Niet haar verstand--want dit verdient
Geen ongemeen vertrouwen;
En al haar geest is slechts geklap,
Zooals bij alle vrouwen.
Een Lied.
De edelgeboren Berengaria, dochter van Sanchez, Koning van Navarre,
en gemalin van den heldhaftigen Richard, werd voor een der schoonste
vrouwen van dien tijd gehouden. Zij was klein van gestalte, maar zeer
teeder gebouwd. Zij had het voorrecht een voorkomen te bezitten,
dat in haar land niet algemeen was, een overvloed van schoon haar,
en zulke zeldzaam jeugdige gelaatstrekken, dat zij verscheidene jaren
jonger scheen, dan zij wezenlijk was; ofschoon zij inderdaad niet ouder
was dan een en twintig jaren. Misschien was het uit besef van dit zoo
jeugdig voorkomen, dat zij eene kleine kinderachtige grilligheid en
een zekeren moedwil veinsde, of ten minste ten toon spreidde, die,
zoo als zij zeker onderstelde, aan eene jonge bruid betaamde, wier
rang en leeftijd haar het recht gaven, om hare luimen op te volgen
en die te doen gehoorzamen. Zij was van natuur zeer goedhartig;
en zoo men haar haar bekoorlijk aandeel van bewondering en hulde,
dat in haar gevoel niet gering was, schonk, kon niemand een beter
karakter of een welwillender aard hebben; maar hoe meer macht men
haar toestond, zooveel te verder trachtte zij, als alle despoten,
haar scepter uit te strekken. Somtijds, zelfs wanneer hare eerzucht
geheel voldaan was, verkoos zij een weinig ziek naar lichaam en
ziel te zijn; en de geneesheeren moesten hun geest inspannen, om
namen voor ingebeelde ziekten te vinden, terwijl hare hofdames hare
verbeelding moesten uitputten, om nieuwe spelen, nieuwe hoofdsieraden
en nieuwe hofschandalen op te sporen, ten einde de onaangename uren
door te komen, waarin haar toestand juist niet zeer benijdenswaardig
was. Haar geliefkoosd hulpmiddel om deze ziekte af te wenden was
de eene of andere poets of streek, die zij elkander speelden. De
goede Koningin was bij het genot van haar levendigen geest, om de
waarheid te zeggen, wel wat onverschillig, of de scherts geheel
aan hare waardigheid paste, en of het verdriet van hen, die er het
slachtoffer van waren, niet grooter was dan het genot, dat zij zelve
er door smaakte. Zij vertrouwde op de gunst van haar gemaal, op haar
hoogen rang, en hare gewaande macht om alles weder goed te maken,
wat zulk eene scherts anderen kon kosten. In één woord, zij speelde
als een jonge leeuwin, die onbekend is met het gewicht der pooten,
die zij dengenen, met wie zij speelt, oplegt.
Koningin Berengaria beminde haar echtgenoot vurig, maar zij vreesde
de trotschheid en ruwheid van zijn karakter; en daar zij gevoelde,
dat zij hem in verstand niet evenaarde, was het haar volstrekt niet
aangenaam, dat hij dikwijls liever met Edith Plantagenet dan met haar
sprak, alleen omdat hij meer vermaak in een onderhoud met deze vond,
een vatbaarder verstand, en eene hoogere vlucht van gedachten en
gevoelens, dan zijne schoone echtgenoote aan den dag legde. Berengaria
haatte daarom Edith niet, en nog minder wenschte zij haar eenig leed
toe; want, op een weinig eigenliefde na, was haar karakter over het
geheel onschuldig en edelmoedig. Maar de dames van haar gevolg, die
voor dergelijke zaken een scherpen blik bezaten, hadden sinds eenigen
tijd ontdekt, dat een vergedreven scherts, ten koste van lady Edith,
een goed middel was, om Hare Majesteit de Koningin van Engeland van
hare neerslachtigheid te genezen, en deze ontdekking bespaarde hare
verbeelding vrij wat moeite.
Er lag iets onedelmoedigs hierin, omdat lady Edith als eene wees was
te beschouwen; en ofschoon zij Plantagenet, en de schoone maagd van
Anjou genoemd, en van Richard zekere voorrechten genoot, die alleen
de koninklijke familie toekwamen, en dien tengevolge hare plaats in
de hofkringen innam, wisten echter weinigen welke, en niemand, die bij
het hof van Engeland bekend was, waagde het te vragen, in welken graad
van verwantschap zij eigenlijk tot Richard stond. Zij was met Eleonora,
de beroemde Koningin moeder van Engeland, overgekomen, en had zich te
Messina bij Richard gevoegd, als eene der dames, die bestemd waren
tot gezelschap van Berengaria, wier trouwdag toen naderde. Richard
behandelde zijne bloedverwante met eene eerbiedige oplettendheid,
en de Koningin maakte haar tot hare bestendige gezellin, en zelfs,
ten spijt van de kleine ijverzucht, waarvan wij gewaagd hebben,
behandelde zij haar over het algemeen met verschuldigden eerbied.
