Verdenking, dat zwaarwegend wapentuig,
Belet meer goeds dan 't immer heeft gewrocht.
Lord Byron.
De baron van Gilsland begaf zich met langzame schreden en een
angstig gelaat naar de koninklijke tent. Hij wantrouwde zeer zijne
eigen bekwaamheid behalve op het slagveld, en, bewust, dat zijn
verstand niet van het scherpste was, vergenoegde hij zich gewoonlijk
om zich over omstandigheden te verwonderen, die een man van vlugger
verbeeldingskracht zou getracht hebben te onderzoeken en te begrijpen,
of die hij ten minste tot het onderwerp van overweging zou gemaakt
hebben. Maar het kwam zelfs hem wonderlijk voor, dat des bisschops
aandacht op eens van alle gedachten over de wonderbare genezing, die
zij aanschouwd hadden, en van de mogelijkheid, die deze aan de hand
gaf, dat Richard zou kunnen herstellen, afgeleid kon zijn door het
schijnbaar onbeduidend bericht van een armen Schotschen ridder, die
in de oogen van Thomas van Gilsland een zeer onbeduidende en geringe
rol onder den adel speelde. In weerwil dus van de gewoonte van den
baron om alle voorvallen lijdelijk te aanschouwen, werd zijn geest
gekweld door ongewone pogingen om gissingen over dit geval te vormen.
Eindelijk kwam eensklaps de gedachte bij hem op, dat het geheel eene
samenzwering tegen Koning Richard kon zijn, die in het leger der
bondgenooten gemaakt was, en waaraan het niet onwaarschijnlijk was,
dat de bisschop, die sommigen als een staatkundig en juist niet te
nauwgezet man beschouwden, deel genomen had. Weliswaar bestond er naar
zijn gevoelen geen zoo volmaakt karakter als dat van zijn meester;
want daar Richard de bloem der ridderschap en het opperhoofd der
christelijke bevelhebbers was, en in alle opzichten de bevelen der
heilige kerk nakwam, gingen de denkbeelden van de Vaux over diens
volmaaktheid niet verder. Evenwel wist hij ook, dat het altijd het
lot van zijn meester geweest was, hoe ten onrechte dan ook, om zich
even veel verwijtingen en haat als eer en verkleefdheid door zijne
bekwaamheden en daden te verwerven; en dat er in dat zelfde leger en
onder die vorsten, welke door een eed tot den kruistocht verbonden
waren, zich velen bevonden, die alle hoop op de overwinning gaarne
zonder opofferen aan het genot om Richard van Engeland in het verderf
te storten of ten minste te vernederen.
"Daarom," zeide de baron bij zich zelven, "is het volstrekt niet
zoo onmogelijk, dat deze El Hakim met zijne genezing, of schijnbare
genezing van den Schotschen schildknaap, slechts een listigen streek
speelde, waaraan de ridder van den Luipaard en zelfs de bisschop
van Tyrus, in weerwil van zijne geestelijke waardigheid, deel kunnen
hebben."
Dit vermoeden liet zich zeker niet zoo gemakkelijk overeenbrengen met
de onrust, die de bisschop aan den dag gelegd had, toen hij vernomen
had, dat de Schotsche ridder tegen zijne verwachting plotseling in
het leger der kruisvaarders was teruggekeerd. Maar de Vaux stond
alleen onder den invloed van zijne gewone vooroordeelen, die hem
het zekere geloof ingaven, dat een listige Italiaansche priester,
een valsche Schot en een ongeloovige geneesheer eene samenvoeging van
bestanddeelen vormden, waaruit volgens alle waarschijnlijkheid alle
mogelijke kwaad en niets goeds kon voortkomen. Hij besloot echter zijne
onderstelling ronduit aan den Koning voor te leggen, van wiens oordeel
hij bijna een even hoog denkbeeld als van diens dapperheid koesterde.
Intusschen hadden er gebeurtenissen plaats gehad, die geheel met de
vermoedens van de Vaux streden. Nauwelijks had hij de koninklijke tent
verlaten, of Richard begon, zoowel uit ongeduld aan zijn karakter
eigen, als uit dat hetwelk voortsproot uit de koorts, over zijn
wegblijven te morren, en een ernstig verlangen naar zijne terugkomst
te doen blijken. Hij had genoeg getracht om deze prikkelbaarheid
weg te redeneeren, die zijne lichamelijke ziekte in zoo hooge
mate verergerde. Hij vermoeide zijne wachters door tijdverdrijf
van hen te vorderen; en hij had in het brevier van den priester,
zelfs in de harp van zijn geliefden minnezanger te vergeefs toevlucht
gezocht. Eindelijk, een paar uren vóór zonsondergang, en derhalve lang
voor dat hij een voldoend bericht omtrent den loop der genezing, die
de Moor of Arabier ondernomen had, kon ontvangen, zond hij, zoo als
wij reeds gehoord hebben, een bode om den ridder van den Luipaard te
gelasten, vóór hem te verschijnen, met het voornemen om zijn ongeduld
te bedaren, door van sir Kenneth een meer omstandig verhaal van de
reden zijner afwezigheid uit het leger, en van zijne ontmoeting met
den beroemden geneesheer te verkrijgen.
