Verander van tooneel. Laat luid de hoorn weerklinken;
De sterke leeuw kwam thans te voorschijn uit zijn hol.
Oud Tooneelstuk.
Het tooneel moet thans veranderen, zooals ons motto aangekondigd heeft
en uit de rotsachtige woestijn van de Jordaan verplaatst worden naar
de legerplaats van Richard, Koning van Engeland, die toen tusschen
St. Jean d'Acre en Ascalon was opgeslagen, en het leger bevatte,
waarmede Leeuwenhart zich een zegepralenden tocht naar Jeruzalem
beloofd had, waarin hij waarschijnlijk geslaagd zou zijn, als hij niet
ware verhinderd geworden door den naijver der Christenvorsten, die aan
dezelfde onderneming deelnamen, en door hunne geraaktheid over den
grenzenloozen trots van den Engelschen monarch en de minachting die
hij voor vorsten betoonde, welke, ofschoon zijne gelijken in rang,
echter ver beneden hem stonden in moed, stoutheid en krijgskundige
bekwaamheid.
Zulke oneenigheden, en inzonderheid die tusschen Richard en Filips van
Frankrijk, veroorzaakten twisten en moeilijkheden, die al de krachtige
maatregelen belemmerden, welke door den heldhaftigen maar onstuimigen
Richard werden voorgesteld, terwijl de gelederen der kruisvaarders
met den dag verminderden, niet alleen door het wegloopen van enkelen,
maar van geheele benden, onder aanvoering van hunne leenheeren, die
zich aan een strijd onttrokken, waarvan zij geen gunstigen uitslag
meer durfden hopen.
De invloed van het klimaat werd, zoo als gewoonlijk, noodlottig
voor krijgslieden uit het Noorden, te meer daar de onbeteugelde
losbandigheid der kruisvaarders, die een zonderling contrast vormde
met het beginsel en het doel van hun tocht, hen gemakkelijk tot
slachtoffers maakten van de nadeelige uitwerking van eene verzengende
hitte en een ijskouden dauw. Bij deze ontmoedigende oorzaken van
verlies voege men nog het zwaard van den vijand. Saladin, de grootste
naam, die in de Oostersche geschiedenis geboekt staat, had tot zijn
nadeel ondervonden, dat zijne licht gewapende volgelingen niet zeer
geschikt waren om in een gevecht van man tegen man tegenstand te
bieden aan de in ijzer gekleede Franken, en had te gelijker tijd den
ondernemenden geest van zijn vijand Richard leeren duchten. Maar zoo
zijne legers meer dan ons met groot verlies op de vlucht gedreven
werden, gaf het aantal zijner strijders hem het voordeel in de kleine
schermutselingen, waarvan vele onvermijdelijk waren. Naarmate het
leger zijner aanvallers verminderde, werden de ondernemingen van den
Sultan menigvuldiger en stouter in deze soort van guerilla-oorlog. De
legerplaats der kruisvaarders was omringd en bijna belegerd door wolken
lichte ruiterij, die op zwermen wespen geleken, welke, als men ze eens
gegrepen heeft, gemakkelijk dood gedrukt worden, maar die vleugels
hebben, om de meerdere kracht te ontwijken, en angels om schade en
onheil te stichten. Er werden voordurend gevechten tusschen voorposten
en fourageurs geleverd, waarbij menig kostbaar leven verloren ging,
zonder dat een daardoor evenredig voordeel verkregen werd; bedekkingen
werden onderschept en verbindingen afgesneden. De kruisvaarders moesten
de middelen tot onderhoud van het leven met het leven zelf koopen; en
water, gelijk dat uit de bron van Bethlehem, waarnaar Koning David,
een van de oude Monarchen verlangde, werd toen, gelijk voorheen,
slechts met bloed verkregen.
