Een wijs geneesheer, in de heelkunst zeer bedreven.
Is meer dan legers voor het heel van onzen staatsbelang.
Pope's Ilias.
"Dat is een vreemd verhaal, sir Thomas," zeide de zieke koning, toen
hij het bericht van den trouwhartigen baron van Gilsland gehoord had;
"zijt gij overtuigd, dat deze Schot een vertrouwbaar en oprecht
man is?"
"Ik kan het niet zeggen, mylord," antwoordde de ijverzuchtige
grensbewoner; "ik woon een weinig te dicht bij de Schotten, om veel
waarheid omtrent hen op te garen, daar ik hen altijd eerlijk en ook
valsch gevonden heb. Maar het gedrag van dezen is dat van een oprecht
man, al ware hij zoowel een duivel als een Schot--dat moet ik op mijn
geweten van hem zeggen."
"En zijn gedrag als ridder, wat zegt gij daarvan, de Vaux?" vroeg
de Koning.
"Het is meer de zaak van uwe Majesteit, om op het gedrag der mannen
acht te geven; en ik sta er voor in, dat gij het gedrag van dezen
ridder van den Luipaard wel hebt gadegeslagen. Men heeft met zeer
veel lof over hem gesproken."
"En dat terecht, Thomas," hervatte de Koning. "Wij zelven zijn daarvan
ooggetuigen geweest. Wanneer wij ons altijd aan de spits van ons leger
stellen, is het inderdaad ons doel, om te zien, hoe onze leenmannen
en volgelingen zich gedragen, en niet uit begeerte, om ijdelen roem
voor ons zelven te verwerven, zoo als sommigen vermoed hebben. Wij
kennen de ijdelheid van menschenlof, die niets is dan eene damp,
en wij gorden onze wapenrusting voor andere oogmerken aan, dan om
dien in te oogsten."
De Vaux was verbaasd, toen hij den Koning eene verklaring hoorde
afleggen, die zoo geheel onvereenigbaar met zijn aard was, en geloofde
eerst, dat niets minder, dan de nadering van den dood, hem in zulke
minachtende bewoordingen van den krijgsroem had kunnen doen spreken,
daar hij geheel en al voor dezen leefde. Maar zich herinnerende, dat
hij den koninklijken biechtvader in de buitenste tent ontmoet had,
was hij slim genoeg, om deze oogenblikkelijke zelfvernedering aan den
invloed van de vermaningen van den eerwaarden man toe te schrijven,
en liet den Koning voortspreken, zonder hem te antwoorden.
"Ja," ging Richard voort, "ik heb inderdaad de wijze opgemerkt,
waarop deze ridder zijn plicht vervult. Mijn bevelhebberschap zou
de zotskap van een nar niet waard zijn, zoo hij mijner aandacht
ontsnapt was--en hij zou reeds lang mijne gunst ondervonden hebben,
zoo ik niet tevens zijne inbeelding en verwaanden trots had opgemerkt."
"Mijn koning," hernam de baron van Gilsland, toen hij het gelaat van
den Koning zag veranderen, "ik vrees, dat ik uw wil overtreden heb,
door aan zijne overtreding steun te geven."
"Hoe, de Multon, gij?" riep de Koning op een toon van verbazing
en toorn, terwijl hij zijne wenkbrauwen samentrok.--"Gij zijne
onbeschaamdheid ondersteund!--Dat kan niet zijn."
"Ja, Uwe Majesteit zal het mij vergeven, hem te herinneren, dat ik
uit kracht van mijn ambt het recht heb, om aan mannen van edel bloed
te vergunnen, een of twee honden in het kamp te houden, en de edele
jachtkunst te beoefenen; en buitendien zou het eene zonde zijn, om
een zoo edel dier, als den hond van dezen ridder, te verlammen of
te schenden."
"Is die dan zoo schoon?" vroeg de Koning.
"Het volmaaktste schepsel onder den hemel," antwoordde de baron,
die een enthusiast liefhebber van de jacht was--"van het edelste
Noordsche ras--met eene diepe borst, een forschen staart, zwarte kleur,
en bont van borst en poten, niet gevlekt met wit, maar meer in het
grijze geschakeerd, sterk genoeg om een stier in stukken te scheuren,
en snel genoeg om eene antilope in te halen."
