzocht
sir Kenneth om van het paard te stijgen, en uit te rusten als op
eene plaats van veiligheid. Zij onttoomden hunne paarden, terwijl El
Hakim opmerkte, dat er verder geene zorg voor hen behoefde gedragen te
worden, daar eenige van zijne slaven, die de snelste paarden hadden;
hen spoedig zouden inhalen en het verder noodige verrichten.
"Intusschen," zeide hij, eenig voedsel op het gras uitspreidende,
"eet en drink, en wees niet ontmoedigd. De fortuin kan den gewonen
sterveling verheffen of vernederen, maar de wijze en de krijgsman
moeten zielen hebben, die boven hare maatschappij verheven zijn."
De Schotsche ridder trachtte zijn dank te betuigen, door te doen
wat van hem verlangd werd; maar ofschoon hij uit welwillendheid
trachtte te eten, kwam de zonderlinge tegenstrijdigheid tusschen zijn
tegenwoordigen toestand en dien, waarin hij de eerste maal op dezelfde
plek geweest was, toen hij de afgezant van vorsten en de overwinnaar
in den strijd was, gelijk een nevel voor zijn geest, en vasten,
vermoeidheid en uitgeputheid onderdrukten zijne lichaamskrachten. El
Hakim sloeg zijn snel jagenden pols, zijn rood en ontvlamd oog,
zijne heete handen en zijne korte ademhaling gade.
"De geest", zeide hij, "wordt verstandig door het waken, maar zijn
broeder, het lichaam, dat uit grove stoffen bestaat, heeft den steun
der rust noodig. Gij moet slapen; en opdat gij zulks ter verfrissching
moogt doen, moet gij een dronk nemen, met dit elixer gemengd."
Hij trok uit zijn boezem een klein kristallen fleschje, dat in een
koker van gevlochten zilverwerk vervat was, en liet in een gouden
drinkbeker een kleine hoeveelheid van een donker vocht druppelen.
"Dit", zeide hij, "is een van die voortbrengselen, die Allah ten zegen
op de aarde gezonden heeft, ofschoon de zwakheid, en verdorvenheid
der menschen ze somtijds in een vloek hebben veranderd. Het is
krachtig, gelijk de wijnbeker van den Nazareër, om het gordijn voor
het slapeloos oog te trekken, en den last van den te zwaar beladen
boezem te verlichten; maar wanneer het tot oogmerken van vermaak en
losbandigheid gebruikt wordt, verscheurt het de zenuwen, vernielt de
kracht, verzwakt het verstand en ondermijnt het leven. Maar vrees niet,
zijne deugden in tijd van nood te gebruiken; want de wijze verwarmt
zich bij hetzelfde hout, waarmede de razende de tent afbrandt."
"Ik heb te veel van uwe bekwaamheid gezien, wijze Hakim", zeide
sir Kenneth, "om tegen uw voorschrift mij te verzetten"; en
hierop slikte hij den slaapdrank in, gemengd met eenig water uit
de bron. Vervolgens wikkelde hij zich in zijn haik, of Arabischen
mantel, die aan zijn zadelknop hing, en strekte zich, volgens het
voorschrift van den geneesheer, op zijn gemak in de schaduw uit, om de
beloofde rust te verbeiden. In den beginne kwam er geen slaap, maar
in plaats daarvan eene reeks van aangename, en toch niet opwekkende,
gewaarwordingen. Hierop volgde een toestand, waarin de ridder, hoewel
bewust van zijn eigen bestaan en zijn eigen toestand, zich in staat
gevoelde, om die niet alleen zonder onrust en smart, maar even kalm
te beschouwen, alsof hij de geschiedenis zijner rampen op een tooneel
zag vertoonen, of veeleer als een lichaamlooze geest de voorvallen van
zijn vorig bestaan zou aanschouwd hebben. Uit dezen staat van rust,
die bijna tot onverschilligheid omtrent het verledene steeg, werden
zijne gedachten in de toekomst voortgedreven; en deze schitterde,
in weerwil van alles wat het vooruitzicht kon benevelen, met zulke
kleuren, dat zelfs bij veel gelukkiger voorteekens zijne verbeelding,
zonder geprikkeld te zijn, in haar meest gespannen toestand niet
had kunnen voortbrengen. Vrijheid, roem, gelukkige liefde schenen
het zekere en niet ver verwijderde vooruitzicht van den verbannen
slaaf, den onteerden ridder, zelfs van den wanhopenden minnaar, die
zijne hoop op geluk zoo verre geplaatst had boven de verwachting van
gelukkige toevallige gebeurtenissen, als zich de meest teugelooze
verbeelding voorspiegelen kan. Allengs, terwijl het verstandelijk
licht beneveld werd, werden ook deze vroolijke visioenen duister, als
de wegstervende kleuren van de ondergaande zon, totdat zij eindelijk
volkomen uitgewischt werden; en sir Kenneth lag, naar allen schijn,
op zijne diepe ademhaling na, als een levenloos lichaam aan de voeten
van El Hakim uitgestrekt.