Deze moeilijkheden werden echter in eene hooge mate opgewogen door
de ernstige standvastigheid en de rustelooze werkzaamheid van Koning
Richard die met eenige zijner beste ridders altijd te paard zat,
gereed om zich naar elk punt te begeven, waar gevaar dreigde, en die
dikwijls niet alleen onverwachte hulp aan de Christenen bracht, maar
ook de ongeloovigen versloeg, wanneer zij zich reeds volkomen zeker
van de overwinning waanden. Maar zelfs het ijzeren gestel van Richard
Leeuwenhart kon niet zonder nadeel de wisselingen van het ongezonde
klimaat, gevoegd bij onophoudelijke inspanning van geest en lichaam,
verduren. Hij werd aangetast door eene dier sluipende, ondermijnende
koortsen, die eigen aan Azië zijn, en in weerwil van zijne groote
kracht en zijn nog grooter moed, werd hij eerst onbekwaam om te
paard te stijgen, en toen ongeschikt om den krijgsraad bij te wonen,
dien de kruisvaarders van tijd tot tijd hielden. Het valt moeielijk te
beslissen, of deze toestand van persoonlijke machteloosheid kwellender
dan wel dragelijker gemaakt werd door het besluit van den raad, om
een wapenstilstand van dertig dagen met Sultan Saladin te sluiten;
want zoo hij van den eenen kant ongeduldig werd door de vertraging,
welke die in den voortgang der groote onderneming te weeg bracht,
werd hij van den anderen kant eenigermate getroost door het besef,
dat anderen zich geen lauweren verwierven, terwijl hij zelf op het
ziekbed lag uitgestrekt.
Maar hetgeen Leeuwenhart het minst vergeven kon, was de algemeene
werkeloosheid, die in het leger der kruisvaarders heerschte,
zoodra zijne ziekte een ernstig karakter aannam, en de berichten,
die hij aan de zijnen met geweld ontwrong, gaven hem de overtuiging
dat de hoop van het leger afnam in evenredigheid van het toenemen
zijner ziekte, en dat de tusschenpoozing van den wapenstilstand niet
besteed werd om het leger aan te vullen, zijn moed te verhoogen,
den geest van verovering te voeden, en het tot een spoedigen en
beslissenden tocht naar de heilige stad voor te bereiden, maar
om de door hunne verzwakte strijdgenooten bezette legerplaats met
loopgraven, stormpalen en andere vestingwerken te versterken, alsof
zij zich veeleer voorbereidden om den aanval van een machtigen vijand
af te weren, zoodra de vijandelijkheden zouden beginnen, dan wel het
stoute karakter van veroveraars en aanvallers te handhaven.
De Engelsche Koning werd toornig bij deze berichten, gelijk de
gevangen leeuw, die zijn prooi van achter de ijzeren traliën
zijner kooi ziet. Van nature driftig en onstuimig, verteerde hem
de prikkelbaarheid van zijn karakter. Hij werd door zijn dienaren
gevreesd en zelfs de geneesheeren, die hem bijstonden, waagden het
niet het noodige gezag aan te nemen, dat een geneesheer noodzakelijk
op zijne patiënten moet uitoefenen, wanneer hij dezen goed behandelen
wil. Eén der getrouwe barons, die misschien uit overeenstemming van
karakter, met hart en ziel aan den persoon des Konings verknocht was,
waagde het om zich tusschen den draak en zijne grimmigheid te stellen,
en hield bedaard, maar vast, een toezicht, dat geen ander over den
gevaarlijke zieke durfde aanvaarden, en die Thomas de Multon alleen
uitoefende, omdat hij het leven en de eer van zijn vorst op hoogeren
prijs stelde dan de mate van gunst, die hij kon verliezen, of zelfs
het gevaar, dat hij misschien liep door een zoo onhandelbaren zieke,
wiens ongenoegen zoo hoogelijk te duchten was, op te passen.
Sir Thomas was lord van Gilsland in Cumberland, en in eene eeuw, waarin
geslachtsnamen en titels niet zoo duidelijk verbonden waren als thans
aan de personen die ze droegen, werd hij door de Normandiërs lord de
Vaux, en in het Engelsche door de Saksers, die aan hunne geboortetaal
verknocht waren, en zich verhoovaardigden op het Saksische bloed in
de aderen van dezen beroemden krijgsman, Thomas, of meer vertrouwelijk
Thom van Gills genoemd, naar de enge vallei, waarvan zijne uitgestrekte
bezittingen haar welbekenden naam ontleenden.
