„Het kon niet mooier,” hernam Henderson, die het koord met het oog van

een kenner bekeek en goedkeurend knikte.

Hij stak zijn revolver weg en zeide, zich tot Raffles wendend:

„Misschien is het goed, dat gij voorzichtig toeziet, of het mij gelukt,

Mylord, want zoo niet dan zullen er andere maatregelen genomen moeten

worden.”

„Dat is een goede inval, Henderson. Ga nu, en geluk met je worp!”

Henderson rolde de lasso zorgvuldig op, woog haar eens op de hand,

teneinde de zwaarte te taxeeren, en daarnaar zijn worp te berekenen en

kroop toen voorzichtig over den rand van de dalkom terwijl de anderen

hem met de oogen bleven volgen.

Henderson had dadelijk zijn man in het oog gekregen, hij zat op 100

passen afstand op een boomstronk en rookte uit een kort stompje pijp.

Het was een groot geluk, dat hij met den rug naar Henderson toezat,

want er was geen enkele boom of struik tusschen hem en zijn vijand.

Hij zou Henderson gezien hebben voor hij 5 passen verder was.

Nu echter scheen al zijn aandacht bepaald te zijn op de schietpartij en

hij hield den blik onafgewend gericht op den heuvelrug die aan den

anderen kant de kleine vlakte afsloot, en waar de bandieten ergens in

het struikgewas verborgen moesten zijn.

Op zijn buik voortkruipend, de lasso gereed, sloop Henderson op den man

toe.

Op enkele passen van hem vandaan waren elf paarden vastgebonden, die

zich aan het malsche, verbazend snel opschietende gras te goed deden.

Het was voor een man van den lichaamsbouw en de grootte van Henderson

geen kleinigheid om zich zoo onzichtbaar mogelijk te maken, en in het

geheel geen gerucht te verwekken, maar hij slaagde er niettemin in.

Op ongeveer 20 passen afstand van den man hield hij stil en stond op.

Bijna op hetzelfde oogenblik hief een der grazende paarden den kop op,

en liet een zacht gehinnik hooren, dat als een waarschuwing klonk.

De man op den boomstronk wendde het hoofd om, maar hij was even te

laat.

Nog voor hij had kunnen opstaan en zijn revolver grijpen, suisde de

lasso door de lucht, de lus was boven zijn hoofd en viel hem om het

bovenlichaam.

Hij trachtte haar nog snel af te werpen, maar reeds trok Henderson de

lasso aan, en de man kon nu wel zeggen, dat zijn lot beslist was.

Hij verliet den boomstam op een hoogst eigenaardige manier, het was

letterlijk alsof hij er van opvloog, zooals een spreeuw of een musch

het zou doen, en hij had reeds een paar meter in de lucht afgelegd voor

hij zeer onzacht weder op den grond terecht kwam, zoo verdoofd door den

val, dat hij geen lid kon verroeren.

Henderson was in een oogenblik bij hem en bond snel de armen van den

bandiet op den rug vast, waarna hij hem met zijn eigen halsdoek den

mond snoerde.

Raffles, Charly en Jessie, die het geheele voorval hadden gevolgd,

kwamen snel toeloopen en Raffles zeide goedkeurend:

„Knap gedaan, Henderson, en ik zie tot mijn genoegen, dat je nog niets

van je kundigheden hebt verloren. De vangst van dezen Sinjeur is van

groote beteekenis, want wij zullen er wel voor zorgen, dat zij hun

paarden niet meer kunnen bereiken.”

In een oogwenk waren de dieren van hun kluisters bevrijd, en een heel

eind terug gebracht.

Daar werden zij van zadels en hoofdstellen ontdaan en met een flinken

klap op het kruis werden zij de vlakte ingestuurd.

Zij galoppeerden dadelijk weg, in de richting waaruit zij dien ochtend

gekomen waren, naar het verscholen ravijn.

HOOFDSTUK VI.

EEN ONVOORZIEN VOORVAL.

De drie mannen keerden nu zoo spoedig zij konden terug, naar de plek

waar zij Jessie Hatters hadden achtergelaten om den bandiet te bewaken.

