HOOFDSTUK XVII.

Al was elk haar op zijne kruin een leven,

En elk bestaan door beden te behouden,

Door beden, als zijn haren verviervuldigd,

Toch zouden zij verdwijnen, als de sterren

Voor d' ochtendstond--of als schitterende lampen

Die ons haar licht bij 't feest'lijk nachtfeest schonken

En die men, na 't vertrek der gasten bluschte.

Oud Tooneelstuk.

De kamerheeren, die in het buitenste gedeelte van Richard's tent de

wacht hielden, verzetten zich, hoewel op de eerbiedigste en meest

bescheiden wijze, tegen het binnentreden van Koningin Berengaria. Zij

kon het strenge bevel des Konings in de binnentent hooren, die haar

het binnentreden verbood.

"Gij ziet het", zeide de Koningin, zich tot Edith wendende, alsof zij

alle middelen van tusschenkomst, die in hare macht stonden, uitgeput

had--"ik wist het wel--de Koning wil ons niet ontvangen."

Tegelijkertijd hoorden zij Richard tot iemand in de tent zeggen:

"Ga, volbreng uw ambt spoedig, kerel--want hierin bestaat toch uwe

genade--tien byzantynen voor u, zoo gij hem in één slag er afhelpt.--En

hoort gij, knaap, geef acht, of zijn wangen verbleeken, of zijn oog

siddert--let op het geringste vertrekken van zijn gelaat, op iedere

beweging van het ooglid.--Ik wilde gaarne weten, hoe dappere mannen

den dood te gemoet gaan."

"Zoo hij mijn zwaard ziet zwaaien zonder terug te deinzen, dan is

hij de eerste, die dit ooit deed," antwoordde eene ruwe, zware stem,

die een gevoel van ongewonen eerbied tot een zachter toon gestemd had,

dan de gewone harde klank.

Edith kon niet langer zwijgen. "Als Uwe Majesteit", zeide zij tot

de Koningin, "zich zelve geen weg weet te banen, dan zal ik het

voor u doen; of zoo niet voor Uwe Majesteit, dan ten minste voor mij

zelve.--Kamerheeren, de Koningin vraagt om Koning Richard te zien--de

echtgenoote om met haren gemaal te spreken."

"Edele dame", antwoordde de beambte, terwijl hij zijn ambtsstaf liet

zinken; "het spijt mij, dat ik mij tegen u verzetten moet; maar zijne

Majesteit is bezig met zaken leven en dood betreffende."

"En wij wenschten hem ook over zaken van leven en dood te spreken",

antwoordde Edith.--"Ik zal Uwe Majesteit toegang verschaffen." En

den kamerheer met de eene hand op zijde schuivende, vatte zij het

gordijn met de andere.

"Ik durf mij tegen den wil van hare Majesteit niet verzetten", zeide

de kamerheer, terwijl hij voor het geweld der schoone smeekende week;

en daar hij ter zijde trad, vond de Koningin zich verplicht om in

het vertrek van Richard te treden.

