HOOFDSTUK XIX.

Zoo moet het roemrijk zwaard dan in de scheede,

De voet terug, die steeds, bij elke schrede,

Langs 't roemrijkst spoor, op 's vijands nekken trad

Het krijgskleed uit, hetwelk, met plechtige eeden,

Wij, in Godshuis, om onze schouders deden,

En 't bindend woord zoo onvervuld gespild,

Als 't woord waarmeê de min het schreiend wichtje stilt

De kruisvaart, een Treurspel.

De aartsbisschop van Tyrus was de best gekozen gezant, om Richard

tijdingen mede te deelen, die de Koning met het leeuwenhart niet

zou gedoogd hebben uit een anderen mond te hooren, zonder in felle

drift uit te barsten. Zelfs deze schrandere en eerwaardige prelaat

vond het moeielijk, om hem naar mededeelingen te doen luisteren,

die al zijne hoop vernietigden, om het heilige Graf door geweld van

wapenen te heroveren, en den roem te verwerven, dien de gandsche stem

van de Christenheid gereed stond hem te schenken, als den kampioen

van het kruis.

Volgens de mededeeling van den aartsbisschop bleek het, dat Saladin de

geheele macht van zijne honderd stammen verzamelde, en dat de monarchen

van Europa reeds uit verschillende beweegredenen een afkeer tegen den

krijgstocht hebbende, die zoo noodlottig geweest was en dit dagelijks

nog meer werd, besloten hadden van hun voornemen af te zien. Hierin

werden zij door het voorbeeld van den Koning van Frankrijk gesteund,

die met vele verzekeringen van zijne hoogachting, en betuigingen,

dat hij zijn broeder van Engeland eerst in veiligheid wilde zien,

zijn voornemen aan den dag legde om naar Europa terug te keeren. Zijn

eerste vasal, de graaf van Champagne, had hetzelfde besluit genomen

en het was niet te verwonderen, dat Leopold van Oostenrijk, door

Richard beleedigd, met vreugde eene gelegenheid aangreep, om eene zaak

te verlaten, waarin zijn trotsche tegenstander als opperhoofd moest

worden beschouwd. Anderen gaven hetzelfde voornemen te kennen, zoodat

het duidelijk was, dat de Koning van Engeland, indien hij verkoos te

blijven, alleen zou bijgestaan worden door zoodanige vrijwilligers,

als onder zulke ontmoedigende omstandigheden zich bij het Engelsche

leger zouden voegen; voorts door de dubbelzinnige hulp van Koenraad van

Montserrat, en de krijgshaftige orden van den tempel en van St. Jan,

die weliswaar gezworen hadden, om tegen de Sarraceenen te strijden,

maar ten minste even ijverzuchtig waren op ieder Europeesch vorst, die

de verovering van Palestina zou voltooien, waar zij uit kortzichtige

en baatzuchtige staatkunde voornemens waren, eigen onafhankelijke

rijken te vestigen.

Er waren niet veel redeneeringen noodig, om Richard zijn waren toestand

onder het oog te brengen; en werkelijk zat hij daar, na de eerste

uitbarsting van zijne drift, stil, met sombere blikken, gebogen hoofd,

en de armen over zijn borst gekruist, en luisterde naar de redeneering

van den aartsbisschop over de onmogelijkheid, dat hij den kruistocht

kon voortzetten, indien hij door zijne krijgsmakkers verlaten mocht

worden. Zelfs onthield hij zich, den prelaat in de rede te vallen,

toen deze in gematigde bewoordingen het waagde om er op te zinspelen,

dat Richard's eigen onstuimigheid eene hoofdoorzaak geweest was,

om de vorsten in den krijgstocht tegenzin te doen krijgen.

"Confiteor (ik beken)--" antwoordde Richard met terneergeslagen

blikken, en een droefgeestigen glimlach, "eerwaarde vader, dat ik in

zekere opzichten het culpa mea (mijn schuld) moest zingen. Maar is het

niet hard, dat de zwakheden van mijn karakter door zulk eene kastijding

bezocht worden, dat ik om een paar uitbarstingen van natuurlijke

drift veroordeeld word, om voor mijne oogen zulk een rijken oogst

van roem voor God en eer voor de ridderschap oningezameld te laten

verwelken?--Maar die zal niet verwelken.--Bij de ziel van Willem

de Veroveraar, ik wil het kruis op de torens van Jeruzalem planten,

of zij zullen het op Richard's graf zetten!"

