HOOFDSTUK XVIII.

Dit werk vereischt den invloed der planeten,

Van Jupiter en Sol; doch deze geesten

Zijn eigenzinnig trotsch. Het is een zware taak

Hen van 't bestuur te trekken hunner sferen

Om stervelingen hunne zorg te wijden.

Albumazar.

De kluizenaar volgde de dames uit Richard's tent, gelijk de schaduw

een zonnestraal volgt, wanneer de wolken voor het gelaat der zon

drijven. Maar hij keerde zich op den drempel om, en strekte zijne hand

in waarschuwende, of veeleer dreigende houding naar den Koning uit,

terwijl hij zeide: "Wee hem, die den raad der Kerk verwerpt, en zijne

toevlucht tot de goddelooze vergadering der ongeloovigen neemt. Koning

Richard, ik schud het stof nog niet van mijne voeten, en vertrek

nog niet uit uwe legerplaats--het zwaard valt niet--maar het hangt

slechts aan een haar.--Trotsche monarch, wij ontmoeten elkander weder."

"Het zij zoo, trotsche priester," antwoordde Richard, "trotscher in

uw geitenvel dan Vorsten in purper en fijn linnen."

De kluizenaar verliet de tent en de Koning wendde zich toen tot

den Arabier: "Zijn de dervischen van het Oosten, wijze Hakim, even

gemeenzaam jegens hunne vorsten?"

"De dervisch," antwoordde Adonbec, "moet òf een wijze òf een gek zijn;

er is geen middelweg voor hem, die de khirkhah [5] draagt, des nachts

waakt, en des daags vast. Van daar heeft hij òf wijsheid genoeg om zich

in de tegenwoordigheid van vorsten bescheiden te gedragen, òf, zoo hij

geen verstand bezit, is hij voor zijne daden niet verantwoordelijk."

"Mij dunkt, onze monniken hebben hoofdzakelijk het laatste karakter

aangenomen," hernam Richard.--"Maar ter zake.--Waarin kan ik u dienen,

mijn geleerde arts?"

"Groote Koning," antwoordde El Hakim, zijne diepe Oostersche buiging

makende, "laat uw dienaar één woord spreken, en toch leven. Ik wilde

u herinneren, dat gij niet aan mij, haar gering werktuig--maar aan

de machten, wier weldaden ik aan de stervelingen uitdeel, een leven

te danken hebt...."

"En ik sta er voor in, dat gij een ander tot vergelding wilt hebben,

niet waar?" viel de Koning hem in de rede.

"Dit is mijn nederig verzoek," zeide Hakim, "bij den grooten Melec

Ric--en wel het leven van dezen goeden ridder, die ter dood gedoemd

is, en dat slechts om eene schuld, gelijk die, welke Sultan Adam,

bijgenaamd Abulbeschar, of vader van alle menschen beging."

"En uwe wijsheid moest u herinneren, Hakim, dat Adam daarvoor stierf,"

hervatte de Koning eenigszins norsch, en toen doorliep hij de enge

ruimte van zijne tent met eenige aandoening en zeide daarop bij

zichzelven: "Rechtvaardige God--ik wist, wat hij begeerde, zoodra

hij de tent binnentrad!--Hier is één armzalig leven, dat met alle

rechtvaardigheid ter dood veroordeeld is, en ik, een koning en

krijgsman, die duizenden op mijn bevel heb doen ter dood brengen,

en eene menigte met mijne eigen hand gedood heb, ik zal geene macht

daarover hebben, ofschoon de eer van mijne wapenen, mijn huis, mijne

gemalin zelve door den misdadiger geschonden is.--Bij St. George

het doet mij lachen.--Bij St. Lodewijk het doet mij denken aan

Blondel's verhaal van een betooverd kasteel, waar de door het

noodlot vervolgde ridder achtereenvolgens in het binnentreden

verhinderd werd door de allerongelijksoortigste gedaanten en

verschijningen, maar die allen vijandig tegen zijne onderneming

waren. Nauwelijks was de eene verdwenen, of er verscheen eene

andere!--Echtgenoote--Bloedverwante--Kluizenaar--Geneesheer--ieder

van dezen verschijnt in het strijdperk, zoodra de ander verslagen

is!--Wel dit is een enkel ridder, die tegen de geheele menigte van

het toernooi strijdt--ha! ha! ha!"--en Richard lachte luid; want

hij was inderdaad begonnen van luim te veranderen, daar zijn toorn

gewoonlijk te hevig was, om lang te kunnen duren.

De geneesheer zag hem intusschen met een blik vol verbazing aan,

die niet vrij van minachting was, want de Oosterlingen dulden deze

kwikzilverachtige veranderingen van luim niet, en beschouwen een luid

gelach, bijna bij elke gelegenheid, als beneden de waardigheid van

een man, en als alleen aan vrouwen en kinderen passende. Eindelijk

wendde de wijze zich tot den Koning, toen hij dezen kalmer zag.

"Een doodvonnis moet over geen lachende lippen komen.--Laat uw dienaar

hopen, dat gij hem het leven van dezen man geschonken hebt."

"Neem de vrijheid van duizend slaven in zijne plaats," zeide Richard;

"schenk zoo veel van uwe landslieden aan hunne tenten en huisgezinnen

terug, en ik zal het bevel daartoe terstond uitvaardigen. Het leven

van dezen man kan u niets baten; het is verbeurd."

