HOOFDSTUK XVI.

Niet haar verstand--want dit verdient

Geen ongemeen vertrouwen;

En al haar geest is slechts geklap,

Zooals bij alle vrouwen.

Een Lied.

De edelgeboren Berengaria, dochter van Sanchez, Koning van Navarre,

en gemalin van den heldhaftigen Richard, werd voor een der schoonste

vrouwen van dien tijd gehouden. Zij was klein van gestalte, maar zeer

teeder gebouwd. Zij had het voorrecht een voorkomen te bezitten,

dat in haar land niet algemeen was, een overvloed van schoon haar,

en zulke zeldzaam jeugdige gelaatstrekken, dat zij verscheidene jaren

jonger scheen, dan zij wezenlijk was; ofschoon zij inderdaad niet ouder

was dan een en twintig jaren. Misschien was het uit besef van dit zoo

jeugdig voorkomen, dat zij eene kleine kinderachtige grilligheid en

een zekeren moedwil veinsde, of ten minste ten toon spreidde, die,

zoo als zij zeker onderstelde, aan eene jonge bruid betaamde, wier

rang en leeftijd haar het recht gaven, om hare luimen op te volgen

en die te doen gehoorzamen. Zij was van natuur zeer goedhartig;

en zoo men haar haar bekoorlijk aandeel van bewondering en hulde,

dat in haar gevoel niet gering was, schonk, kon niemand een beter

karakter of een welwillender aard hebben; maar hoe meer macht men

haar toestond, zooveel te verder trachtte zij, als alle despoten,

haar scepter uit te strekken. Somtijds, zelfs wanneer hare eerzucht

geheel voldaan was, verkoos zij een weinig ziek naar lichaam en

ziel te zijn; en de geneesheeren moesten hun geest inspannen, om

namen voor ingebeelde ziekten te vinden, terwijl hare hofdames hare

verbeelding moesten uitputten, om nieuwe spelen, nieuwe hoofdsieraden

en nieuwe hofschandalen op te sporen, ten einde de onaangename uren

door te komen, waarin haar toestand juist niet zeer benijdenswaardig

was. Haar geliefkoosd hulpmiddel om deze ziekte af te wenden was

de eene of andere poets of streek, die zij elkander speelden. De

goede Koningin was bij het genot van haar levendigen geest, om de

waarheid te zeggen, wel wat onverschillig, of de scherts geheel

aan hare waardigheid paste, en of het verdriet van hen, die er het

slachtoffer van waren, niet grooter was dan het genot, dat zij zelve

er door smaakte. Zij vertrouwde op de gunst van haar gemaal, op haar

hoogen rang, en hare gewaande macht om alles weder goed te maken,

wat zulk eene scherts anderen kon kosten. In één woord, zij speelde

als een jonge leeuwin, die onbekend is met het gewicht der pooten,

die zij dengenen, met wie zij speelt, oplegt.

Koningin Berengaria beminde haar echtgenoot vurig, maar zij vreesde

de trotschheid en ruwheid van zijn karakter; en daar zij gevoelde,

dat zij hem in verstand niet evenaarde, was het haar volstrekt niet

aangenaam, dat hij dikwijls liever met Edith Plantagenet dan met haar

sprak, alleen omdat hij meer vermaak in een onderhoud met deze vond,

een vatbaarder verstand, en eene hoogere vlucht van gedachten en

gevoelens, dan zijne schoone echtgenoote aan den dag legde. Berengaria

haatte daarom Edith niet, en nog minder wenschte zij haar eenig leed

toe; want, op een weinig eigenliefde na, was haar karakter over het

geheel onschuldig en edelmoedig. Maar de dames van haar gevolg, die

voor dergelijke zaken een scherpen blik bezaten, hadden sinds eenigen

tijd ontdekt, dat een vergedreven scherts, ten koste van lady Edith,

een goed middel was, om Hare Majesteit de Koningin van Engeland van

hare neerslachtigheid te genezen, en deze ontdekking bespaarde hare

verbeelding vrij wat moeite.

Er lag iets onedelmoedigs hierin, omdat lady Edith als eene wees was

te beschouwen; en ofschoon zij Plantagenet, en de schoone maagd van

Anjou genoemd, en van Richard zekere voorrechten genoot, die alleen

de koninklijke familie toekwamen, en dien tengevolge hare plaats in

de hofkringen innam, wisten echter weinigen welke, en niemand, die bij

het hof van Engeland bekend was, waagde het te vragen, in welken graad

van verwantschap zij eigenlijk tot Richard stond. Zij was met Eleonora,

de beroemde Koningin moeder van Engeland, overgekomen, en had zich te

Messina bij Richard gevoegd, als eene der dames, die bestemd waren

tot gezelschap van Berengaria, wier trouwdag toen naderde. Richard

behandelde zijne bloedverwante met eene eerbiedige oplettendheid,

en de Koningin maakte haar tot hare bestendige gezellin, en zelfs,

ten spijt van de kleine ijverzucht, waarvan wij gewaagd hebben,

behandelde zij haar over het algemeen met verschuldigden eerbied.