De monarch lag op zijn bed, en op korten afstand stond een man,

wiens beroep het niet moeielijk was te gissen, blijkbaar zijne

verdere bevelen afwachtende. Hij droeg een wambuis van rood laken,

dat ternauwernood tot onder de schouders reikte, en de armen omtrent

half weg boven den elleboog bloot liet, en tot bovenkleed had hij,

wanneer hij, gelijk thans, op het punt was om zijn vreeselijk ambt

te verrichten, een rok zonder mouwen, bijna gelijk aan dien van een

heraut, van bereid stierenleer gemaakt en van voren met menige breede

plek en spat van donker karmozijn bezoedeld. Het wambuis en de rok

daarover reikte tot aan zijn knieën, en de keusen of beenbekleedsels

waren van hetzelfde leder als de rok. Eene muts van ruw pluis strekte

om het bovenste gedeelte van een gelaat te verbergen, dat, gelijk

aan dat van een nachtuil, verlangde het licht te ontwijken--daar het

benedenste gedeelte ervan door een grooten rooden baard verdonkerd

werd, die zich met ruw haar van dezelfde kleur vermengde. Al de

trekken, die zichtbaar waren, hadden eene stuursche en menschenhatende

uitdrukking. De gestalte van den man was kort, sterk gebouwd met

een hals als een stier, zeer breede schouders, armen van een groote

en onevenredige lengte, en een grooten, vierkanten romp met dikke,

kromme beenen. Deze barbaarsche dienaar leunde op een zwaard, waarvan

de kling bijna vier en een halven voet lang was, terwijl het gevest

van twintig duim, omringd door een kring van looden kogeltjes, om

tegen het gewicht van zulk eene kling op te wegen, zich ver boven

het hoofd van den man verhief, terwijl zijn arm op den greep rustte,

de verdere bevelen van Koning Richard verbeidende.

Bij het plotseling binnentreden der dames wierp zich Richard, die

toen op zijn bed lag met het gelaat naar den ingang gekeerd, en op

zijn elleboog rustte, terwijl hij met zijn verschrikkelijken dienaar

sprak, haastig op de andere zijde, alsof hij verwonderd en misnoegd

was. Hij keerde dus der Koningin en de dames van haar gevolg den

rug toe, terwijl hij het dek over zich heen trok. Dit bestond naar

zijn eigen keus of waarschijnlijker door de vleiende keuze van zijne

kamerheeren, uit twee groote leeuwenhuiden, die in Venetië met zulk

eene bewonderenswaardige bekwaamheid waren bewerkt, dat zij zachter

schenen dan een reevel.

Berengaria, zooals wij haar beschreven hebben, kende wel haar weg

tot de zegepraal--en welke vrouw kent dien niet? Na een haastigen

blik van ongeveinsd en onbewimpeld afgrijzen voor den geduchten

metgezel der geheime raadslagen van haar gemaal, ijlde zij op eens

naar het bed van Richard, viel op hare knieën, wierp haar mantel

van hare schouders, en vertoonde hare lange gouden lokken, die in

hunne volle lengte nederhingen. Haar gelaat geleek de zon, die door

eene wolk breekt, en toch nog op haar voorhoofd blijken draagt, dat

haar glans verduisterd is geweest. Zij greep de rechterhand van den

Koning, die zijne gewone ligging hernemende, bezig geweest was om

het dek terecht te trekken. Zij trok die met eene kracht, waaraan,

hoewel zwak, weerstand werd geboden, en stelde zich op die wijze in

het bezit van dien arm, den steun van het Christendom, en den schrik

van het heidendom, omvatte dien met hare beide schoone handjes,

boog haar voorhoofd er over heen, en drukte ze aan hare lippen.

"Waartoe dient dit, Berengaria?" vroeg Richard, zijn hoofd nog altijd

afgewend, maar zijne hand in hare macht latende.

"Zend dien man weg--zijn blik doodt mij", zeide Berengaria zachtjes.

"Vertrek, kerel", zeide Richard zonder nog om te zien--"waar wacht

gij op? Zijt gij een mensch om naar deze dames te zien?"

"Het welgevallen van uwe Majesteit omtrent het hoofd?" vroeg de man.

"Pak u weg, hond!" antwoordde Richard--"eene christelijke begrafenis!"

De man verdween, na een blik op de schoone Koningin in hare

verwaarloosde kleeding en natuurlijke bekoorlijkheid geworpen te hebben

met een glimlach van verwondering, die op zijn gelaatsuitdrukking

nog afschuwelijker was, dan zijn gewone norsche blik van lagen haat

tegen het menschelijk geslacht.

"En nu, kleine zottin, wat wenscht gij?" vroeg Richard, terwijl hij

zich langzaam en half onwillig naar de smeekende Koningin wendde.