De Schotsche ridder verscheen op dit bevel in tegenwoordigheid des
Konings als iemand, die niet vreemd aan zulke tooneelen was. De
Koning van Engeland kende hem ter nauwernood, zelfs van aanzien,
ofschoon hij, met vast vertrouwen in zijn rang en even vervuld
met de stille aanbidding van de dame van zijn hart, nooit bij die
gelegenheid afwezig geweest was, bij welke de pracht en gastvrijheid
van Engeland's vorst het hof openstelde voor elk een, die zekeren rang
in de ridderschap bekleedde. De Koning staarde sir Kenneth strak aan,
terwijl deze zijn bed naderde, en zijne knie voor een oogenblik boog,
vervolgens opstond, en in eene eerbiedige, maar geenszins ootmoedige
of slaafsche houding, vóór hem stond, zoo als het een officier in de
tegenwoordigheid van zijn vorst betaamt.
"Uw naam", zeide de Koning, "is Kenneth van den Luipaard--van wien
hebt gij den ridderslag ontvangen?"
"Ik heb dien ontvangen door het zwaard van Willem, den Leeuw van
Schotland"; antwoordde de Schot.
"Een wapen," hernam de Koning, "wel waardig om eer te schenken,
ook is het op geen onwaardigen schouder gelegd. Wij hebben gezien,
dat gij u ridderlijk en dapper gedroegt in het heetst van den slag,
als de nood het hoogst was; en gij zoudt nog niet vernomen hebben,
dat uwe verdiensten aan ons bekend waren, zoo niet uwe vermetelheid in
andere opzichten zoo groot geweest was, dat uwe diensten geene betere
belooning kunnen vorderen, dan vergiffenis voor uwe overtreding. Wat
zegt ge, hè?"
Kenneth beproefde te spreken, maar hij was niet in staat zich uit te
drukken; de bewustheid van zijne al te eerzuchtige liefde en de scherpe
valkenblik van Richard Leeuwenhart, die in het binnenste van zijn hart
scheen door te dringen, werkten samen om hem in verwarring te brengen.
"En toch," ging de Koning voort, "ofschoon krijgslieden aan het bevel
moesten gehoorzamen, en vasallen eerbiedig jegens hunne meerderen
zijn, zouden wij een dapperen ridder eene grooter beleediging kunnen
vergeven, dan dat hij een enkelen hond houdt, al was dit dan ook
strijdig met ons uitdrukkelijk bevel."
Richard hield zijne oogen op het gelaat van den Schot gevestigd,
en zag met een stillen glimlach de verlichting, die hem de wending
verschafte, welke hij aan zijne algemeene beschuldiging gegeven had.
"Met uw verlof, mylord," antwoordde de Schot, "uwe Majesteit moet in
deze zaak jegens ons arme Schotsche edellieden wat toegevend zijn. Wij
zijn ver van huis, hebben sobere inkomsten en kunnen, niet leven, als
uwe rijke edelen, die crediet bij de lombarden hebben. De Sarraceenen
zullen onze slagen te harder voelen, wanneer wij van tijd tot tijd
een stuk gedroogd wildbraad bij onze kruiden en gerstekoeken eten."
"Gij behoeft mij niet meer om verlof te vragen," hernam Richard. "daar
Thomas de Vaux, die, gelijk allen rondom mij, alles doet, wat hem in
zijne eigen oogen het best toeschijnt, u reeds verlof heeft gegeven
tot de gewone en de valkenjacht."
"Tot de gewone jacht alleen, met uw verlof"--hervatte de Schot;
"maar zoo het uwe Majesteit behaagde, om mij ook het voorrecht der
valkenjacht te vergunnen, en zij genegen was, mij een valk op de vuist
toe te vertrouwen, dan vlei ik mij, dat ik uwe koninklijke tafel van
eenige uitgezochte watervogels zou kunnen voorzien."
"Ik vrees, dat, wanneer gij den valk hadt, gij niet lang naar het
verlof zoudt wachten. Ik weet wel, dat men buiten 's lands zegt, dat
wij telgen van den stam van Anjou overtredingen tegen onze jachtwetten
even streng straffen als hoogverraad tegen onze kroon. Maar aan
brave en waardige mannen kunnen wij elk overtreding vergeven.--Maar
genoeg hiervan.--Ik begeer van u te weten, heer ridder, waarom en op
wiens gezag gij de laatste reis naar de wildernis van de Doode Zee
en Engaddi gedaan hebt?"