Het was ook nu nog niet mogelijk met juistheid de stelling van de

bandieten te ontdekken.

Toch hoorden zij duidelijk het knallen van geweerschoten, en op

geregelde tijden antwoordde in de verte het geweer van Tom Hatters.

Hij was dus in ieder geval nog niet buiten gevecht gesteld.

„Ik vermoed, dat zij hun stelling veranderd hebben, sedert ik

heenging,” zeide Jessie, „anders zouden wij hen moeten zien van deze

plek. Ik denk haast, dat zij zich verdeeld hebben en ons huis nu van

twee kanten onder vuur nemen.”

„Dan zullen wij eens een onderzoek instellen, om dat uit te maken,”

zeide Raffles.

Voorzichtig gingen zij nu af op het knallen der geweerschoten, dat

telkens duidelijker werd, zij moesten zich nu tamelijk dicht in de

nabijheid van de schutters bevinden, en toch konden zij nog altijd

niets van hen gewaar worden.

„Zal ik er eens alleen op uit gaan?” stelde Charly voor. „Zij zullen

mij niet zoo spoedig in het oog krijgen.”

„Als je mij belooft, heel voorzichtig te zijn, ga dan je gang,” zei

Raffles. „Je kunt ons weer een wenk geven, als je iets verdachts ziet”

Charly nam zijn revolver in zijn eene hand, en sloop weg, zich zooveel

mogelijk verschuilend tusschen het hooge prairiegras.

Vijf minuten later hadden de anderen hem uit het oog verloren.

Maar Henderson, die een scherpen blik had, meende weder eenigen tijd

later iets te zien bewegen op ongeveer 200 passen afstand, niet ver van

den eenzamen spar.

„Ik geloof dat het de geruite pet van mijnheer Brand is,” zeide

Henderson op fluisterenden toon aan het oor van Raffles.

De reus had goed gezien, want een oogenblik later rees de pet boven het

gras uit en werd snel eenige malen heen en weer bewogen, waarop zij

weder verdween.

Dadelijk togen de twee mannen en de jonge vrouw op de plek af, waar zij

het kleedingstuk het laatst hadden gezien en tien minuten later hadden

zij zich bij Charly gevoegd, die hen met gebaren beduidde zich plat op

den grond uit te strekken.

Toen zeide hij zachtjes:

„Zij liggen in hinderlaag op nauwelijks 100 passen hier vandaan, in een

kleine inzinking van den bodem, daarom konden wij hen onmogelijk zien.

Hef het hoofd voorzichtig op, dan kunt gij hen duidelijk zien liggen.

Een weinig ter zijde van dien zwaren ceder.”

Raffles en Henderson keken behoedzaam voor zich uit, en daar zagen zij

vijf mannen languit in een soort kuil liggen, met den loop van het

geweer rustend op den rand daarvan, die met kort struikgewas beplant

was, zoodat het bijna onmogelijk zou zijn, dat men hen van het huis uit

zou zien.

Dadelijk was het plan van Raffles gemaakt.

Hij liet zijn stem tot een zwak gefluister dalen en zeide:

„Drie schoten, dat is drie man. Wij zijn wat te ver af, dan dat Madame

Jessie van haar kleine revolver gebruik zou kunnen maken. Goed mikken

en tegelijk schieten!”

De drie mannen grepen hun geweren, richtten zich op de knie op, legden

aan, en op het zacht gegeven commando van Raffles, drukten zij tegelijk

af, en het was alsof er maar een enkele knal klonk.

En de schoten troffen doel, drie van de bandieten rolden om en om, als

aangeschoten konijnen, en bleven roerloos liggen.

De beide anderen hadden zich zoo diep mogelijk in hun kuil gedrukt, en

staarden met verwilderde blikken om zich heen.

„Alle duivels! Die eene is Dolly Patterson,” riep Charly uit.

„Dan zal die andere haar minnaar Pat O’Kelly zijn,” kwam Raffles. „Wij

zullen nu te voorschijn springen, zij zullen natuurlijk wel zoo

verstandig zijn, om tegen zulk een overmacht geen weerstand te bieden.”