De hofdames hadden in langen tijd geen verder voordeel op Edith dan
eene gelegenheid, om op een te eenvoudig hoofdtooisel, of slecht
passend kleed aanmerkingen te maken; want men rekende de lady
als niet ingewijd in deze geheimen. De stille aanbidding van den
Schotschen ridder bleef echter niet onopgemerkt; zijne livreien,
symbolen, wapenfeiten, motto's en deviezen werden nauwkeurig
gadegeslagen en nu en dan tot het onderwerp van eene voorbijgaande
scherts gemaakt. Maar toen kwam de bedevaart van de Koningin en hare
dames naar Engaddi, eene reis, die de Koningin ten gevolge van eene
gelofte voor het herstel van haar gemaal ondernomen, en waartoe de
Aartsbisschop van Tyrus haar met een staatkundig doel aangemoedigd
had. Het was toen in de kapel van die heilige plaats, die boven
den grond in verband stond met een klooster van Karmeliter nonnen
en beneden met de cel van de kluizenaar, dat eene der kamerjuffers
van de Koningin het geheime teeken van verstandhouding dat Edith
haar minnaar gegeven had, opmerkte en niet in gebreke bleef dit
dadelijk aan hare Majesteit mede te deelen. De Koningin kwam van hare
bedevaart terug met dit uitmuntend geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid
en verveling, terwijl haar gevolg tegelijk vermeerderd was door een
geschenk van twee ellendige dwergen van den onttroonden Koning van
Jeruzalem, zoo mismaakt en zwak van verstand--want hierin bestond
de voortreffelijkheid van dit ongelukkig geslacht--als ooit eene
Koningin had kunnen begeeren. Een van Berengaria's ijdele vermaken
was geweest, om de uitwerking van het plotseling verschijnen van
zulke verschrikkelijke wanstaltige schepsels op de zenuwen van den
ridder, toen hij alleen in de kapel gelaten was, te beproeven; maar de
scherts was door de kalmte van den Schot en de tusschenkomst van den
kluizenaar verijdeld geworden. Zij had er nu eene andere ondernomen,
waarvan het gevolg dreigde ernstiger te zullen worden.
De dames traden weder binnen, nadat sir Kenneth de tent had
verlaten. De Koningin, eerst weinig getroffen door de vertoornde
verwijten van Edith, antwoordde slechts door haar hare overdreven
eerbaarheid te verwijten, en hare geestigheid den teugel te vieren
ten koste van de kleeding, de natie en vooral de armoede van den
ridder van den Luipaard, waarbij zij eene groote hoeveelheid spottende
boosaardigheid ten beste gaf, die met aardigheden vermengd was. Zij
dreef het eindelijk zoo ver, dat Edith gedwongen werd, om met haar
angst in een afgezonderd vertrek te vluchten. Maar toen in den morgen
eene vrouw, die Edith belast had om onderzoek te doen, bericht bracht,
dat de standaard verloren, en zijn verdediger verdwenen was, drong
zij in het vertrek der Koningin, en smeekte haar om op te staan,
zonder verwijl naar de tent des Konings te gaan, en hare krachtdadige
bemiddeling te gebruiken, om de slechte gevolgen van hare scherts
te voorkomen.
De Koningin, op hare beurt verschrikt, wierp, gelijk het gewoonlijk
gaat, de schuld van hare eigen dwaasheid op diegenen, welke haar
omringden. Zij trachtte door duizend onsamenhangende redeneeringen
Edith in hare droefheid te troosten en haar ongenoegen te bedaren. Zij
was verzekerd, dat er geen kwaad gebeurd was--de ridder had na zijne
nachtwaken geslapen. Of hij was, uit vrees voor den Koning, met den
standaard gevlucht--het was slechts eene lap zijde, en hij slechts een
arm avonturier--of zoo hij voor een poos tijds in verzekerde bewaring
was genomen, zou zij den Koning spoedig bewegen, om hem vergiffenis
te schenken--men moest maar wachten, tot dat Richard's eerste drift
voorbij was.
Zoo ging zij voort met voort te praten, allerlei tegenstrijdigheden
opeen stapelende, met het ijdele doel, om Edith en zich zelve te
overtuigen, dat er geen kwaad van eene scherts kon komen, die haar
thans in haar hart bitter berouwde. Maar terwijl Edith te vergeefs
poogde, om dezen stroom van ijdel gesnap tegen te houden, vielen hare
oogen op eene der vrouwen, die in het vertrek der Koningin trad. In
haar starend oog las mij doodelijke schrik en vrees, en Edith zou,
bij den eersten aanblik van haar gelaat, ineen gezonken zijn, zoo niet
de strenge noodzakelijkheid en haar eigen fier karakter haar in staat
gesteld hadden, om ten minste uitwendig fier hare kalmte te bewaren.
"Mevrouw", zeide zij tot de Koningin, "verlies geen oogenblik meer met
spreken, maar red een leven--zoo inderdaad" voegde zij op sidderenden
toon er bij, "het leven nog te redden is."