De Koning lachte om zijne geestdrift. "Nu, gij hebt hem verlof gegeven
om den hond te behouden, en daar is het mede uit. Wees echter niet
te mild met uwe vergunningen bij deze ridders-gelukzoekers, die geen
vorst of aanvoerder hebben, van wien zij afhangen.--Zij zijn niet
te beteugelen, en zullen geen wild in Palestina overlaten.--Maar wat
dit stuk van heidensche geleerdheid betreft--gij zegt, dat de Schot
hem in de woestijn ontmoette?"
"Neen, mijn Koning, zooals de Schot verhaalt, heeft het zich aldus
toegedragen. Hij werd naar den ouden kluizenaar van Engaddi gezonden,
van wien men zooveel spreekt...."
"Dood en hel!" riep Richard opspringende: "Door wien gezonden en
waartoe? Wie durfde iemand derwaarts zenden, terwijl onze gemalin in
het klooster van Engaddi was op eene bedevaart voor onze herstelling?"
"De raadsvergadering van de kruisvaarders heeft hem gezonden,"
antwoordde de baron de Vaux; "om welke reden, dit weigerde hij mij
te zeggen. Ik geloof, dat het ternauwernood in het kamp bekend is,
dat uwe koninklijke gemalin eene bedevaart verricht.--Ik ten minste
wist het niet--en zelfs de vorsten zullen het mogelijk niet weten,
daar de Koningin van allen omgang verwijderd is geweest, omdat Uwe
Majesteit, ingeval van besmetting, uit liefderijke voorzorg verboden
heeft, haar tot u toe te laten."
"Goed, de zaak zal onderzocht worden.--Deze Schot, deze afgevaardigde,
heeft dus een reizenden geneesheer in de grot van Engaddi
ontmoet?--Niet waar?"
"Zoo niet, mijn Koning; maar hij ontmoette, naar ik meen, nabij die
plaats een Sarraceenschen emir, met wien hij naar ridderwijze een
kleinen strijd had, en hem het gezelschap van dappere mannen waardig
bevonden hebbende, gingen zij, zoo als dolende ridders gewoon zijn,
te zamen naar de grot van Engaddi."
Hier hield de Vaux op, want hij behoorde niet tot hen, die eene lange
geschiedenis in eenen adem kunnen verhalen.
"En ontmoetten zij daar den geneesheer?" vroeg de Koning ongeduldig.
"Neen, uwe Majesteit," hervatte de Vaux; "maar toen de Sarraceen van
uwe zware ziekte hoorde, nam hij op zich, dat Saladin u zijn eigen
geneesheer zou zenden, met de krachtigste verzekeringen van diens
uitstekende bekwaamheid, en dien ten gevolge kwam hij in de grot,
nadat de Schotsche ridder een dag en langer op hem gewacht had. Hij
heeft een vorstelijk gevolg met trommen en atabalen, en bedienden te
paard en te voet, en hij heeft geloofsbrieven van Saladin bij zich."
"Zijn die door Giacomo Loredani onderzocht?"
"Ik heb ze aan den tolk laten zien, eer ik ze hierheen gebracht heb,
en zie hier hun inhoud in het Engelsch."