Maar het was niemand mogelijk en allerminst een bewonderaar van

schoonheid, als Richard, die boven deze slechts aan den roem een

hoogeren rang toekende, om zonder aandoening op het gelaat en den

angst van zulk een schoon wezen als Berengaria te staren, of zonder

medelijden te voelen, dat hare lippen, haar voorhoofd op zijne

hand lagen, en dat deze door hare tranen bevochtigd werd. Langzaam

keerde hij zijn mannelijk gelaat naar haar toe, met de zachtste

uitdrukking, waartoe zijn groot, blauw oog, dat zoo dikwijls met een

onwederstaanbaar licht schitterde, in staat was. Hare schoone hand

kussende, en met zijne breede vingers in hare sierlijke, loshangende

lokken woelende, lichtte hij het engelachtig gelaat, dat zich in zijne

hand scheen te willen verbergen, op en kuste het teeder. De gespierde

gedaante, het breede, edele voorhoofd en de majestueuse blikken, de

bloote arm en schouder, de leeuwenhuiden, waarmede hij bedekt was,

en de schoone, zwakke vrouw die naast hem knielde, kon dienen voor

een model van Hercules, zich na een twist met zijne vrouw Dejanira

verzoenende.

"Nog eens, wat zoekt de dame van mijn hart in de tent van haar ridder,

op dit vroegtijdig en ongewoon uur?"

"Vergiffenis, mijn allergenadigste Koning, vergiffenis", antwoordde de

Koningin, wier vrees haar wederom voor den plicht van bemiddelaarster

begon ongeschikt te maken.

"Vergiffenis! waarvoor?" vroeg de Koning.

"Vooreerst, omdat ik te vermetel en onbezonnen in uwe Koninklijke

tegenwoordigheid getreden ben...."

Zij bleef steken.

"Gij te vermetel!--even goed kon de zon vergiffenis vragen, omdat

hare stralen door de vensters van het een of ander ellendig verblijf

drongen. Maar ik was met een werk bezig, dat niet voor uw bijzijn

paste, mijne lieve, en ik wilde bovendien niet, dat gij uwe kostbare

gezondheid zoudt wagen op eene plaats, waar de ziekte nog zoo kort

geleden heerschte."

"Maar gij zijt thans hersteld", zeide de Koningin, nog steeds de

mededeeling uitstellende, die zij vreesde te doen.

"Herstel genoeg om eene lans te breken tegen den stouten ridder, die

zou durven weigeren, om u voor de schoonste vrouw in het Christendom

te verklaren."

"Gij zult mij dan eene gift niet weigeren--slechts ééne--slechts één

gering leven?"

"Ha!--ga voort", zeide Koning Richard, zijn voorhoofd fronsende.

"Deze ongelukkige Schotsche ridder...." begon de Koningin.

"Spreek niet van hem, mevrouw", antwoordde Richard norsch; "hij

sterft--zijn vonnis is geveld."

"Neen, mijn koninklijke en hartelijk geliefde gemaal, het is slechts

eene zijden banier, die hij verwaarloosd heeft. Berengaria zal er u

eene andere geven, die met hare eigen hand geborduurd is, en zoo rijk

als er ooit eene in den wind fladderde. Iedere parel, die ik in mijn

vermogen heb, zal die versieren, en bij elke parel zal ik eene traan

van dankbaarheid voor mijne edelmoedigen ridder plengen."

"Gij weet niet wat gij zegt", viel de Koning haar driftig in

de rede.--"Paarlen! kunnen alle paarlen van het Oosten eene

smet uitwisschen op Engelands eer--alle tranen, die ooit het oog

zijner vrouw vergoot, eene vlek afwasschen op Richard's roem?--Ga,

mevrouw! ken uwe plaats, uw tijd en uw kring. Voor het tegenwoordige

hebben wij plichten, waarin gij niet kunt deelen.

"Gij hoort het, Edith", fluisterde de Koningin, "wij zullen hem

slechts toornig maken."

"Het zij zoo", sprak Edith, naar voren tredende.--"Mylord--ik, uwe arme

bloedverwante, smeek u om gerechtigheid, veeleer dan genade; en voor

de luide stem der rechtvaardigheid moesten de ooren van een Monarch

ten allen tijde, op elke plaats en in iedere omstandigheid open staan."

"Ha! onze nicht Edith?" zeide Richard, overeind op de zijde van zijn

bed gaande zitten, en gedekt door zijn lang gewaad--"zij spreekt

altijd koninklijk, en koninklijk zal ik haar altijd antwoorden,

indien zij geen verzoek brengt, dat harer of mijner onwaardig is."

