HOOFDSTUK VII.

Als Brit en Schot ooit elkander ontmoet

In een oord op de grens van hun staat

Dan is 't een wonder, als beider bloed,

Niet rijkelijk stroomt over straat.

Slag bij Offerbourne.

Een aanzienlijk korps Schotsche krijgslieden had zich bij de

kruisvaarders gevoegd en zich natuurlijk onder het bevel van

den Engelschen monarch geplaatst, daar zij, even als de troepen

uit diens eigen land, van Saksischen en Normandischen stam waren,

dezelfde taal spraken, eenigen van hen zoowel Engelsche als Schotsche

goederen bezaten, en in sommige gevallen door bloedverwantschap en

wederzijdsche huwelijken verbonden waren. Ook ging die tijd vooraf aan

de dagen, toen de onbegrensde eerzucht van Eduard I een noodlottig

en giftig karakter gaf aan de oorlogen tusschen de twee natiën,

daar de Engelschen voor de onderwerping van Schotland vochten, en de

Schotten met al den moed en de hardnekkigheid, die steeds hunne natie

gekenschetst heeft, voor de verdediging hunner onafhankelijkheid,

door de geweldigste middelen, onder de ongunstigste omstandigheden

en met het grootste gevaar. Tot dien tijd waren de oorlogen tusschen

de twee volken, hoewel fel en veelvuldig, volgens de beginselen van

eene eerlijke vijandschap gevoerd, en hadden zij die verzachtende

schaduwen toegelaten, waardoor de hoffelijkheid en de achting voor

erkende en moedige vijanden, de ijselijkheden des oorlogs wijzigt

en verzacht. In tijd van vrede derhalve, en vooral wanneer beide,

gelijk tegenwoordig, in een oorlog gewikkeld waren, die voor eene

gemeenschappelijke zaak werd gevoerd en hun om hunne godsdienstige

begrippen dierbaar was, vochten de avonturiers van beide volken

dikwijls naast elkander, terwijl hunne nationale ijverzucht alleen

diende om hen aan te sporen, elkander in hunne ondernemingen tegen

den algemeenen vijand te overtreffen.

Het open en krijgshaftig karakter van Richard, die geen onderscheid

tusschen zijne onderdanen en die van Alexander van Schotland maakte,

hun gedrag in den slag alleen uitgezonderd, strekte zeer om de

gelederen der beide natiën te vereenigen. Maar bij zijne ziekte en

de ongunstige omstandigheden, waarin de kruisvaarders zich geplaatst

zagen, begon de nationale oneenigheid tusschen de verschillende tot

den kruistocht verbonden benden aan den dag te komen, evenals de

wonden op nieuw in het menschelijk lichaam openbreken, wanneer het

onder den invloed van ziekte of zwakheid geraakt.

De Schotten en Engelschen, even naijverig, hooghartig en voor hoon

gevoelig,--en de eersten des te meer, omdat zij de armste en zwakste

natie waren,--begonnen het tijdvak, toen de wapenstilstand hun verbood

om hunne vereenigde wraaklust aan de Sarraceenen te koelen, door

inwendige verdeeldheid aan te vullen. Gelijk de strijdende Romeinsche

legerhoofden in oude tijden, wilden de Schotten geen oppermacht dulden,

en hunne zuidelijke naburen geene gelijkheid erkennen. Er werden

verwijten en tegenbeschuldigingen geuit, en zoowel de gemeene soldaten

als hunne aanvoerders en bevelhebbers, die in tijd van overwinning

goede makkers geweest waren, morden tegen elkander in tegenspoed,

als of hunne eensgezindheid toen niet noodiger dan ooit geweest was,

niet alleen voor den goeden uitslag van hunne gemeenschappelijke zaak,

maar ook voor hunne wederzijdsche veiligheid. Dezelfde oneenigheid

was begonnen uit te barsten tusschen de Franschen en Engelschen,

de Italianen en Duitschers, en zelfs tusschen de Denen en Zweden;

maar het was slechts de oneenigheid, welke de twee volkeren scheidde,

die één eiland had voortgebracht, en juist om deze reden te vijandiger

tegenover elkander schenen, die voornamelijk in betrekking staat tot

ons verhaal.