„Maar waar zijn de anderen?” vroeg Charly. „Ik meende dat er tien

waren.”

„Met de vrouw mee elf, mijnheer,” zeide Jessie. „Twee daarvan zijn ver

hier vandaan gedood of zwaar gewond. De man bij de paarden is gevallen.

Gij hebt er zooeven zeker nog drie geraakt, dat is zes. Als er hier nu

nog twee in den kuil liggen, dan moeten er dus nog drie ergens anders

zijn, ik denk aan den anderen kant van het huis.”

„Vooruit dan, laten wij geen tijd verliezen,” kwam Raffles.

Op hetzelfde oogenblik sprongen de drie mannen en de jonge vrouw op, en

ijlden met het geweer in den aanslag naar de twee in hun kuil.

Gehoor gevend aan haar wraakzucht en haar tijgerachtige woede bracht

Dolly haar geweer aan den schouder en schoot op Jessie Hatters.

De kogel floot de jonge vrouw op nauwelijks eenige millimeters voorbij

en sloeg met een doffen klap in het hout van den ceder.

Tot een tweede schot had zij geen gelegenheid, want Henderson vuurde

onder het loopen en zijn kogel verbrijzelde het geweer in haar hand.

De andere bandiet, die inderdaad Pat O’Kelly was, wilde het hazenpad

kiezen, zonder zich ook maar een grein om zijn minnares te bekommeren,

maar een luid:

„Halt, of ik schiet,” deed hem als vastgenageld stilstaan, zijn geweer

wegwerpen en op zijn schreden terug keeren.

„Jij lafbek,” gilde Dolly. „Dat zou Mike nooit gedaan hebben, ik zal je

toonen waartoe een vrouw in staat is.”

En ontembaar als een lynx tastte zij naar haar revolver, maar voor zij

het wapen uit den holster had kunnen trekken, was Henderson reeds bij

haar en riep spottend:

„Wat is dat, jij teedere engel? Heb je nu nog niet genoeg gehad? Je

wilt ons toch niet dwingen geweld te gebruiken. Kom, laat dat

proppenschietertje eens gauw los, en reik mij je kleine handjes maar

eens toe, dan zal ik ze samen binden.”

Een giftige blik uit de zwarte oogen trof den spotter, maar Henderson

was er de man niet naar om zich daarvan iets aan te trekken.

Hij bond de polsen van de vrouw niet erg zachtzinnig samen, en deed

vervolgens hetzelfde met haar enkels, zoodat zij zich niet kon

verroeren.

Maar ook nu zelfs, gaf Dolly zich nog niet gewonnen, want eensklaps

gilde zij zoo luid zij kon:

„Te hulp, jongens!”

Die waarschuwing was natuurlijk bestemd voor de drie andere bandieten

die niet ver daarvandaan eveneens in hinderlaag lagen, en wier vuren

reeds eenige oogenblikken had opgehouden, daar ze waarschijnlijk het

schieten uit een geheel andere richting dan van het huis gehoord

hadden, en niet begrepen, wat dat beteekende.

Zoo vlug zij konden maakten Raffles en Charly Pat O’Kelly onschadelijk

door hem aan handen en voeten te binden en daarop wierpen zij het

gebonden tweetal zonder veel omhaal op den bodem van den kuil om de

handen vrij te hebben als de andere drie vrijbuiters den hulpkreet van

de vrouw misschien gehoord hadden.

En dat bleek spoedig het geval te zijn want nauwelijks hadden Raffles

en zijn metgezellen zich neergeworpen of op eenigen afstand verschenen

tusschen de hooge ceders, die daar den heuvel bekroonden, een drietal

bandieten, die zich onkenbaar hadden gemaakt, door hun halsdoek zoo

voor hun gelaat te binden, dat alleen hun oogen zichtbaar waren en met

het geweer in den aanslag.

Zij kwamen blijkbaar eens zien, wat het roepen te beteekenen had, en

zij zouden er verstandiger aan gedaan hebben, dit een weinig

voorzichtiger te doen.