"Dat moogt gij doen!" zeide de prelaat--"maar geen druppel

Christenbloed worde meer in den twist vergoten."

"Ha, gij spreekt van verdrag, heer prelaat--maar het bloed der

ongeloovige honden moet ook ophouden te stroomen", hervatte Richard.

"Het zal roem genoeg zijn", hernam de aartsbisschop, "van Saladin

door het geweld der wapenen en door den eerbied voor uw naam zulke

voorwaarden afgedwongen te hebben, om te gelijk het heilige Graf

te herstellen, het heilige Land voor de pelgrims te openen, hunne

veiligheid door sterke vestingen te verzekeren, en meer dan dit alles,

de veiligheid der heilige Stad te waarborgen door aan Richard den

titel van Beschermvorst van Jeruzalem te schenken."

"Hoe!" riep Richard, terwijl zijne oogen van een ongewonen glans

schitterden.--"Ik--ik--ik de Beschermvorst der heilige Stad! de

overwinning zelve--maar dit heet overwinnen! Ik kon niet meer

verwerven--nauwelijks zooveel, dat het met eene onwillige en

onverdeelde macht verworven is.--Maar Saladin wil zeker mijne belangen

in het heilige Land handhaven?"

"Als een verbonden vorst, de gezworen bondgenoot van den machtigen

Richard", antwoordde de prelaat--"zijn naastbestaande--zoo het mocht

toegestaan worden--door een huwelijk."

"Door een huwelijk!" zeide Richard verbaasd, echter minder dan de

prelaat verwacht had. "Ha!--ja--Edith Plantagenet. Heb ik hiervan

gedroomd?--of heeft iemand hierover met mij gesproken? Mijn hoofd is

nog zwak van die koorts en heeft veel geleden--was het de Schot, Hakim

of die heilige kluizenaar, die van zulk een onzinnige koop gewaagde?"

"Allerwaarschijnlijkst de kluizenaar van Engaddi", hervatte de

aartsbisschop; "want hij heeft veel in deze zaak gewerkt; en daar het

misnoegen der vorsten blijkbaar, en eene scheiding van hunne macht

onvermijdelijk is geworden, heeft hij verscheidene beraadslagingen

met Christenen en Heidenen gehouden, om zoodanigen vrede tot stand

te brengen, dat de Christenheid, ten minste voor een gedeelte, het

voorwerp van haar heiligen krijg bereikte."

"Mijne bloedverwante aan een ongeloovige.--Ha!" riep Richard uit,

terwijl zijne oogen begonnen te fonkelen.

De prelaat haastte zich om zijne gramschap af te wenden. "Men moet

zonder twijfel eerst de toestemming van den paus verkrijgen, en de

heilige hermiet, die wel bekend te Rome is, zal met den heiligen

vader onderhandelen."

"Hoe?--zonder dat wij eerst onze toestemming geven?" vroeg de Koning.

"Voorzeker niet", antwoordde de bisschop op geruststellenden, vleienden

toon, "alleen met en onder uwe bijzondere goedkeuring."

"Mijne goedkeuring om mijne bloedverwanten met een ongeloovige te doen

huwen?" zeide Richard, maar eer op een toon, die naar twijfel geleek,

dan als bepaald den voorgestelden maatregel afkeurende. "Kon ik van

zulk eene bevreding gedroomd hebben, toen ik van den voorsteven van

mijne galei op het Syrische strand sprong, gelijk een leeuw springt op

zijne prooi!--En nu.--Maar vervolg.--Ik zal met geduld toeluisteren."

De aartsbisschop, even verheugd als verbaasd, dat hij zijne taak zoo

veel lichter vond, dan hij gevreesd had, haastte zich, om Richard de

voorbeelden van zoodanige verbintenissen in Spanje op te sommen--niet

zonder toestemming van den heiligen stoel--de onberekenbare voordeelen,

die de geheele Christenheid van de vereeniging tusschen Richard en

Saladin door zulk een heiligen band zou plukken; en bovenal sprak

hij met groote geestdrift en zalving over de waarschijnlijkheid,

dat Saladin, in geval het voorgestelde huwelijk plaats vond, zijn

valsch geloof tegen het ware zou verwisselen.

"Heeft de Sultan eenige neiging getoond, om Christen te worden?" vroeg

Richard; "als dat zoo is, dan leeft er geen Koning op aarde, dien ik

de hand van eene bloedverwante, ja van eene zuster, liever dan aan den

edelen Saladin zou schenken--ja, al kwam er een die kroon en scepter

aan hare voeten legde, en de andere haar niets had aan te bieden dan

zijn goed zwaard en beter hart."

