De zwarte kunst en tooverslag
Roept vrucht'loos spooksels voor den dag!
Op ons bevel verdwijnt dit rot,
En Termagaunt en Astharoth.
Warton.
Het diepste stilzwijgen en de dikste duisternis heerschten gedurende
meer dan een uur in de kapel, waarin wij den ridder van den Luipaard
nog steeds knielende verlaten hebben, dan eens den Hemel zijn dank
uitende, dan weder zijne dankbaarheid betuigende jegens zijne beminde
voor het teeken, waarmede hij was verwaardigd geworden. Zijne eigen
veiligheid, zijn eigen lot, waarom hij zich te allen tijde zeer
weinig bekreunde, hadden thans niet het gewicht van een korrel zand
in zijne overpeinzingen. Hij was in de nabijheid van jonkvrouw Edith,
hij had blijken van hare gunst ontvangen, hij was in eene plaats,
die door de heiligste reliquiën gewijd was. Een Christen krijgsman,
een trouw minnaar kon niets vreezen, aan niets denken, dan aan zijn
plicht jegens den Hemel en zijne verplichting jegens zijne beminde.
Na verloop van den tijd door ons opgegeven, hoorde men een schel
gefluit, als dat, waarmede de valkenier zijn valk roept, in de gewelven
der kapel. Het was een toon, die zeer slecht op deze plaats paste, en
Kenneth herinnerde zich, hoe noodig het was, dat hij op zijne hoede
bleef. Hij sprong op, en sloeg de hand aan zijn dolk. Een krakend
geluid, als dat van eene schroef of van katrollen, volgde, en een naar
boven stroomend licht, dat door eene opening uit den vloer opsteeg,
duidde aan, dat eene valdeur was opgelicht of neergedrukt. In minder
dan eene minuut vertoonde zich een lange, magere arm, gedeeltelijk
naakt, gedeeltelijk in een mouw van roode zijde gekleed, door de
opening, eene lamp zoo hoog ophoudende, als hij reiken konde, en de
gedaante, waaraan de arm behoorde, steeg stap voor stap tot op de
hoogte van den vloer der kapel. De gedaante en het gelaat van het
wezen, dat zich vertoonde, waren die van een afzichtelijken dwerg met
een groot hoofd, getooid met eene muts, die op zulk eene zonderlinge
wijze met drie pauwenveeren versierd was, een kleed van rood atlas,
waarvan de rijkdom zijne leelijkheid nog afzichtelijker maakte,
met gouden armbanden en een witte zijden sjerp, waarin hij eene dolk
met een gouden gevest droeg. Deze zonderlinge gedaante had in zijne
linkerhand eene soort bezem. Zoodra hij uit de opening, waaruit hij
opgestegen was, te voorschijn was gekomen, bleef hij stil staan en
bewoog, alsof hij zich duidelijker wilde laten zien, de lamp, die hij
langzaam langs zijn gelaat en zijn lichaam, achtereenvolgens zijne
wilde en wonderlijke trekken en zijne misvormde maar gespierde leden
verlichtende. Ofschoon de dwerg mismaakt was, was hij toch niet zoo
vergroeid, dat hij eenig gebrek aan kracht of lenigheid aan den dag
legde. Terwijl sir Kenneth dit onaangenaam voorwerp aanstaarde, rees in
zijn geest het volksgeloof omtrent de genomen of aardgeesten, die hun
verblijf in de holen der aarde houden, en deze gedaante stemde zoo zeer
overeen met de denkbeelden, die hij zich van hun voorkomen gevormd had,
dat hij haar met afkeer beschouwde, weliswaar niet met vrees vermengd,
maar toch met die soort van ontzag, die de tegenwoordigheid van een
bovennatuurlijk schepsel in het moedigste hart kan doen ontstaan.
De dwerg floot nog eens en riep van beneden een metgezel op, die hem
in leelijkheid evenaarde. Deze tweede gedaante steeg op dezelfde wijze
als de eerste naar boven; maar het was een vrouwelijke arm, die in
deze tweede verschijning de lamp omlaag hield uit het onderaardsche
gewelf, waaruit zij te voorschijn kwamen; en het was eene vrouwelijke
gedaante, zeer gelijk aan de vorige in maaksel en evenredigheden,
die zich langzaam tot den vloer verhief. Ook hare kleeding was van
rood atlas, op eene grillige wijze gesneden en bezet, alsof zij voor
eene vertooning van goochelaars of potsenmakers gekleed was geweest,
en met dezelfde nauwkeurigheid, als haar voorganger, liet zij haar
gelaat en haar persoon door de lamp beschijnen, en deze schenen
met die van den man in afzichtelijkheid te wedijveren. Maar bij dit
allerongunstigst uiterlijk was er een trek in het gelaat van beiden,
die in den hoogsten graad van vlugheid en verstand getuigde. Dit
sproot voort uit den glans van hunne oogen, welke, diep onder zwarte
kroesige wenkbrauwen liggende, zoo levendig schitterden, dat zij, als
de glans in het oog van de pad, eenigszins de bovenmatige leelijkheid
van het gelaat en den persoon schenen te vergoeden.