Deze veldheer was bijna in alle oorlogen geoefend, hetzij die gevoerd
waren tusschen Engeland en Schotland, of tusschen de verschillende
binnenlandsche partijen, welke destijds eerstgenoemd land verscheurden,
en had zich in allen onderscheiden zoowel door zijn krijgskundig
talent als door zijne persoonlijke dapperheid. Hij was in andere
opzichten een ruw soldaat, lomp en onbeschaafd in zijn gedrag en stil,
ja bijna norsch, in den gezelligen omgang, en, ten minste in schijn,
onbekend met alle beleefdheidsvormen en wereldsche hoffelijkheid. Er
waren echter mannen, die meenden, diep in zijn karakter te lezen,
en verzekerden, dat de lord de Vaux niet minder listig en eerzuchtig
dan lomp en stout was, en die van oordeel waren, dat, zoo hij zijn
karakter en onbesuisde stoutheid aan dat des Konings gelijk zocht
te maken, dit eenigermate althans met het doel geschiedde, om diens
gunst te verwerven en zijne eigen geheime eerzucht te bevredigen. Maar
niemand waagde het, zijne plannen, zoo hij er had, te dwarsboomen,
door met hem de gevaarlijke taak te deelen, dagelijks bij het ziekbed
van een lijder te zijn, wiens kwaal besmettelijk werd genoemd; en
nog meer bijzonder, wanneer men zich herinnerde, dat deze patiënt
Richard Leeuwenhart was, die leed onder het pijnigend ongeduld van
een krijgsman, die niet ten strijde kan trekken, en een Vorst, die
in de uitoefening van zijne macht belemmerd werd. De gemeene soldaten
echter, ten minste in het Engelsche leger, waren over het algemeen van
oordeel, dat de Vaux den Koning, gelijk de eene makker den anderen,
oppaste, met de eerlijke, onbaatzuchtige en oprechte vriendschap, die
tusschen strijd- en lotgenooten in dagelijksche gevaren was gesloten.
Het was op den avond van een Syrischen dag, dat Richard op zijn
ziekbed lag, dat voor zijn geest even kwellend werd, als het voor zijn
lichaam smartelijk was. Zijn helder blauw oog, dat te allen tijde met
ongemeen veel vuur en glans schitterde, had in gloed toegenomen door de
koorts en het ongeduld van zijn gemoed, en glinsterde van onder zijne
gekrulde en ongesneden lokken van geel haar even scherp en levendig,
als de laatste stralen van de zon door de wolken van een naderend
onweder schieten, die echter nog hare stralen verguld worden. Zijne
mannelijke trekken toonden den voortgang der uitterende ziekte, en
zijn verwaarloosde en onopgemaakte baard was over zijn lippen en kin
heengegroeid. Zich van de eene zijde op de andere werpende, nu eens
de dekens over zich heentrekkende, dan weder ze ongeduldig van zich
afstootende, toonden zijn in wanorde gebracht bed en zijne ongeduldige
gebaren te gelijker tijd de kracht en de hevige onstuimigheid van
zijn karakter, dat van nature tot groote werkzaamheid geneigd was.