Do schoonheid van Edith was van een meer geestelijken en minder

zinnelijken aard, dan die van de Koningin; maar het ongeduld en de

angst hadden aan haar gelaat een glans gegeven, die somtijds er aan

ontbrak, en haar voorkomen had een karakter van krachtige waarheid, die

voor een oogenblik stilzwijgen oplegde aan Richard zelven, die, naar

zijne blikken te oordeelen, haar gaarne in de rede zou gevallen zijn.

"Mylord", zeide zij, "deze goede ridder, wiens bloed gij op het punt

zijt te vergieten, heeft in zijn tijd diensten aan het Christendom

bewezen. Hij is in zijn plicht te kort gekomen door een strik, die

hem uit louter dwaasheid en ijdelheid van geest gespannen werd. Eene

boodschap, die hem in den naam van eene vrouw gezonden werd,--waarom

zou ik het niet zeggen?--het was in den mijnen--bewoog hem voor een

oogenblik zijn post te verlaten.--En welk ridder in het Christen

leger zou niet in dezelfde mate gezondigd hebben op bevel van eene

maagd, die, hoe arm ook in alle andere opzichten, toch het bloed van

Plantagenet in hare aderen heeft?"

"En gij hebt hem dus gezien, nicht?" hernam de Koning, zich op de

lippen bijtende, om zijne drift te onderdrukken.

"Dat heb ik, mijn Koning", antwoordde Edith. "Het is geen tijd om

te verklaren, waarom.--Ik ben hier noch om mij te verontschuldigen,

noch om anderen te beschuldigen."

"En waar beweest gij hem zulk eene gunst?"

"In de tent van hare Majesteit de Koningin."

"Van onze koninklijke gemalin!" riep Richard. "Nu, bij den Hemel, bij

St. George van Engeland, en iederen heilige, die den hemel bewoont,

dit is te vermetel! Ik heb de onbeschaamde bewondering van dezen

aanmatigenden krijgsman voor eene jonkvrouw, die zoo ver boven hem

was, opgemerkt en over het hoofd gezien, en ik misgunde het hem niet,

dat eene van mijn bloed uit hare hooge sfeer zulk een invloed op hem

uitoefende, als de zon aan de aarde beneden haar schenkt.--Maar hemel

en aarde! dat gij hem in den nacht en in de tent van onze Koninklijke

gemalin een bijeenkomst gaaft!--en dit voor eene verontschuldiging

van zijne ongehoorzaamheid en het verlaten van zijn post durft

aanvoeren! Bij de ziel van mijn vader! Edith, dit zult gij uw leven

lang in een klooster betreuren!"

"Mijn Koning", zeide Edith, "uwe grootheid geeft u geen recht op

dwingelandij. Mijne eer, heer en Koning, is even weinig gekrenkt

als de uwe, en mevrouw de Koningin kan dit getuigen, zoo het haar

behaagt.--Maar ik heb reeds gezegd, dat ik niet hier ben om mij te

verontschuldigen, of anderen te beschuldigen.--Ik verzoek u slechts

om tot een man, wiens misslag onder groote verzoeking bedreven werd,

die genade uit te strekken, waarom gij zelf, mijn Koning, eens bij

die hoogere rechtbank en misschien voor minder vergeeflijke zonden

smeeken moet."

"Kan dit Edith Plantagenet zijn?" riep de Koning bitter,--"Edith

Plantagenet, de wijze en edele!--of is het de eene of andere van

liefde zieke vrouw, die zich om haar eigen roem bekommert ter wille

van het leven van haar minnaar. Nu, bij de ziel van Koning Hendrik! het

scheelt weinig, of ik beveel, dat men het doodshoofd van uw lieveling

van de galg haalt, en als een eeuwigdurend sieraad naast het kruis

in uwe cel plaatst!"

"En al laat gij het van de galg voor altijd voor mijne oogen

plaatsen", hernam Edith, "dan zal ik nog steeds zeggen, dat het

de reliquie is van een goed ridder, die wreed en onwaardig ter

dood gebracht is door"--hier bedwong zij zich--"door iemand, van

wien ik alleen zeggen zal, dat hij de ridderschap beter had moeten

weten te beloonen.--Lieveling noemt gij hem?" vervolgde zij met

toenemende hevigheid; "hij was inderdaad mijn minnaar, en wel een zeer

getrouwe--maar nooit zocht hij door woord of blik mijne gunst--daar

hij tevreden was met den nederigen eerbied, dien men aan de heiligen

betoont--en de goede--de dappere--de getrouwe moet hiervoor sterven!"