Onder alle Engelschen edelen, die hun Koning naar Palestina gevolgd

waren, was de Vaux het meest tegen de Schotten bevooroordeeld; zij

waren zijne naaste buren, met wie hij zijn leven lang in openbaren

en bijzonderen strijd was gewikkeld geweest, wien hij menige ramp

had berokkend, en van wie hij er niet minder ondervonden had. Zijne

liefde en verknochtheid aan den Koning was gelijk aan de innige

genegenheid van den ouden Engelschen dog jegens zijn meester, terwijl

zij hem lomp en ontoegankelijk maakte voor alle anderen, zelfs voor

hen, die hem onverschillig waren, en ruw en gevaarlijk voor ieder,

tegen wie hij een vooroordeel koesterde. De Vaux had nooit zonder

ijverzucht en misnoegen opgemerkt, dat zijn Koning eenig blijk van

welwillendheid of gunst betoonde aan den goddeloozen, bedriegelijken

en woesten stam, die geboren was aan de andere zijde van eene rivier

of van eene denkbeeldige lijn, door woestenijen en wildernissen,

getrokken, en hij twijfelde zelfs aan den goeden uitslag van een

kruistocht, waarin men deze vergunde de wapenen te dragen, daar

hij ze in het binnenste van zijne ziel weinig beter achtte dan de

Sarraceenen, die hij was komen bevechten. Men kan er bijvoegen, dat

hij, als een rondborstig, onbeschaafd Engelschman, die niet gewoon

was om de geringste aandoening van liefde of haat te verbergen, de

vleiende hoffelijkheid welke de Schotten geleerd hadden, hetzij door

navolging van hunne gewone bondgenooten, de Franschen, of door hun

eigen trotsch en achterhoudend karakter, beschouwde als een valsch

en arglistig blijk van de gevaarlijkste plannen tegen hunne naburen,

op wie hij, met echt Engelsch zelfvertrouwen, geloofde, dat zij door

openlijk optreden nooit eenig voordeel zouden kunnen behalen.

Maar ofschoon de Vaux deze meening omtrent zijne noordelijke naburen

koesterde, en die met eene geringe verzachting uitstrekte tot hen,

die het kruis hadden aangenomen, belette hem echter zijn eerbied

voor den Koning en een gevoel van den plicht, dien hem zijne gelofte

als kruisvaarder oplegde, deze op eene andere wijze te toonen, dan

door allen omgang met zijne Schotsche wapenbroeders zorgvuldig te

vermijden, voor zoover dit mogelijk was, door een norsch stilzwijgen

te bewaren, wanneer hij hen toevallig ontmoette, en door verachtelijk

op hen neder te zien, wanneer hij hen op marsch of in de legerplaats

aantrof. De Schotsche barons en ridders waren er de mannen niet naar,

om zijne minachting onopgemerkt of onbeantwoord te laten voorbijgaan;

en het kwam zoo ver, dat hij als de verklaarde en felle vijand van eene

natie beschouwd werd, die hij intusschen hoogstens niet lijden kon en

in zekere mate verachtte. Zij die de zaken onpartijdiger beschouwden,

moesten erkennen, dat, zoo hij al niet in den geest der heilige Schrift

de liefde voor hen koesterde, die lang verdraagt en zacht oordeelt,

hem geenszins de deugd ontbrak, die voorschrijft, het lot van anderen

te verlichten en hen te helpen. De rijkdom van Thomas van Gilsland

verschafte levensmiddelen en geneesmiddelen, en een deel daarvan

vloeide gewoonlijk door heimelijke kanalen in de kwartieren der

Schotten, daar zijne stroeve welwillendheid op het beginsel rustte,

dat na den vriend voor ieder, de vijand van het meeste gewicht was,

en hij alle tusschenliggende betrekkingen over het hoofd zag, als te

onbeduidend voor hem om er zelfs maar aan te denken. Deze verklaring

is noodig, om den lezer ten volle te doen begrijpen wat wij thans

zullen verhalen.

Thomas de Vaux had slechts enkele schreden buiten de koninklijke

tent gezet, of hij bespeurde, wat het veel scherper oor van den

Engelschen monarch, niet weinig geoefend in de kunst der minnezangers,

terstond ontdekt had, namelijk dat de muziek, die tot hunne ooren

was doorgedrongen, door de fluiten, schalmeien en keteltrommen

van de Sarraceenen voortgebracht werd; en op den achtergrond van

een rij van tenten, die een breeden toegang tot Richard's tent

vormden, kon hij een troep soldaten zien, die niet in dienst waren

en geschaard stonden om de plek, van waar het geluid kwam, bijna in

het midden van de legerplaats; en hij zag tot zijne groote verbazing,

te midden van de helmen van onderscheiden vorm, die de kruisvaarders

van verschillende natiën droegen, witte tulbanden en lange pieken,

welke de tegenwoordigheid van gewapende Sarraceenen verrieden,

en de groote gedrochtelijke koppen, van verscheiden kameelen en

dromedarissen, welke de middel van hun lange, ongeëvenredige halzen

boven de menigte uitstaken.