"Saladin heeft onze Christen leeraars gehoord," zeide de bisschop

eenigzins ontwijkend--"mijn onwaardigen persoon--en anderen--en daar

hij geduldig luistert, en bedaard antwoordt, is het bijna niet anders

mogelijk, of hij is als een brandhout gegrepen door het vuur. Magna est

veritas et praevalebit. [6]--Daarenboven is de kluizenaar van Engaddi,

van wiens woorden weinige nutteloos op aarde zijn gevallen, volkomen

doordrongen van het geloof, dat er eene roeping der Sarraceenen en

andere heidenen nadert, waartoe dit huwelijk de inleiding zal zijn. Hij

leest in den loop der sterren; daar hij, onder kastijding van het

vleesch, in die goddelijke oorden vertoeft, welke de heiligen oudtijds

betreden hebben, zoo is de geest van Elia, den Tishbiet, den stichter

van zijne heilige orde met hem geweest, gelijk met den profeet Eliza,

den zoon van Shaphant, toen hij zijn mantel over hem uitspreidde."

Koning Richard luisterde naar de redeneering van den prelaat met

neergeslagen oogen en verwarde blikken.

"Ik kan niet zeggen", zeide hij, "hoe het met mij gesteld is; maar ik

geloof, dat deze koude raadgevingen van de Christen vorsten mij ook met

eene slaapziekte van geest hebben besmet. Er is een tijd geweest, dat,

zoo een leek mij zulk een huwelijk had voorgesteld, ik hem ter neder

had gehouwen--en dat, zoo een geestelijke dit gedaan had, ik hem als

een renegaat en baalspriester in het gezicht gespogen had--maar thans

klinkt deze raad zoo vreemd niet in mijne ooren. Want waarom zou ik

geen broederschap en verbintenis met een dapperen, rechtvaardigen en

edelmoedigen Sarraceen zoeken,--die een waardigen vijand lief heeft en

vereert, alsof het een vriend ware,--terwijl de Christen vorsten van

de zijde van hun bondgenoot afdeinzen, en de zaak van den Hemel en van

eene brave ridderschap verlaten?--Maar ik wil geduldig blijven en niet

aan hem denken. Slechts nog ééne poging wil ik doen, om, zoo mogelijk,

deze dappere broederschap bijeen te houden; en zoo die mislukt, heer

aartsbisschop, dan zullen wij te zamen over uw raad spreken, dien ik

voor het tegenwoordige noch aanneem, noch geheel verwerpt. Laat ons

naar de raadsvergadering gaan, mylord--het uur roept ons. Gij zegt, dat

Richard driftig en trotsch is--gij zult zien, dat hij zich, even als de

bescheiden braamplant, waaraan hij zijn bijnaam ontleent, vernedert."

Met behulp van zijne kamerdienaars kleedde de Koning zich haastig

in een wambuis en een mantel van donkere en effen kleur; en zonder

eenig teeken van koninklijke waardigheid, behalve een gouden band om

zijn hoofd, spoedde hij zich met den aartsbisschop van Tyrus naar de

raadsvergadering, die slechts op zijne tegenwoordigheid wachtte om

hare zitting te beginnen.

Voor de raadsvergadering was eene ruime tent bestemd, vóór welke de

groote banier van het kruis ontplooid was. Daarenboven stond er nog

eene andere, waarop was afgebeeld eene knielende vrouw met loshangende

haren en onordelijke kleeding, die de verlaten en verdrukte kerk

van Jeruzalem verbeelden moest, met het opschrift: Affictae sponsae

ne obliviscaris. [7] Met zorg gekozen wachten stonden allen op een

afstand van deze tent, uit vrees, dat de woordenwisselingen, die

somtijds van luiden en stormigen aard waren, andere ooren mochten

bereiken, dan die, voor wie zij bestemd waren.

Hier waren dan de vorsten van den kruistocht vergaderd, en wachtten

Richard's komst. Zelfs dien korten tijd, dat hij wegbleef, strekten

hem bij zijne vijanden tot nadeel, daar er talrijke voorbeelden

van zijn hoogmoed en onbehoorlijke aanmatiging van macht ter tafel

gebracht werden, waarbij zelfs het korte verwijl, dat hij veroorzaakte

werd aangehaald. Men trachtte elkander in deze ongunstige meening

te versterken, en ieder haalde de door hem ondergane beleediging

aan, door de kleinste omstandigheden in den strengsten zin uit te

leggen. En dit alles geschiedde mogelijk alleen slechts, omdat zij

een instinktmatigen eerbied voor den Koning van Engeland gevoelden,

dien het de grootste inspanning kostte om te overwinnen.