Richard nam eene rol, waarop deze woorden geschreven waren:
"De zegen van Allah en zijn profeet Mohammed...." (weg met dien
hond! riep Richard, met verachting spuwende, tusschen die beide
woorden,) "Saladin, Koning der Koningen, Sultan van Egypte en Syrië,
het licht en de toevlucht van de aarde, aan den grooten Melech Ric,
Richard van Engeland, onze groete. Daar wij onderricht zijn, dat de
hand van ziekte zwaar op u, onzen koninklijken broeder, gerust heeft,
en gij slechts zoodanige Nazareensche en Joodsche geneesheeren bij
u hebt, die zonder den zegen van Allah en onzen heiligen profeet
werken...." (vloek over zijn hoofd! bromde de Engelsche monarch weder,)
"zoo hebben wij, om u in dezen tijd te behandelen en te verplegen,
den geneesheer van onzen eigen persoon, Adonebec el Hakim, gezonden,
voor wiens gelaat de engel Azraël zijne vleugelen uitspreidt, en uit
de ziekenkamer wijkt; die de kracht van kruiden en steenen, den loop
van zon, maan en sterren kent, en den mensch redden kan van alles, wat
niet op zijn voorhoofd geschreven staat. En dit doen wij, u hartelijk
biddende zijne bekwaamheid te eeren en gebruik daarvan te maken; en
dit niet alleen om uwe verdienste en dapperheid ter wille te zijn,
welke de roem van alle natiën van Frangistan is, maar opdat wij den
twist, die voor het tegenwoordige tusschen ons bestaat, tot een einde
mogen brengen, hetzij door een eervol verbond, of door eene openlijke
beproeving van onze wapenen in het strijdperk; uit aanmerking, dat het
noch aan uw roem, noch aan uw rang betaamt om den dood van een slaaf
te sterven, die door zijn opzichter met een te zwaar werk belast is,
en het niet voor onzen naam dienstig is, dat een dapper vijand door
zulk eene ziekte aan onze wapens onttrokken worde. En derhalve,
moge de heilige...."
"Houd op, houd op," zeide Richard, "ik wil niets meer van zijn hond
van een profeet hooren! Het smart mij te denken, dat de dappere en
brave Sultan aan een dooden hond gelooft.--Ja, ik wil zijn geneesheer
zien. Ik wil mij aan dien Hakim toevertrouwen.--Ik wil den edelen
Sultan zijne edelmoedigheid betalen.--Ik wil hem in het veld te gemoet
trekken, zoo als hij billijk voorstelt, en hij zal geene reden hebben,
om Richard van Engeland ondankbaar te noemen. Ik zal hem met mijne
heerbijl neervellen.--Ik wil hem tot de heilige kerk bekeeren door
zulke slagen, als hij er nog zelden gevoeld zal hebben.--Hij zal zijne
dwalingen voor mijn goed kruiszwaard afzweren, en ik zal hem op het
slagveld laten doopen uit mijn eigenen helm, al ware ook het reinigende
water met ons beider bloed gemengd. Haast u, de Multon, waarom stelt
gij zulk een aangename beslissing uit? Ontbied den Hakim hierheen."
"Mylord," antwoordde de baron, die misschien een aanval van koorts in
deze overmaat van vertrouwen zag,--"bedenk, dat de Sultan een heiden
is, en dat gij zijn meest geduchte vijand zijt."
"En juist om deze reden is hij zoo veel te meer verplicht om mij in
deze zaak van dienst te zijn, uit vrees dat eene ellendige koorts den
strijd tusschen twee zulke Koningen beslisse. Ik zeg u, hij heeft mij
even zoo lief als ik hem liefheb--zoo als edele vijanden elkander
altijd doen. Op mijne eer, het zou zonde zijn, om aan zijne goede
trouw te twijfelen."
"Intusschen, mylord, zou het goed zijn, om de uitwerking van deze
geneesmiddelen op den Schotschen schildknaap af te wachten," hernam
de lord van Gilsland; "mijn eigen leven is er mede gemoeid, want
ik zou verdienen als een hond te sterven, wanneer ik onbedachtzaam
in deze zaak te werk ging, en het slagen van het Christendom deed
schipbreuk lijden"
"Ik heb u nooit uit bezorgdheid voor het leven zoo behoedzaam gezien,"
zeide Richard op verwijtenden toon.
"En zeker zou dit thans evenmin het geval bij mij zijn, mijn Koning,"
hervatte de hooghartige baron, "zoo niet uw leven evenzeer in gevaar
was als het mijne."
"Welaan dan, gij wantrouwend man, vertrek en sla de uitwerking van
het geneesmiddel gade. Ik kon bijna wenschen, dat het mij óf genas
óf doodde, want het verveelt mij, om hier te liggen als een os, die
aan de veeziekte sterft, terwijl er buiten trommen geroerd worden,
paarden trappelen, en trompetten klinken."