Want voor zij zelve konden schieten kraakten de schoten van de

Engelschen, en hiermede kon het beleg gevoegelijk als opgeheven worden

beschouwd, want een der schurken was midden in het hart getroffen, en

de twee anderen waren zoo ernstig gewond, dat zij volkomen buiten

gevecht waren gesteld.

Bijna op hetzelfde oogenblik klonken er hoefslagen op ongeveer een mijl

ten Oosten van de hoeve, blijkbaar afkomstig van een vrij talrijken

troep.

Dat waren zeker de mannen uit Lime Beach, die onder aanvoering van den

sheriff tot ontzet kwamen opdagen.

Raffles schoot zijn geweer af, om hen op het goede spoor te brengen, en

daarop bleven zij rustig wachten.

Dolly Patterson lag op haar zijde in het zand van den kuil en hield

haar brandende blikken voortdurend op het gelaat van Raffles gevestigd,

terwijl er een zonderlinge glimlach om haar lippen speelde, maar

daarvan begreep Raffles tot zijn ongeluk op dat oogenblik de beteekenis

niet.......

Er verliepen nog ongeveer tien minuten, en toen daagde er eensklaps een

kleine ruiterschaar op, kenbaar als mannen van den sheriff aan het

breede lint om den hoed.

Zij waren allen gewapend met korte karabijnen, die in de holsters naast

het zadel staken, en een groote dienstrevolver.

De sheriff, een rijzig man, met een streng, gebaard gelaat, reed

vooraan, en hield zijn paard pas in, toen het met de voorpooten bijna

den gebonden bandiet in den kuil aanraakte.

Hij steeg snel af, en zijn voorbeeld werd door al zijn manschappen

gevolgd.

Daarna liet hij zijn blikken van de gebonden vrouw naar Pat O’Kelly

dwalen, en zeide:

„Ik heb het wel gedacht, dat wij dien schurk wel zouden vinden! Voor

het overige, ik denk, dat alles hier al is afgeloopen?”

„Ik zou tenminste niet weten, wat er nog meer te doen was, dan snel

naar huis te gaan, en ons te overtuigen, dat Tom niets is overkomen!”

riep Jessie uit.

„Tot uw dienst, madame,” hernam de sheriff. „Maar eerst zullen wij den

toestand hier eens opnemen. Hoeveel aanvallers waren er?”

„Elf, met de vrouw mee!” antwoordde Jessie.

„Dan zullen wij eerst het wild eens bijeen gaan zoeken. Kom jongens!”

riep de sheriff uit.

Allen bestegen weder het paard, op drie mannen na, die de wacht bleven

houden bij den kuil.

Na verloop van een half uur had de sheriff den staat van zaken

opgemaakt.

Er waren drie bandieten gedood, en drie gevangen, de andere vijf waren

min of meer zwaar gewond.

„Wij kunnen niet anders dan u dankbaar zijn voor wat gij gedaan hebt,

mijnheer,” zeide de sheriff, zich tot Raffles wendend. „Wij hebben hier

te doen met een bende van het allergevaarlijkste soort, en alleen die

Fred, die nu met een kogel door het hoofd ergens in het boschje

daarginds ligt, heeft op zijn minst vijf moorden op zijn geweten. Wij

zullen nu de gewonden op de trolley naar Lime Beach brengen, met de

gevangenen—die lieve dame daarginds incluis.”

De sheriff had met het hoofd naar Dolly gewezen, die nog altijd

onbewegelijk op haar zijde lag, en ook nog altijd naar Raffles staarde.

Thans pas scheen er beweging in haar te komen.

Zij richtte zich zoover op, als de touwen het haar veroorloofden, en

zeide tot den sheriff, terwijl haar zwarte oogen begonnen te fonkelen:

„Als gij mij meeneemt naar Lime Beach—dan geeft gij mij toch

gezelschap?”

„Dat spreekt van zelf, schoone dame,” antwoordde de sheriff op

spottenden toon. „Uw vriend, Pat O’Kelly, zal u vergezellen, wees daar

maar niet bevreesd voor. En de man die bij de paarden was, gaat ook

mee, zijt gij nu tevreden?”

„Nog niet geheel en al,” antwoordde Dolly langzaam. „Ik zou ook willen

dat gij de mannen medenaamt, die te Pine Creek het stofgoud gestolen

hebben!”

