De bonte haan verheft zijn zang
Bij 't wijken van den nacht;
En wekt den nijv'ren landman, lang
Voor dat de morgen lacht,
De Koning ziet de bleeke straal,
Die door het duister schiet;
En hoort het noodlot in de taal
Van 't krassend ravenlied
"Ja," zegt hij, "'k zweer het, bij dien God,
Wiens troon het licht omstraalt:
De straf van Bouw'dwijn en zijn lot,
Wordt heden nog bepaald!"
Chatterton.
Op den avond, toen sir Kenneth zijne wacht aanvaardde, had Richard
zich, na de stormachtige gebeurtenis, die zijne rust verstoord had,
naar bed begeven in het volle vertrouwen, dat berustte op zijn
grenzeloozen moed en de meerderheid, welke hij betoond had, door in
tegenwoordigheid van het geheele Christenleger en zijn aanvoerders
zijn plan te volvoeren. Daar velen van hen, zoo als hij wel begreep,
in het binnenste van hunne ziel de beleediging van den Hertog van
Oostenrijk als eene zegepraal over hen zelven beschouwden, voelde
hij zijn hoogmoed bevredigd, daar hij door het vernietigen van één
vijand er honderd vernederd had.
Een ander monarch zou zijne wachten op den avond na zulk een tooneel
verdubbeld, en althans een gedeelte van zijne troepen onder de
wapenen gehouden hebben. Maar Richard Leeuwenhart ontsloeg, bij deze
gelegenheid, zelfs zijne gewone wacht, en schonk aan zijne soldaten
volop wijn, om zijn herstel te vieren en op de banier van St. George
te drinken. Een deel van het kamp zou het voorkomen hebben gekregen,
dat het onbewaakt was en alle weerbaarheid missen, zoo niet sir Thomas
de Vaux, de graaf van Salisbury en andere edelen voorzorgen genomen
hadden om de orde en tucht onder de losbandige troepen te bewaren.
De arts bleef bij den Koning van het oogenblik, dat hij te bed ging
tot na middernacht, en diende hem tot twee malen gedurende dien tijd
den drank toe, terwijl hij steeds te voren de hemelstreek gadesloeg,
waar de volle maan stond, daar hij den invloed daarvan als zeer
gunstig of hoogst nadeelig achtte. Het was drie uren na middernacht,
eer El Hakim zich uit de koninklijke tent verwijderde, en zich naar
die begaf, welke voor hem en zijn gevolg was opgeslagen. Op zijn weg
derwaarts bezocht hij de tent van sir Kenneth van den Luipaard, om
zijn eersten patiënt in het Christenleger, den ouden Strauchan, zooals
des ridders schildknaap heette, te zien. Toen El Hakim daar naar sir
Kenneth zelven vernam, hoorde hij, welken dienst hij te vervullen had,
en vermoedelijk leidde hem deze mededeeling naar de St. Georgeberg,
waar hij hem, dien hij zocht, in den noodlottigen toestand aantrof,
welken wij in het laatste hoofdstuk verhaald hebben.
Het was tegen zonsopgang, toen een langzame, zware tred de tent des
Konings naderde, en eer de Vaux, die naast zijn meesters bed zoo licht
sliep, als ooit een wachthond deed, meer tijd had dan noodig was om
op te staan en "werda?" te roepen, trad de ridder van den Luipaard in
de tent, met een diepe en berustende zwaarmoedigheid in zijne forsche,
mannelijke trekken.
"Vanwaar dit vermetel binnendringen, heer ridder?" vroeg de Vaux
ernstig, maar toch op een toon, die eerbied voor den slaap van zijn
meester verried.