Zij hadden daarom bepaald, dat zij hem bij zijn binnentreden met

weinig meer opmerkzaamheid zouden ontvangen en met niet meer achting

dan volstrekt noodzakelijk was, om binnen de grenzen van het koude

ceremoniëel te blijven. Maar toen zij die edele gestalte aanschouwden,

dat vorstelijk gelaat, dat door zijn laatste ziekte een weinig

verbleekt was--dat oog, dat de minnezangers de schitterde ster van

den strijd en de overwinning genoemd hadden, toen zij zijne daden, die

menschelijke kracht en dapperheid te boven gingen, in hunne gedachten

terug riepen, stonden zij allen--zelfs de naijverige Koning van

Frankrijk en de norsche en beleedigde hertog van Oostenrijk--te gelijk

op, en de vergaderde vorsten barstten eenstemmig uit in de kreet: "God

beware Koning Richard van Engeland!--Lang leve de dappere Leeuwenhart!"

Met een gelaat, vrij en open als de zomerzon, als zij boven de

kimmen rijst, dankte Richard naar alle zijden, en wenschte zich

zelven geluk, dat hij zich op nieuw te midden van zijne koninklijke

mede-kruisvaarders bevond.

"Slechts weinige woorden wensch ik te zeggen", aldus wendde hij

zich tot de vergadering, "ofschoon over een zoo onwaardig voorwerp,

als mij zelven, zelfs met gevaar, om voor eenige oogenblikken uwe

beraadslagingen over het welzijn van het Christendom en de bevordering

van uwe heilige onderneming op te houden."

De vergaderde vorsten hernamen hunne plaatsen en er ontstond eene

diepe stilte.

"Deze dag", vervolgde de Koning van Engeland, "is een hooge feestdag

voor de kerk; en het past alleszins aan de Christenen op zulk een

tijd, om zich met hunne broeders te verzoenen, en elkander hunne

misslagen te belijden. Edele vorsten, en vaders van deze heilige

onderneming, Richard is een krijgsman--zijne hand is altijd vlugger

dan zijn tong--en zijne tong is maar al te weinig aan de ruwe taal

van zijn beroep gewend. Maar ziet om Plantagenet's haastige gezegden

en onoverdachte daden niet van de edele zaak der verlossing van

Palestina af--werpt aardschen roem en eeuwig heil niet weg, die hier

te winnen zijn, zoo de mensch die ooit winnen kan, omdat de soldaat

haastig in het handelen, en zijne taal zoo hard is, als het zwaard,

dat hij van zijne kindsheid af gedragen heeft. Zoo Richard tegen een

van u lieden misdaan heeft, zal hij door woorden en daden voldoening

geven.--Edele broeder van Frankrijk, ben ik ongelukkig genoeg geweest,

om u te beleedigen?"

"Zijne Majesteit van Frankrijk heeft geene verzoening met die van

Engeland te zoeken", antwoordde Filips met koninklijke waardigheid;

"en welk besluit ik ook ten opzichte van de voortzetting dezer

onderneming moge nemen, dit zal van redenen afhangen, die met den

staat van mijn eigen koninkrijk in verband staan, en zeker niet van

ijverzucht of haat tegen mijn koninklijken en zeer dapperen broeder."

"Oostenrijk", vervolgde Richard, met eene vermenging van vrijmoedigheid

en waardigheid op den Aartshertog toegaande, terwijl Leopold,

als het ware onwillekeurig, van zijn zetel opstond, en als een

automaat, wiens bewegingen van een drijfveer buiten haar zelven

afhingen,--"Oostenrijk denkt, dat hij reden heeft, om op Engeland

vertoornd te zijn, Engeland, dat hij reden heeft, om over Oostenrijk

te klagen. Laten zij wederzijds hunne vergiffenis wisselen, opdat de

vrede van Europa en de eendracht van dit leger ongestoord blijve. Wij

zijn thans gezamenlijke verdedigers van eene roemrijker banier,

dan er ooit eene voor een aardschen vorst wapperde, de banier des

Heils zelve--laat er derhalve geen strijd tusschen ons zijn wegens het

zinnebeeld van onze bloot aardsche waardigheden; maar laat Leopold het

vaandel van Engeland teruggeven, indien hij het in zijne macht heeft,

en Richard zal, ofschoon om geene andere beweegreden dan zijne liefde

voor de heilige kerk, zeggen, dat hij berouw heeft over de drift,

waarmede hij den Oostenrijkschen standaard beschimpt heeft."