Verwonderd en misnoegd over zulk een onverwacht en zonderling

tooneel--want het was de gewoonte, om alle vredevlaggen en dergelijke

teekenen van den vijand op eene bepaalde plaats buiten de barrières

te laten--zag de baron verlangend naar iemand uit, dien hij naar de

reden van deze onrustbarende nieuwigheid kon vragen.

Den eersten, die hij maar op zich zag toekomen, herkende hij dadelijk

aan zijn deftigen en trotschen gang voor een Spanjaard of Schot;

en hij mompelde in zich zelven: "Een Schot is het--en wel die van

den Luipaard. Ik heb hem voor zijn land dapper zien vechten."

Niet geneigd om zelfs maar eene vraag te doen, was hij op het punt

om sir Kenneth voorbij te gaan met dien norschen en deftigen tred,

die schijnt te zeggen: "ik ken u, maar ik wil niets met u te doen

hebben;" maar zijn voornemen werd verijdeld door den Schot zelven, die

rechtstreeks naar hem toekwam, en tot hem met plechtige hoffelijkheid

zeide: "Mijnheer de baron de Vaux van Gilsland, ik heb last om met

u te spreken."

"Zoo!" antwoordde de Engelsche baron, "met mij? Maar spreek op,

zoo het kort is.--Ik ben hier op last van den Koning."

"Mijn last gaat Koning Richard nog van meer nabij aan," antwoordde

sir Kenneth; "ik breng hem, naar als ik vertrouw, de gezondheid."

Lord de Vaux van Gilsland mat den Schot met ongeloovige oogen, en

hervatte: "Gij zijt toch geen geneesheer, meen ik, heer Schot--ik

had bijna even goed kunnen gelooven, dat gij den Koning van Engeland

rijkdom bracht."

Ofschoon sir Kenneth over dit antwoord des barons ontstemd was,

antwoordde hij toch bedaard: "Gezondheid voor Richard is roem en

rijkdom voor het Christendom.--Maar ik heb haast; ik bid u, mag ik

den Koning zien?"

"Voorzeker niet, waarde heer," zeide de baron, "zoo niet uwe boodschap

duidelijker meegedeeld wordt. De ziekenkamers van Vorsten staan

niet open voor allen, die er om vragen, zooals in de herbergen van

het noorden."

"Mylord," zeide Kenneth, "het kruis, dat ik draag even als gij,

en het gewicht van hetgeen ik te zeggen heb, moeten mij voor het

tegenwoordige een gedrag voorbij doen zien, dat ik anders niet zou

kunnen dulden. Ronduit dan, ik breng een Moorschen geneesheer mede,

die trachten wil om eene kuur op Koning Richard te verrichten."

"Een Moorsch geneesheer!" riep de Vaux uit, "en wie wil er voor

instaan, dat hij geen vergif in plaats van geneesmiddelen medebrengt."

"Zijn eigen leven, mylord--zijn hoofd, dat hij tot waarborg aanbiedt."

"Ik heb menig stouten roover gekend," hervatte de Vaux, "die zijn

leven zoo weinig achtte als hij het verdiende, en zoo vroolijk naar

de galg wandelde, als of de beul met hem wilde dansen."

"De zaak is, mylord," hernam de Schot; "dat Saladin, aan wien niemand

den naam van een edelmoedig en dapper vijand zal ontzeggen, dezen

geneesheer hierheen heeft gezonden, met een aanzienlijk gevolg en

eene wacht, zoo als past hij de hooge achting, waarin El Hakim bij

den Sultan staat, met vruchten en ververschingen voor het vertrek van

den Koning, en met eene opdracht, die wel tusschen edele vijanden kan

plaats hebben, met den wensch, dat hij weldra van zijne koorts moge

herstellen, opdat hij te geschikter moge zijn om een bezoek van den

Sultan te ontvangen met zijn ontbloot zwaard in de hand, en honderd

duizend ruiters in zijn gevolg. Belieft gij, die in den geheimen

raad van den Koning zitting hebt, deze kameelen te doen ontladen,

en bevel tot de ontvangst van den geleerden geneesheer te geven?"