"Stil, de Vaux," zeide Richard, op hetzelfde oogenblik ontwakende. "Sir
Kenneth komt als een goed soldaat rekenschap van zijne wacht
geven--voor de zoodanigen is de tent van den veldheer altijd
toegankelijk."--Toen uit zijne sluimerende houding zich verheffende
en op zijn elleboog leunende, vestigde hij zijne groote, schitterende
oogen op den ridder: "Spreek, heer Schot, gij komt om mij bericht te
geven van eene waakzame, veilige en eervolle wacht, niet waar? Het
geritsel van de plooien der banier van Engeland was voldoende, om
die te bewaken, zelfs zonder de tegenwoordigheid van zulk een ridder,
als waarvoor men u houdt."
"En waarvoor men mij niet langer houden zal," zeide sir
Kenneth.--"Mijne wacht is noch waakzaam, noch veilig, noch eervol
geweest. De banier van Engeland is geroofd."
"En gij leeft nog, om dit te verkondigen?" riep Richard op een toon
van schertsend ongeloof.--"Toch niet, dat kan niet wezen. Gij hebt
zelfs geen schram op uw gelaat. Waarom staat gij daar zoo stom? Spreek
de waarheid--het is slechts schertsen met een Koning, en toch zal ik
u vergeven, zoo gij gelogen hebt."
"Gelogen! mijn Koning!" hernam de ongelukkige ridder, met sterken
nadruk en een vurigen glans uit zijne oogen, flikkerend en
oogenblikkelijk als de vonk, die uit den kouden, harden keisteen
springt. "Maar dit moet ook verduurd worden! Ik heb de waarheid
gezegd."
"Bij God en St. George!" riep de Koning, in woede uitbarstend,
die hij echter terstond weder bedwong--"De Vaux, ga heen en neem de
plaats in oogenschouw.--Deze koorts heeft zijn brein verward.--Dit
kan niet zijn.--De moed van den man is bewezen.--Het kan niet zijn! Ga
spoedig--of zend er een man heen, zoo gij niet gaan wilt."
De Koning werd in de rede gevallen door sir Henry Neville, die ademloos
binnentrad, om te zeggen, dat de banier verdwenen, en de ridder,
die haar bewaakte, overmand en allerwaarschijnlijkst vermoord was,
daar er geen plas bloed op de plaats lag, waar de vaandelspeer in
splinters lag.
"Maar wien zie ik hier?" zeide Neville, terwijl zijne oogen plotseling
op sir Kenneth vielen.
"Een verrader!" riep de Koning opspringend en de heerbijl grijpende,
die altijd dicht bij zijn bed lag,--"een verrader! dien gij den dood
eens verraders zult zien sterven." Met deze woorden hief hij het
wapentuig op, alsof hij daarmede een slag wilde toebrengen.
Bleek, maar roerloos als een marmeren standbeeld, stond de Schot
vóór hem, met zijn ontbloot hoofd zonder eenige bescherming, de
oogen naar den grond gericht, de lippen nauwelijks bewegende,
maar toch waarschijnlijk in stilte een gebed prevelend. Recht
tegenover hem en juist ver genoeg om een slag te kunnen toebrengen,
stond Koning Richard. Zijne hooge gestalte was geheel in de plooien
van zijne camescia of witten langen linnen rok gewikkeld, behalve
op die plaats waar het geweld zijner beweging zijn rechter arm,
schouder en een gedeelte van zijne borst ontbloot had, en aan het
oog een lichaamsbouw vertoonde, die de benaming van zijn Saksischen
voorvader "met de ijzeren zijde" had kunnen verdienen. Hij stond een
oogenblik, gereed om toe te slaan; toen de punt van het wapen latende
zinken, riep hij uit: "Maar er lag bloed, Neville, er lag bloed op
de plaats. Luister, heer Schot, eens waart gij dapper, want ik heb
u zien vechten--zeg, dat gij twee van die honden bij de verdediging
van den standaard verslagen hebt--zeg, dat het maar één was--zeg,
dat gij slechts één goeden slag om onzentwille hebt toegebracht,
en verwijder u uit de legerplaats met uw leven en uwe eerloosheid."