"Het leven van ons allen is verbeurd," hernam Hakim, de hand aan

zijne muts slaande. "Maar de groote schuldeischer is barmhartig,

en vordert het pand niet gestreng of ontijdig."

"Gij kunt mij niet bewijzen dat gij zelf eenig belang hebt," zeide

Richard, "om middelaar te worden tusschen mij en de voltrekking der

gerechtigheid, die ik als gekroond Koning bezworen heb."

"Gij hebt gezworen, zoowel om genade uit te deelen als recht," hervatte

El Hakim, "maar wat gij zoekt, groote Koning, is de vervulling van uw

eigen wil. En wat mijn belang bij dit verzoek betreft, verneem, dat het

leven van menig mensch er van afhangt, dat gij mij deze gunst schenkt."

"Verklaar uwe woorden," zeide Richard; "maar denk niet, dat gij mij

door valsche voorwendsels om den tuin kunt leiden."

"Dit zij verre van uw dienaar," hernam Adonbec, "Gij moet dan weten,

heer Koning, dat het geneesmiddel, waaraan gij en vele anderen hun

herstel te danken hebben, een Talisman is, die onder zekere aspecten

van den hemel is vervaardigd, wanneer de goddelijke machten het

gunstigst zijn. Ik ben slechts de arme uitdeeler van zijne kracht. Ik

doop het in een beker water, neem het geschikte uur in acht, om het

den lijder te geven, en de macht van den drank bewerkt de genezing."

"Eene zeer zonderlinge artsenij," zeide de Koning, "en tevens zeer

gemakkelijk! en daar de geneesheer die in zijne beurs kan dragen, zoo

kan hij de geheele karavaan van kameelen besparen, die noodig zijn om

drogerijen en heelende kruiden mede te brengen.--Het verwondert mij,

dat er nog eene andere in gebruik is."

"Er staat geschreven," antwoordde Hakim met onverstoorbaren ernst,

"mishandel het paard niet, dat u uit den slag gedragen heeft. Weet,

dat zulke Talismans wel konden gemaakt worden, maar dat het aantal

ingewijden klein is geweest, die de aanwending van hun kracht

hebben durven beproeven. Strenge onthoudingen, moeilijke oefeningen,

vasten en boete zijn noodig van den kant van den wijze, die van deze

soort van genezing gebruik maakt; en zoo hij door verzuim van deze

voorbereidingen, door zijne liefde voor gemak, of zijne bevrediging

van zinnelijke lusten nalaat, om steeds in den tijd van eene maand ten

minste twaalf personen te genezen, dan gaat de kracht van de goddelijke

gave van het amulet verloren, en zoowel de laatste patiënt als de

geneesheer zullen spoedig daarna aan een ongeluk blootgesteld zijn,

en geen van beide zal het dan overleven. Ik heb nog één leven noodig,

om het getal vol te maken."

"Ga in het leger, goede Hakim, waar gij er eene menigte zult

vinden," hernam de Koning; "en tracht niet mijn scherprechter van

zijne patiënten te berooven; het past niet aan een geneesheer zoo

voortreffelijk als gij, om zich in de practijk van een anderen

te mengen.--Bovendien kan ik niet inzien, hoe het bevrijden van

een misdadiger van den dood, dien hij verdient, het getal van uwe

wonderkuren zou kunnen volmaken."

"Wanneer gij aantoonen kunt, hoe een dronk koud water u genezen heeft,

terwijl de kostbaarste artsenijen krachteloos waren," zeide Hakim,

"dan moogt gij over de andere geheimen, die met deze zaak verbonden

zijn, redeneeren. Wat mij betreft, ik ben ongeschikt tot het groote

werk, daar ik dezen morgen een onrein dier aangeraakt heb. Doe dus

geen verdere vragen; het is genoeg, dat gij, groote Koning, door het

leven van dezen man op mijn verzoek te sparen, u zelven en uw dienaar

van een groot gevaar zult verlossen."

"Luister, Adonbec," hervatte de Koning; "ik heb er niets tegen, dat

de geneesheeren hunne woorden in het duister hullen, en voorgeven

kennis uit de sterren te trekken; maar, wanneer gij meent Richard

Plantagenet bevreesd te maken voor een onheil, dat hem uit een kwaad

voorteeken of eene verzuimde plechtigheid zou overkomen, dan schijnt

gij uit het oog te verliezen, dat gij niet tot een onkundigen Sakser

of eene zwakke oude vrouw spreekt, die van haar voornemen afziet,

omdat een haas over den weg loopt, een raaf krast, of eene kat niest."

"Ik kan u niet beletten om aan mijne woorden te twijfelen," hernam

Adonbec; "maar gesteld, mijn Koning en heer waren verzekerd, dat er

waarheid op de tong van zijn dienaar lag--zal hij het dan voor billijk

houden om de wereld en elken ellendige, die aan de smarten lijdt,

die hem nog zoo kort geleden op dit leger ketenden, van de weldaad

van dezen allerkrachtigsten Talisman te berooven, liever dan zijne

vergiffenis tot een armen misdadiger uit te strekken? Bedenk, heer

Koning, dat, ofschoon gij duizenden kunt verslaan, gij niet aan één de

gezondheid kunt terugschenken. De Koningen hebben de macht des satans

om te kwellen, de wijzen die van Allah om te genezen--wacht u, om het

goede jegens het menschdom te verhinderen, dat gij zelf niet bewijzen

kunt. Gij kunt het hoofd afhouwen, maar niet eens tandpijn genezen."