Geen geluid werd vernomen, nadat de vrouw deze woorden gezegd had.

De meeste aanwezigen waren zeer verbaasd—en er waren drie, die nog wat

anders ook gevoelden.

Raffles wierp een onderzoekenden blik om zich heen.

De mannen van den sheriff stonden in een kring om hen heen, en allen

hadden de revolver ter hand genomen.

Het waren er veertien, en het waren alle sterke jonge kerels, die er

naar uitzagen, alsof zij op een afstand van 100 passen een kogel door

een haas konden jagen.

Toen gleden zijn blikken naar Charly, die een weinig bleek was

geworden, maar wiens gelaat overigens niet verried wat er in hem

omging.

Wat Henderson betreft, hij wist niet zeker wat zijn meester en diens

vriend die dagen in Pine Creek hadden gedaan, toen hij gewond in het

hospitaal van Serati lag, maar een zeker voorgevoel zeide hem dat er

iets broeide.

De sheriff was de eerste die weder sprak.

Hij deed langzaam een paar stappen naar de vrouw toe, en zeide:

„Wat praat gij daar toch? Weet gij dan, waar de mannen zijn, die het

stofgoud gestolen hebben?”

„Ja, daar staan zij!” schreeuwde Dolly op heeschen toon, en haar hoofd

wees in de richting van Raffles en Charly, die naast elkander stonden.

De lichtgrijze oogen van den sheriff gingen naar de beide vreemdelingen

die rustig bleven staan.

„Hoort gij, wat die vrouw daar zegt, mijnheer?” vroeg hij toen een

weinig schor.

„Ik hoor het zeer goed, en ik begrijp het niet, mijnheer!” antwoordde

Raffles glimlachend.

„Wilt gij u van de domme houden?” vroeg Dolly hoonend. „Denkt gij soms,

dat ik uw stem niet herken? Gij dacht dat ik bewusteloos was, even als

de anderen, niet waar? Maar ik had niet gedronken van den wijn, waarin

gij het bedwelmend middel had gedaan, omdat ik u van het beginne af

wantrouwde. En ik heb gezien, hoe gij u van het stofgoud meester hebt

gemaakt, en ik heb u uw pruik zien aflichten die u zeker hinderlijk

was, ik heb met de anderen deelgenomen aan de achtervolging van u en uw

medeplichtigen. Laat Pat zeggen of ik de waarheid niet spreek. Pat,

kijk die mannen eens goed aan. Zijn het niet dezelfde, die toen in het

danshuis van „Merry Pig” zijn gekomen? Is die groote niet de man die je

heeft neergeslagen?”

Pat O’Kelly, die eerst verbluft had toegeluisterd, keek nu met zijn

valsche groenzwarte oogen beurtelings van Charly naar Raffles, en

schreeuwde toen luid:

„Bij Sint Patrick! Zij zijn het zeker, ik had het dadelijk moeten

zien.”

Raffles begon het zich bitter te beklagen, dat hij niet voor een meer

afdoende vermomming had zorg gedragen, maar daar was nu niets meer aan

te doen, hij kon alleen nog trachten, door eenvoudig te loochenen, de

zaak weder in het goede spoor te brengen.

Hij haalde dus de schouders op, en zeide kortaf:

„Die vrouw raaskalt. Wij zijn Engelschen, die hier voor ons genoegen

zijn komen jagen, en wij weten niets van stofgoud.”

„Trek hem zijn pruik van het hoofd!” gilde Dolly, die een blik op het

gelaat van den sheriff had geworpen, dat grooten twijfel uitdrukte.

„Als hij nu geen pruik draagt, zeg dan dat ik een gekkin ben!”

De sheriff wendde zich tot Raffles en zeide eenigszins aarzelend:

„Duit het mij niet ten kwade, mijnheer, maar met een enkel gebaar kunt

gij de beschuldigingen van die vrouw te schande maken. Zet uw hoed af,

wat ik U verzoeken mag, zoodat ik onderzoeken kan of gij inderdaad geen

pruik draagt.”