"Gij hebt mij een leugenaar genoemd, mijn Koning," hervatte Kenneth op
vasten toon, "en daarin althans hebt gij mij onrecht gedaan.--Verneem,
dat er geen bloed tot verdediging van den standaard gestort is, dan dat
van een armen hond, die, trouwer dan zijn meester, het toevertrouwde
pand beschermde, toen deze het verliet."
"Nu, bij St. George!" riep Richard, andermaal zijn arm
oplichtende.--Maar de Vaux wierp zich tusschen den Koning en het
slachtoffer zijner wraak, en sprak met de ruwe rondheid van zijn
karakter: "Mijn Koning, dit moet niet hier, en ook niet door uwe eigen
hand geschieden. Het is dwaasheid genoeg voor een dag en een nacht
uwe banier aan den Schot toevertrouwd te hebben--heb ik niet gezegd,
dat zij altijd eerlijk en toch valsch waren?"
"Dat hebt gij, de Vaux; gij hebt gelijk, en ik beken het," zeide
Richard. "Ik had hem beter moeten kennen--ik had mij moeten herinneren,
hoe de vos Willem mij ten aanzien van dezen kruistocht misleidde."
"Mylord," hernam sir Kenneth, "Willem van Schotland heeft nooit bedrog
gepleegd; maar de omstandigheden hebben hem belet om zijne troepen
in het veld te brengen."
"Stil, onbeschaamde!" antwoordde de Koning; "gij bezoedelt den naam van
een vorst alleen door dien uit te spreken.--En toch, de Vaux, het is
zonderling," voegde hij er bij, "het gedrag van den man te zien. Hij
moet een lafaard of een verrader zijn; en nochtans zag hij den slag
van Richard Plantagenet te gemoet, als of onze arm opgelicht werd, om
de ridderlijke waardigheid op zijne schouders te leggen. Had hij het
minste teeken van vrees getoond, had slechts een lid gesidderd, of een
ooglid gebeefd, dan had ik zijne hersenpan verplet, als een kristallen
beker. Maar ik kan niet toeslaan, als er vrees noch tegenstand is."
Er ontstond eene stilte.
"Mylord," zeide sir Kenneth.
"Ha!" viel Richard hem in de rede, "hebt gij de spraak
wedergevonden? Vraag genade aan den Hemel, maar niet aan mij, want
Engeland is door uw schuld onteerd; en al waart gij mijn eigen en
eenige broeder, dan was er geene vergiffenis voor uw misslag."
"Ik spreek niet om genade voor een sterflijk mensch te vragen,"
hervatte de Schot, "het staat aan het welbehagen van Uw Majesteit,
om mij tijd voor de biecht toe te staan,--zoo de sterveling mij dit
weigert, dan moge God mij de vergiffenis schenken, die ik anders van
Zijne Kerk zou gevraagd hebben. Maar het zij ik op staanden voet sterf,
of een half uur later, zoo smeek ik uwe Majesteit in elk geval om een
oogenblik gelegenheid te hebben, iets met uw koninklijken persoon
te spreken, dat voor uw roem als Christen Koning van het hoogste
belang is."
"Spreek op," zeide de Koning, niet twijfelende, of hij zou de een of
andere bekentenis wegens het verlies van de banier hooren.
"Wat ik te zeggen heb," vervolgde sir Kenneth, "betreft de koninklijke
waardigheid van Engeland, en moet aan geene ooren, dan de uwe
toevertrouwd worden."
"Gaat henen, heeren," zeide de Koning tot Neville en de Vaux.
De eerste gehoorzaamde; maar de laatste wilde niet uit de nabijheid
des Konings wijken.
"Zoo gij mij gelijk gegeven hebt," antwoordde de Vaux zijn Vorst,
"dan wil ik ook behandeld worden als iemand, die gelijk heeft--dat
wil zeggen, ik wil mijn zin hebben. Ik laat u niet met dien valschen
Schot alleen."
"Hoe, de Vaux," riep de Koning vergramd en even met den voet stampende,
"durft gij onzen persoon niet bij één verrader vertrouwen?"