De baron vertrok haastig, maar besloot zijn last aan den een of anderen
geestelijke mede te deelen, daar hij zijn geweten eenigszins bezwaard
gevoelde door de gedachte, dat zijn meester door een ongeloovigen
zou worden bediend.
De aartsbisschop van Tyrus was de eerste, wien hij zijn twijfel
toevertrouwde, daar hij diens aanzien bij zijn meester Richard kende,
dien den scherpzinnigen prelaat liefhad en hoogschatte. De bisschop
hoorde de twijfelingen aan, die de Vaux opperde, met het doorzicht en
verstand, dat de Roomsche geestelijkheid onderscheidt. Hij overwoog de
godsdienstige bezwaren van de Vaux met zoo veel onverschilligheid,
als het hem vergund was bij een leek over zulk een onderwerp te
laten blijken.
"Geneesheeren," zeide hij, "zijn even als de artsenijen, die zij
gebruiken, dikwijls nuttig, al zijn de eersten ook door geboorten of
zeden de laagste der menschen, even zoo als de laatste in vele gevallen
uit de gemeenste stoffen getrokken worden. Men mag den bijstand van
heidenen en ongeloovigen in den nood gebruiken, en er is grond om
te gelooven, dat eene reden waarom zij op de aarde geduld worden is,
dat zij ten dienste van ware Christenen strekken mogen--dus maken wij
wettig slaven van de heidensche gevangenen. Voorts lijdt het geen
twijfel, of de eerste Christenen maakten gebruik van de diensten
van onbekeerde heidenen.--Zoo waren in het schip van Alexandrië,
waarin de gezegende apostel Paulus naar Italië overstak, de schippers
zonder twijfel heidenen; maar wat zeide de heilige man, toen hun
dienst vereischt werd--nisi hi in navi manserint, vos salvi fieri
non potestis [1]--Voorts zijn de Joden even goed ongeloovigen ten
opzichte van het Christendom, als de Mahomedanen. Maar er zijn weinig
andere geneesheeren in het kamp dan Joden, en deze worden zonder
eenige ergernis of bedenking gebruikt. Dus kunnen de Mahomedanen
in die hoedanigheid voor hun diensten gebezigd worden--quod erat
demonstrandum, hetgeen te bewijzen was."
Deze redeneering deed den twijfel zwichten van Thomas de Vaux die
vooral overtuigd werd door de Latijnsche aanhaling, daar hij geen
woord ervan verstond.
Maar de bisschop sprak op verre na zoo vloeiend niet, toen hij
de mogelijkheid van een trouwelooze handelwijze bij den Sarraceen
overwoog; en in dit geval kwam hij niet zoo spoedig tot beslissing. De
baron liet hem de geloofsbrieven zien. Hij las en herlas die, en
vergeleek het oorspronkelijke met de vertaling.
"Het is een schotel, die verwonderlijk voor het gehemelte van Koning
Richard is toebereid, en ik kan niet nalaten achterdocht tegen den
listigen Sarraceen te voeden. Zij zijn bijzonder behendig in de kunst
van vergiftigen, en zij kunnen het vergif zóó toedienen, dat het
weken noodig heeft, om zijne uitwerking op den lijder uit te oefenen,
en gedurende dezen tijd kan de misdadiger vrij ontsnappen. Zij kunnen
laken en leder, ja zelfs papier en perkament met het fijnste vergif
doordringen.--Heilige maagd behoed mij!--En waarom houd ik, daar ik
dit weet, dezen geloofsbrief zoo dicht bij mijn gelaat!--Neem hem,
sir Thomas, neem hem spoedig."