"Het is vreemd!" zeide de Vaux als in zich zelven sprekende.--"En wie

wil voor de eer van Saladin instaan, daar kwade trouw hem op eenmaal

van zijn machtigsten tegenstander zou ontslaan?"

"Ik zelf wil zijn borg zijn met mijne eer, mijn leven, en mijne

goederen."

"Vreemd!" riep de Vaux andermaal; "de Noorman wordt borg voor den

Oosterling--de Schot voor den Turk!--Mag ik u verzoeken, heer ridder,

mij te zeggen, hoe gij in deze zaak betrokken zijt geworden?"

"Ik ben op eene bedevaart afwezig geweest," hervatte sir Kenneth,

"in den loop waarvan ik een last te volbrengen had bij den heiligen

kluizenaar van Engaddi."

"Moogt gij mij dien toevertrouwen, sir Kenneth, met het antwoord van

den heiligen man?"

"Dat mag ik niet, mylord," antwoordde de Schot.

"Ik behoor tot den geheimen raad van Engeland," zeide de Engelschman

fier.

"En aan dat land ben ik geen plicht als onderdaan verschuldigd," hernam

Kenneth. "Ofschoon ik in dezen oorlog vrijwillig het persoonlijk

lot van Engeland's Vorst gevolgd ben, werd ik door den algemeenen

raad van de Koningen, vorsten en hoofdaanvoerders van het leger van

het gezegende kruis gezonden, en aan hen alleen kan ik mijn last

overbrengen."

"He! wat zegt gij?" riep de trotsche baron. "Maar verneem, boodschapper

van Koningen en vorsten, of wat gij dan zijn moogt, geen geneesheer

zal het ziekbed van Richard van Engeland naderen, zonder toestemming

van den lord van Gilsland; en hij, die zich daartegen zou willen

verzetten, zou met zijne opdracht slecht te recht komen."

Hij wilde zich trotsch omkeeren, toen de Schot, hem meer naderende,

en recht tegenover hem zich plaatsende, hem op bedaarden toon, maar

niet zonder ook van zijne zijde zijn trots te doen blijken, vroeg,

of de lord van Gilsland hem voor een edelman en een goed ridder hield.

"Alle Schotten zijn door hun geboorterecht van adel," antwoordde Thomas

de Vaux eenigszins spottend; maar zijne eigene onrechtvaardigheid

beseffende, en bespeurende dat Kenneth begon te kleuren, voegde hij

er bij: "het zou een misdaad zijn er aan te twijfelen, dat gij een

goed ridder zijt, ten minste nadat men u uw plicht zoo goed en dapper

heeft zien verrichten."

"Welnu," hernam de Schotsche ridder, voldaan door de oprechtheid van

de laatste verklaring, "laat ik u zweren, Thomas van Gilsland, dat,

zoo waar als ik een eerlijke Schot ben, wat ik voor een even groot

voorrecht houd als mijn ouden stam, en zoo zeker als ik een geslagen

ridder ben, die, herwaarts gekomen is om lof en roem in dit sterfelijk

leven te verwerven en vergiffenis voor zijne zonden in het toekomstige

leven--zoo waar, en bij het heilige kruis dat ik draag, zweer ik u,

dat ik niets anders wensch dan de redding van Richard Leeuwenhart,

door den dienst van dezen Turkschen geneesheer aan te bevelen."

De Engelschman werd getroffen door het plechtige van de verklaring,

en antwoordde met meer hartelijkheid dan hij nog getoond had: "Zeg

mij, heer ridder van den Luipaard, toegegeven dat gij, waaraan ik niet

twijfel, in deze zaak overtuigd zijt, zal ik dan wèl doen in een land,

waar de kunst van vergiftigen even algemeen is als die van koken,

dezen onbekenden geneesheer met zijne geneesmiddelen eene kuur te

laten verrichten bij een Vorst, wiens gezondheid voor de geheele

Christenheid van zoo veel waarde is?"