"Het is te vergeefs, dat gij het voorhoofd fronst en met de voeten
stampt, mylord," hervatte de Vaux "ik waag geen ziek mensch aan een
gezonde, noch een naakten aan een in staal gewapende."
"Het is onverschillig," zeide de Schotsche ridder; "ik zoek geene
verontschuldiging, om tijd te winnen--ik wil in tegenwoordigheid van
den lord van Gilsland spreken. Hij is een goed en braaf ridder."
"Nog slechts vóór een half uur," hernam de Vaux met een zucht waarin
kommer en ergernis vermengd waren, "zou ik hetzelfde van u gezegd
hebben."
"Er heerscht verraad om u, Koning van Engeland," vervolgde sir Kenneth.
"Dat is zeer mogelijk," hervatte Richard; "ik heb er een in het oog
vallend voorbeeld van."
"Een verraad, dat u meer schande zal aandoen dan het verlies van
honderd banieren in een veldslag. De--de--" sir Kenneth aarzelde,
en eindelijk vervolgde hij op zachteren toon: "Lady Edith--"
"Ha!" riep de Koning plotseling, een houding van trotsche aandacht
aannemende en zijn oog strak op den gewaanden schuldige richtende:
"Wat is het met haar?--Wat is het met haar?--Wat heeft zij met deze
zaak te doen?"
"Mylord," antwoordde de Schot, "er is een plan gesmeed om uw
koninklijken stam te onteeren, door de hand van lady Edith aan
den Sarraceenschen Sultan te schenken, en op die wijze door een
allerschandelijkste verbintenis voor Engeland een alleronteerendsten
vrede voor het Christendom te koopen."
Deze mededeeling had juist de tegenovergestelde werking van die,
welke sir Kenneth verwachtte. Richard Plantagenet was een van hen,
die in Jago's woorden, God juist daarom niet dienen wilden, omdat de
duivel het hun beval. Een raad of een mededeeling maakten dikwijls
minder door den werkelijken inhoud indruk op hem, dan door de kleur,
die zij van het vermoede karakter en de gewaande inzichten aannamen
van hem, die ze mededeelden. Ongelukkig vernieuwde het noemen van den
naam zijner bloedverwante de herinnering aan datgene, wat hij als de
hoogste aanmatiging in den ridder van den Luipaard beschouwd had, zelf
toen hij nog hoog in den rang der ridderschap stond, maar hetgeen,
in zijn tegenwoordigen toestand, eene voldoende beleediging scheen,
om den vurigen monarch in razende drift te brengen.
"Stil," zeide hij, "eerlooze en vermetele! Bij den Hemel, ik zal uwe
tong met gloeiende tangen laten uittrekken, alleen voor het noemen
van den naam eener Christen maagd! Verneem, ontaard verrader, dat ik
reeds bemerkte tot welk een hoogte gij uwe oogen hadt durven opheffen,
en ik verdroeg het, ofschoon het eene onbeschaamdheid van u was,
zelfs toen gij ons--want gij zijt niets dan bedrog--verleid hadt, om
u voor een man van naam en faam te houden. Maar dat gij thans, nu uwe
lippen door de bekentenis van uwe eigen schande gebrandmerkt zijn--dat
gij thans onze edele bloedverwante durft noemen, als iemand, in wier
lot gij deel of belang hebt! Wat raakt het u, of zij een Sarraceen of
een Christen huwt!--Wat raakt het u, zoo in eene legerplaats, waar de
vorsten bij dag in lafaards en bij nacht in roovers veranderen--waar
dappere ridders lafhartige wegloopers en verraders worden--wat raakt
het u, zeg ik, of iemand anders, zoo ik het goedvond, mij met de
oprechtheid en dapperheid in den persoon van Saladin te verbinden?"