"Op bevel van de raadsvergadering van de Vorsten van den heilige
kruistocht," antwoordde de ridder.
"En hoe durfde iemand zulk een bevel geven, daar ik--niet de geringste
voorwaar in het verbond--daarvan niet bewust was?"
"Het paste mij niet, met verlof van uwe Hoogheid," zeide de Schot,
"om naar zulke bijzonderheden te vragen. Ik ben een soldaat van het
Kruis--die wel is waar, voor het tegenwoordige onder de banier van
uwe Hoogheid dient, en trotsch daarop is, dat hij dit doen mag--maar
toch altijd een man, die het heilige symbool voor de rechten van het
Christendom en de herovering van het heilige graf heeft aangenomen,
en die derhalve, zonder er naar te vragen, verbonden is, om te
gehoorzamen aan de bevelen van de vorsten en opperhoofden, die aan
het hoofd der gezegende onderneming staan. Ik moet met de geheele
Christenheid betreuren, dat deze ongesteldheid u, naar ik vertrouw
slechts voor korten tijd, van hunne raadsvergadering terug houdt,
waarin gij zulk eene machtige stem hebt; maar als krijgsman moet ik
diegenen gehoorzamen op wie het wettig recht van het bestuur berust
of ik zou een slecht voorbeeld aan het Christenleger geven."
"Goed gesproken," zeide Koning Richard; "en de blaam rust niet op u,
maar op diegenen, met wie ik, zoo het den Hemel behaagt om mij van
dit verwenschte bed van zwakheid en werkeloosheid te doen opstaan,
hoop eerlijk af te rekenen. Wat was de inhoud van uw last?"
"Mij dunkt, met verlof van uwe Hoogheid," hervatte sir Kenneth,
"het ware best, om dit aan hen te vragen, die mij gezonden hebben, en
die reden van mijn last kunnen geven, daar ik slechts den uiterlijken
vorm en den inhoud kan zeggen."
"Misleid mij niet, heer Schot--dit zou gevaarlijk voor uw leven zijn,"
zeide de prikkelbare monarch.
"Mijn leven, mylord," hervatte de ridder op vasten toon, "wierp ik
als een nietswaardig ding achter mij, toen ik mij aan deze onderneming
toewijdde, daar ik meer op mijne eeuwige zaligheid, dan op de welvaart
van mijn aardsch lichaam lette."
"Bij de heilige mis," zeide Koning Richard, "gij zijt een brave
kerel! Luister, heer ridder, ik heb het Schotsche volk lief; het
is moedig, hoewel ruw en koppig en ik geloof, dat zij over het
algemeen, eerlijke lieden zijn, ofschoon de noodzakelijkheid van de
staatkunde hen somtijds gedwongen heeft om te veinzen. Ik verdien
eenige liefde van hunnentwege, omdat ik vrijwillig heb gedaan, wat
zij door de wapenen evenmin van mij als van mijne voorgangers konden
afgedwongen hebben.--Ik heb de vestingen van Roxburgh en Berwick,
die aan Engeland verpand waren, teruggegeven--ik heb uwe oude
grenzen hersteld--en eindelijk heb ik afstand gedaan van een eisch
op eene hulde, die ik meende, dat u ten onrechte was opgelegd. Ik heb
getracht om onafhankelijke en eervolle vrienden te maken van mannen,
welke vorige Koningen van Engeland alleen tot onwillige en oproerige
vasallen hadden gemaakt."
"Dit alles hebt gij gedaan, heer Koning," zeide sir Kenneth
buigende--"dit alles hebt gij gedaan door uw koninklijk traktaat
met onzen souverein te Canterbury. Daarom voer ik en vele andere
betere Schotsche mannen den oorlog tegen de ongeloovigen onder uwe
banieren, terwijl wij anders uwe grenzen in Engeland zouden verwoest
hebben. Indien hun getal thans gering is, dan is de oorzaak daarvan
dat zij hun leven in de waagschaal gesteld hebben."
"Ik erken de juistheid hiervan", hervatte de Koning; "en wegens
de goede diensten, die ik uw land bewezen heb, verzoek ik u, u te
herinneren, dat ik, als een voornaam lid van het Christenverbond, het
recht heb om de onderhandelingen van mijne bondgenooten te weten. Laat
mij derhalve recht wedervaren door mij te zeggen, hetgeen ik aanspraak
heb te vernemen, en hetgeen ik zeker ben meer naar waarheid van u
dan van anderen te hooren."