Ja, Raffles droeg er een, dat was maar al te waar—en het was geen

pronkstuk want hij had het voorwerp te Serati bij een kapper gekocht,

die de klandizie had van de dilettanten, die daar wel eens een

uitvoering gaven van een of ander tooneelstuk.

Hij had gedacht, dat dit voor de ruwe kerels daar in het hooge Noorden

voldoende zou zijn, en hij bleek zich te hebben vergist.

En toch mocht hij geen oogenblik aarzelen, zijn hoed af te zetten, want

reeds gingen de revolvers als ongemerkt in de hoogte.

De „jongens” van den sheriff waren zeer wantrouwend, dat was zeker.

Raffles nam dus glimlachend zijn hoed af en zeide:

„Als een vertegenwoordiger van het gezag het mij verzoekt—dan heb ik

aan dat verzoek te voldoen—al moet ik erkennen dat ik niet geloofd had,

op die wijze tegen een sheriff te staan, toen ik Londen verliet.”

Terwijl hij dit zeide, liet Raffles zijn blik naar Jessie dwalen, die

zeer bleek en de kleine handen op de borst samengevouwen, naar dit

tooneeltje had gekeken.

Een oogenblik verduisterde zijn gelaat—toen verscheen er weder dezelfde

glimlach op.

De sheriff was op hem toegetreden, en bekeek nauwkeurig zijn haar.

Toen—deed hij een bliksemsnellen ruk... en hij hield een pruik in zijn

hand.

De sheriff deed een paar passen achteruit, keek Raffles scherp aan, en

toen riep hij uit:

„Maar voor den duivel—dat moet John Raffles zijn, wiens portret ons

dezer dagen is toegezonden!”

Een doodsche stilte volgde op deze woorden.

En toen deed Henderson iets zeer onvoorzichtigs, maar dat hem werd

ingegeven door zijn trouwe liefde aan zijn meester.

Hij wierp zich op de dichtstbijzijnde mannen van den sheriff en

aanstonds lagen er drie op den grond te spartelen.

Maar daar klonk reeds de bevelende stem van Raffles, die riep:

„Laat dat, James!”

Beschaamd stond de reus voor zich heen te kijken, maar met een trek van

woede en wraakzucht op zijn gelaat.

Raffles wendde zich tot den sheriff en vervolgde:

„Ik weet niet, wat die uitroep van u te beduiden heeft, mijnheer, zeker

ik droeg een pruik, maar is dat voldoende, om iemand van diefstal te

beschuldigen?”

„In ieder geval is het in deze streken zeer merkwaardig, mijnheer,”

antwoordde de sheriff droogjes. „Men is hier niet gewoon, pruiken te

dragen, vooral niet in de lente. En dan gij lijkt al bijzonder veel op

het portret van John Raffles, dat ons dezer dagen door Scotland Yard is

toegezonden!”

„Wie is dat, als ik vragen mag?” kwam de Groote Onbekende.

„Dat is de stoutmoedigste inbreker, die er in de Engelsche hoofdstad te

vinden is,” antwoordde de sheriff.

„Ja, ik heb wel eens van hem gehoord,” hernam Raffles. „Maar ik

meende—dat men dien man nimmer had kunnen vangen—hoe is het dan

mogelijk, dat men u een portret heeft kunnen zenden?”

De sheriff beet zich op de lippen, en zeide toen:

„Daarop kan ik u niet antwoorden, mijnheer. Laat het u genoeg zijn, dat

ik het portret in mijn bezit heb, en dat ge er bijzonder veel op

gelijkt.”

Hij stak de hand in zijn binnenzak en haalde er een foto uit, welke hij

Raffles liet zien.

Deze bekeek het portret nauwkeurig en zeide toen kalm:

„Ik moet wel erkennen, dat ik op dit portret gelijk, mijnheer—al is het

dan niet zoo frappant, als gij het doet voorkomen, maar dit portret is

niet van John Raffles.”

„Wat? Van wien zou het dan zijn?” riep de sheriff verbaasd uit.

„Het is een aanvoerder van een Londensche dievenbende!”

„En mag ik weten hoe gij het zoo goed weet?” vroeg de sheriff op

scherpen toon.