"Mij zeer weinig voorwaar, daar de wereld voor mij weldra niet meer
zijn zal," antwoordde sir Kenneth stoutmoedig; "maar al was ik op dit
oogenblik op het rad uitgestrekt, dan zou ik u nog zeggen, dat wat
ik u gezegd heb van het hoogste belang voor uw eigen geweten en uw
eigen roem is. Ik zeg u, Koning, dat zoo gij slechts in uwe gedachte
het voornemen voedt, om uwe bloedverwante, lady Edith...."
"Noem haar niet--en denk voor een oogenblik niet aan haar," zeide
de Koning, en vatte de heerbijl weder met zulk een geweld, dat de
peezen van den forschen arm zichtbaar werden, als het weefsel, dat
de klimop om den stam van een eik vormt.
"Haar niet noemen--niet aan haar denken!" antwoordde sir Kenneth, daar
zijn geest, hoezeer die ook gedrukt was, door deze soort van strijd
zijne veerkracht begon te herkrijgen.--"Neen, bij het heilige kruis,
waarop ik mijne hoop vestig, haar naam zal het laatste woord in mijn
mond, haar beeld de laatste gedachte in mijn gemoed zijn. Beproef
uwe geroemde sterkte op dit ontbloote hoofd, en zie, of gij mij in
mijn voornemen kunt beletten."
"Hij zal mij nog tot waanzin brengen!" riep Richard, die, ten spijt
van zich zelven, door den onverschrokken moed van den schuldige in
zijn voornemen belemmerd werd.
Eer nog Thomas van Gilsland kon antwoorden, hoorde men buiten eenig
gedruisch, en de komst der Koningin werd van het buitenste gedeelte
der tent gemeld.
"Houd haar tegen--houd haar tegen, Neville," riep de Koning,
"dit is geen tooneel voor vrouwen.--Foei, dat ik mij door zulk een
ellendigen verrader zoo tot woede heb laten brengen!--Weg met hem,
de Vaux," fluisterde hij, "door den achtersten uitgang van onze
tent--sluit hem op, en sta met uw leven voor zijne zekere bewaring
borg.--En, luister--hij moet dadelijk sterven--bezorg hem een
priesterlijken vader--wij willen niet ziel en lichaam vermoorden.--En
wacht--luister--wij willen hem niet onteerd hebben--hij zal als ridder
sterven, met zwaard en sporen; want al is zijn verraad ook zoo zwart
als de hel, dan kon toch zijne stoutheid die van den duivel zelven
evenaren."
De Vaux, zeer verheugd, indien de waarheid zich liet gissen, dat
het tooneel afliep, zonder dat Richard zich verlaagd had tot de
onkoninklijke daad, om een weerloozen gevangene te dooden, haastte
zich, om sir Kenneth door een geheimen uitgang naar eene afgezonderde
tent te brengen, waar hij voor de veiligheid ontwapend en in boeien
geklonken werd. De Vaux zag hem met eene gestadige en droefgeestige
oplettendheid aan, terwijl de lieden van den provoost, aan welke sir
Kenneth thans werd overgegeven, deze gestrenge voorzorgen namen.
Toen deze geëindigd waren, zeide hij plechtig tot den ongelukkigen
misdadiger: "Het is Koning Richard's wil, dat gij in uwe volle
waardigheid sterft--zonder dat uw lichaam verminkt wordt of uw wapenen
schande wordt aangedaan--en dat uw hoofd door het zwaard van den
scherprechter van de romp zal gescheiden worden."
"Dat is goedertieren," zeide de ridder met eene zachte en onderworpen
stem, als iemand, die eene onverwachte gunst ontving; "mijne familie
zal dan het ergste van het verhaal niet hooren.--O mijn vader--mijn
vader!"
Deze zacht geprevelde woorden ontgingen den wel ruwen, maar
goedhartigen Engelschman niet, en hij streek met den rug van zijne
groote hand over zijn ruw gelaat, eer hij kon voortspreken.
"Het is voorts Richard van Engelands wil," zeide hij toen, "dat gij
met een heilig man zult spreken, en ik heb op den weg hierheen een
Karmeliter monnik ontmoet, die u op uwe reis kan voorbereiden. Hij
wacht buiten, totdat gij in eene gemoedsstemming zijt, om hem te
ontvangen."