"Mylord", zeide de Schot, "indien gij mij op deze wijze bezweert,
zal ik de waarheid zeggen; want ik geloof vast, dat uwe voornemens
ter bereiking van het voornaamste oogmerk van onzen tocht oprecht
en eerlijk zijn; en dit is meer dan ik van de anderen van het heilig
verbond durf verzekeren. Verneem dan, dat mijn last daarin bestond,
om voor te stellen, door tusschenkomst van den kluizenaar van Engaddi,
een heilig man, dien Saladin zelf eerbiedigt en beschermt...."
"Eene voortduring van den wapenstilstand, durf ik onderstellen,"
viel Richard hem haastig in de reden.
"Neen, bij St. Andreas, mijn genadigste Koning," antwoordde de
Schotsche ridder, "maar de vestiging van een duurzamen vrede, en het
terugtrekken van onze legers uit Palestina."
"St. George!" riep Richard geheel verbaasd.--"Hoe veel kwaad ik ook
terecht van hen gedacht heb, toch zou ik niet gedroomd hebben, dat
zij zich tot zulk eene schande zouden verlagen. Spreek, sir Kenneth,
met welke gezindheid bracht gij dien last over?"
"Zeer bereidwillig, mylord," antwoordde Kenneth; "omdat ik, na onzen
edelen aanvoerder, onder wiens bevel ik alleen op de overwinning
hoopte, verloren te hebben, er geen zag, die hem opvolgen en ons tot
de zegepraal voeren kon, en ik achtte het onder zulke omstandigheden
gelukkig eene nederlaag te vermijden."
"En op welke voorwaarden zou deze veelbelovende vrede gesloten
worden?" vroeg Koning Richard, met moeite de drift onderdrukkende,
die hem bijna deed barsten.
"Deze werden mij niet toevertrouwd, mylord. Ik heb ze verzegeld aan
den kluizenaar overgegeven."
"En waarvoor houdt gij dien eerwaarden kluizenaar?--voor een gek,
een zinnelooze, een verrader, of een heilige?" vroeg Richard.
"Zijne krankzinnigheid, Sire," hernam de scherpzinnige Schot, "acht ik
slechts geveinsd, om gunst en eerbied bij de heidenen te winnen, die
de zinneloozen als door den Hemel bezield beschouwen; mij ten minste
scheen het toe, als of zij zich slechts bij gelegenheid vertoonde,
en zich niet, gelijk werkelijke krankzinnigheid, met zijn geheelen
gemoedstoestand vermengde."
"Fijn geantwoord," zei de de monarch, zich weder op zijn
leger werpende, waarvan hij zich opgericht had.--"Nu van zijne
boetedoeningen."
"Zijne boetedoeningen," antwoordde Kenneth, "schijnen mij oprecht
toe, en de vruchten van gewetensknagingen wegens de eene of andere
vreeselijke misdaad, waarvoor hij, naar zijn eigen meening, ter
verdoemenis veroordeeld werd."
"En wat zijne staatkunde betreft?" vroeg Koning Richard verder.
"Het komt mij voor, mylord, dat hij aan de redding van Palestina
evenzeer als aan zijn eigen heil wanhoopt, of er zou een wonder
moeten geschieden--ten minste sedert de arm van Richard van Engeland
opgehouden heeft daarvoor te strijden."
"En daarom gelijkt de lafhartige staatkunde van dezen kluizenaar naar
die van de ellendige vorsten, die, hunne ridderschap en hunne goede
trouw vergetende, slechts eensgezind en tevreden zijn, wanneer het op
den terugtocht aankomt, en liever een stervenden bondgenoot in hunne
vlucht willen vertreden, dan tegen een gewapenden Sarraceen optrekken."
"Zou ik durven wagen op te merken, mylord," zeide de Schotsche ridder,
"dat dit gesprek slechts uwe ziekte verergert, dien vijand, waarvan het
Christendom meer kwaad ducht dan van benden gewapenden ongeloovigen."
Het gelaat van Koning Richard was werkelijk rooder en zijne gebaren
werden meer koortsachtig en heftig, terwijl hij met gebalde vuist,
uitgestrekten arm, en fonkelende oogen even sterk onder lichamelijke
smart als door gemoedsonrust scheen te lijden, terwijl zijn levendige
geest hem deed spreken, als of hij beide verachtte.
"Gij kunt vleien, heer ridder," zeide hij, "maar gij ontsnapt mij
niet. Ik moet meer van u weten dan gij mij nog verhaald hebt. Hebt
gij mijne koninklijke gemalin te Engaddi gezien?"