De Aartshertog stond stil, norsch en ontevreden, met zijne oogen op

den grond gevestigd, en zijn gelaat gerimpeld van onderdrukt misnoegen,

dat ontzag met ruwheid vermengd hem belette met woorden uit te drukken.

De Patriarch van Jeruzalem haastte zich, om het onrustbarende

stilzwijgen af te breken, en getuigenis namens den Aartshertog van

Oostenrijk af te leggen, dat hij zich door een plechtigen eed van

elke rechtstreeksche of zijdelingsche bekendheid met de aanranding

tegen de banier van Engeland gezuiverd had.

"Dan hebben wij den edelen Aartshertog te grooter onrecht aangedaan",

zeide Richard, "en terwijl wij hem vergiffenis vragen, omdat wij hem

eene zoo lafhartige beleediging te last gelegd hebben, strekken wij

de hand naar hem uit tot een teeken van vernieuwden vrede en herstelde

vriendschap.--Maar wat is dit? Oostenrijk weigert onze ontbloote hand,

even als te voren onzen ijzeren handschoen. Hoe! Zullen wij zijn

deelgenoot in vrede noch zijne tegenpartij in oorlog zijn? Welaan,

het zij zoo; wij zullen de minachting, waarmede hij ons behandelt,

beschouwen als eene boete voor al wat wij in de drift des bloeds tegen

hem gedaan hebben, en zullen dus de rekening tusschen ons beiden voor

vereffend houden."

Dit zeggende wendde hij zich van den Aartshertog af met een voorkomen

van waardigheid veeleer dan verachting, terwijl de Oostenrijker naar

het scheen, evenzeer door de verwijdering uit zijne oogen verlicht

werd, als een norsche ondeugende schoolknaap, als zich de blik van

zijn strengen schoolmeester van hem afwendt.

"Edele graaf van Champagne--vorstelijke markies van Montserrat--dappere

grootmeester der Tempeliers--ik sta hier als een boeteling in den

biechtstoel. Heeft iemand van u eene beschuldiging tegen mij in te

brengen, of voldoening van mij te vragen?"

"Ik weet niet, waarop wij er eenige zouden kunnen gronden", antwoordde

de welbespraakte Koenraad, "behalve dat de Koning van Engeland zijne

arme wapenbroeders al den krijgsroem ontrooft, dien zij gehoopt hadden,

in dezen krijgstocht te winnen."

"Mijne beschuldiging", zeide de grootmeester der Tempeliers, "zoo

ik geroepen wordt om er eene te doen, is ernstiger en ligt dieper,

dan die van den markies van Montserrat. Misschien wordt het mij,

als een krijgshaftigen monnik, kwalijk genomen, dat ik mijne stem

verhef, waar zoo vele edele vorsten het stilzwijgen bewaren; maar

het betreft ons geheele leger, en niet het minst dezen edelen Koning

van Engeland, dat hij voor zijn aangezicht die aantijgingen hoort,

waarmede hij meer dan genoeg gedurende zijne afwezigheid overladen

wordt. Wij prijzen en eeren den moed en de hooge voortreffelijkheid

van den Koning van Engeland; maar het smart ons, dat hij, bij alle

gelegenheden een voorrang en eene meerderheid boven ons aanneemt,

waaraan het onafhankelijken vorsten niet past zich te onderwerpen. Veel

konden wij vrijwillig aan zijne dapperheid, zijn ijver, zijn rijkdom

en zijne macht toegeven; maar hij, die alles als een recht grijpt,

en niets overlaat om uit inschikkelijkheid en gunst te schenken,

verlaagt ons van bondgenooten tot dienaars en vasallen, en bezoedelt,

in de oogen van onze soldaten en onderdanen, den glans van ons gezag,

dat wij niet langer onafhankelijk uitoefenen. Daar Koning Richard

de waarheid van ons gevraagd heeft, moet hij noch verwonderd noch

vertoornd worden, wanneer hij een man hoort, wien de wereldsche pracht

verboden en voor wien aardsch gezag niets is, behalve in zoover dit den

voorspoed van Gods tempel en de bestrijding bevordert van den leeuw,

die rondgaat, om te zoeken, wien hij kan verslinden,--wanneer hij zulk

een man, zeg ik, hem tot antwoord op zijne vraag de waarheid hoort

zeggen. En deze wordt, terwijl ik spreek, door het hart zelf van allen,

die mij hooren, bevestigd, al verstikt ook de eerbied hunne stem."