Sir Kenneth stond als vastgenageld, terwijl dit onbeminnelijk paar,
dat zich dicht naast elkander door de kapel bewoog en als dienstboden
de taak der reiniging scheen te verrichten; maar daar zij slechts
eene hand gebruikten, had de vloer niet veel voordeel bij dit werk,
dat zij met zonderlinge gebaren en bewegingen tot stand brachten,
die met hun geheel, voorkomen overeenstemden. Toen zij in den loop
van hunne bezigheid in de nabijheid van den ridder kwamen, hielden
zij op gebruik van hunne bezems te maken, en zich naast elkander
plaatsende vlak tegenover sir Kenneth, hielden zij wederom de lampen,
die zij droegen, zoodanig, dat hij hunne gelaatstrekken duidelijk kon
beschouwen, die, nu zij dichterbij waren geenszins bevalliger werden,
en de buitengemeene vlugheid en scherpzinnigheid deden opmerken,
waarmede hunne zwarte en glinsterende oogen het licht der lampen
terugkaatsten. Zij keerden toen het schijnsel van beide lichten
naar den ridder, en na hem aandachtig aanschouwd te hebben, zagen
zij elkander aan, en hieven een luid, schaterend gelach aan, dat in
zijne ooren weêrgalmde. De toon was zoo ijselijk, dat sir Kenneth
bij het hooren ervan schrikte, en haastig in den naam van God vroeg,
wie zij waren, die deze heilige plaats met zulke akelige gebaren en
afschuwelijke kreten ontwijdden.
"Ik ben de dwerg Nebectamus," antwoordde het mannelijke wangedrocht,
met eene stem, die met zijn uiterlijk overeenstemde, en meer geleek
naar die van de nachtraaf dan naar eenige andere, die zich bij dag
laat hooren.
"En ik ben Guenevra, zijne vrouw en zijn schat," hernam de vrouw
met een geluid, dat nog scheller en dus ook wilder dan dat van haar
metgezel klonk.
"Waarom zijt gij hier?" vroeg de ridder verder, nog niet geheel
overtuigd, dat hij menschelijke wezens voor zich zag.
"Ik ben," hervatte de dwerg met groote voorgewende deftigheid en
waardigheid, "de twaalfde Imam.--Ik ben Mahomed Mohadi, de leidsman
en gids der geloovigen. Honderd paarden staan gereed, gezadeld voor
mij en mijn gevolg in de heilige Stad zoowel als in de Stad der
Toevlucht. Ik ben degene, die getuigenis zal geven, en deze is eene
van mijne houris."
"Gij liegt!" antwoordde de dwergin, haar metgezel in nog scheller
tonen in de rede vallende: "ik ben geene van uwe houris, en gij zijt
zulk ongeloovig kaf niet als die Mahomed, van wien gij spreekt. Mijn
vloek ruste op zijne doodkist.--Ik zeg u, gij ezel van Issachar,
dat gij Arthur, Koning van Brittannië zijt, die de toovergodinnen
van het veld van Avalon stal, en ik vrouwe Guenevra, ben beroemd om
mijn schoonheid."
"Maar, in waarheid, edele heer," zeide de man, "wij zijn ongelukkige
prinsen, onder de vleugels van koning Guy van Jeruzalem, tot dat
hij door de goddelijke ongeloovigen uit zijn eigen nest verdreven
werd.--Mogen de bliksemstralen des hemels hen verteren!"
"Stil," riep eene stem aan den kant, vanwaar de ridder was
binnengekomen--"stil, gekken, pakt u weg; uw dienst is geëindigd."
Nauwelijks hadden de dwergen dit bevel gehoord, of zij bliezen onder
luid en onverstaanbaar gefluister met elkander, hunne lampen te gelijk
uit, en lieten den ridder in volslagen duisternis, die gepaard ging,
nadat het kletteren van hunne schreden zich verloren had, met het
gezelschap het best daarbij paste: eene volkomen stilte.