"Mylord," hervatte de Schot, "ik kan hierop slechts dit antwoorden,

dat mijn schildknaap, de eenige van mijn gevolg, dien mij de oorlog en

ziekten overgelaten hadden, sedert eenigen tijd aan deze zelfde koorts

geleden heeft, die in den dapperen Koning Richard het voornaamste

lid van onze heilige onderneming heeft verzwakt. Deze geneesheer,

El Hakim, heeft hem nog geen twee uren lang behandeld of hij is in

een verkwikkende slaap gevallen. Ik twijfel er geenszins aan, of hij

kan de ziekte, die zoo noodlottig gebleken is, genezen; dat hij het

voornemen heeft om dit te doen, is, dunkt mij, gewaarborgd door zijne

zending door den koninklijken Sultan, die oprecht en eerlijk gezind

is, voor zoo ver van een verblinde ongeloovige dit gezegd kan worden;

en voor den te wachten uitslag kan de zekerheid der belooning, in

geval dat het goed uitvalt, en der straf in geval van opzettelijke

mislukking, een genoegzame waarborg zijn."

De Engelschman luisterde met ter neder geslagen oogen, als iemand

die aarzelde, en nochtans niet ongenegen was om overtuigd te

worden. Eindelijk zag hij op en vroeg: "Mag ik uwen zieken schildknaap

zien, edele heer?"

De Schotsche ridder aarzelde en bloosde even, toen echter antwoordde

hij: "Gaarne, mylord van Gilsland; maar gij moet in het oog houden,

wanneer gij mijn armoedig kwartier ziet, dat de edelen en ridders

van Schotland niet zoo weelderig leven, niet zoo zacht slapen, en

zich niet zoo veel om de pracht hunner woningen bekommeren, als hunne

zuidelijke naburen. Ik ben armoedig gehuisvest, mylord van Gilsland,"

voegde hij er bij met een trotschen nadruk op het woord, terwijl hij

niet zonder tegenzin, den weg naar zijn tijdelijk verblijf wees.

Hoe groot ook de vooroordeelen van de Vaux tegen den landaard van

zijn nieuwen kennis waren, en ofschoon wij niet trachten willen te

ontkennen, dat eenige van deze door hunne armoede, die spreekwoordelijk

geworden was, werden opgewekt, bezat hij toch een te edel karakter,

om vermaak te scheppen in de kwelling van een dapper man, die aldus

gedwongen was, om een toestand aan den dag te brengen, dien zijn

hoogmoed gaarne zou hebben verborgen.

"Hij zou schande voor den kruisvaarder zijn," zeide hij, "zoo hij aan

wereldschen glans of aan weelderig gemak kon denken, terwijl hij ter

verovering van de heilige stad is uitgetogen. Het moge ons zoo erg gaan

als het wil, wij zullen het toch nog altijd beter hebben dan de scharen

van martelaren en heiligen, die, na deze oorden voor ons betreden te

hebben, thans gouden lampen en eeuwig groenende palmen dragen."

Dit was de meest bloemrijke rede, die men ooit van Thomas van Gilsland

gehoord had, te meer misschien, zoo als somtijds gebeurt, omdat hij

zijne eigen gedachten niet geheel uitdrukte, daar hij, wat hem zelven

betrof, een vriend van goede sier en van eene prachtige levenswijze

was. Onderwijl bereikten zij de plaats van het leger, waar de ridder

van den Luipaard zijn verblijf had opgeslagen.

Het uitwendig voorkomen deed hier inderdaad geene schending verwachten

van de wetten der onthouding, waaraan de kruisvaarders, volgens

den door den lord van Gilsland uitgesproken meening, zich moesten

onderwerpen. Eene plek grond, groot genoeg om misschien dertig

tenten daarop te plaatsen, volgens den regel van de afmeting der

legerplaatsen, was voor een groot deel ledig,--omdat de ridder, uit

vertooning, grond gevraagd had in evenredigheid van zijn oorspronkelijk

gevolg,--gedeeltelijk bezet door eenige weinige ellendige hutten,

haastig uit takken samengesteld en met palmbladeren bedekt. Deze

woningen schenen geheel verlaten te zijn, en verscheidene ervan

waren ineengestort. De middelste hut, die de tent van den aanvoerder

verbeeldde, onderscheidde zich door zijn banier in de gedaante van

een zwaluwstaart, welke op een punt van een speer geplaatst was, en

onbewegelijk naar beneden hing, alsof zij onder de verzengende stralen

van de Aziatische zon verwelkte. Maar geen pages of schildknapen, zelfs

geen enkele schildwacht, stond bij het zinnebeeld van leenheerlijke

macht en ridderschap. Zij had geen anderen bewaker dan zijn eigen roem.