"Bij mijn weten niet, mylord," antwoordde sir Kenneth met blijkbare
verwarring; want hem kwam de processie te middernacht in de kapel
van de grot te binnen.
"Ik vraag u," zeide de Koning op meer ernstigen toon, "of gij niet in
de kapel van de karmelieter nonnen te Engaddi geweest zijt, en daar
Berengaria, Koningin van Engeland, en hare hofdames, die derwaarts
eene bedevaart ondernomen hebben, gezien hebt?"
"Mylord," antwoordde sir Kenneth, "ik wil de waarheid spreken,
als in den biechtstoel. In eene onderaardsche kapel, waarheen de
kluizenaar mij geleidde, heb ik een koor van vromen godsdienstige
hulde aan eene reliquie van de grootste heiligheid zien bewijzen;
maar daar ik haar gelaat niet gezien en hare stemmen niet gehoord heb,
behalve in de lofzangen, die zij gezongen hebben, kan ik niet zeggen,
of de Koningin van Engeland zich onder haar bevond."
"En was geene van deze vrouwen u bekend?"
Sir Kenneth zweeg,
"Ik vraag u", zeide Richard, zich op zijn elleboog verheffende,
"als ridder en edelman, en ik zal door uw antwoord zien, hoe gij
die beide namen op prijs stelt: kendet gij eene van die dames van de
vrome processie of niet?"
"Mylord", antwoordde Kenneth, niet zonder groote verlegenheid,
"ik zou kunnen gissen."
"En ik kan ook gissen," hernam de Koning met somberen ernst;
"maar het is genoeg. Hoezeer gij een Luipaard zijt, heer ridder,
zoo wacht u toch om de leeuwenklauw te tarten. Luister--zich op de
maan te verlieven, zou slechts een dwaasheid zijn; maar van den top
van een hoogen toorn te springen, in de onzinnige hoop, om in hare
sfeer te komen, zou een zelfvernietigende razernij zijn."
Op dit oogenblik hoorde men in het buitenvertrek eenig gedruisch,
en de Koning, schielijk tot zijne gewone manier terugkomende, zeide:
"Genoeg--vertrek--spoed u naar de Vaux, en zend hem herwaarts met den
Arabischen geneesheer. Ik geef mijn leven ten pand voor de eerlijkheid
van den Sultan! Zoo hij slechts zijn valsch geloof wilde afzweren,
zou ik hem met mijn zwaard helpen, om dit uitvaagsel van Franschen en
Oostenrijkers uit zijn gebied te drijven, en gelooven, dat Palestina
even goed zou geregeerd worden, alsof zijne koningen op bevel des
Hemels zelven gezalfd waren."
De ridder van den Luipaard vertrok, en terstond daarop kondigde de
kamerheer eene commissie van den raad aan, die gekomen was om Zijne
Majesteit hare opwachting te maken.
"Het is goed, dat zij erkennen, dat ik nog leef", was zijn
antwoord. "Wie zijn de eerwaarde gezanten?"
"De grootmeester der Tempeliers, en de markies van Montserrat."
"Onze broeder van Frankrijk houdt niet van ziekbedden," zeide Richard;
"maar zoo Filips ziek geweest ware, zou ik reeds sedert lang aan zijn
bed gestaan hebben.--Jocelyn, schik mijn bed wat terecht, het is door
elkander gegooid, als eene stormachtige zee--geef mij gindschen stalen
spiegel--strijk een kam door mijn haar en mijn baard. Zij zien er
waarlijk meer uit als de manen van een leeuw dan de lokken van een
Christen vorst--breng water."
"Mylord", zeide de bevende kamerheer, "de geneesheeren, zeggen dat
koud water verderfelijk kan zijn."
"Naar den duivel met de geneesheeren!" riep de monarch. "Als zij
mij niet genezen kunnen, meent gij dan, dat ik mij van hen wil laten
kwellen?--Nu dan," zeide hij, na zich gewasschen te hebben, "laat de
geachte afgevaardigden binnen; zij zullen thans, denk ik, nauwelijks
zien, dat de smart Richard zijn lichaam heeft doen verzuimen."