Bij deze woorden overhandigde hij den brief met uitgestrekten arm
en een schijn van haast aan den baron. "Maar kom, mylord de Vaux,"
vervolgde hij, "laten wij ons naar de tent van dien zieken schildknaap
begeven, waar wij vernemen zullen, of deze Hakim werkelijk de kunst
bezit om te genezen, zoo als hij verzekert, eer wij overleggen,
of het veilig is, hem te vergunnen zijne kunst op Koning Richard
uit te oefenen.--Maar wacht! laat ik eerst mijn reukfleschje nemen,
want deze koortsen verspreiden zich als de pest.--Ik zou u raden om
gedroogde rozemarijn in azijn gedoopt te gebruiken, mylord. Ik versta
ook iets van de geneeskunst."
"Ik dank u hoogeerwaarde," hernam Thomas van Gilsland, "maar zoo ik
voor de koorts vatbaar ware geweest, zou ik die al lang bij het bed
van mijn meester gekregen hebben."
De bisschop van Tyrus bloosde, want hij had de nabijheid van den
zieken vorst gemeden; en verzocht nu den baron voor te gaan.
Toen zij voor de ellendige hut stonden, waarin Kenneth van den
Luipaard en zijn volgeling huisden, zeide de bisschop tegen de Vaux:
"Nu waarlijk, mylord, deze Schotsche ridders dragen minder zorg voor
hunne bedienden dan wij voor onze honden. Dit is een ridder zooals
men zegt, dapper in den slag, en waardig geoordeeld om in tijd van
wapenstilstand met een gewichtigen last vereerd te worden, en zijn
schildknaap is slechter gehuisvest dan in het ergste hondenhok van
Engeland. Wat zegt gij van uwe buren?"
"Dat een meester genoeg voor zijn dienaar doet, wanneer hij hem geen
slechter huisvesting geeft, dan hij zelf heeft," antwoordde de Vaux
en trad de hut binnen.
De bisschop volgde niet zonder kennelijken tegenzin; want, ofschoon
het hem in sommige opzichten niet aan moed ontbrak, werd die achter
door een sterke en levendige zorg voor zijne eigen veiligheid
getemperd. Hij bedacht evenwel, dat het noodzakelijk was, in persoon
over de bekwaamheid van den Arabischen geneesheer te oordeelen, en
trad de hut binnen met eene statigheid van manieren, die, naar hij
dacht, wel berekend was, om den vreemdeling eerbied in te boezemen.
De prelaat was inderdaad een aanzienlijk en ontzagwekkend persoon. In
zijne jeugd was hij uitstekend schoon geweest, en wilde zelfs in zijn
ouderdom dit ongaarne minder schijnen. Zijn bisschoppelijk gewaad was
van de rijkste soort, met kostbaar bont omzet, en door een kunstig
geborduurd koorkleed bedekt. De ringen aan zijne vingers waren eene
rijke baronie waard, en aan zijne muts, die thans wegens de hitte los
hing en naar achter geworpen was, waren gespen aangebracht van zuiver
goud, om ze naar goedvinden te kunnen vastmaken. Zijn langen baard,
zilver door den ouderdom hing over zijne borst. Een van de jonge
misbedienden, die hem begeleidden, maakte eene kunstmatige schaduw,
die toen eigen aan het Oosten was, door dat hij boven zijn hoofd een
zonnescherm van palmbladeren hield, terwijl de andere zijn eerwaarden
meester met een waaier van pauwenveeren verkoelde.
Toen de bisschop van Tyrus de hut van den Schotschen ridder binnentrad,
was de meester afwezig, en de Moorsche geneesheer, dien hij zien wilde,
zat in dezelfde houding, waarin de Vaux hem eenigen uren te voren
verlaten had, met de beenen kruiselings, op een mat van gevlochten
bladeren, naast den patiënt, die in een diepen slaap scheen te liggen,
en wiens pols hij van tijd tot tijd voelde. De bisschop bleef twee of
drie minuten zwijgend voor hem staan, alsof hij eene eerbiedige groete
verwacht had, of ten minste, dat de Sarraceen door zijn eerwaardig
voorkomen zou getroffen zijn geworden. Maar Adonebec el Hakim sloeg,
behoudens een vluchtigen blik, geen acht op hem, en toen de prelaat
hem eindelijk in de lingua franca begroette, antwoordde hij slechts
met de gewone Oostersche begroeting salam alicum--vrede zij met u.