"O zwijg, zwijg, om Gods wil", fluisterde de Koningin, "gij beleedigt

hem nog meer."

"Ik bekommer er mij niet om", zeide Edith, "de vlekkelooze maagd vreest

den woedenden leeuw niet. Laat hem zijn wil aan dezen waardigen ridder

voltrekken. Edith, voor wie hij sterft, zal zijne gedachtenis weten te

beweenen--tegen mij zal niemand meer van staatkundige verbintenissen

spreken, die met deze arme hand moeten bevestigd worden. Ik kon--ik

wilde zijne bruid bij zijn leven niet geweest zijn--de afstand tusschen

ons was te groot. Maar de dood vereenigt de hoogen en lagen.--Ik ben

van nu af de echtgenoote van den doode."

De Koning was op het punt om driftig te antwoorden, toen een Karmeliter

monnik haastig het vertrek binnen trad, zijn hoofd en lichaam in het

grove gewaad gewikkeld, dat zijne orde onderscheidde; en zich voor

den Koning op de knieën werpende, smeekte hij hem door alle heilige

woorden en teekens, de straf op te schorten.

"Bij mijn zwaard en mijn scepter!" riep Richard, "de wereld heeft

zich verbonden, om mij razend te maken!--gekken, vrouwen en monniken

verhinderen mij bij elke schrede. Hoe komt het, dat hij nog leeft?"

"Mijn genadige Koning", antwoordde de monnik, "ik verzocht den lord

van Gilsland, om de straf op te schorten, tot dat ik mij voor uwe

koninklijke...."

"En hij was gewillig genoeg, om u uw verzoek in te willigen", viel

de Koning hem in de rede; "maar dat is weder een trek van zijne

gewone stijfhoofdigheid.--En wat hebt gij mij te zeggen? Spreek,

in des duivels naam!"

"Mylord, er is een gewichtig geheim--maar het rust onder het zegel van

den biecht--ik durf het niet zeggen of zelfs niet fluisteren--maar

ik zweer u bij mijne heilige orde--bij het kleed dat ik draag,--bij

den heiligen Elia, onzen stichter, denzelfden die ten hemel gevoerd

werd, zonder het gewone lijden der sterfelijkheid te gevoelen--dat

deze jongeling mij een geheim ontdekt heeft, dat, zoo ik het u mocht

toevertrouwen, uw geheel van uw bloedig voornemen ten zijnen opzichte

zou afbrengen."

"Goede vader", antwoordde Richard, "dat ik de kerk eerbiedig, dit

getuigen de wapenen, die ik thans om harentwille draag. Deel mij

van dit geheim mede, en ik zal doen, wat mij in de zaak gepast zal

schijnen. Maar ik ben geen blinde Bayard, om, door priestersporen

aangezet, een sprong in het duister te doen."

"Mylord", hernam de heilige man, zijn kap en zijn mantel terugslaande,

en onder deze een gewaad van geitenvel ontblootende, en van onder

de eerste een gelaat, zoo zeer door klimaat, vasten en boetedoening

vermagerd, dat het veeleer op de verschijning van een levend geraamte

dan op een menschengezicht geleek; "gedurende twintig jaren heb ik dit

ellendig lichaam in de holen van Engaddi gefolterd, om eene groote

misdaad te boeten. Denkt gij, dat ik, die voor de wereld dood ben,

een leugen zou bedenken, om mijne eigen ziel in gevaar te brengen, of

dat een man, die door de heiligste eeden tot het tegendeel verbonden

is--een man, die, gelijk ik, slechts één vurigen aardschen wensch

meer heb, namelijk, de wederopbouwing van ons christelijk Sion,

de geheimen van den biechtstoel zou verraden? Beiden verfoei ik met

mijne geheele ziel."