"Dit is al te onbeschaamd," riep de Koning uit, die zich verhardde,

naarmate Hakim een hoogeren en bijna bevelenden toon aannam. "Wij

hebben u voor onzen geneesheer, en niet voor onzen raadsman of

gewetensraad genomen."

"En is het op deze wijze dat de beroemdste Vorst van Frangistan

eene weldaad, die aan zijn koninklijken persoon bewezen werd,

vergeldt?" zeide El Hakim, de ootmoedige, gebogen houding, waarin hij

tot hiertoe den Koning gesmeekt had, in eene trotsche en gebiedende

veranderende. "Verneem dan, dat ik bij ieder hof van Europa en

Azië--bij Muzelman en Nazareër--bij ridder en dame--waar de harp

zich hooren laat en de zwaarden gedragen worden--in ieder oord van de

wereld u, Melec Ric, als ondankbaar en onedelmoedig zal beschuldigen;

en zelfs de landen--indien er nog zoodanige zijn--die nooit van uwen

roem gehoord hebben, zullen met uwe schande bekend worden!"

"Zijn dat woorden tegen mij, lage ongeloovige!" riep Richard, woedend

op hem los gaande.--"Zijt gij het leven moede?"

"Sla toe!" zeide El Hakim, "uwe eigen daad zal u dan uwe

nietswaardigheid duidelijker doen gevoelen, dan mijne woorden, al

had ook ieder daarvan den angel van een wesp."

Richard wendde zich woest van hem af, kruiste zijne armen, liep weder

door de tent, en riep toen uit: "Ondankbaarheid en onedelmoedig!--even

goed mocht men mij lafhartig en ongeloovig noemen!--Hakim, gij

hebt uw loon gekozen; en ofschoon ik liever had, dat gij mijne

kroonjuweelen gevraagd had, zoo mag ik echter als Koning u dat loon

niet weigeren. Neem dezen Schot dus onder uwe bewaring--de provoost

zal u hem tegen dit bevelschrift overgeven."

Hij schreef haastig een paar regels en gaf die aan den

geneesheer. "Gebruik hem als uw slaaf, en beschik naar uw goedvinden

over hem--laat hij er zich alleen voor wachten, weder vóór Richard's

oogen te verschijnen. Luister--gij zijt verstandig--hij heeft zich

al te vermetel gedragen jegens diegenen, aan wier schoone blikken en

zwak oordeel wij onze eer vertrouwen, zoo als gij in het Oosten uwe

schatten in vazen van zilverdraad bewaart, die zoo fijn en breekbaar

zijn als het weefsel der herfstdraden."

"Uwe dienaar verstaat het woord des Konings," hervatte de wijze,

op eens den eerbiedigen toon hernemende, waarmede hij het gesprek

begonnen had. "Wanneer het rijke tapijt bemorst is, wijst de dwaas

op de vlek--maar de wijze bedekt die met zijn mantel. Ik heb het

welbehagen van mijn heer en meester gehoord, en hem hooren is hem

gehoorzamen."

"Het is goed," zeide de Koning; "laat hij voor zijne veiligheid zorgen,

en nooit weder in mijne tegenwoordigheid verschijnen.--Is er nog iets,

waarin ik u van dienst kan zijn?"

"De goedheid des Konings heeft mijn kelk tot aan den rand gevuld"

antwoordde de wijze; "ja zij is overvloedig geweest, gelijk de fontein,

die te midden van het leger der kinderen Israëls ontsproot, toen de

rots getroffen werd door den staf van Moussa Ben Amran."

"Ja maar," hernam de Koning glimlachend, "het vorderde, even als in

de woestijn, een harden slag tegen de rots, eer deze hare schatten

schonk. Ik wenschte, dat ik iets wist, waarmede ik u genoegen kon

doen, dat ik u zoo vrijwillig schenken mocht, als de natuurlijke

fontein hare wateren geeft."

"Laat ik deze zegepralende hand aanraken," zeide de wijze, "ten teeken

dat, zoo Adonbec El Hakim in het vervolg eene gunst van Richard van

Engeland vraagt, hij zich op zijne belofte beroepen kan."

"Vriend, hier hebt gij hand en handschoen daarop," hervatte Richard

"slechts dan, wanneer gij uw getal patiënten behoorlijk vol maken

kunt zonder van mij te vorderen, dat ik hen, die in mijne macht zijn,

van de verdiende straf bevrijde, zou ik liever mijne schuld onder

een anderen vorm betalen."

"Mogen uwe dagen vermenigvuldigd worden," antwoordde El Hakim en

verliet het vertrek na de gewone diepe buiging. Koning Richard staarde

hem na, terwijl hij heenging, alsof hij slechts half tevreden was

met het voorgevallene.

"Eene zonderlinge hardnekkigheid," zeide hij, "bij dezen Hakim, en

een wonderbaar toeval dat hij als middelaar tusschen dezen vermetelen

Schot en zijne zoo wel verdiende straf moet treden. Doch, laat hij

leven! Dan is er een braaf man meer in de wereld.--En nu de beurt

van den Oostenrijker.--Hola, is de baron van Gilsland daarbuiten?"