Naast zijn bed stond Thomas de Vaux, in gelaat, houding en manieren het
grootst mogelijke contrast met den lijdenden monarch vormende. Zijne
lengte grensde aan het reusachtige, en zijn haar had in dikte met
dat van Simson kunnen vergeleken worden, schoon niet eerder dan
toen de lokken van den Israëlitischen richter onder de schaar van de
Filistijnen waren geweest, want die van de Vaux waren kort afgesneden,
opdat zij door den helm konden bedekt worden. Het licht van zijn groot,
bruin oog geleek dat van den herfstmorgen, en het werd slechts voor een
oogenblik verduisterd, wanneer het door Richard's hevige blijken van
aandoening en rusteloosheid van tijd tot tijd werd aangetrokken. Zijne
gelaatstrekken, die, evenals zijn lichaam, van kracht getuigden,
konden schoon geweest zijn eer zij door lidteekens misvormd waren
geworden; zijne bovenlip was, volgens Normandische gewoonte,
met een zwaren knevel bedekt, die zoo lang en weelderig groeide,
dat hij zich met zijn haar vermengde, en, gelijk dit, donker bruin
was, een weinig met grijs vermengd. Zijne gestalte scheen van dien
aard te zijn, die het best de vermoeienissen en klimaat trotseert,
want hij had smalle lendenen, eene breede borst, lange armen, eene
krachtige long en sterke leden. Hij had zijn wambuis van buffelleder,
dat het op zijn schouder gesneden kruis vertoonde, gedurende drie
nachten niet afgelegd, terwijl hij slechts de kortstondige rust
genoot, die de oppasser van een zieken monarch zich gunnen kan. Hij
veranderde zelden van houding, behalve om Richard de geneesmiddelen
of ververschingen toe te deelen, die geen van zijn minder begunstigde
bedienden den ongeduldigen Vorst kon overreden te gebruiken; en er
was iets aandoenlijks in de vriendelijke, ofschoon onhandige wijze,
waarop hij diensten verrichtte, die zoo zonderling in strijd waren
met zijne ruwe krijgsmanszeden en gewoonten.
De tent, waarin deze personen zich bevonden, had, zoo als met den aard
der tijden zoowel als het persoonlijk karakter van Richard overeenkwam,
meer een militair dan een prachtig of koninklijk aanzien. Wapenen
tot aanval en verdediging, waaronder verscheidene van vreemd en
nieuw uitgevonden maaksel, lagen in het rond, of stonden tegen de
pijlers. Huiden van dieren, die op jacht geveld waren, lagen op
den grond of langs de wanden der tent uitgespreid, en op een stapel
van dezen jachtbuit lagen drie wolfhonden van de grootste soort en
zoo wit als sneeuw. Hun kop, die met menig lidteeken van klauwen en
slachttanden bedekt was, toonde hun aandeel in het verzamelen van
de zegeteekenen, waarop zij rustten, en hunne oogen, die zij van
tijd tot tijd met een veelbeteekenenden blik en met gapenden muil op
Richard's bed vestigden, deden zien, hoezeer zij verbaasd en bedroefd
waren onder de ongewone werkeloosheid, waarin zij gedoemd waren te
deelen. Dit waren slechts de toerustingen van den krijgsman en jager,
maar op een tafeltje, dicht bij het bed, lag een driehoekig schild van
staal, waarop de drie stappende leeuwen stonden, die de ridderlijke
monarch het eerst had aangenomen, en daarvoor de gouden band, zeer
veel op een hertogskroontje gelijkende, behalve dat hij van voren
hooger dan van achteren was, en die met de geborduurde tiaar van purper
fluweel, welke de kroon omgaf, toen het zinnebeeld vormde van Engelands
souvereiniteit. Naast dezen lag, als het ware gereed om het koninklijke
eereteeken te verdedigen, eene machtige strijdbijl, die voor den arm
van ieder ander, dan Richard Leeuwenhart, te zwaar zou zijn geweest.
In eene buitenste afdeeling van de tent bevonden zich twee of
drie bedienden van den koninklijken hofstoet, ongerust over den
gezondheidstoestand huns meesters en niet minder over hunne eigene
toekomst, ingeval hij kwam te sterven. Hunne sombere bezorgdheid
verspreidde zich onder de wachten daarbuiten, die in neerslachtige
en stille overdenking heen en weer liepen, of, op hunne hellebaarden
rustend, onbeweeglijk op hun post stonden, eer als gewapende tropheën
dan als levende krijgslieden.
"Dus hebt gij mij geen betere tijdingen uit de buitenwereld te brengen,
sir Thomas?" zeide de Koning na een lang en onrustig stilzwijgen en de
koortsachtige bewegingen, die wij gepoogd hebben te beschrijven. "Al
onze ridders zijn vrouwen en onze dames bidzusters geworden, en
nergens ziet men een vonk van dapperheid of galanterie om eene
legerplaats tot luister te verstrekken, die de uitgelezensten van
Europa's ridderschap bevat.--Ha!"