"Dus", hervatte de Koning, "zijt gij die kluizenaar, van wien men

zooveel spreekt? Gij gelijkt, dit erken ik, vrij wel op die geesten,

die op woeste plaatsen rondwaren, maar Richard vreest geen spoken--en

gij zijt ook, als ik mij wel herinner diegene dien Christen Vorsten

dezen zelfden misdadiger gezonden hebben, om eene onderhandeling

met den Sultan aan te knoopen, terwijl ik, die eerst had moeten

geraadpleegd worden, op mijn ziekbed lag. Gij en zij kunnen u thans

met elkander tevreden stellen. Ik wil mijn hals niet in den strik

van een Karmeliter gordel steken.--En wat dezen afgezant betreft,

hij zal sterven te zekerder en te eerder, daar gij voor hem smeekt."

"Nu, zoo moge God u genadig zijn, heer Koning!" riep de kluizenaar

met groote aandoening--"gij richt een onheil aan, dat gij later zult

wenschen verhinderd te hebben, al had het u ook een lid van uw lichaam

gekost. Roekeloos verblind man, laat af!"

"Weg, weg!" riep de Koning, met den voet stampende, "de zon is over de

schande van Engeland opgegaan, en die is nog niet gewroken!--Vrouwen

en priester verwijdert u, zoo gij geen bevelen wilt hooren, die u

niet zouden behagen, want ik zweer bij St. George...."

"Zweer niet!" riep de stem van iemand, die zoo even in de tent

getreden was.

"Ha, mijn geleerde Hakim", zeide de Koning, "die, naar ik hoop komt

om onze edelmoedigheid op de proef te stellen."

"Ik kom om dadelijk een gesprek met u te houden--oogenblikkelijk en

over zaken van groot belang."

"Ziehier eerst mijne vrouw, Hakim, en laat haar in u den redder van

haar gemaal leeren kennen."

"Het betaamt mij niet", zeide de geneesheer, zijne armen met een

voorkomen van Oostersche zedigheid en eerbied kruisende en zijne

oogen naar den grond slaande--"het betaamt mij niet, eene ongesluierde

schoone te aanschouwen, die met haar glans gewapend is."

"Verwijder u dan, Berengaria," zeide de monarch; "en gij, Edith,

verwijder u ook; neen, vernieuwt uw lastig smeeken niet! Ik zal

die in zoover verhooren, dat de strafoefening niet voor den vollen

middag plaats hebben zal. Ga en wees stil--dierbaarste Berengaria. Ga,

Edith", voegde hij er bij met een blik, die zelfs in de moedige ziel

van zijne bloedverwanten schrik stortte, "ga, zoo gij verstandig zijt."

De vrouwen verwijderden zich of veeleer ijlden uit de tent, rang

en ceremonie vergetende, bijna zoo als een vlucht wilde vogels door

elkander stuift, waarop de valk een aanval heeft gedaan.

Zij keerden van daar naar de tent der Koningin terug, om zich even

vruchteloos aan droefheid en verwijten over te geven. Edith was de

eenige, die deze gewone uiting van smart scheen te verachten. Zonder

een zucht, zonder een verwijtend woord betoonde zij der Koningin haar

dienst, terwijl deze, tengevolge van haar zwak karakter, hare smart

in hevige hysterische kramptrekkingen en driftige hypochondrische

ontboezemingen deed hooren, gedurende welke Edith zich zorgvuldig en

zelfs liefderijk met haar bezig hield.

"Het is onmogelijk, dat zij dezen ridder bemind heeft," zeide Florise

tegen Calista, de oudste kamerjuffer der Koningin. "Wij hebben ons

vergist; zijn lot doet haar slechts aan, als dat van een vreemdeling,

die om harentwil in ongelegenheid is geraakt."

"Neen, neen," antwoordde hare meer ervaren en opmerkzame

mededienaresse; "zij is van dat trotsche huis van Plantagenet dat nooit

bekennen wil, dat hart bedroefd is. Terwijl zij zelve wegbloedden

onder eene doodelijke wonde, heeft men gezien, dat zij de schrammen

van hunne weekhartiger makkers verbonden.--Florise, wij hebben groot

onrecht gedaan; en ik wilde gaarne al mijne juweelen er voor geven,

dat ik onze noodlottige scherts ongedaan kon maken."

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 19 / 36 题