Sir Thomas de Vaux aldus opgeroepen, verdonkerde spoedig met zijn

breede gestalte de opening van de tent, terwijl achter hem als een

spook de woeste gedaante van den kluizenaar van Engaddi, in zijn

mantel van geitenvel gewikkeld, binnentrad zonder aangediend te zijn,

maar nochtans zonder dat iemand zich daartegen verzette.

Richard, zonder op diens tegenwoordigheid acht te slaan, riep den baron

met luide stem toe: "Sir Thomas de Vaux, van Lanercost en Gilsland,

neem trompet en heraut, en begeef u dadelijk naar de tent van hem, dien

men den Aartshertog van Oostenrijk noemt, en zorg, dat dit geschiede,

terwijl de drom van ridders en vasallen zoo groot mogelijk is,--gelijk

thans waarschijnlijk het geval zal zijn, want het Duitsche zwijn

ontbijt, eer hij ter mis gaat. Treed in zijne tegenwoordigheid met den

minstmogelijken eerbied, en beschuldig hem, uit naam van Richard van

Engeland, dat hij dezen nacht met eigen hand of door die van anderen

de banier van Engeland van haar staf gestolen heeft. Breng hem mijn

eisch, dat hij binnen één uur na deze aanzegging genoemde banier met

allen eerbied teruggeve--terwijl zijne voornaamste barons met ontbloot

hoofd en zonder eerekleederen daarbij tegenwoordig zijn.--En dat hij

daarenboven aan den eenen kant zijne eigen Oostenrijksche banier het

onderste boven steke, als door diefstal en trouweloosheid onteerd

zijnde, en aan den anderen eene lans met het bloedige hoofd van

dengene, die zijn voornaamste raadsman of medestander in deze lage

beleediging geweest is.--En zeg, dat zoo deze onze bevelen stiptelijk

worden nagekomen, wij om onze gelofte en het welzijn van het heiligste

Land zijne andere snoode daden zullen vergeven."

"En zoo de Hertog van Oostenrijk alle deel aan dezen daad van

lafhartigheid en trouweloosheid ontkent?" vroeg Thomas de Vaux.

"Zeg hem," hervatte de Koning, "dat wij dit op zijn lichaam zullen

bewijzen--ja, al ware hij door twee zijner dapperste kampioenen

gedekt. Ridderlijk zullen wij dit bewijzen, te voet of te paard,

in de woestijn of in het veld, tijd, plaats en wapenen, alles ter

zijne eigene keuze."

"Denk, mijn Koning," zeide de baron van Gilsland, "aan den vrede Gods

en der Kerk, die gesloten is tusschen de vorsten, welk zich tot dezen

heiligen kruistocht verbonden hebben."

"Overleg hoe gij mijne bevelen zult ten uitvoer brengen, heer vasal,"

antwoordde Richard ongeduldig. "Mij dunkt, de menschen verwachten,

dat zij ons met hun adem van ons voornemen kunnen afbrengen, even als

kinderen veêren heen en weer blazen.--Vrede van de kerk!--Wie stoort

zich daaraan, bid ik u?--De vrede van de kerk onder kruisvaarders

sluit oorlog tegen de Sarraceenen in zich, met wie de vorsten een

wapenstilstand gesloten hebben, en de eene eindigt met den anderen. En

bovendien, ziet gij niet, hoe ieder der vorsten zijn eigen verschillend

doel zoekt te bereiken?--Ik wil het mijne ook zoeken--en dat is de

eer. Om de eer kwam ik herwaarts, en zoo ik die niet op de Sarraceenen

behalen kan, zoo wil ik toch geen jota van den mij verschuldigden

eerbied aan dezen armzaligen Hertog verliezen, al werd hij ook door

alle Vorsten van den kruistocht beschermd en gerugsteund."

De Vaux keerde zich om, ten einde des Konings last te volbrengen,

terwijl hij tevens de schouders ophaalde, daar de rondheid van zijn

karakter niet in staat was te verbergen, dat de inhoud met zijn

oordeel streed. Maar de kluizenaar van Engaddi trad voorwaarts en

nam het voorkomen aan van een man, wien hoogere bevelen dan die

van een bloot aardschen machthebber zijn gegeven. Werkelijk deden

zijne kleeding van ruige vellen, zijn ongekamd, wild neerhangend

haar en baard, zijne magere, woeste en zenuwachtige trekken, en het

bijna krankzinnige vuur, dat van onder zijne borstelige wenkbrauwen

fonkelde, hem sterk gelijken naar de voorstelling van een profeet uit

de heilige Schrift, die, met een hooge zending aan de zondige Koningen

van Juda of Israël belast, was nedergedaald van de rotsen en holen,

waar hij in afgetrokken eenzaamheid woonde, om de tirannen der aarde

te midden van hun hoogmoed te vernederen, door de vernietigende

aankondiging der majesteit Gods over hem uit te storten zooals de

wolk de bliksemstralen, waarmede zij is gevuld, op de tinnen en torens

van kasteelen en paleizen uitstort. Te midden van zijne onstuimigste

gemoedsgesteldheid, eerbiedigde Richard de kerk en hare dienaars;

en ofschoon hij over het indringen van den kluizenaar in zijne tent

gebelgd was, groette hij hem eerbiedig, tevens echter een teeken aan

sir Thomas de Vaux gevende om zich van zijn last te kwijten.