Richard bloosde sterk, terwijl de grootmeester dezen rechtstreekschen

en onbewimpelden aanval op zijn gedrag deed, en het goedkeurend gemor,

dat daarop volgde, toonde duidelijk, dat bijna allen, die tegenwoordig

waren, de juistheid van de beschuldiging erkenden. Verbitterd en

tevens verootmoedigd, voorzag hij echter, dat hij, door zich aan zijne

onstuimigen toorn over te geven, den koelen en listigen beschuldiger

het voordeel zou geven, hetwelk te verkrijgen het voornaamste doel

van den Tempelier was. Hij zweeg derhalve met groote inspanning,

totdat hij een pater noster had opgezegd, wat de weg was, dien zijn

biechtvader hem had aangewezen te volgen, wanneer de gramschap op het

punt was de overhand op hem te krijgen. De Koning sprak vervolgens

met kalmte, ofschoon op verbitterden toon, inzonderheid in den aanvang.

"En is het dan inderdaad zoo? En geven zich onze broeders zoo veel

moeite, om de zwakheden van ons aangeboren karakter en de onbeschaafde

driften van onzen ijver op te merken, die mij somtijds kunnen

aangespoord hebben, om bevelen te geven, wanneer er weinig tijd was om

te raadplegen. Ik kon niet denken, dat toevallige en onopzettelijke

beleedigingen, als de mijne, zulke diepe wortels schieten konden in

de harten van mijne bondgenooten in deze allerheiligste zaak, dat zij

om mijnentwil de hand van den ploeg zouden trekken, daar de vore bijna

aan het einde was; dat zij om mijnentwil zich van het rechtstreeksche

pad naar Jeruzalem zouden afwenden, dat hunne zwaarden hun geopend

hebben. Ik heb ten onrechte gedacht, dat mijne kleine diensten zwaarder

zouden gewogen hebben dan mijne onbedachte dwalingen--dat, zoo men zich

herinnerde, dat ik bij een aanval mij aan de spits stelde, men niet

vergeten zou, dat ik altijd de laatste bij een terugtocht was--dat,

zoo ik mijne banier op de veroverde velden plantte, dit al het voordeel

was, dat ik zocht, terwijl anderen den buit verdeelden. Ik mag dan

de veroverde stad naar mijn naam genoemd hebben, maar ik liet aan

anderen het gebied over. Zoo ik volhardend in het geven van stouten

raad geweest ben, heb ik, dunkt mij, noch mijn eigen bloed noch dat

van mijn volk gespaard, om even stout ten uitvoer te brengen. Of

indien ik, in de snelheid van den marsch of slag een bevel over de

soldaten van anderen op mij genomen heb, dan zijn zij ook altijd als

de mijne behandeld geworden, wanneer ik van mijn rijkdom de levens-

en geneesmiddelen kocht, die hunne eigen vorsten hun niet verschaffen

konden.--Maar ik schaam mij, u te herinneren aan hetgeen allen op mij

zelven na schijnen vergeten te hebben.--Laat ons liever voorwaarts

zien op de maatregelen in de toekomst te nemen; en gelooft mij, mijne

broederen", vervolgde hij, terwijl zijn gelaat van geestdrift gloeide,

"dan zult gij noch de trots, noch de gramschap, noch de eerzucht

van Richard als een struikelblok op het pad vinden, waar godsdienst

en roem u, als met de bazuin van den aartsengel, roepen. O, neen,

neen! Nooit zou ik de gedachten overleven, dat mijne gebreken en

zwakheden de middelen waren geweest, om deze schoone samenkomst van

vergaderde vorsten te doen uiteen gaan. Ik zou mij de linkerhand met

de rechter afhouwen, indien dit mijne oprechtheid kon bewijzen. Ik wil

vrijwillig van elk recht afzien om het bevel in het leger te voeren,

zelfs over mijne eigen onderdanen. Zij zullen door zoodanige vorsten,

als gij benoemen zult, aangevoerd worden, en hun Koning, die steeds

maar al te zeer genegen is, om den staf van aanvoerder met de lans van

den avonturier te verwisselen, zal onder de banier van Beau-Séant bij