Sir Kenneth wierp een treurigen blik om zich heen; maar zijne

gewaarwordingen onderdrukkende, trad hij de tent binnen, terwijl hij

den baron van Gilsland een teeken gaf om hem te volgen. Deze zag ook

rond met een vorschenden blik, die medelijden, niet geheel vrij van

verachting aanduidde, waarmede het misschien even nauw verbonden is

als met de liefde. Toen boog hij zijn hoogen vederbos, en trad een lage

hut binnen, die zijne forsche gedaante bijna geheel scheen te vullen.

Het binnenste der hut was grootendeels door twee bedden bezet. Het eene

was ledig, maar samengesteld uit bijeengezochte bladen en overdekt

met eene antilopen huid. Naar de wapenen, die er naast lagen en een

zilveren kruis, dat zorgvuldig aan het hoofdeneind geplaatst was, te

oordeelen, moest men dit voor de slaapplaats van den ridder zelven

houden. Op het andere lag de zieke, van wien sir Kenneth gesproken

had, een man krachtig van lichaam en ruw van gelaatstrekken, die,

naar zijn voorkomen te oordeelen, reeds boven den middelbaren leeftijd

was. Zijn bed was zachter dan dat van zijn heer, en het was duidelijk,

dat de zwierige kleederen van dezen, de lastige tabbaard, waarin de

ridders zich bij vreedzame gelegenheden vertoonden, en de overige

kleine voorwerpen van kleeding en praal door sir Kenneth tot gemak

voor zijn zieken dienaar aangewend waren. In een buiten gedeelte

van de hut, dat de Engelsche baron overzien kon, zat een knaap, met

halve laarsjes van ruwe dierhuiden, eene blauwe muts en een wambuis,

waarvan de oorspronkelijke kleur vrij verschoten was, op zijne knieën

bij een komfoor met steenkolen, en bakte op een ijzeren bord de koeken

van gerst, welke toen, even als thans nog, een geliefkoosd gerecht

van de Schotten waren. Een stuk van een antilope hing tegen een der

hoofdpijlers van de hut. Het was volstrekt niet moeilijk te begrijpen

hoe men die bekomen had; want een groote herdershond, nog edeler van

gestalte en voorkomen dan zelfs die, welke het ziekbed van Koning

Richard bewaakten, lag daar met het oog op het baksel gevestigd. Het

schrandere dier deed bij hun binnenkomen een gesmoord gemor hooren,

dat uit zijne diepe keel als een verwijderde donder klonk. Maar hij

bespeurde zijn meester, en gaf hiervan blijk door te kwispelstaarten

en zijn kop neer te leggen, en onthield zich van alle onstuimige

luidruchtige begroetingen, als of zijn edel instinkt hem geleerd had,

dat het paste om in eene ziekenkamer stil te zijn.

Naast het bed zat op een kussen, dat ook uit huiden bestond, de

Moorsche geneesheer van wien sir Kenneth gesproken had, met de beenen

kruiselings over elkander volgens Oostersche gewoonte. Het gedempte

licht liet weinig van hem zien, behalve dat het beneden gedeelte van

zijn gelaat bedekt was met een langen zwarten baard, die tot over zijne

borst hing--dat hij een hoogen tolpach op had, dat is eene Tartaarsche

muts van lamswol, welke te Astracan was bewerkt, van dezelfde donkere

kleur, als zijn wijde kaftan of Turksch gewaad. Twee doordringende

oogen, die met buitengewonen glans schitterden, waren de eenige

trekken, die in de duisternis, welke hem omgaf, konden onderscheiden

worden. De Engelsche lord stond zwijgend, bijna eerbiedig; want ondanks

de ruwheid van zijn gewoon gedrag, zou een tooneel van ellende en

armoede, met standvastigheid en zonder morren of klagen verdragen,

ten allen tijde meer achting aan Thomas de Vaux ingeboezemd hebben,

dan al de schitterende plechtigheid van eene koninklijke audientiezaal,

zelfs die van Koning Richard zelven. Men hoorde een poos lang niets

dan het zware en regelmatige ademhalen van den zieke, die in diepe

rust scheen te liggen.

"Hij heeft gedurende de laatste zes nachten geen oog toegedaan,"

zeide sir Kenneth, "zooals zijn jonge oppasser mij verzekerd heeft."