De beroemde grootmeester der Tempeliers was een lang, mager, door den
oorlog uitgeteerd man, met een kwijnend, maar doordringend oog, en een
voorhoofd, waarop duizenden intriges haar stempel hadden gedrukt. Hij
stond aan het hoofd van dat zonderling lichaam, waarvoor de orde alles
en ieder bijzonder persoon niets was. Hij zocht de bevordering van
zijn macht, zelfs met gevaar van dienzelfden godsdienst, tot welks
bescherming de broederschap zich oorspronkelijk verbonden had.--Hij
was beschuldigd van ketterij en tooverij, ofschoon hij een Christen
priester was.--Hij werd verdacht van een geheim verbond met den Sultan,
niettegenstaande hij door een eed tot de bescherming van den heiligen
tempel of diens herovering was verplicht. Hij was de geheele orde en
het verpersoonlijkte karakter van haar aanvoerder, of grootmeester,
een raadsel, voor welks oplossing de meeste menschen terugdeinsden. De
grootmeester was in zijn wit plechtgewaad gekleed, en droeg den abacus,
een geheimzinnigen ambtsstaf, waarvan de eigenaardige gedaante tot
velerlei zonderlinge gissingen en uitleggingen aanleiding heeft
gegeven, die vermoedens hebben doen ontstaan, dat deze broederschap
van Christen ridders en de ergerlijkste zinnebeelden van het Heidendom
saam verbonden waren.
Koenraad en Montserrat had een veel aangenamer uiterlijk,
dan de sombere en geheimzinnige krijgshaftige priester, die
hem vergezelde. Hij was een knap man, van middelbare jaren, of
een weinig daarboven, moedig in het veld, schrander in den raad,
vroolijk en geestig bij feesten; maar van den anderen kant werd hij
over het algemeen beschuldigd van wispelturigheid, eene bekrompen
en baatzuchtige eerzucht, een verlangen om zijn eigen persoon te
verhoogen, zonder acht te slaan op het welzijn van het Latijnsche
koninkrijk in Palestina, en eigen belang te zoeken door bijzondere
onderhandelingen met Saladin, ten nadeele van de Christen bondgenooten.
Toen deze hooge heeren de gewone eerbiedsbetuigingen bewezen hadden, en
Richard die vriendelijk had beantwoord, begon de markies van Montserrat
eene verklaring van de beweegredenen van hun bezoek, daar zij, zooals
hij zeide, gezonden waren door de bekommerde koningen en vorsten,
die den raad der kruisvaarders uitmaakten, om naar de gezondheid te
vernemen van hun verheven bondgenoot, den koning van Engeland.
"Wij kennen het gewicht, dat de vorsten van den raad aan onze
gezondheid hechten", antwoordde de Engelsche koning; "en wij begrijpen
zeer goed, hoeveel zij moeten geleden hebben door alle belangstelling
ten opzichte daarvan gedurende veertien dagen te onderdrukken,
uit vrees, zonder twijfel, van onze ziekte te zullen verergeren,
door hunne onrust te toonen ten aanzien van die gebeurtenis."
Daar de stroom, der welsprekendheid van den markies werd tegengehouden,
en hij zelf eenigermate in verlegenheid geraakte door dit antwoord,
nam zijn ernstiger metgezel den draad van het gesprek op, deelde
den Koning met zooveel droge en korte deftigheid, als de persoon,
dien hij aansprak, gedoogde, mede dat zij van wege den raad kwamen,
om hem uit naam der Christenheid te verzoeken, zijne gezondheid niet
aan een ongeloovigen geneesheer toe te vertrouwen, dien men zeide
door Saladin gezonden te zijn, tot dat de raad middelen beraamd zou
hebben, om alle achterdocht uit den weg te ruimen of te bevestigen,
die hij voor het oogenblik aan de zending van zulk een persoon hechtte.
"Grootmeester van de zeer heilige en dappere orde der Tempelheeren,
en gij, zeer edele markies van Montserrat", sprak Richard, "zoo gij
u in de naastgelegen tent gelieft te begeven, zult gij dadelijk zien,
hoe veel prijs wij stellen op de teedere vertoogen van onze koninklijke
en vorstelijke deelgenooten in dezen zeer godsdienstigen oorlog."
De markies en de grootmeester verwijderden zich dien ten gevolge;
en zij waren nauwelijks eenige minuten in de buitenste tent, of
de Oostersche geneesheer verscheen in gezelschap van den baron van
Gilsland en Kenneth van Schotland. De baron kwam echter een weinig
later in de tent dan de beide anderen, daar hij zich waarschijnlijk
opgehouden had, om eenige bevelen aan de wachten buiten te geven.
Toen de Arabische arts binnentrad, maakte hij zijne buiging,
naar Oostersche wijze, voor den markies en den grootmeester, wier
waardigheid zichtbaar was zoowel in hun uiterlijk voorkomen als
in hunne houding. De grootmeester beantwoordde den groet met eene
uitdrukking van minachtende koelheid, de markies met de bevallige
beleefdheid, die hij gewoonlijk aan mannen van alle rangen en natiën
betoonde. Er ontstond eene poos stilte; want de Schotsche ridder, op
de komst van de Vaux wachtende, durfde op eigen gezag niet in de tent
van den Koning van Engeland treden; en gedurende deze tusschenpoos
vroeg de grootmeester den Muzelman op norschen toon: "Ongeloovige,
hebt gij den moed, om uwe kunst uit te oefenen op een persoon van
een gezalfden Koning van het Christen leger?"