De hofdames hadden in langen tijd geen verder voordeel op Edith dan

eene gelegenheid, om op een te eenvoudig hoofdtooisel, of slecht

passend kleed aanmerkingen te maken; want men rekende de lady

als niet ingewijd in deze geheimen. De stille aanbidding van den

Schotschen ridder bleef echter niet onopgemerkt; zijne livreien,

symbolen, wapenfeiten, motto's en deviezen werden nauwkeurig

gadegeslagen en nu en dan tot het onderwerp van eene voorbijgaande

scherts gemaakt. Maar toen kwam de bedevaart van de Koningin en hare

dames naar Engaddi, eene reis, die de Koningin ten gevolge van eene

gelofte voor het herstel van haar gemaal ondernomen, en waartoe de

Aartsbisschop van Tyrus haar met een staatkundig doel aangemoedigd

had. Het was toen in de kapel van die heilige plaats, die boven

den grond in verband stond met een klooster van Karmeliter nonnen

en beneden met de cel van de kluizenaar, dat eene der kamerjuffers

van de Koningin het geheime teeken van verstandhouding dat Edith

haar minnaar gegeven had, opmerkte en niet in gebreke bleef dit

dadelijk aan hare Majesteit mede te deelen. De Koningin kwam van hare

bedevaart terug met dit uitmuntend geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid

en verveling, terwijl haar gevolg tegelijk vermeerderd was door een

geschenk van twee ellendige dwergen van den onttroonden Koning van

Jeruzalem, zoo mismaakt en zwak van verstand--want hierin bestond

de voortreffelijkheid van dit ongelukkig geslacht--als ooit eene

Koningin had kunnen begeeren. Een van Berengaria's ijdele vermaken

was geweest, om de uitwerking van het plotseling verschijnen van

zulke verschrikkelijke wanstaltige schepsels op de zenuwen van den

ridder, toen hij alleen in de kapel gelaten was, te beproeven; maar de

scherts was door de kalmte van den Schot en de tusschenkomst van den

kluizenaar verijdeld geworden. Zij had er nu eene andere ondernomen,

waarvan het gevolg dreigde ernstiger te zullen worden.

De dames traden weder binnen, nadat sir Kenneth de tent had

verlaten. De Koningin, eerst weinig getroffen door de vertoornde

verwijten van Edith, antwoordde slechts door haar hare overdreven

eerbaarheid te verwijten, en hare geestigheid den teugel te vieren

ten koste van de kleeding, de natie en vooral de armoede van den

ridder van den Luipaard, waarbij zij eene groote hoeveelheid spottende

boosaardigheid ten beste gaf, die met aardigheden vermengd was. Zij

dreef het eindelijk zoo ver, dat Edith gedwongen werd, om met haar

angst in een afgezonderd vertrek te vluchten. Maar toen in den morgen

eene vrouw, die Edith belast had om onderzoek te doen, bericht bracht,

dat de standaard verloren, en zijn verdediger verdwenen was, drong

zij in het vertrek der Koningin, en smeekte haar om op te staan,

zonder verwijl naar de tent des Konings te gaan, en hare krachtdadige

bemiddeling te gebruiken, om de slechte gevolgen van hare scherts

te voorkomen.

De Koningin, op hare beurt verschrikt, wierp, gelijk het gewoonlijk

gaat, de schuld van hare eigen dwaasheid op diegenen, welke haar

omringden. Zij trachtte door duizend onsamenhangende redeneeringen

Edith in hare droefheid te troosten en haar ongenoegen te bedaren. Zij

was verzekerd, dat er geen kwaad gebeurd was--de ridder had na zijne

nachtwaken geslapen. Of hij was, uit vrees voor den Koning, met den

standaard gevlucht--het was slechts eene lap zijde, en hij slechts een

arm avonturier--of zoo hij voor een poos tijds in verzekerde bewaring

was genomen, zou zij den Koning spoedig bewegen, om hem vergiffenis

te schenken--men moest maar wachten, tot dat Richard's eerste drift

voorbij was.

Zoo ging zij voort met voort te praten, allerlei tegenstrijdigheden

opeen stapelende, met het ijdele doel, om Edith en zich zelve te

overtuigen, dat er geen kwaad van eene scherts kon komen, die haar

thans in haar hart bitter berouwde. Maar terwijl Edith te vergeefs

poogde, om dezen stroom van ijdel gesnap tegen te houden, vielen hare

oogen op eene der vrouwen, die in het vertrek der Koningin trad. In

haar starend oog las mij doodelijke schrik en vrees, en Edith zou,

bij den eersten aanblik van haar gelaat, ineen gezonken zijn, zoo niet

de strenge noodzakelijkheid en haar eigen fier karakter haar in staat

gesteld hadden, om ten minste uitwendig fier hare kalmte te bewaren.

"Mevrouw", zeide zij tot de Koningin, "verlies geen oogenblik meer met

spreken, maar red een leven--zoo inderdaad" voegde zij op sidderenden

toon er bij, "het leven nog te redden is."