"Edele Schot," zeide Thomas de Vaux, terwijl hij de hand van den

Schotschen ridder met meer hartelijkheid drukte, dan hij zich vergunde

met woorden te doen blijken; "die toestand moet verbeterd worden--uw

schildknaap wordt te slecht gevoed en opgepast."

Bij die laatste woorden verhief hij zijne stem natuurlijk tot haar

gewonen beslissenden toon. De zieke werd in zijn slaap gestoord.

"Mijn meester," prevelde deze als in den droom, "edele sir

Kenneth--vindt gij u even als ik de wateren van de Clyde niet koel

en verfrisschend na de brakke bronnen van Palestina?"

"Hij droomt van zijn vaderland, en hij is gelukkig in zijn slaap,"

fluisterde sir Kenneth de Vaux toe; maar nauwelijks had hij deze

woorden gesproken, of de geneesheer, opstaande van de plaats, die hij

naast het bed van den zieke ingenomen had, en de hand van den patiënt,

wiens pols hij zorgvuldig gadegeslagen had, zachtjes op het bed latende

vallen, kwam bij de twee ridders, en elk van hen bij de hand nemende,

terwijl hij hun een wenk gaf om te zwijgen, geleidde hij hen naar de

voorzijde van de hut.

"In den naam van Issa Ben Mariam," zeide hij, "dien wij, even als gij,

ofschoon niet met hetzelfde blinde bijgeloof, vereeren, verstoort

de uitwerking niet van het heilzame geneesmiddel, dat hij gebruikt

heeft. Zoo hij thans wakker gemaakt werd, zou het hem het leven of

ten minste zijn verstand kosten; maar keer op het uur terug, als de

Muezzin van de minaret tot het avondgebed in de moskee roept, en,

zoo hij tot op dien tijd in rust gelaten wordt, beloof ik u, dat deze

Frankische soldaat, zonder nadeel voor zijne gezondheid, in staat

zal zijn om een kort gesprek met u te houden over alles, wat een van

u beide en in het bijzonder zijn meester, hem te vragen zal hebben."

De ridders verwijderden zich op het bevelend gezag van den geneesheer,

die volkomen het gewicht van het Oostersche spreekwoord scheen te

begrijpen, dat de ziekenkamer van den lijder het koninkrijk van den

geneesheer is.

Er ontstond eene stilte en zij bleven te zamen aan de deur van de hut

staan, sir Kenneth met het gelaat van iemand, die verwachtte, dat zijn

bezoeker afscheid zou nemen,--en de Vaux, als of hij iets op het hart

had, dat hem belette dit te doen. De hond echter was hun uit de hut

nageloopen, en stak nu zijn langen, ruigen snuit in de hand van zijn

meester, als of hij bescheiden om eenig blijk van diens genegenheid

verzocht. Hij had nauwelijks zijn doel door een vriendelijk woord

en eene kleine streeling bereikt, of, verlangend zijne dankbaarheid

en vreugde over de terugkomst van zijn heer te kennen te geven,

vloog hij in vollen ren weg, met uitgestrekten staart, heen en weer

tusschen de vervallene hutten en het plein, dat wij beschreven hebben,

maar nooit buiten die grenzen, welke zijne schranderheid hem leerde,

dat door de banier zijns meesters beschermd werden. Na eenige van

die sprongen kwam de hond dicht bij zijn meester, legde op eens zijn

vroolijken aard af, verviel weder in zijn gewonen ernst en zag er uit,

alsof hij zich schaamde, dat iets hem had kunnen bewegen, om zóó ver

zijne bedaardheid te vergeten. Beide ridders zagen hem met genot aan;

want sir Kenneth was terecht trotsch op zijn edelen hond, en de baron

uit het noorden van Engeland was natuurlijk een liefhebber van de

jacht, en wist de waarde van het dier op prijs te stellen.

"Een zeer verstandige hond," zeide hij; "mij dunkt, edele heer, Koning

Richard heeft geen jachthond, die hem evenaart, zoo hij even sterk

als vlug is. Maar mag ik u in alle eer en welwillendheid vragen,

hebt gij de afkondiging niet gehoord, dat niemand, die onder den

rang van graaf is, jachthonden zal houden binnen de legerplaats van

Koning Richard, zonder koninklijk verlof,--dat gij, sir Kenneth,

naar ik meen niet gekregen hebt?--Ik spreek als stalmeester."

