HOOFDSTUK V.

De zwarte kunst en tooverslag

Roept vrucht'loos spooksels voor den dag!

Op ons bevel verdwijnt dit rot,

En Termagaunt en Astharoth.

Warton.

Het diepste stilzwijgen en de dikste duisternis heerschten gedurende

meer dan een uur in de kapel, waarin wij den ridder van den Luipaard

nog steeds knielende verlaten hebben, dan eens den Hemel zijn dank

uitende, dan weder zijne dankbaarheid betuigende jegens zijne beminde

voor het teeken, waarmede hij was verwaardigd geworden. Zijne eigen

veiligheid, zijn eigen lot, waarom hij zich te allen tijde zeer

weinig bekreunde, hadden thans niet het gewicht van een korrel zand

in zijne overpeinzingen. Hij was in de nabijheid van jonkvrouw Edith,

hij had blijken van hare gunst ontvangen, hij was in eene plaats,

die door de heiligste reliquiën gewijd was. Een Christen krijgsman,

een trouw minnaar kon niets vreezen, aan niets denken, dan aan zijn

plicht jegens den Hemel en zijne verplichting jegens zijne beminde.

Na verloop van den tijd door ons opgegeven, hoorde men een schel

gefluit, als dat, waarmede de valkenier zijn valk roept, in de gewelven

der kapel. Het was een toon, die zeer slecht op deze plaats paste, en

Kenneth herinnerde zich, hoe noodig het was, dat hij op zijne hoede

bleef. Hij sprong op, en sloeg de hand aan zijn dolk. Een krakend

geluid, als dat van eene schroef of van katrollen, volgde, en een naar

boven stroomend licht, dat door eene opening uit den vloer opsteeg,

duidde aan, dat eene valdeur was opgelicht of neergedrukt. In minder

dan eene minuut vertoonde zich een lange, magere arm, gedeeltelijk

naakt, gedeeltelijk in een mouw van roode zijde gekleed, door de

opening, eene lamp zoo hoog ophoudende, als hij reiken konde, en de

gedaante, waaraan de arm behoorde, steeg stap voor stap tot op de

hoogte van den vloer der kapel. De gedaante en het gelaat van het

wezen, dat zich vertoonde, waren die van een afzichtelijken dwerg met

een groot hoofd, getooid met eene muts, die op zulk eene zonderlinge

wijze met drie pauwenveeren versierd was, een kleed van rood atlas,

waarvan de rijkdom zijne leelijkheid nog afzichtelijker maakte,

met gouden armbanden en een witte zijden sjerp, waarin hij eene dolk

met een gouden gevest droeg. Deze zonderlinge gedaante had in zijne

linkerhand eene soort bezem. Zoodra hij uit de opening, waaruit hij

opgestegen was, te voorschijn was gekomen, bleef hij stil staan en

bewoog, alsof hij zich duidelijker wilde laten zien, de lamp, die hij

langzaam langs zijn gelaat en zijn lichaam, achtereenvolgens zijne

wilde en wonderlijke trekken en zijne misvormde maar gespierde leden

verlichtende. Ofschoon de dwerg mismaakt was, was hij toch niet zoo

vergroeid, dat hij eenig gebrek aan kracht of lenigheid aan den dag

legde. Terwijl sir Kenneth dit onaangenaam voorwerp aanstaarde, rees in

zijn geest het volksgeloof omtrent de genomen of aardgeesten, die hun

verblijf in de holen der aarde houden, en deze gedaante stemde zoo zeer

overeen met de denkbeelden, die hij zich van hun voorkomen gevormd had,

dat hij haar met afkeer beschouwde, weliswaar niet met vrees vermengd,

maar toch met die soort van ontzag, die de tegenwoordigheid van een

bovennatuurlijk schepsel in het moedigste hart kan doen ontstaan.

De dwerg floot nog eens en riep van beneden een metgezel op, die hem

in leelijkheid evenaarde. Deze tweede gedaante steeg op dezelfde wijze

als de eerste naar boven; maar het was een vrouwelijke arm, die in

deze tweede verschijning de lamp omlaag hield uit het onderaardsche

gewelf, waaruit zij te voorschijn kwamen; en het was eene vrouwelijke

gedaante, zeer gelijk aan de vorige in maaksel en evenredigheden,

die zich langzaam tot den vloer verhief. Ook hare kleeding was van

rood atlas, op eene grillige wijze gesneden en bezet, alsof zij voor

eene vertooning van goochelaars of potsenmakers gekleed was geweest,

en met dezelfde nauwkeurigheid, als haar voorganger, liet zij haar

gelaat en haar persoon door de lamp beschijnen, en deze schenen

met die van den man in afzichtelijkheid te wedijveren. Maar bij dit

allerongunstigst uiterlijk was er een trek in het gelaat van beiden,

die in den hoogsten graad van vlugheid en verstand getuigde. Dit

sproot voort uit den glans van hunne oogen, welke, diep onder zwarte

kroesige wenkbrauwen liggende, zoo levendig schitterden, dat zij, als

de glans in het oog van de pad, eenigszins de bovenmatige leelijkheid

van het gelaat en den persoon schenen te vergoeden.