"Laat dit oogenblikkelijk geschieden," antwoordde de ridder. "Ook
hierin bewijst Richard zijne goedheid. Ik kan op geen tijd beter
geschikt zijn, om den goeden vader te zien, dan thans; want het
leven en ik hebben elkander vaarwel toegezegd, als twee reizigers,
die aan den kruisweg zijn gekomen, waar hun pad zich scheidt."
"Het is wel," zeide de Vaux langzaam en plechtig; "want het drukte
mij zwaar u het slot van mijn last uit te spreken. Het is Koning
Richard's wil, dat gij u voor een oogenblikkelijken dood bereidt."
"De wil van God en den Koning geschiede," hernam de ridder
geduldig. "Ik betwist de rechtvaardigheid van het vonnis niet, en
verlang ook geen uitstel van de voltrekking."
De Vaux begon de tent te verlaten, maar zeer langzaam--bleef aan
de deur staan, en zag om naar den Schot, uit wiens gelaat alle
gedachten aan de wereld verbannen schenen, alsof hij zich tot een
ernstig gebed stemde. De moedige Engelsche baron behoorde niet tot de
fijngevoeligsten; toch overweldigde zijn medelijden hem op een geheel
ongewone wijze. Hij keerde haastig naar de bos stroo terug, waarop
de gevangene lag, nam eene van zijne geboeide handen, en zeide met
zooveel zachtheid, als zijne ruwe stem vermocht uit te drukken: "Sir
Kenneth, gij zijt nog jong--gij hebt een vader. Mijn Ralph, dien ik
verliet, terwijl hij zijne hit op de oevers van de Irthing africhtte,
kan eens uwe jaren bereiken--en, op den laatsten nacht na, zou ik
bidden dat het God mocht behagen, dat zijne jeugd zoo veel beloofde,
als de uwe.--Kan niets ten uwen behoeve gezegd of gedaan worden?"
"Niets," was het droefgeestig antwoord. "Ik heb mijn post verlaten--de
aan mij toevertrouwde banier is verloren.--Als de scherprechter en
het blok gereed zijn, dan zijn hoofd en romp bereid."
"Nu, dan ontferme God zich over u!" zeide de Vaux. "Toch wilde
ik wel mijn beste paard er voor geven, dat ik die wacht zelf op
mij genomen had. Daar schuilt een geheim achter, jongeling, een
eenvoudig man kan dit begrijpen, ofschoon hij het niet doorzien
kan. Lafhartigheid? Neen! Nooit vocht een lafaard, zoo als ik u heb
zien doen.--Verraad! Ik kan niet gelooven, dat verraders zoo kalm
onder hun verraad sterven. Gij zijt door eene diep verborgen list
van uw post gelokt--door eene wel overlegde krijgslist--de kreten van
eene jonkvrouw in nood hebben uw oor getroffen, of de lachende blik
van eene dartele maagd heeft uw oog bevangen. Bloos er niet om, wij
zijn allen door zulke verlokkingen verleid geworden. Kom, ik bid u,
beken het openhartig aan mij, in plaats van aan den priester.--Richard
is goedertieren, als zijn toorn bedaard is. Hebt gij mij niets toe
te vertrouwen?"
De ongelukkige ridder wendde zijn gelaat van den vriendelijken
krijgsman af en antwoordde: "Niets".
De Vaux, die nu al zijne overredingskunst had uitgeput, stond op en
verliet de tent met gekruiste armen en zwaarmoediger, dan hij dacht
dat de gelegenheid verdiende--zelfs verbitterd op zich zelven, omdat
zulk eene eenvoudige zaak, als de dood van een Schot, hem zoo diep
kon treffen.
"En toch," zeide hij bij zich zelven, "ofschoon de ruigvoetige kerels
onze vijanden in Cumberland zijn, beschouwt men hen in Palestina toch
bijna als broeders."