"En ik antwoord als vrij Schotsch ridder," antwoordde Kenneth

op ernstigen toon. "Voor het tegenwoordige volg ik de banier van

Engeland, maar ik kan mij niet herinneren, dat ik mij ooit aan zijne

jachtwetten onderworpen heb; ook heb ik er niet zooveel eerbied

voor, dat ik hiertoe genegen zou zijn. Wanneer de trompet ons te

wapen roept, is mijn voet zoo spoedig als die van eenig ander in den

stijgbeugel--wanneer deze tot den aanval blaast, is mijne lans nog

niet het laatst in de rust gelegd. Maar in mijne uren van vrijheid

of ledigheid, heeft Koning Richard geen recht om mijne genoegens

te belemmeren."

"Niettemin," hernam de Vaux, "is het eene dwaasheid, om aan het bevel

des Konings ongehoorzaam te zijn--dus, met uw verlof, zal ik u,

daar ik in deze zaak eenig gezag heb, eene bescherming voor dezen

vriend zenden."

"Ik dank u," hervatte de Schot woel; "maar hij kent het mij aangewezen

kwartier, en binnen dat terrein kan ik hem zelf beschermen.--Maar,"

voegde hij er met eene plotselinge verandering van toon bij, "dit

is een koele dank voor eene welgemeende vriendelijkheid. Ik dank u

hartelijk, mylord. De stalknechten of jagers van den Koning zouden

Roswal kunnen vinden op een oogenblik als hij er niet op verdacht was

en hem eenig leed aandoen, dat ik waarschijnlijk niet ongewroken zou

laten, en zoo zou er kwaad van kunnen komen. Gij hebt zooveel van

mijne huishouding gezien, mylord," vervolgde hij met een glimlach,

"dat ik mij niet behoef te schamen om te zeggen, dat Roswal de

voornaamste verschaffer onzer levensmiddelen is; en ik hoop voorwaar,

dat onze Leeuw Richard niet zal zijn als de leeuw in de fabel van

den minnezanger, die op de jacht ging en den geheelen buit voor

zich behield. Ik kan niet gelooven, dat hij een armen edelman, die

hem getrouw volgt, zijn uurtje jachtvermaak en zijn stukje wild zal

misgunnen, vooral daar ander voedsel moeilijk genoeg te verkrijgen is."

"Op mijne eer, gij doet den Koning niet meer dan recht--en toch,"

zeide de baron, "er ligt iets in die woorden, jacht en wild, dat onze

Noordsche vorsten het hoofd geheel op hol brengt."

"Wij hebben onlangs gehoord," zeide de Schot, "van minnezangers en

pelgrims, dat uwe vogelvrij-verklaarde boeren in de graafschappen

York en Nottingham groote benden gevormd hebben, aan hun hoofd

den stoutsten boogschutter, Robin Hood genaamd, die tot luitenant,

den kleinen Jan, had. Mij dunkt, het ware beter, dat Richard zijn

jachtwetten in Engeland verzachtte, in plaats dat hij tracht om die

in het heilige Land van kracht te doen zijn."

"Wild werk, sir Kenneth," hernam de Vaux, de schouders ophalende, als

iemand, die een gevaarlijk of onaangenaam onderwerp van gesprek wilde

vermijden--"eene dwaze wereld, sir.--Ik moet u thans vaarwel zeggen,

daar ik dadelijk naar de tent des Konings moet terug keeren. Tegen

den vesper zal ik, met uw verlof, uw kwartier weder bezoeken en met

dezen ongeloovigen geneesheer spreken. Ik zou intusschen, zoo het u

niet beleedigt, u gaarne iets zenden, dat uw maaltijden een weinig

verbeteren kon."

"Ik dank u, mijnheer," antwoordde sir Kenneth, "maar het is niet

noodig; Roswal heeft mijne spijskamer reeds voor twee weken verzorgd,

daar de zon van Palestina weliswaar ziekten aanbrengt, maar ook tevens

dient om het wild te drogen."

De twee krijgslieden scheidden als veel betere vrienden, dan zij

elkander ontmoet hadden; maar eer zij van elkaar gingen, ontving Thomas

de Vaux nauwkeuriger mededeelingen van de zending van den Oosterschen

geneesheer, en tevens van den Schotschen ridder de geloofsbrieven,

die hij van wege Saladin voor Koning Richard medegebracht had.

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 9 / 36 题