"Zijt gij een geneesheer, ongeloovige?" vroeg de bisschop eenigermate
gebelgd over deze koele ontvangst. "Ik wilde met u over de kunst
spreken."
"Indien gij iets van de geneeskunst verstondt," antwoordde El
Hakim, "dan zoudt gij begrijpen, dat de geneesheeren geen consult of
beraadslaging in de kamer van den zieke houden. Hoor," ging hij voort,
toen men het dof geknor van den hond in de binnenste hut vernam,
"zelfs de hond kon u rede leeren, priester. Zijn instinkt leert hem
zijn geblaf binnen het bereik van den zieke te onderdrukken.--Kom
buiten de tent," zeide hij, terwijl hij opstond en voorging, "als
gij mij iets te zeggen hebt."
Niettegenstaande de eenvoudigheid der kleeding van den Sarraceenschen
geneesheer en zijne geringere grootte, wanneer deze met den langen
prelaat en den reusachtigen Engelschen baron vergeleken werd,
was er iets indrukwekkends in zijn voorkomen en gelaat, dat den
bisschop van Tyrus belette, om het ongenoegen, dat hij over deze
niet zeer hoffelijke terechtwijzing ondervond, al te sterk uit te
drukken. Toen zij buiten de hut waren, staarde hij Adonebec zwijgend
eenige oogenblikken aan, vóór hij een geschikte wijze kon vinden om
het gesprek te hervatten. Men zag geene lokken onder de hooge pelsmuts
van den Arabier, die ook een gedeelte van zijn voorhoofd bedekte,
dat grootsch en breed scheen, en vrij van rimpels was, zoowel als
zijne wangen, waar men die onder de schaduw van zijn langen baard
kon zien. Het doordringende zijner zwarte oogen hebben wij reeds
vroeger vermeld.
De prelaat, getroffen door zijne schijnbare jeugd, maakte ten slotte
een eind aan het stilzwijgen, dat de ander volstrekt geen haast had
af te breken, door den Arabier te vragen, hoe oud hij was.
"De jaren van gewone menschen," zeide de Sarraceen, "worden naar hunne
rimpels en die der wijzen naar hunne studiën geteld. Ik durf mij niet
ouder noemen dan honderd omwentelingen van de Hegira." Hiermede wilde
hij zeggen, dat zijne kundigheden wel in honderd jaren hadden kunnen
verkregen worden.
De baron van Gilsland, die dit voor eene letterlijke verklaring
opnam, dat hij honderd jaren oud was, zag den prelaat twijfelend aan,
en ofschoon deze de meening van El Hakim begreep, beantwoordde hij
echter zijn blik door geheimzinnig het hoofd te schudden. Hij zette
een gewichtig gelaat en vroeg weder op een toon van gezag, welk bewijs
van zijn geneeskundige bekwaamheid Adonebec geven kon.
"Gij hebt het woord van den machtigen Saladin," antwoordde de wijze,
terwijl hij zijne muts als een teeken van eerbied aanraakte; "een
woord, dat nooit tegen vriend of vijand gebroken werd--wat zoudt gij
meer kunnen verlangen, Nazareër?"
"Ik wilde gaarne ooggetuige van uwe bekwaamheid zijn," zeide de baron,
"en zonder dit nadert gij het bed van Koning Richard niet."
"De lof van den geneesheer," hernam de Arabier, "ligt in het herstel
van den patiënt. Zie dezen schildknaap, wiens bloed verdroogd is door
de koorts, welke uwe legerplaats met scheletten heeft opgevuld, en
waartegen de kunst van uwe Nazareesche geneesheeren even veel vermocht,
als een zijden wambuis tegen eene stalen lans. Bezie zijne vingers en
armen, uitgeteerd gelijk de klauwen en beenen van den kraanvogel. De
dood had hem dezen morgen reeds met zijne klauw getroffen, maar al ware
Azraël aan de eene zijde van de legerstede geweest en ik aan de andere,
dan zou zijne ziel nog niet aan zijn lichaam ontrukt zijn. Stoort
mij niet met verdere vragen, maar wacht het beslissend oogenblik af,
en ziet in stille verbazing het wonderbaarlijk gevolg aan."