"Dat is het nog--dat is het nog", antwoordde jonkvrouw Calista. "Ik

heb zoo even gehoord, dat hij voor den Koning is gebracht--alles

is nog niet voorbij, maar", voegde zij er bij, terwijl zij in een

hevigen stroom tranen uitbarstte, waarin persoonlijke vrees eenig

deel had--"maar het zal spoedig voorbij zijn--zoo er niet eenig middel

aangewend wordt."

"Ik beloof een gouden kandelaar aan het heilige graf--een zilveren

altaar aan onze Lieve Vrouw van Engaddi--een mantel, honderd

byzantynen waard, aan St. Thomas van Orthez...." zeide de Koningin

buiten zich zelve.

"Op, op, mevrouw", riep Edith; "roep de heiligen aan, zoo gij wilt,

maar wees zelve uw beste heilige."

"Wezenlijk, mevrouw", zeide de verschrikte kamerjuffer, "lady Edith

spreekt de waarheid. Op, mevrouw, en laat ons naar de tent van Koning

Richard ons spoeden en om het leven van den armen edelman smeeken."

"Ik wil gaan--ik wil oogenblikkelijk gaan", antwoordde de Koningin

opstaande en hevig sidderende, terwijl hare hofdames, in even groote

ontroering als zij zelve, niet in staat waren, om haar de diensten

te bewijzen, welke haar lever vereischte. Kalm, bedaard, maar bleek

als eene doode, hielp Edith de Koningin met hare eigen handen en

vergoedde alleen het gemis van hare talrijke dienaressen.

"Wat staat gij daar, meisjes", riep de Koningin uit, die toen zelfs

een beuzelachtig onderscheid niet vergeten kon. "Duldt gij, dat

lady Edith diensten verrichten, die tot uw plicht behooren?--Ziet

gij, Edith, zij kunnen niets doen.--Ik zal nooit bij tijds gekleed

zijn. Wij zullen naar den aartsbisschop van Tyrus zenden, en hem als

middelaar gebruiken."

"O, neen, neen!" riep Edith.--"Ga zelve, Mevrouw--gij hebt het kwaad

gepleegd, dien gij dus het middel van herstel toe."

"Ik zal gaan--ik zal gaan", antwoordde de Koningin; "maar zoo Richard

in zijne toornige luim is, dan durf ik niet tot hem spreken--hij zal

mij dooden."

"Toch moest gij gaan, genadigste Mevrouw", zeide lady Calista,

die het karakter van hare meesteres het best kende; "geen leeuw in

zijne woede zou zulk een gelaat en zulk eene gestalte kunnen zien,

en nog eene toornige gedachte behouden--en veel minder een waarachtig

ridder, zoo trouw in zijn liefde als Koning Richard, voor wien uw

minste woord een bevel zou zijn."

"Meent gij dat, Calista?" hervatte de Koningin. "Ach, gij kent hem

weinig--toch wil ik gaan.--Maar zie eens--wat beduidt dit? Gij hebt

mij in het groen gekleed; eene kleur, die hij verfoeit. Ziet gij,

geef mij een blauw kleed, en--zoek het tooisel van robijn, dat een

gedeelte van het losgeld van den Koning van Cyprus uitmaakt--het is

in het stalen kistje of ergens anders."

"Dit, terwijl een menschenleven op het spel staat!" riep Edith

verontwaardigd; "dit gaat het menschelijk geduld te boven. Houd uw

gemak, mevrouw--ik zal naar Koning Richard gaan--ik ben de betrokken

partij, of de eer van eene jonkvrouw van zijn bloed zoo ver bespot

mag worden, dat men haar naam misbruikt, om een braaf ridder van zijn

plicht te lokken, hem aan den rand van schande en dood te brengen;

en te gelijker tijd den roem van Engeland tot een voorwerp van spot

te maken voor het geheele Christenleger."

Deze onverwachte uitbarsting van drift hoorde Berengaria met een

bijna versteenden blik van vrees en verwondering aan. Maar toen Edith

op het punt stond, om de tent te verlaten, riep zij, ofschoon zwak:

"houd haar tegen--houd haar tegen."

"Voorwaar, edele lady Edith", zeide Calista, zachtkens haar

arm vattende; "en gij, Koningin, zult, vertrouw ik, gaan en wel

zonder aarzelen. Zoo lady Edith alleen naar den Koning gaat, zal

hij schrikkelijk vertoornd zijn, en dan zal één leven zijne woede

niet koelen."

"Ik wil gaan--ik wil gaan", zeide de Koningin, aan de noodzakelijkheid

toegevende; en Edith bleef tegen wil en dank staan, om hare bewegingen

gade te slaan.

Alles ging thans zoo schielijk, als zij slechts wenschen kon. De

Koningin wikkelde zich haastig in een ruimen, loshangenden mantel,

die alle tekortkomingen van de kaptafel bedekte, en, vergezeld door

Edith en hare vrouwen en voorafgegaan en gevolgd door eenige weinige

bedienden en gewapenden, spoedde zij zich naar de tent van haar gemaal

met het leeuwenhart.

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 18 / 36 题