"De wapenstilstand, mylord," antwoordde de Vaux met hetzelfde
geduld, waarmede hij die verklaring twintig malen had herhaald,--"de
wapenstilstand belet ons om ons als mannen van de daad te gedragen, en,
wat de dames betreft, Uwe Majesteit weet zeer wel, dat ik niet veel
deelneem aan vroolijke gezelschappen, en zelden mijn buffelleder en
staal tegen fluweel en goud verwissel;--maar zooveel ik weet, dat onze
uitgelezenste schoonen Hare Majesteit de Koningin en de Prinses op eene
bedevaart vergezellen naar het klooster van Engaddi, om hare gelofte
voor de redding van Uwe Majesteit uit deze ongesteldheid te vervullen."
"En is het zoo," zeide Richard met ziekelijk ongeduld, "dat koninklijke
vrouwen en maagden zich wagen, terwijl de ongeloovige honden, die
door het land zwerven, even weinig trouw jegens menschen als geloof
in God betoonen?"
"Neen, mylord," antwoordde De Vaux, "zij hebben Saladin's woord voor
hare veiligheid."
"Dat is waar, dat is waar!" hervatte Richard, "en ik heb den
heidenschen Sultan onrecht aangedaan--ik ben hem vergoeding daarvoor
verschuldigd--gave God, dat ik slechts in staat ware, om hem die in
persoon tusschen de beide legers aan te bieden, voor de oogen van
Christen- en heidendom!"
Terwijl Richard zoo sprak, stak hij zijn rechter arm, naakt tot aan
den schouder, buiten het bed, en zich smartelijk op zijne legerstede
verheffende, schudde hij zijn gebalde vuist, als of hij zwaard of
heerbijl greep en die boven den met juweelen versierden tulband
van den Sultan zwaaide. Het was niet zonder eenig geweld, dat de
Koning bezwaarlijk van een ander zou verdragen hebben, dat de Vaux,
in hoedanigheid van ziekenoppasser, den Koning, zijn meester, dwong,
om weder te gaan liggen, en zijn gespierden arm, zijn hals en zijne
schouders toedekte, met de zorg, die eene moeder voor een ongeduldig
kind betoont.
"Gij zijt een ruwe oppasser, maar een goed willige, de Vaux," zeide
de Koning met eene uitdrukking van bitterheid lachende, terwijl
hij zich onderwierp aan de kracht, die hij niet kon wederstaan;
"mij dunkt een vrouwenmuts zou uw somber gelaat even goed staan,
als mij eene kindermuts. Wij zouden een kind en eene min zijn, om
meisjes te verschrikken."
"Wij hebben in onzen tijd mannen verschrikt, mijn Koning," hervatte
de Vaux, "en ik vertrouw, dat wij den dag nog wel zullen beleven dat
wij die weder verschrikken. Wat is toch een aanval van de koorts,
dat wij dien niet geduldig zouden verdragen, om er te eerder van
ontslagen te worden?"
"Aanval van de koorts!" riep Richard driftig uit; "gij kunt, en
misschien te recht, denken, dat het een aanval van de koorts bij mij
is; maar wat is het bij al de overige Christen vorsten--bij Filips
van Frankrijk--bij dien dommen Oostenrijker--bij Montserrat--bij de
Hospitaal ridders--bij de Tempeliers--wat is het bij hen allen?--Ik
zal het U zeggen--het is een koude verlamming--eene doodelijke
slaapziekte--een kwaal, die hen van spraak en werkzaamheid berooft--een
kanker, die doorgevreten heeft in alles, wat edel en ridderlijk en
deugdzaam onder hen is--die hen ontrouw heeft gemaakt aan de edelste
gelofte, welke ooit ridders bezworen hadden--die hun onverschilligheid
voor den roem ingegeven heeft en hen hun gast heeft doen vergeten."