de Tempeliers--ja, onder die van Oostenrijk dienen, zoo Oostenrijk een

dapper man tot aanvoerder van zijne troepen wil benoemen. Of, indien

gij zelf dezen oorlog moede zijt, en voelt, dat uwe wapenrusting

uwe teedere lichamen drukt, laat dan aan Richard slechts een tien

of vijftien duizend van uw soldaten, om uwe gelofte te vervullen,

en wanneer Sion veroverd is", riep hij uit, terwijl hij zijne hand

ophief, alsof hij de banier van het kruis over Jeruzalem uitbreidde,

"wanneer Sion veroverd is, dan zullen wij op zijne poorten niet den

naam van Richard Plantagenet schrijven, maar dien van de edelmoedige

vorsten, die hem de middelen ter verovering toevertrouwden!"

De ruwe welsprekendheid en duidelijke woorden van den krijgshaftigen

monarch wekten op eens den gezonken moed der kruisvaarders op,

verlevendigde hunne vroomheid, en hunne aandacht op het hoofddoel van

den krijgstocht vestigende, bloosden zij voor het meerendeel, omdat

zij door zulke geringe redenen van klagen, als hen eerst vervulden,

bewogen waren geworden. Het eene oog ontvlamde het andere, de eene

stem moedigde de andere aan. Zij hieven, als het ware eenstemmig,

den oorlogskreet weder aan, die bij de toespraak van Peter den

kluizenaar weergalmde, en zij riepen luid: "voer ons aan, dappere

Leeuwenhart--niemand is zoo waardig aan te voeren, waar dappere

mannen volgen. Voer ons aan--naar Jeruzalem--naar Jeruzalem--het

is Gods wil--het is Gods wil!--Gezegend is hij, die zijn arm tot de

vervulling zal leenen!"

Dit zoo plotseling en algemeen aangeheven geschreeuw liet zich

hooren tot buiten den kring van schildwachten, die de tent van de

raadsvergadering bewaakten, en verspreidde zich onder de soldaten van

het leger, die, traag geworden en ontmoedigd door ziekten en klimaat,

even als hunne opperhoofden, den moed begonnen te verliezen. Maar de

wederverschijning van Richard in hernieuwde kracht en de welbekende

kreet, die uit de vergadering der vorsten voortkwam, ontvlamde

eensklaps hunne geestdrift weder, en duizenden en tienduizenden

antwoordden met dezelfde kreten van: "Sion, Sion!--Oorlog,

oorlog!--Dadelijk ten strijde tegen de ongeloovigen! Het is Gods

wil--het is Gods wil!"

De kreten van buiten verhoogden op hare beurt het vuur, dat binnen

de tent heerschte. Zij, die niet in werkelijkheid door de vlam waren

aangetast, vreesden, ten minste voor dit oogenblik koeler te schijnen

dan anderen. Men sprak van niets anders meer dan van een stouten aanval

op Jeruzalem bij het einde van den wapenstilstand, en de maatregelen,

die men intusschen voor het verzorgen en voltallig maken van het

leger nemen moest. De raadsvergadering scheidde, alle leden ervan,

naar het scheen, met hetzelfde voornemen,--dat echter spoedig in den

boezem der meesten verdoofde, en nooit in dien van anderen bestond.

Onder de laatsten behoorden de markies Koenraad en de grootmeester der

Tempeliers, die zich, misnoegd en ontevreden over de gebeurtenissen

van den dag, te zamen naar hunne tenten begaven.

"Ik heb het u altijd wel gezegd," zeide de laatste, met den kouden

sardonischen glimlach, die hem eigen was, "dat Richard door de listige

netten, die gij hem gespannen hadt, zou heenbreken, als een leeuw

door een spinneweb. Gij ziet, dat hij slechts te spreken heeft,

en zijn adem beweegt deze loszinnige dwazen even gemakkelijk, als

de dwarrelwind verspreid stroo opneemt en naar zijn goedvinden bij

elkander werpt, of uiteen drijft."

"Wanneer de wind voorbij is", antwoordde Koenraad, "dan zal het stroo,

dat hij door zijn adem opjoeg, weder rustig op den grond gaan liggen."