Maar de kluizenaar verbood den baron door gebaren, blikken en woorden,

om een stap voor zulk een boodschap te doen; zijn arm, mager door de

onthouding en geteekend met de slagen van zelfkastijding opheffende

zóó, dat zijn mantel van geitenvel door de heftigheid zijner gebaren

afviel.

"In den naam van God en den heiligen Vader, den stedehouder

van Christus in de kerk op aarde, verbied ik deze onheiligste,

bloeddorstige en roekelooze uitdaging tusschen twee Christen Vorsten,

wier schouders gesierd zijn met het gezegende teeken, onder hetwelk

zij broederschap gezworen hebben. Wee hem, door wien deze verbroken

is.--Richard van Engeland, herroep den alleronzaligsten last, dien

gij aan dezen baron hebt gegeven.--Gevaar en dood zijn nabij!--de

dolk schittert reeds aan uwe keel!--"

"Gevaar en dood zijn speelmakkers van Richard," antwoordde de monarch

op trotschen toon; "en hij heeft te veel zwaarden getrotseerd, om

een dolk te vreezen."

"Gevaar en dood zijn nabij," hervatte de ziener; en voegde hij er bij:

terwijl zijne stem diep zonk, "en na den dood het oordeel!"

"Goede en heilige vader," zeide Richard, "ik eerbiedig uw persoon en

uwe heiligheid...."

"Eerbiedig mij niet!" viel de kluizenaar hem in de rede; "eerbiedig

veeleer het laagste insect, dat aan de oevers van de Doode Zee kruipt

en van haar gevloekt slijk zich voedt. Maar eerbiedig Hem, wiens

bevelen ik verkondig. Eerbiedig Hem, wiens graf gij gezworen hebt te

bevrijden.--Eerbiedig den eed van eendracht, dien gij gezworen hebt,

en verbreek de zilveren snaar van eenheid en trouw niet, waarmede

gij u aan uw vorstelijke bondgenooten hebt verbonden."

"Goede vader," hernam de Koning, "gij heeren van de kerk schijnt mij

toe u vrij wat op de waardigheid van uw heilig ambt in te beelden,

als een leek dit zeggen mag. Zonder uw recht te bestrijden, om u met

ons geweten te belasten, kondt gij ons den last wel overlaten om voor

onze eer te waken, dunkt mij."

"U inbeeldt!"--herhaalde de kluizenaar--"ik zou mij iets kunnen

inbeelden, Koning Richard, ik, die slechts de klok in de hand van

den koster ben--slechts de ongevoelige en onwaardige trompet, die het

bevel overbrengt van dengene, die daar op blaast.--Zie, op mijne knieën

werp ik mij, u smeekende, om medelijden te hebben met het Christendom,

met Engeland en met u zelven."

"Sta op, sta op," zeide Richard, hem noodzakende om op te staan,

"het voegt niet, dat knieën, die zich zoo dikwijls voor de Godheid

gebogen hebben, den grond ter eer van een mensch zouden drukken.--Welk

gevaar staat ons te duchten, eerwaarde vader?--en wanneer stond het

met de macht van Engeland zóó slecht, dat het snoevend lawaai van

het ongenoegen van dezen nieuwbakken Hertog dit rijk of zijn Monarch

zou verontrusten?"

"Ik zag van mijn bergtoren naar het sterrenheer aan den hemel, terwijl

elk der sterren gedurende haar nachtelijken loop aan de andere wijsheid

en kennis verkondigde, voor de weinigen, die hare stem verstaan

kunnen. Er zit een vijand in het huis van uw leven, heer Koning, die

even boosaardig voor uw roem als uw voorspoed is--eene uitstrooming

van Saturnus, die u met dadelijk en bloedig gevaar dreigt, en die,

zoo gij niet uw trotschen wil voor den regel van uw plicht buigt,

te midden van uw hoogmoed u zal verpletteren."

"Weg--weg--dit is eene heidensche wetenschap," hernam de

Koning. "Christenen beoefenen die niet--wijzen gelooven daaraan

niet--oude man, gij raaskalt."

"Ik raaskal niet, Richard.--Ik ben zoo gelukkig niet. Ik ken mijn

toestand, en weet, dat mij nog eene zekere hoeveelheid verstand is

toegestaan, niet tot mijn eigen gebruik, maar tot dat van de kerk,

en ter bevordering van het Kruis. Ik ben de blinde, die anderen een

fakkel voorhoudt, ofschoon deze hem zelven geen licht geeft. Vraag mij

naar hetgeen het welzijn van het Christendom en van dezen kruistocht

betreft, en ik zal met u spreken, gelijk de verstandigste raadsman,

wiens tong ooit de kracht der overreding had. Spreek tot mij van

mijn eigen ellendig wezen, en mijne woorden zullen zijn die van den

krankzinnigen verstooteling, die ik ben."

"Ik zou de banden van eenheid tusschen de vorsten van den kruistocht

niet verbreken," antwoordde Richard op zachter toon en met kalmer

gebaren, "maar welke voldoening kunnen zij mij geven voor het onrecht

en de beleediging, die ik ondergaan heb?"