"Dat is het nog--dat is het nog", antwoordde jonkvrouw Calista. "Ik
heb zoo even gehoord, dat hij voor den Koning is gebracht--alles
is nog niet voorbij, maar", voegde zij er bij, terwijl zij in een
hevigen stroom tranen uitbarstte, waarin persoonlijke vrees eenig
deel had--"maar het zal spoedig voorbij zijn--zoo er niet eenig middel
aangewend wordt."
"Ik beloof een gouden kandelaar aan het heilige graf--een zilveren
altaar aan onze Lieve Vrouw van Engaddi--een mantel, honderd
byzantynen waard, aan St. Thomas van Orthez...." zeide de Koningin
buiten zich zelve.
"Op, op, mevrouw", riep Edith; "roep de heiligen aan, zoo gij wilt,
maar wees zelve uw beste heilige."
"Wezenlijk, mevrouw", zeide de verschrikte kamerjuffer, "lady Edith
spreekt de waarheid. Op, mevrouw, en laat ons naar de tent van Koning
Richard ons spoeden en om het leven van den armen edelman smeeken."
"Ik wil gaan--ik wil oogenblikkelijk gaan", antwoordde de Koningin
opstaande en hevig sidderende, terwijl hare hofdames, in even groote
ontroering als zij zelve, niet in staat waren, om haar de diensten
te bewijzen, welke haar lever vereischte. Kalm, bedaard, maar bleek
als eene doode, hielp Edith de Koningin met hare eigen handen en
vergoedde alleen het gemis van hare talrijke dienaressen.
"Wat staat gij daar, meisjes", riep de Koningin uit, die toen zelfs
een beuzelachtig onderscheid niet vergeten kon. "Duldt gij, dat
lady Edith diensten verrichten, die tot uw plicht behooren?--Ziet
gij, Edith, zij kunnen niets doen.--Ik zal nooit bij tijds gekleed
zijn. Wij zullen naar den aartsbisschop van Tyrus zenden, en hem als
middelaar gebruiken."
"O, neen, neen!" riep Edith.--"Ga zelve, Mevrouw--gij hebt het kwaad
gepleegd, dien gij dus het middel van herstel toe."
"Ik zal gaan--ik zal gaan", antwoordde de Koningin; "maar zoo Richard
in zijne toornige luim is, dan durf ik niet tot hem spreken--hij zal
mij dooden."
"Toch moest gij gaan, genadigste Mevrouw", zeide lady Calista,
die het karakter van hare meesteres het best kende; "geen leeuw in
zijne woede zou zulk een gelaat en zulk eene gestalte kunnen zien,
en nog eene toornige gedachte behouden--en veel minder een waarachtig
ridder, zoo trouw in zijn liefde als Koning Richard, voor wien uw
minste woord een bevel zou zijn."
"Meent gij dat, Calista?" hervatte de Koningin. "Ach, gij kent hem
weinig--toch wil ik gaan.--Maar zie eens--wat beduidt dit? Gij hebt
mij in het groen gekleed; eene kleur, die hij verfoeit. Ziet gij,
geef mij een blauw kleed, en--zoek het tooisel van robijn, dat een
gedeelte van het losgeld van den Koning van Cyprus uitmaakt--het is
in het stalen kistje of ergens anders."
"Dit, terwijl een menschenleven op het spel staat!" riep Edith
verontwaardigd; "dit gaat het menschelijk geduld te boven. Houd uw
gemak, mevrouw--ik zal naar Koning Richard gaan--ik ben de betrokken
partij, of de eer van eene jonkvrouw van zijn bloed zoo ver bespot
mag worden, dat men haar naam misbruikt, om een braaf ridder van zijn
plicht te lokken, hem aan den rand van schande en dood te brengen;
en te gelijker tijd den roem van Engeland tot een voorwerp van spot
te maken voor het geheele Christenleger."
Deze onverwachte uitbarsting van drift hoorde Berengaria met een
bijna versteenden blik van vrees en verwondering aan. Maar toen Edith
op het punt stond, om de tent te verlaten, riep zij, ofschoon zwak:
"houd haar tegen--houd haar tegen."
"Voorwaar, edele lady Edith", zeide Calista, zachtkens haar
arm vattende; "en gij, Koningin, zult, vertrouw ik, gaan en wel
zonder aarzelen. Zoo lady Edith alleen naar den Koning gaat, zal
hij schrikkelijk vertoornd zijn, en dan zal één leven zijne woede
niet koelen."
"Ik wil gaan--ik wil gaan", zeide de Koningin, aan de noodzakelijkheid
toegevende; en Edith bleef tegen wil en dank staan, om hare bewegingen
gade te slaan.
Alles ging thans zoo schielijk, als zij slechts wenschen kon. De
Koningin wikkelde zich haastig in een ruimen, loshangenden mantel,
die alle tekortkomingen van de kaptafel bedekte, en, vergezeld door
Edith en hare vrouwen en voorafgegaan en gevolgd door eenige weinige
bedienden en gewapenden, spoedde zij zich naar de tent van haar gemaal
met het leeuwenhart.