"Maar weet gij bovendien niet," hernam de Tempelier, "dat, zoo dit

nieuwe voornemen van verovering zal opgegeven zijn en voorbijgegaan,

en ieder machtig vorst weder aan de eenige leiding zal overgegeven

worden, die zijn eigen bekrompen hersenen hem kunnen verschaffen,

toch Richard door verdrag Koning van Jeruzalem zal worden, en dat

vredesverdrag met den Sultan zal sluiten, hetwelk gij meendet, dat

hij zoo gereedelijk zou van de hand wijzen."

"Nu, bij Mahomed en Termagaunt, want Christen eeden zijn uit de

mode", zeide Koenraad, "zegt gij, dat de trotsche Koning van Engeland

zijn bloed met dat van een heidenschen Sultan zou vermengen?--Mijn

staatkundig doorzicht heeft dat hulpmiddel aangebracht om hem de

geheele onderhandeling tot een gruwel te maken.--Het zou even erg

voor ons zijn, zoo hij onze meester werd door een verdrag, als wanneer

hij dit door de overwinning werd."

"Uwe staatkunde heeft het verterings vermogen van Richard zeer slecht

berekend", antwoordde de Tempelier, "ik ken zijn gemoed door een

wenk van den aartsbisschop.--En dan uw meesterstreek met gindsche

banier--die is voorbijgegaan met niet meer eerbied, dan twee ellen

geborduurde zijde verdienden. Markies Koenraad, uw vernuft begint

te falen.--Ik zal niet langer op uwe fijn gesponnen maatregelen

vertrouwen, maar mijn eigen beproeven.--Kent gij de lieden niet,

welke de Sarraceenen Charegieten noemen?"

"Zeker ken ik die", antwoordde de markies; "het zijn wanhopende,

dolzinnige dwepers, die hun leven aan de bevordering van den Godsdienst

toewijden--ongeveer gelijk de Tempeliers--alleen weet men niet,

dat zij ooit halverwege hunne roeping blijven staan."

"Scherts niet", hernam de monnik ernstig. "Verneem, dat een van deze

lieden, in zijne bloedige gelofte, den naam van dien eiland-Keizer

heeft genoemd, om hem als den hoofdvijand van het Mahomedaansch geloof

neer te houwen."

"Een zeer oordeelkundig Heiden, zeide Koenraad. "Mahomed schenke hem

zijn paradijs tot belooning!"

"Hij werd door een van onze knapen in het kamp gevat, en, in een

bijzonder verhoor, bekende hij mij zijn vast en bepaald voornemen."

"Nu vergeve de Hemel degenen, welke het voornemen van dezen zeer

verstandigen Charegiet belet hebben", antwoordde Koenraad.

"Hij is mijn gevangene," voegde de Tempelier er bij, "en van allen

omgang met anderen afgesloten, zooals gij begrijpen kunt--maar de

gevangenissen zijn wel eens opengebroken."

"De ketenen afgeworpen, en gevangenen ontsnapt--" hervatte de

markies. "Er is een oud spreekwoord dat zegt: er is geene zekere

gevangenis, behalve het graf."

"Als hij los is, hervat hij zijn streven--want het is de aard van deze

soort van bloedhonden, dat zij nooit het spoor verlaten van de prooi,

die zij eens geroken nebben."

"Zeg er niets meer van", zeide de markies; "ik doorzie uwe

staatkunde--zij is verschrikkelijk, maar de nood is dringend."

"Ik heb u dit alleen gezegd, opdat gij op uwe hoede mocht zijn,

want het oproer zal verschrikkelijk wezen: en men weet niet, op

wien de Engelschen hunne woede zullen koelen.--En er is nog een

ander gevaar--mijn page is van de besluiten van dezen Charegiet

onderricht," vervolgde de Tempelier; "en bovendien is hij een

gevoelige, eigenzinnige gek, van wien ik wel wenschte ontslagen te

zijn, daar hij mij dwarsboomt, omdat hij door zijne eigen oogen

en niet door de mijne wil zien. Maar onze heilige orde geeft mij

de kracht om zulk een ongemak te verhelpen. Of wacht--de Sarraceen

kan een goede dolk in zijne cel vinden, en ik sta er voor in, dat

hij dien gebruikt, als hij uitbreekt, hetgeen zeker zal gebeuren,

zoodra de page met zijn voedsel binnentreedt."

"Het zal aan de zaak eene kleur geven", zeide Koenraad; "echter...."

"Echter en maar", hervatte de Tempelier, "zijn woorden voor dwazen;

wijze lieden aarzelen niet en treden niet terug; zij besluiten en

voeren uit."

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 21 / 36 题