"De zon van Allah, antwoordde de wijze, "beschijnt den Nazareër even
goed als den waren geloovige, en zijn dienaar durft geen onderscheid
tusschen hen maken, wanneer hij geroepen wordt om zijne heelkunst
uit te oefenen."
"Ongeloovige Hakim," zeide de grootmeester, "of hoe men u, ongedoopten
slaaf der duisternis noemt, weet gij wel, dat gij door wilde paarden
zult vaneen gescheurd worden, indien Koning Richard onder uwe
behandeling stierf?"
"Dat zou eene harde justitie zijn", antwoordde de geneesheer, "daar
ik niets dan menschelijke middelen kan aanwenden, en de uitslag in
het boek des lichts staat geschreven."
"Neen, eerwaarde en dappere grootmeester," zeide de markies van
Montserrat, "overweeg, dat deze geleerde man niet bekend is met onzen
christelijken regel, dien wij in de vreeze Gods en voor de veiligheid
van zijn gezalfde hebben aangenomen.--Weet dan, waardige geneesheer
aan wiens bekwaamheid wij niet twijfelen, dat de verstandigste partij
voor u is om u in tegenwoordigheid van den doorluchtigen raad van ons
heilig verbond te begeven, en daar reden en rekenschap te geven aan
die wijze en geleerde geneesheeren, als deze benoemen zal, omtrent
uwe behandeling en geneesmiddelen bij dezen doorluchtigen patiënt;
op deze wijze zult gij al het gevaar ontgaan, dat gij anders loopen
zult, indien gij zulk eene gewichtige zaak op uwe verantwoording
alleen neemt."
"Mijne heeren," antwoordde El Hakim, "ik versta u wel. Maar de
wetenschap heeft hare helden even goed als uwe krijgskunde, en ook
somtijds hare martelaren even goed, als de godsdienst. Ik heb bevel
van mijn Vorst, den sultan Saladin, om den Nazareeschen Koning te
genezen, en met den zegen van den profeet zal ik aan zijne bevelen
gehoorzamen. Zoo het mij mislukt, dan draagt gij zwaarden, die naar
het bloed der geloovigen dorsten, en ik geef mijn lichaam aan uwe
zwaarden prijs. Maar ik wil met geen onbesnedenen redetwisten over
de kracht der geneesmiddelen, wier kennis ik door de gunst van den
profeet bezit, en ik verzoek u in de uitoefening van mijn plicht
geene vertraging te veroorzaken."
"Wie spreekt van vertraging?" riep de baron de Vaux, haastig de tent
binnentredende; "wij hebben ons reeds te veel vertraagd. Ik groet u,
heer markies van Montserrat, en u, dappere grootmeester. Maar ik
moet mij dadelijk met dezen geleerden arts naar het bed van mijn
meester begeven."
"Mylord," zeide de markies in het Normandisch Fransch, of de taal
van Ouie, zooals die toen genoemd werd, "zijt gij wel onderricht,
dat wij gekomen zijn, om uit naam van alle monarchen en vorsten
van den kruistocht vertoogen te doen over het gevaar, om aan een
ongeloovigen Oosterschen geneesheer de gezondheid toe te vertrouwen
van een man, wiens leven van zoo onschatbare waarde is als uw meester,
koning Richard?"
"Waarde heer markies", hervatte de Engelschman openhartig, "ik
kan niet vele woorden gebruiken, en ik wensch er ook niet naar te
luisteren--bovendien ben ik veel gereeder om te gelooven, wat mijne
oogen gezien dan hetgeen mijne ooren gehoord hebben. Ik ben overtuigd,
dat deze Heiden de ziekte van Koning Richard kan genezen, en ik geloof
en ik vertrouw, dat hij zijn best zal doen om dit te verrichten. De
tijd is kostbaar. Zoo Mahomed--Gods vloek ruste op hem!--aan de deur
van de tent stond, met zulke schoone voorstellen, als deze Adonebec
el Hakim, zou ik het mij tot zonde rekenen, om hem eene minuut op te
houden.--Dus God aanbevolen, mijne heeren."
"Ja maar," vervolgde Koenraad van Montserrat, "de Koning heeft in eigen
persoon gezegd, dat wij tegenwoordig zouden zijn als deze geneesheer
voor hem verscheen."