De geneesheer wendde zich nu naar zijn astrolabium, het orakel
der Oostersche wetenschap, en wachtte met ernstige oplettendheid,
tot dat de juiste tijd van het avondgebed gekomen was. Toen zonk
hij op zijne knieën met het gelaat naar Mekka gekeerd, en zeide de
gebeden op, die den werkdag der Muzelmannen besluiten. De bisschop
en de Engelsche baron zagen elkander intusschen aan, met blijken van
verachting en verontwaardiging; maar geen van beide achtte het zaak,
om El Hakim in zijn godsdienstoefening te storen, hoe onheilig zij
die ook beschouwden.
De Arabier stond op van den grond, waarop hij zich had neergeworpen,
en de hut binnentredende, waar de lijder uitgestrekt lag, trok hij uit
een zilveren doosje een spons, die misschien in een aromatiek vocht
gedoopt was, want toen hij ze aan den neus van den slapende hield,
niesde deze, ontwaakte en zag met wilde blikken in het rond. Het
was een vreeselijk schouwspel, toen hij daar bijna naakt op zijn
bed lag, de beenderen en peezen zichtbaar door zijn vel, als of
zij nooit met vleesch waren bekleed geweest; zijn gelaat was lang,
en met rimpels begroefd, maar zijn oog, dat eerst wild ronddwaalde,
werd langzamerhand kalmer. Hij scheen de tegenwoordigheid van zijne
hooge bezoekers te bespeuren, want hij deed zwakke pogingen om het
dek van het hoofd te trekken, ten teeken van eerbied, terwijl hij
met zachte en onderdanige stem naar zijn meester vroeg.
"Kent gij ons, vriend?" vroeg de lord van Gilsland.
"Niet volkomen, mylord," antwoordde de schildknaap zwak. "Mijn slaap
is lang en vol droomen geweest. Echter weet ik, dat gij een groot
Engelsch lord zijt, zooals uit het roode kruis blijkt, en dit is een
heilig prelaat, om wiens zegen ik voor mij, armen zondaar, vraag."
"Gij hebt dien--Benedictio Domini sit vobis [2] zeide de prelaat,
het teeken des kruises makende, maar zonder nader bij het bed van
den zieke te komen.
"Uwe oogen zien," zeide de Arabier, "dat de koorts bedwongen is--hij
spreekt met kalmte en herinnering--zijn pols slaat even rustig als
de uwe--onderzoekt het zelf."
De prelaat wees dit van de hand; maar Thomas van Gilsland, die meer
moed bezat, deed het en overtuigde zich, dat de koorts werkelijk
verdwenen was.
"Dit is zeer merkwaardig," zeide de ridder, den bisschop aanziende;
"de man is zeker genezen. Ik moet dezen geneesheer terstond naar de
tent van Koning Richard brengen.--Wat denkt uw hoog eerwaarde daarvan?"
"Wacht, laat ik de eene genezing voltooien, vóór dat ik de andere
begin," antwoordde de Arabier; "ik zal met u gaan, wanneer ik mijn
patiënt de tweede kom van dit allerheiligst elixer zal gegeven hebben."
Dit zeggende haalde hij een zilveren kom voor den dag, vulde die met
water uit eene kalebas-flesch, die naast het bed stond, kreeg eene
kleine zijden van netwerk gemaakte beurs, met zilverdraad omsponnen,
waarvan de omstanders de inhoud niet konden ontdekken, doopte die in
de kom en vestigde daarop gedurende vijf minuten zijne aandacht in
de diepste stilte. Het kwam den toeschouwers voor of er gedurende
die bewerking eene kleine opbruising plaats greep, maar die in elk
geval terstond weder ophield.
"Drink," zeide de dokter tot den zieke--"slaap, en ontwaak, bevrijd
van uwe ziekte."
"En met dezen drank, die zoo eenvoudig schijnt, wilt gij ondernemen
een monarch te genezen?" vroeg de bisschop van Tyrus.