"Juist om hierover met u te spreken, ben ik voorbereid en belast

van wege den raad, die, haastig op bevel van Filips van Frankrijk

bijeengekomen is en voor dat doel maatregelen genomen heeft."

"Het is vreemd," hervatte Richard, "dat anderen beraadslagen over

hetgeen men aan de gekwetste majesteit van Engeland verschuldigd is!"

"Zij willen uwe eischen voorkomen, indien dit mogelijk is," antwoordde

de kluizenaar. "Zij zijn eenstemmig van oordeel, dat de banier van

Engeland weder op den St. Georgeberg geplant worde, en zij hebben

den vermetelen misdadiger, of de misdadigers, door wie deze beleedigd

werd, in den ban gedaan, en zullen een vorstelijken prijs toekennen

aan dengene, die den schuldige zal aanwijzen, en zijn vleesch aan de

wolven en raven overgeven."

"En Oostenrijk," zeide Richard--"op wien zulke zware vermoedens rusten,

dat hij de bewerker der daad is?"

"Om de tweedracht in het leger te voorkomen," hernam de kluizenaar,

"wil Oostenrijk zich van de verdenking zuiveren, door zich aan

ieder Godsoordeel te onderwerpen, dat de Patriarch van Jeruzalem

zal opleggen."

"Wil hij zich door de beslissing in een tweegevecht zuiveren?" vroeg

Koning Richard.

"Zijn eed verbiedt dat," antwoordde de kluizenaar; "en bovendien de

raad der vorsten...."

"Wil geen strijd tegen de Saraceenen, noch tegen iemand anders

toestaan," viel Richard hem in de rede. "Maar het is genoeg, vader--gij

hebt mij de dwaasheid onder het oog gebracht, van te handelen, zooals

ik in deze zaak voornemens was. Gij zult veeleer met uwe toorts den

regen in een poel doen vlam vatten, dan eene vonk uit een koudbloedigen

bloodaard trekken. Er is geene eer op Oostenrijk te verwerven, dus laat

het zoo loopen.--Maar ik zal hem meineedig doen worden: ik zal op het

Godsoordeel staan.--Wat zal ik lachen, wanneer zijne lompe vingers

sissen, terwijl zij den gloeienden ijzeren staf aanvatten! Of zijn

wijde mond zich openspalkt, en zijne keel tot stikken toe opzwelt,

terwijl hij poogt de heilige misouwel te slikken!"

"Zwijg Richard," zeide de hermiet--"o zwijg uit schaamte, zoo niet

uit christelijke liefde. Wie zal Vorsten prijzen of eeren, die

elkander beschimpen en lasteren? Helaas! dat in zulk een edel wezen,

als gij,--zoo volmaakt in vorstelijke gedachten en vorstelijken

moed--aangewezen, om de Christenheid door uwe daden te vereeren, en,

in uwe kalmer uren, haar door uwe wijsheid te regeeren, de woeste,

wilde woede van den leeuw met de waardigheid en den moed van dien

koning der wouden vermengd moet zijn."

Hij zweeg een oogenblik, terwijl hij met zijne oogen op den grond

staarde, en vervolgde toen: "Maar de Hemel, die onze onvolmaakte

natuur kent, neemt onze onvolkomen gehoorzaamheid aan, en heeft het

bloedige einde van uw ondernemend leven verschoven, ofschoon niet

afgewend. De engel der vernieling heeft stil gestaan, gelijk van ouds

bij den dorschvloer van Avannab, den Jebusiet, en het zwaard getrokken

in zijne hand, waarmede hij,--niet zeer ver is de tijd--Richard

Leeuwenhart met den geringsten boer gelijk zal maken."

"Moet het dan zoo spoedig zijn?"--zeide Richard. "Goed, laat het

dan zoo wezen. Laat mijne loopbaan kort zijn, zoo deze slechts

schitterend is!"

"Helaas! edele Koning," hernam de kluizenaar, en het scheen of een

traan--een ongewoon verschijnsel--in zijn droog, glinsterend oog

opkwam--"kort en droevig, door rampspoeden en nood en gevangenschap

geteekend, is de spanne tijds, die u van het voor u gapende graf

scheidt--een graf, waarin gij zult gelegd worden, zonder telg om u

op te volgen--zonder de tranen van een volk, door uwe onophoudelijke

oorlogen uitgeput, om u te betreuren--zonder de kennis uwer onderdanen

uitgebreid--zonder iets tot vermeerdering van hun geluk gedaan

te hebben."

"Maar niet zonder roem, monnik--niet zonder de tranen van de dame

mijner liefde! Deze vertroostingen, die gij noch kennen noch op prijs

stellen kunt, wachten Richard bij zijn graf."

"Ken ik die niet--kan ik niet op prijs stellen de waarde van

den lof der minnezangers en van de liefde der vrouw!" hervatte de

kluizenaar op een toon, die voor een oogenblik het vuur van Richard

zelven scheen te evenaren. "Koning van Engeland", vervolgde hij,

terwijl hij zijn vermagerden arm uitstrekte, "het bloed, dat in uwe

blauwe aderen bruist, is niet edeler dan dat, hetwelk in de mijne

verstijfd is. Hoe gering in getal en hoe koud de droppels ook zijn,

zoo zijn zij echter het bloed van den koninklijken Lusignan--van den

heldhaftigen en heiligen Godfried. Ik ben,--dat wil zeggen, ik was,

toen ik nog in de wereld leefde, Alberik Mortemar...."