De baron fluisterde met den kamerheer, waarschijnlijk om te weten of
de markies de waarheid sprak, en antwoordde toen: "Mijne heeren, zoo
gij u stil houden wilt, dan zijt gij welkom om met ons binnen te gaan;
maar wanneer gij door daden of bedreigingen dezen geleerden arts in
zijn plicht stoort, dan, weet ik, dat ik u, zonder acht op uwe hooge
waardigheid te slaan, zal dwingen, om Richard's tent te verlaten; want
ik moet u zeggen, dat ik zoo zeer van de kracht der geneesmiddelen
van dezen man overtuigd ben, dat, zoo Richard zelf weigerde die in te
nemen, ik bij onze heilige Maagd van Lanercost, het op mijn geweten
wil verantwoorden, zoo ik hem tegen wil en dank dwong, om de middelen
ter zijner genezing te gebruiken.--Treed binnen, El Hakim."
De laatste woorden sprak hij in de lingua franca, en de geneesheer
gehoorzaamde oogenblikkelijk. De grootmeester zag met toornigen blik
op den ruwen krijgsman, maar, zijn oog op de markies vestigende,
ontfronsde hij zijn voorhoofd zoo veel mogelijk, en beide volgden
de Vaux en den Arabier in het binnenste van de tent, waar Richard
hen met dat ongeduld verwachtte, waarmede de zieke den stap van
den geneesheer verbeidt. Sir Kenneth, wiens tegenwoordigheid noch
gevraagd noch verboden scheen, voelde zich in de omstandigheden,
waarin hij zich bevond, gerechtigd, om deze hooge personen te volgen,
maar, bewust van zijn minder aanzien en zijn geringen rang, bleef
hij gedurende het tooneel dat voorviel op eenigen afstand.
Richard riep, zoodra zij het vertrek binnentraden, uit: "ha! ha! een
heerlijk gezelschap, om Richard zijn sprong in het duister te zien
doen.--Edele bondgenooten, ik groet u als de vertegenwoordigers van
onze bondsvergadering; Richard zal op zijn vorigen voet weder onder
u verschijnen, of gij zult zijne overblijfselen ten grave dragen.--De
Vaux gij hebt den dank van uw Vorst, hij moge leven of sterven.--Daar
is immers nog een ander--maar deze koorts heeft het gezicht mijner
oogen verzwakt--hoe? de stoute Schot, die zonder ladder ten hemel
wilde stijgen?--Ook hij is welkom.--Kom aan, heer Hakim, aan het werk,
aan het werk."
De geneesheer, die reeds van de verschillende kenteekenen van de
ziekte des Konings onderricht was, voelde nu diens pols gedurende
eene lange poos en met groote aandacht; terwijl allen rondom hem
in stille, ademlooze verwachting stonden. Toen vulde de wijze een
beker met bronwater en doopte daarin de kleine roode beurs, die hij,
als de eerste maal uit zijne boezem trok. Toen hij dacht, dat het
water genoeg van het geneesmiddel opgezogen had, wilde hij den drank
aan den Koning aanbieden; maar deze voorkwam hem door te zeggen;
"wacht een oogenblik.--Gij hebt mijne pols gevoeld--laat mij mijne
vinger ook eens aan de uwe leggen.--Ik versta, zoo als het een goed
ridder past, ook iets van uwe kunst."
De Arabier gaf zijn hand zonder aarzeling over en zijne lange tengere,
donkere vingers waren voor een oogenblik in de groote hand van Richard
gesloten en bijna begraven.
"Zijn bloed klopt kalm als dat van een kind," zeide de Koning,
"zoo kloppen de aderen niet van hen, die vorsten vergiftigen. De
Vaux, hetzij wij leven of sterven, zorg dat deze Hakim met eer
en in veiligheid ons verlaat.--Groet den edelen Saladin van ons,
vriend. Sterf ik, dan is het zonder aan zijne goede trouw te
twijfelen--leef ik, dan zal ik hem mijn dank betuigen, zooals men
een krijgsman danken moet."
Hierop richtte hij zich op in bed, nam den beker in de hand, en
zeide, zich tot den markies en den grootmeester wendende: "Hoor,
wat ik zeg, en laten mijne koninklijke broeders mij met Cyprus wijn
bescheid doen op de onsterfelijke eer van den eersten kruisvaarder,
die lans of zwaard tegen de poort van Jeruzalem zal doen klinken;
en op de schande en den eeuwigen smaad van ieder, die zich afwenden
zal van den ploeg waaraan hij de hand gelegd heeft!"
Hij dronk den beker tot op den bodem ledig, gaf dien aan den Arabier
en zonk, als uitgeput, in de kussens, die voor hem terecht gelegd
waren. De geneesheer beval hierop met stille maar duidelijke teekenen,
dat allen de tent zouden verlaten, behalve hij en de Vaux, dien gene
vertoogen konden bewegen om zich te verwijderen. Dien ten gevolge
ontruimden zij de kamer.