"Om 's Hemels wil, mijn Koning," hervatte de Vaux, "wees niet zoo
heftig--men zal u buiten de tent hooren, waar zulke gesprekken maar
al te zeer onder de gemeene soldaten in omloop zijn, en tweedracht en
twist in het christenleger verwekken. Bedenk, dat vooral uwe ziekte
hunne ondernemingen verlamt; eene mangonel zal beter zonder schroef
en hevel werken, dan het christenleger zonder Koning Richard."
"Gij vleit mij, de Vaux," antwoordde Richard; en daar hij geenszins
ongevoelig was voor de macht van den lof, liet hij zijn hoofd op het
kussen vallen, met een vaster besluit om te rusten, dan hij tot nog
toe aan den dag gelegd had. Maar Thomas de Vaux was geen hoveling; de
uitdrukking was ongezocht aan zijne lippen ontsnapt; en hij wist niet,
hoe hij het aangename onderwerp vervolgen zou, ten einde de stemming,
die hij verwekt had, te voeden en te verlengen. Hij zweeg derhalve,
totdat de Koning, in zijne droefgeestige mijmeringen terugzinkende,
hem driftig vroeg: "Despardieux! dit is fijn gezegd, om een zieke tot
bedaren te brengen; maar verliest dan een verbond van monarchen, eene
vergadering van edelen, eene verzameling van de geheele ridderschap
van Europa allen moed, door de ziekte van één man, al is deze man
toevallig Koning van Engeland? Waarom zou Richard's ziekte of Richard's
dood den marsch van dertig duizend man, even dapper als hij zelf,
ophouden? Wanneer de aanvoerder van de kudde herten geveld is, dan
vluchten de andere niet dadelijk bij zijn val--wanneer de valk den
aanvoerenden kraanvogel grijpt, dan neemt een ander de leiding der
bende op zich.--Waarom vergaderen de Vorsten niet en kiezen een man,
aan wien zij de aanvoering van het leger kunnen toevertrouwen."
"Waarlijk, wanneer Uwe Majesteit mij vergunt dit te zeggen," antwoordde
de Vaux, "ik hoor, dat er onder de koninklijke bevelhebbers, over
zoo iets beraadslagingen gehouden zijn."
"Ha!" riep Richard, daar zijne ijverzucht ontwaakte, en een andere
wending aan zijn geprikkelde geest gaf. "Ben ik bij mijne bondgenoten
vergeten, eer ik het laatste Sacrament ontvangen heb?--Houden zij
mij reeds voor dood?--Maar neen, neen--zij hebben gelijk.--En wien
kiezen zij tot aanvoerder van het Christenleger?"
"Rang en waardigheid," antwoordde de Vaux, "wijzen den Koning van
Frankrijk aan."
"O," hervatte de Engelsche monarch, "Filips van Frankrijk en
Navarre--Dennis Montjoie--zijne allerchristelijkste Majesteit--zeer
luid klinkende woorden! Er is slechts één gevaar bij--dat hij de
woorden en arrière voor en avant mocht gebruiken, en ons naar Parijs
terugleiden in plaats van op Jeruzalem los te rukken. Zijn staatkundig
hoofd heeft geleerd, dat er meer te winnen is door zijne leenmannen
te onderdrukken en zijne bondgenooten te plunderen, dan door met de
Turken om het heilige Graf te strijden."
"Zij zouden den Aartshertog van Oostenrijk kunnen kiezen," de Vaux.
"Hoe! omdat hij dik en sterk is, zoo als gij zelf, Thomas--bijna
zoo dik van hoofd, maar niet zóó onverschillig voor het gevaar en
ongevoelig voor beleedigingen? Ik zeg u, de Aartshertog heeft in
dien geheelen vleeschklomp geen koener geest, dan eene valsche wesp
betoont, en niet meer moed dan een winterkoninkje bezit. Weg met
hem! Hij een aanvoerder der ridderschap bij daden van roem!--Geef hem
een flesch Rijnschen wijn te drinken met zijne morsige berenhuiders
en lansknechten."