De ridder gevoelde zich door de verwijdering van deze ongelukkige
schepsels inderdaad verlucht. Hij kon uit hunne taal, manieren en
voorkomen er niet aan twijfelen, of zij behoorden tot die ontaarde
klasse van wezens, welke mismaaktheid van lichaam en zwakheid van
verstand in den onaangenamen toestand plaatste, om als een aanhangsel
van groote familiën door hun uiterlijk en hunne onnoozelheid hun
huisgenooten een vroolijk tijdverdrijf te verschaffen. Op een anderen
tijd zou de Schotsche ridder, die in geenerlei opzicht boven de
begrippen en zeden van zijne eeuw verheven was, in de verschijning
dier arme menschelijke karikaturen veel vermaak gevonden hebben;
maar thans hadden hunne verschijning, gebaren en taal den gang der
diepe en plechtige gewaarwordingen verbroken, die hem vervulden, en
hij verheugde zich hartelijk over de verdwijning van deze rampzalige
wezens.
Een paar minuten, nadat zij vertrokken waren, ging de deur, waardoor
hij binnengetreden was, langzaam open, en daar ze bleef aanstaan,
drong er een zwak licht door, dat scheen uit eene lantaarn, welke op
den drempel geplaatst was. Haar flauwe schemerende schijn vertoonde
eene donkere gestalte, die aan den ingang lag, en waarin hij, naderbij
komende de kluizenaar erkende, die nog in dezelfde houding lag, welke
hij vroeger had aangenomen, en zonder twijfel behouden had gedurende
den ganschen tijd, dat zijn gast in de kapel was geweest.
"Alles is voorbij," zeide de hermiet, toen hij den ridder hoorde
naderen--"en de ellendigste van alle aardsche zondaars moet zich even
goed, als hij, die zich voor den meest geëerde en den gelukkigste van
het menschelijk geslacht moet houden, van deze plaats verwijderen. Neem
het licht en leid mij naar beneden, want ik mag mijne oogen niet
ontblooten, vóór dat ik ver van deze heilige plaats ben."
De Schotsche ridder gehoorzaamde zwijgend; want een plechtig en
zalig gevoel wegens hetgeen hij gezien had, had zelfs zijne vurige
nieuwsgierigheid overwonnen. Hij wees met groote nauwkeurigheid den
weg door de verschillende geheime gangen en trappen, waarlangs zij
naar boven gekomen waren, totdat zij zich eindelijk in de buitencel
van de grot van den kluizenaar bevonden.
"De veroordeelde misdadiger is aan zijn kerker teruggegeven, en
krijgt uitstel van den eene rampzaligen dag tot den anderen, tot
dat zijn vreeselijke Rechter eindelijk het welverdiende vonnis zal
laten volvoeren."
Onder het uitspreken van deze woorden legde hij den sluier af, waarmede
zijne oogen bedekt waren geweest, en staarde daarop met een gesmoorden
en diepen zucht. Nauwelijks had hij dien weder in de nis neergelegd,
waaruit hij hem door den Schot had doen krijgen, of hij zeide
haastig en ernstig tot zijn bezoeker: "ga heen, ga heen--ter rust,
ter rust. Gij moogt slapen--gij kunt slapen--ik kan of mag dit niet."
Wegens de diepe ontroering, waarmede dit gezegd werd, begaf zich
de ridder naar het binnengedeelte van de cel; maar toen hij bij
het uitgaan van de grot omzag, bespeurde hij den kluizenaar met
krankzinnige drift den harigen deken van de schouders trekken, en
vóór dat hij nog de zwakke deur, welke de twee vertrekken van het
hol scheidde, kon sluiten, hoorde hij de slagen van den geesel van
het slachtoffer, en het gekerm van den boeteling onder zijne eigen
kastijding. Eene koude rilling voer door het lichaam van den ridder,
terwijl hij nadacht, welke zware zonde het zijn moest, die zoo hevige
wroegingen verwekte, dat, naar het scheen, zulke eene gestrenge
kastijding die noch verzoenen noch lenigen kon. Hij bad ootmoedig
zijn rozenkrans en legde zich op zijne legerstede, na een blik op
den nog slapenden Muzelman geworpen te hebben, en vermoeid door de
verschillende ervaringen van den dag en den nacht, sliep hij weldra
zoo vast als een kind. Na zijn ontwaken in den morgen overlegde hij
bij zich zelven eenige belangrijke zaken, die hem bewogen om nog twee
dagen in de grot te blijven. Hij was, zooals het een pelgrim paste,
stipt in zijne godsdienstoefeningen, maar hij werd niet weder in de
kapel toegelaten, waarin hij zulke wonderen aanschouwd had.