Sir Kenneth stond als vastgenageld, terwijl dit onbeminnelijk paar,

dat zich dicht naast elkander door de kapel bewoog en als dienstboden

de taak der reiniging scheen te verrichten; maar daar zij slechts

eene hand gebruikten, had de vloer niet veel voordeel bij dit werk,

dat zij met zonderlinge gebaren en bewegingen tot stand brachten,

die met hun geheel, voorkomen overeenstemden. Toen zij in den loop

van hunne bezigheid in de nabijheid van den ridder kwamen, hielden

zij op gebruik van hunne bezems te maken, en zich naast elkander

plaatsende vlak tegenover sir Kenneth, hielden zij wederom de lampen,

die zij droegen, zoodanig, dat hij hunne gelaatstrekken duidelijk kon

beschouwen, die, nu zij dichterbij waren geenszins bevalliger werden,

en de buitengemeene vlugheid en scherpzinnigheid deden opmerken,

waarmede hunne zwarte en glinsterende oogen het licht der lampen

terugkaatsten. Zij keerden toen het schijnsel van beide lichten

naar den ridder, en na hem aandachtig aanschouwd te hebben, zagen

zij elkander aan, en hieven een luid, schaterend gelach aan, dat in

zijne ooren weêrgalmde. De toon was zoo ijselijk, dat sir Kenneth

bij het hooren ervan schrikte, en haastig in den naam van God vroeg,

wie zij waren, die deze heilige plaats met zulke akelige gebaren en

afschuwelijke kreten ontwijdden.

"Ik ben de dwerg Nebectamus," antwoordde het mannelijke wangedrocht,

met eene stem, die met zijn uiterlijk overeenstemde, en meer geleek

naar die van de nachtraaf dan naar eenige andere, die zich bij dag

laat hooren.

"En ik ben Guenevra, zijne vrouw en zijn schat," hernam de vrouw

met een geluid, dat nog scheller en dus ook wilder dan dat van haar

metgezel klonk.

"Waarom zijt gij hier?" vroeg de ridder verder, nog niet geheel

overtuigd, dat hij menschelijke wezens voor zich zag.

"Ik ben," hervatte de dwerg met groote voorgewende deftigheid en

waardigheid, "de twaalfde Imam.--Ik ben Mahomed Mohadi, de leidsman

en gids der geloovigen. Honderd paarden staan gereed, gezadeld voor

mij en mijn gevolg in de heilige Stad zoowel als in de Stad der

Toevlucht. Ik ben degene, die getuigenis zal geven, en deze is eene

van mijne houris."

"Gij liegt!" antwoordde de dwergin, haar metgezel in nog scheller

tonen in de rede vallende: "ik ben geene van uwe houris, en gij zijt

zulk ongeloovig kaf niet als die Mahomed, van wien gij spreekt. Mijn

vloek ruste op zijne doodkist.--Ik zeg u, gij ezel van Issachar,

dat gij Arthur, Koning van Brittannië zijt, die de toovergodinnen

van het veld van Avalon stal, en ik vrouwe Guenevra, ben beroemd om

mijn schoonheid."

"Maar, in waarheid, edele heer," zeide de man, "wij zijn ongelukkige

prinsen, onder de vleugels van koning Guy van Jeruzalem, tot dat

hij door de goddelijke ongeloovigen uit zijn eigen nest verdreven

werd.--Mogen de bliksemstralen des hemels hen verteren!"

"Stil," riep eene stem aan den kant, vanwaar de ridder was

binnengekomen--"stil, gekken, pakt u weg; uw dienst is geëindigd."

Nauwelijks hadden de dwergen dit bevel gehoord, of zij bliezen onder

luid en onverstaanbaar gefluister met elkander, hunne lampen te gelijk

uit, en lieten den ridder in volslagen duisternis, die gepaard ging,

nadat het kletteren van hunne schreden zich verloren had, met het

gezelschap het best daarbij paste: eene volkomen stilte.