"Daar is de grootmeester der Tempeliers," vervolgde de baron, niet
ontevreden, dat hij de aandacht van zijn meester op andere onderwerpen
dan op zijne eigen ziekte kon gevestigd houden, al was het dan ook
ten koste van den goeden naam van vorsten en potentaten.--"Daar is
de grootmeester der Tempeliers, onverschrokken, kundig, dapper in
den strijd en wijs in den raad, zonder een eigen koninkrijk, om zijne
gedachten van de herovering van het heilige Land af te trekken.--Wat
denkt Uwe Majesteit van den grootmeester als algemeen aanvoerder van
het christenleger?"
"Ha, Beau Séant?" hernam de Koning. "O, tegen broeder Giles Amaury laat
zich niets inbrengen: hij verstaat het een plan voor een veldslag te
ontwerpen en voor het front te vechten, als de strijd begint. Maar,
sir Thomas, zou het billijk zijn, den heiden Saladin die zoo rijk is
aan alle deugden, welke een onchristelijken man kunnen veredelen, het
heilige Land te ontnemen, en het aan Giles Amaury te geven, een erger
Heiden, dan hij zelf--een afgodendienaar--een duivelaanbidder--een
geestenbezweerder--die in de gewelven en geheime plaatsen van
verfoeiing en duisternis de zwartste en onnatuurlijkste misdaden
bedrijft."
"De grootmeester van de Hospitaalridders van St. Jan van Jeruzalem
is van onbesproken naam, zoowel wat ketterij als tooverij betreft,"
zeide Thomas de Vaux.
"Maar is hij geen lage vrek?" antwoordde Richard driftig; "heeft
men hem niet verdacht gehouden--ja meer dan verdacht--dat hij aan de
ongeloovigen de voordelen verkocht heeft, welke zij nooit door geweld
zouden verkregen hebben? Stil, vriend, het zou beter zijn het leger
aan den handel van Venetiaansche schippers en Lombardijnsche kramers af
te staan, dan het aan den grootmeester van St. Jan toe te vertrouwen."
"Nu, dan wil ik nog slechts ééne voordracht wagen," zeide de baron
de Vaux.--"Wat zegt gij van den dapperen markies van Montserrat,
zoo wijs, zoo beschaafd, en zulk een goed krijgsman?"
"Wijs? listig wildet gij zeggen," antwoordde Richard, "beschaafd in
het salon eener dame, zoo gij wilt. O ja, Koenraad van Montserrat,
wie kent die papegaai niet? Staatkundig en wispelturig, verandert hij
even dikwijls van voornemens als de sieraden van zijn wambuis, en gij
zult nooit in staat zijn, om de kleur van zijn binnenste bekleeding
uit zijn inwendig voorkomen te gissen. Een krijgsman? ja, eene schoone
gestalte te paard, en hij kan zich dapper toonen op het toernooiplein
en binnen het strijdperk, wanneer de zwaarden stomp van punt en
bot van snede zijn, en de lansen met houten in plaats van stalen
punten zijn voorzien. Waart gij niet bij mij, toen ik tot denzelfden
vroolijken markies zeide: hier zijn wij drie goede Christenen, en op
gindsche vlakte rijdt eene bende van een stuk of zestig Saraceenen,
wat dunkt u er van, om hen onverhoeds aan te vallen? Er zijn maar
twintig van die ongeloovige honden tegen één echt ridder?"
"Ik herinner mij, dat de markies antwoordde," zeide de Vaux, "dat
zijne leden van vleesch en niet van klei waren, en dat hij liever het
hart van een mensch dan van een dier wilde hebben, al ware dat dier
dan ook een leeuw.--Maar ik zie nu wel, hoe de zaak gesteld is--wij
zullen eindigen, waar wij mede begonnen zijn, zonder hoop om aan
het heilige Graf te bidden, vóór dat de Hemel aan Koning Richard de
gezondheid terug schenkt."