"Ik heb daarmede een bedelaar genezen, zoo als gij zien kunt," hernam
de wijze. "Zijn de Koningen van Frangistan uit andere klei gemaakt?"
"Laten wij hem dadelijk bij den Koning brengen," zeide de baron van
Gilsland. "Hij heeft getoond, dat hij het geheim bezit om de gezondheid
te herstellen. Zoo hij in gebreke blijft om dit toe te passen, dan
zal ik hem zelven buiten het bereik van alle geneeskunde brengen."
Toen zij op het punt waren de hut te verlaten, riep de zieke,
zijne stem zoo hoog verheffende, als zijne zwakheid hem vergunde:
"Eerwaarde vader, edele ridder, en gij, goede arts, zoo gij wilt dat
ik slapen en herstellen zal, zeg mij dan uit christelijke liefde,
wat er van mijn dierbaren meester geworden is?"
"Hij is op een verren tocht, vriend," antwoordde de prelaat, "op een
eervol gezantschap, dat hem wel eenige dagen kan ophouden."
"Neen," zeide de baron van Gilsland, "waarom den armen man
misleid?--Vriend, uw meester is in de legerplaats teruggekeerd,
en gij zult hem spoedig zien."
De zieke richtte als uit dankbaarheid zijne vermagerde handen ten
hemel, en niet langer weerstand kunnende bieden aan de slaap wekkende
werking van het elixer, zonk hij in een zachte sluimering.
"Gij zijt een beter geneesheer dan ik, sir Thomas," zeide de prelaat,
"eene aangename onwaarheid is beter voor eene ziekenkamer dan eene
onaangename waarheid."
"Hoe meent gij dat, eerwaarde heer?" zeide de Vaux driftig. "Meent
gij, dat ik eene onwaarheid zou willen zeggen, al kon ik daardoor
het leven van een dozijn zulke kerels redden?"
"Gij hebt gezegd," hervatte de bisschop met blijkbare teekenen
van onrust, "gij hebt gezegd, dat de meester van den schildknaap
teruggekeerd was--de ridder van den Luipaard, meen ik."
"En die is teruggekeerd," hernam de Vaux. "Ik heb hem nog voor weinige
uren gesproken. Deze geleerde arts is in zijn gezelschap gekomen."
"Heilige maagd! waarom hebt gij mij niets van zijne terugkomst
gezegd?" vroeg de bisschop in blijkbare verlegenheid.
"Heb ik niet gezegd, dat de ridder van den Luipaard in gezelschap
van den geneesheer was teruggekomen?--Mij dunkt van ja," hervatte de
Vaux onverschillig; "maar wat gaat zijne terugkomst de bekwaamheid
van den geneesheer of de herstelling van zijne Majesteit aan?"
"Veel, sir Thomas--dat is van veel beteekenis," zeide de bisschop,
de handen wringende, met den voet op den grond stampende, en
onwillekeurig blijken van ongeduld gevende. "Maar waar zou die ridder
thans heengegaan zijn?--God zij met ons--hier kunnen noodlottige
vergissingen plaats hebben."
"Die slaaf in de buitenste ruimte," antwoordde de Vaux, niet zonder
verbazing over de ontroering van den bisschop, "kan ons waarschijnlijk
zeggen, waar zijn meester is heengegaan."
De knaap werd geroepen en gaf hun in eene bijna onverstaanbare taal
te kennen, dat een officier zijn meester in de tent van den Koning
geroepen had, eenigen tijd vóór dat zij in die van zijn meester
gekomen waren. De angst van den bisschop scheen ten top te stijgen,
en werd zelfs zichtbaar voor de Vaux, die anders noch een scherp
opmerker, noch achterdochtig van karakter was. Maar met de onrust
van den prelaat scheen bij dezen de wensch toe te nemen, om die te
bedwingen en te verbergen. Hij nam haastig afscheid van de Vaux,
die hem met verwondering nazag; en na eenige malen stilzwijgend de
schouders opgehaald te hebben, bracht hij den Arabischen geneesheer
naar de tent van Koning Richard.