„Ik ken den man!” antwoordde Raffles bedaard.

„Ei, en vindt gij dat niet merkwaardig voor een Engelschen gentleman?”

„Och, neen, zoo iets komt meer voor,” antwoordde Raffles.

Charly had een snellen blik op de foto geworpen en hij zag dadelijk dat

Raffles gelijk had, het was het portret van Black Jimmy, den aanvoerder

van de bende der raven, en hij vroeg zich af, hoe Scotland Yard kon

vermoeden, dat dit Raffles was, toen hem eensklaps inviel, dat Raffles

niet lang geleden het uiterlijk van dien bandiet zeer nauwkeurig had

geïmiteerd, daarop was de schurk in handen van de politie geraakt, en

deze had gemeend, John Raffles te vangen.

Waarschijnlijk was „Black Jimmy” daarop weder ontsnapt, en de

Londensche politie had dadelijk zijn signalement naar alle windstreken

verspreid.

En zoo was het ook in deze afgelegen streken gekomen.

Het was een noodlottige samenloop van omstandigheden, maar er viel

niets aan te doen, de sheriff was niet op de hoogte, en hij oordeelde

alleen naar het uiterlijk van den man tegenover hem die helaas bij

toeval veel geleek op het portret.

En dan, een van de metgezellen van den verdachte had zich op zijn

mannen geworpen, zou dat geschied zijn, als die niets op zijn geweten

had?

De sheriff keek de drie Engelschen eenigen tijd strak aan, en toen

zeide hij op den korten toon van iemand die zijn besluit heeft genomen:

„Het spijt mij, ik kan mij natuurlijk vergissen, en als gij hiermede

niets te maken hebt gehad, des te beter voor u, maar nu moet ik u

verzoeken, mij uw wapens te overhandigen—gij zijt mijn gevangenen.”

Henderson maakte een beweging van woede, maar een enkele blik van

Raffles was voldoende, om hem te doen bedaren.

Deze begreep maar al te goed, dat er op dit oogenblik aan verweer niet

te denken viel.

En daarom zeide hij volmaakt kalm:

„Doe met ons wat ge wilt, mijnheer, wij zijn tot uw beschikking.......”

HOOFDSTUK VII.

EEN SCHULD VAN DANKBAARHEID.

Jessie bleef een oogenblik onbewegelijk op dezelfde plek staan, en keek

de kleine groep menschen na, die zich nu verwijderde, met de drie

gevangenen in hun midden.

Allen zaten te paard, en de handen der gevangenen waren samen gebonden.

De oogen van de jonge vrouw vulden zich met tranen—en toen snelde zij

zoo vlug zij kon naar het blokhuis, waar Tom reeds voor de deur stond,

en haar met een kreet van blijdschap aan het hart trok.

Maar spoedig maakte Jessie zich weer los, en riep met gesmoorde stem:

„Weet je wat er gebeurd is, Tom?”

„Ik kan het mij wel voorstellen, meisje,” antwoordde Tom, terwijl hij

haar opnieuw aan zijn borst wilde trekken.

„Neen, neen, Tom, nu niet. O, het is vreeselijk, je weet niet alles.

Onze goede vriend en zijn beide metgezellen zijn gevangen genomen, en

zij worden nog vannacht naar Serati over gebracht. De sheriff denkt dat

hij John Raffles is, en Dolly zegt, dat hij de man is die het stofgoud

in het danshuis „Merry Pig” heeft gestolen.”

„Wat zeg je daar?” schreeuwde Tom. „Maar dat is onmogelijk, het is te

gek om er ook maar een seconde aan te kunnen gelooven. Natuurlijk

vergist de sheriff zich.”

„Maar Dolly houdt vol, dat zij hem herkend heeft, hem en zijn vrienden,

en hij droeg een valsche pruik, hij heeft dik, zwart haar, dat even

begint te grijzen.”

Als versuft door deze mededeeling keek Tom voor zich.

De naam van John Raffles klonk hem in het geheel niet onbekend in de

ooren.

Lord Lister No. 0336: Een avontuur in Alaska · 第 3 / 4 段