Bij deze ernstige opmerking barstte Richard in een hartelijk en
schaterend gelach uit, het eerste dat hij sedert eenigen tijd had
laten hooren. "Ei wat is het geweten voor een ding," zeide hij,
"dat door zijn toedoen zelfs zulk een ruwe noordsche lord, als gij,
zijn Vorst er toe kan brengen, om zijne dwaasheid te bekennen? Het
is waar, dat, zoo zij zich niet voorstelden als bekwaam om mijn
staf van aanvoerder te houden, ik er mij weinig aan storen zou,
om aan de poppen, die gij mij achtereenvolgende hebt laten zien,
de zijden sieraden af te scheuren.--Wat raakt het mij, in welk een
schitterenden tooi van klatergoud zij rondloopen, behalve wanneer
zij als mededingers worden genoemd in de roemrijke onderneming,
waaraan ik mij heb toegewijd? Ja, de Vaux, ik beken mijn zwakheid en
de eigenzinnigheid van mijne eerzucht. Het Christenleger bevat zonder
twijfel menigen beteren ridder dan Richard van Engeland, en het zou
wijs en passend zijn om aan den besten hunner de aanvoering er van
op te dragen--maar," vervolgde de krijgshaftige monarch, zich in zijn
bed verheffende, en het dek van zijn hoofd afschuddende, terwijl zijne
oogen vonkelden, zooals zij voor den aanvang van den slag plachten te
doen, "indien zulk een ridder de banier van het Kruis op den tempel
van Jeruzalem plantte, terwijl ik buiten staat was, om aan de edele
taak deel te nemen, dan zou hij, zoodra ik sterk genoeg was om de lans
in rust te leggen, eene uitdaging op dood en leven van mij ontvangen,
wegens de verkleining van mijn roem, en de belemmering de uitvoering
van mijne onderneming.--Maar, luister welke trompetten laten zich op
een afstand hooren?"
"Die van Koning Filips, geloof ik, mijn Koning," antwoordde de
dappere Engelschman.
"Gij hebt een slecht gehoor, Thomas," hervatte den Koning,
terwijl hij trachtte op te rijzen--"hoort gij niet dat gekletter en
geschal? Bij den Hemel, de Turken zijn in de legerplaats.--Ik hoor
hun oorlogskreet."
Hij beproefde weder uit het bed te komen en de Vaux was verplicht om
zijn eigen kracht aan te wenden en den bijstand van de kamerheeren
uit de binnenste tent in te roepen, om hem terug te houden.
"Gij zijt een valsche verrader, de Vaux," zeide de vergramde monarch,
toen hij ademloos en uitgeput door de worsteling, voor de overmacht
moest zwichten en stil op zijn bed gaan liggen. "Ik wenschte dat
ik.... ik wenschte dat ik maar sterk genoeg was om uwe hersens met
mijn strijdbijl te verpletteren."
"Ik wenschte dat gij de kracht daartoe hadt mijn Koning," hervatte de
Vaux, "en dat zelfs ten koste van het gevaar, dat gij die zelve zoo
mocht gebruiken. Het voordeel zou groot voor het Christendom zijn,
als Thomas Multon dood en Richard Leeuwenhart weder zich zelf was."
"Mijn eerlijke trouwe dienaar," zeide Richard, zijne hand
uitstrekkende, die de baron eerbiedig kuste, "vergeef uw meester
zijne ongeduldige luim. Het is die brandende koorts, die tegen u
raast, en niet uw meester, Richard van Engeland. Maar ga, bid ik u,
en breng mij bericht, welke vreemdelingen er in de legerplaats zijn,
want deze klanken komen niet van Christenen."
De Vaux verliet met dat doel de tent en gelastte de pages en bedienden
der kamerheeren, om gedurende zijn afwezigheid, die hij geloofde dat
slechts kort zou zijn, hunne aandacht bij hun Vorst te verdubbelen,
met bedreiging hun verantwoordelijk te zullen houden, hetgeen eer
hunne angstvallige beschroomdheid bij het vervullen van hun plicht
vermeerderde dan verminderde; want naast den toorn van hun monarch
vreesden zij het meest dien van den strengen en onverbiddelijken lord
van Gilsland.