"Wiens daden," viel Richard hem in de rede, "zoo dikwerf door de faam

zijn verkondigd! Is dit zoo--kan dit zoo zijn?--Kon zulk eene ster,

als de uwe, van den horizon der ridderschap vallen, en de wereld

onzeker zijn, waar uwe asch rustte?"

"Zoek een gevallen ster," antwoordde de kluizenaar, "en gij

zult slechts eene vuile stof vinden, die, terwijl zij langs den

horizon schoot, voor een korte poos een voorkomen van glans heeft

aangenomen. Richard, zoo ik dacht, dat ik, door het wegrukken

van den bloedigen sluier van mijn verschrikkelijk lot, uw trotsch

hart kon bewegen, om zich aan de tucht der kerk te onderwerpen,

dan zou ik in mijn hart eene stof kunnen vinden, die ik tot hiertoe

in het geheim aan de edelste deelen mijns levens heb laten knagen,

gelijk de jongeling in de heidensche wereld, die zich zelf den dood

wijdde.--Luister dan, Richard, en moge de smart en de wanhoop, die

dit treurig overblijfsel van hetgeen eens een man was, niets meer

kan baten, een krachtig voorbeeld zijn voor een zoo edel, maar zoo

wild schepsel, als gij zijt.--Ja--ik wil--ik wil de lang verborgen

wonden openscheuren, al moesten zij mij ook in uwe tegenwoordigheid

tot den dood toe doen bloeden."

Koning Richard, op wien de geschiedenis van Alberik van Mortemar een

diepen indruk gemaakt had in vroeger jaren, toen de minnezangers de

hallen zijns vaders op legenden uit het heilige Land onthaalden,

luisterde met eerbied naar de hoofdtrekken van eene geschiedenis,

die duister en onvolkomen geschetst, voldoende de oorzaak van de

halve krankzinnigheid van dit zonderling en allerongelukkigst wezen

verklaarde.

"Ik behoef u niet te zeggen," zeide hij, "dat ik van edele geboorte,

groot vermogen, dapper in de wapenen, wijs in den raad was. Dit alles

was ik; maar terwijl de edelste vrouwen in Palestina er om wedijveren,

wie van haar bloemenkransen voor mijn helm zou vlechten, was mijne

liefde gevestigd--onveranderlijk en hartstochtelijk gevestigd--op een

meisje van lagen rang. Haar vader, een oud strijder van het Kruis,

zag onzen hartstocht; het verschil tusschen ons kennende, kon hij geen

andere toevlucht voor de eer zijner dochter vinden, dan de schaduw van

een klooster. Ik kwam van een krijgstocht naar verafgelegen landen

terug, met buit en eer beladen, om te vinden, dat mijn geluk voor

altijd vernield was! Ik zocht toen ook een klooster op, en satan,

die mij tot zijne prooi had geteekend, ademde in mijn hart een damp

van geestelijken hoogmoed, die alleen in zijne helsche verblijven

zijn oorsprong kon hebben. Ik was even hoog gestegen in de kerk als te

voren in den staat.--Ik was inderdaad de wijze, de zelf-genoegzame, de

onfeilbare!--Ik was de raadsman van vergaderingen--ik was de bestierder

van prelaten--hoe kon ik struikelen--waarom zou ik de verzoeking

vreezen?--Helaas! ik werd de biechtvader van eene zusterschap, en onder

deze vond ik de lang beminde--de lang verlorene. Bespaar mij eene

verdere bekentenis!--Eene gevallen non, wier schuld door zelfmoord

geboet werd, slaapt vast in de gewelven van Engaddi, terwijl boven

haar graf een wezen klaagt, zucht en kermt, dat slechts rede genoeg

heeft overgehouden, om ten vollen zijn lot te gevoelen."

"Ongelukkige!" zeide Richard. "Ik verwonder mij niet langer over uwe

ellende. Hoe zijt gij aan de veroordeeling ontsnapt, die de geestelijke

wetten tegen uwe misdaad uitspreken?"

"Vraag een man, die nog de gal der wereldsche bitterheid proeft,"

hernam de kluizenaar, "en hij zal spreken van een leven, dat

gespaard werd om persoonlijke betrekkingen, uit aanmerking van eene

hooge geboorte. Maar, Richard, ik zeg u, dat de Voorzienigheid mij

bewaard heeft, om mij te verheffen als een licht en een baken,

wiens asch, wanneer deze aardsche brandstof verteerd is, nog in

het Tophet moet geworpen worden. Hoe vergaan en uitgeteerd deze

ellendige gestalte ook zij, zoo is zij toch nog door twee krachten

van den geest bezield--de eene werkzaam, schrander en doordringend,

om de zaak van de kerk van Jeruzalem te verdedigen--de andere laag,

verworpen en wanhopend, tusschen krankzinnigheid en ellende zwevende,

om over mijn eigen ongeluk te klagen, en de heilige reliquieën te

bewaren, waarop het de hoogste zonde zou zijn slechts mijne oogen te

werpen. Heb geen medelijden met mij!--het is reeds eene zonde om met

zulk een voorwerp medelijden te hebben--beklaag mij niet, maar trek

nut uit mijn voorbeeld. Gij staat op den hoogsten, en derhalve op den

gevaarlijksten top, dien eenig Christen Vorst bereikt heeft. Gij zijt

trotsch van hart, los van leven, bloedig van hand. Leg uwe zonden af,

die als dochters u aankleven--ofschoon deze aangenomen furiën den

zondigen Adam dierbaar zijn, verban die uit uwe borst--uw hoogmoed,

uwe weelderigheid, uw bloeddorst."