De ridder gevoelde zich door de verwijdering van deze ongelukkige

schepsels inderdaad verlucht. Hij kon uit hunne taal, manieren en

voorkomen er niet aan twijfelen, of zij behoorden tot die ontaarde

klasse van wezens, welke mismaaktheid van lichaam en zwakheid van

verstand in den onaangenamen toestand plaatste, om als een aanhangsel

van groote familiën door hun uiterlijk en hunne onnoozelheid hun

huisgenooten een vroolijk tijdverdrijf te verschaffen. Op een anderen

tijd zou de Schotsche ridder, die in geenerlei opzicht boven de

begrippen en zeden van zijne eeuw verheven was, in de verschijning

dier arme menschelijke karikaturen veel vermaak gevonden hebben;

maar thans hadden hunne verschijning, gebaren en taal den gang der

diepe en plechtige gewaarwordingen verbroken, die hem vervulden, en

hij verheugde zich hartelijk over de verdwijning van deze rampzalige

wezens.

Een paar minuten, nadat zij vertrokken waren, ging de deur, waardoor

hij binnengetreden was, langzaam open, en daar ze bleef aanstaan,

drong er een zwak licht door, dat scheen uit eene lantaarn, welke op

den drempel geplaatst was. Haar flauwe schemerende schijn vertoonde

eene donkere gestalte, die aan den ingang lag, en waarin hij, naderbij

komende de kluizenaar erkende, die nog in dezelfde houding lag, welke

hij vroeger had aangenomen, en zonder twijfel behouden had gedurende

den ganschen tijd, dat zijn gast in de kapel was geweest.

"Alles is voorbij," zeide de hermiet, toen hij den ridder hoorde

naderen--"en de ellendigste van alle aardsche zondaars moet zich even

goed, als hij, die zich voor den meest geëerde en den gelukkigste van

het menschelijk geslacht moet houden, van deze plaats verwijderen. Neem

het licht en leid mij naar beneden, want ik mag mijne oogen niet

ontblooten, vóór dat ik ver van deze heilige plaats ben."

De Schotsche ridder gehoorzaamde zwijgend; want een plechtig en

zalig gevoel wegens hetgeen hij gezien had, had zelfs zijne vurige

nieuwsgierigheid overwonnen. Hij wees met groote nauwkeurigheid den

weg door de verschillende geheime gangen en trappen, waarlangs zij

naar boven gekomen waren, totdat zij zich eindelijk in de buitencel

van de grot van den kluizenaar bevonden.

"De veroordeelde misdadiger is aan zijn kerker teruggegeven, en

krijgt uitstel van den eene rampzaligen dag tot den anderen, tot

dat zijn vreeselijke Rechter eindelijk het welverdiende vonnis zal

laten volvoeren."

Onder het uitspreken van deze woorden legde hij den sluier af, waarmede

zijne oogen bedekt waren geweest, en staarde daarop met een gesmoorden

en diepen zucht. Nauwelijks had hij dien weder in de nis neergelegd,

waaruit hij hem door den Schot had doen krijgen, of hij zeide

haastig en ernstig tot zijn bezoeker: "ga heen, ga heen--ter rust,

ter rust. Gij moogt slapen--gij kunt slapen--ik kan of mag dit niet."

Wegens de diepe ontroering, waarmede dit gezegd werd, begaf zich

de ridder naar het binnengedeelte van de cel; maar toen hij bij

het uitgaan van de grot omzag, bespeurde hij den kluizenaar met

krankzinnige drift den harigen deken van de schouders trekken, en

vóór dat hij nog de zwakke deur, welke de twee vertrekken van het

hol scheidde, kon sluiten, hoorde hij de slagen van den geesel van

het slachtoffer, en het gekerm van den boeteling onder zijne eigen

kastijding. Eene koude rilling voer door het lichaam van den ridder,

terwijl hij nadacht, welke zware zonde het zijn moest, die zoo hevige

wroegingen verwekte, dat, naar het scheen, zulke eene gestrenge

kastijding die noch verzoenen noch lenigen kon. Hij bad ootmoedig

zijn rozenkrans en legde zich op zijne legerstede, na een blik op

den nog slapenden Muzelman geworpen te hebben, en vermoeid door de

verschillende ervaringen van den dag en den nacht, sliep hij weldra

zoo vast als een kind. Na zijn ontwaken in den morgen overlegde hij

bij zich zelven eenige belangrijke zaken, die hem bewogen om nog twee

dagen in de grot te blijven. Hij was, zooals het een pelgrim paste,

stipt in zijne godsdienstoefeningen, maar hij werd niet weder in de

kapel toegelaten, waarin hij zulke wonderen aanschouwd had.

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 7 / 36 题