"Hij raaskalt," zeide Richard, zich van den kluizenaar tot de Vaux

wendende, als iemand, wien eene spotternij eenigszins smart, en die

zich toch daarover niet durft wreken--vervolgens keerde hij zich

kalm en met een weinig minachting tot den kluizenaar en ging voort:

"Gij hebt een zeer schoon drietal dochters gevonden voor iemand,

die slechts sinds weinig maanden gehuwd is, eerwaarde vader; maar

daar ik ze buiten 's huis moet zetten, zal het zijn als een vader,

die haar van goede partijen voorziet. Daarom wil ik mijn hoogmoed

afstaan aan de edele domheeren der kerk--mijne weelderigheid, zoo

als gij ze noemt, aan de orden der monniken--en mijn bloeddorst aan

de ridders van den tempel."

"O hart van staal en hand van ijzer," hervatte de kluizenaar, "voor

wien voorbeelden zoowel als raadgevingen verloren zijn!--Toch zult

gij nog voor een tijd gespaard worden, zoo gij u bekeert, en doet

hetgeen aangenaam is in het oog des hemels!--Wat mij betref, ik moet

naar mijne plaats terugkeeren.--Kyrie Eleison!--Ik ben degene, door

wien de stralen der hemelsche genade schieten gelijk de stralen van

de zon door een brandglas, deze op andere voorwerpen vereenigende,

tot dat zij ontbranden en in vlam slaan, terwijl het glas koud en

onveranderd blijft.--Kyrie Eleison!--De armen moeten geroepen worden,

want de rijken hebben den maaltijd geweigerd--Kyrie Eleison!"

Dit zeggende ijlde hij met luide kreten uit de tent.

"Een krankzinnig priester!"--riep Richard, uit wiens gemoed de

woeste kreten van den kluizenaar gedeeltelijk den indruk uitgewischt

hadden, dien de mededeeling van zijne eigen geschiedenis en rampen

teweeggebracht hadden. "Ga hem na, de Vaux, en zie toe, dat hem geen

leed overkomt; want hoewel wij kruisvaarders zijn, geniet toch een

goochelaar meer eerbied onder onze benden, dan een priester of heilige,

en misschien drijven zij den spot met hem."

De ridder gehoorzaamde en Richard gaf dadelijk toe aan de

gedachten, die de wilde voorspelling van den monnik hem ingeboezemd

had.--"Vroegtijdig sterven--zonder nakroost--zonder beweend te

worden!--een zwaar vonnis, en het is goed, dat het door geen bevoegden

rechter is uitgesproken. De Sarraceenen echter, die in de mystieke

wetenschappen ver gevorderd zijn, beweren dikwijls, dat Hij, in wiens

oog de wijsheid van den wijze slechts dwaasheid is, den krankzinnigen

wijsheid en de gave der voorspelling ingeeft. Men zegt ook, dat

die kluizenaar in de sterren leest, eene kunst, die algemeen in deze

landen beoefend wordt, waar het hemelheer van oudsher het voorwerp der

afgoderij was. Ik wenschte wel, dat ik hem over het verlies van mijne

banier ondervraagd had, want zelfs de heilige Tishbiet, de stichter van

zijne orde, kon in geen hooger graad van overspanning zijn, noch met

eene tong spreken, die meer naar die van een profeet gelijkt.--Welnu,

de Vaux, welke tijding brengt gij van den krankzinnigen priester?"

"Een krankzinnigen priester noemt gij hem, Mylord?" antwoordde de

Vaux. "Mij dunkt, hij gelijkt meer op den heiligen Johannes den Dooper

zelven, toen deze zoo rechtstreeks uit de woestijn kwam. Hij heeft

zich op een der oorlogswerktuigen geplaatst, en van daar preekt hij

tot de soldaten, zoo als nooit een man sedert Peter den kluizenaar

gepredikt heeft. Het leger, door zijn geschreeuw verontrust, schaart

zich bij duizenden om hem heen; en nu en dan den hoofddraad zijner

rede afbrekende, spreekt hij elk der onderscheiden natiën in hare

taal aan, en gebruikt bij ieder de best geschikte gronden, om hen

tot volharding in de verlossing van Palestina aan te sporen."

"Bij dit licht een edelkluizenaar!" zeide Koning Richard. "Maar

wat kon er anders van het bloed van Godfried komen! Hij wanhoopt

aan zijne zaligheid, omdat hij in vroeger dagen par amours geleefd

heeft? Ik wil hem van den Paus een onbeperkten aflaatbrief bezorgen,

al ware zijne belle amie eene abdis geweest."

Terwijl hij sprak, vroeg de aartsbisschop van Tyrus om gehoor, ten

einde Richard te verzoeken, om, zoo zijne gezondheid dit toeliet,

eene geheime vergadering van de hoofden van den kruistocht bij te

wonen, om de militaire en politieke gebeurtenissen, die gedurende

zijne ziekte plaats gehad hadden, te hooren mededeelen.

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 20 / 36 题