„Wat is er,” vroeg Tom, die bezig was, een paar vallen in het vet te

zetten die bestemd waren om in de sneeuw te worden gebruikt, en nu

voorloopig geen dienst meer zouden doen.

„Daar is die zelfde man weer, dien ik gisteren ook al om het huis heb

zien zwerven,” antwoordde Jessie.

Jessie wees naar een jongen man, in een havelooze plunje, die aan de

overzijde van de spoorbaan stond, en naar het huis scheen te kijken.

Tom stond op en keek naar het raam.

Hij slaakte een uitroep van verbazing.

„Wel, dat is dezelfde kerel, dien wij gisteren dicht bij het huis

gezien hebben toen wij van de jacht terugkeerden. Wat staat de kerel

daar te loeren?”

Voor Jessie hier antwoord op had kunnen geven, was de man verdwenen,

alsof hij door den grond gezonken was.

Hij was nog even zichtbaar, toen hij tegen de helling van een heuvel

opklauterde, op omstreeks tweehonderd meter van het huis, en eensklaps

gaf Jessie een gil, die Tom verschrikt weder naar het raam deed terug

keeren.

„Wat is er toch, Jessie? Waarom schreeuw je zoo?”

„Die man—die zwerver—het is een vrouw!”

Met een bleek gelaat wees zij met uitgestrekten vinger naar de

gedaante, die nu zoo snel mogelijk den heuveltop trachtte te bereiken.

Tom uitte een gedempten vloek.

De zwerver had onder het loopen zijn hoed verloren, of die was hem van

het hoofd getrokken door de laaghangende twijgen van eenige heesters,

en nu golfde een dichte stroom van blauwzwart haar over den rug van den

gewaanden man, er kon niet aan getwijfeld worden, het was een vrouw,

als man vermomd!

„Wat voor den duivel heeft dat te beteekenen?” riep Tom uit. „Wat is

dat voor een maskerade?”

Op dat oogenblik keek de vrouw nog eens om. Het was maar een ondeelbaar

oogenblik, en de afstand was groot—maar het vrouwelijke instinct in

Jessie sprak luide:

„Het is Dolly Patterson!” schreeuwde zij, met de hand op het hart, en

zoo wit als het laken waaraan zij zooeven genaaid had.

„Kom, meisje—je vergist je!” riep Tom uit. „Je moet je vergissen, Dolly

zit immers in de gevangenis in Cedar Tree.”

„Ik zeg je, dat zij het is, Tom. Ik kan mij niet bedriegen!” riep

Jessie uit.

Tom keek scherp naar buiten, maar van de vrouw was niets meer te

bespeuren.

Zij moest nu in de kleine dalkom, die zich achter den heuvel van het

huis uitstrekte, zijn.

Zonder een woord te zeggen, stond Jessie op, en liep naar den

schoorsteen.

Daar hingen, op een rek, een viertal geweren, voor de jacht op grof

wild.

Zij nam een der geweren, en overtuigde zich, dat het geladen was.

Toen snelde zij naar een kast, en nam er een groote doos patronen uit.

„Als zij het zijn, dan zullen wij ons toch verdedigen, nietwaar Tom?”

vroeg zij met gesmoorde stem.

„Ja, Jessie,” antwoordde Tom met een woeste uitdrukking van

vastberadenheid in zijn oogen. „Als zij tenminste niet al te talrijk

zijn .......”

„Maar wij kunnen niet vluchten! Waar zouden wij heen moeten gaan? Zij

zijn natuurlijk bereden, en de dichtst bij zijnde plaats ligt twintig

mijlen hiervandaan!”

Zij had nauwelijks uitgesproken, toen boven op den heuvelkam, op

ongeveer tweehonderd meter afstand, een aantal ruiters verscheen.

Zij waren met z’n tienen op zijn minst.

Een oogenblik schenen zij in beraad te staan, en toen zwenkten er een

paar ter rechter en ter linker zijde af, naar allen schijn, om ter

zijde van de blokhut te komen.

Aan weerskanten bevond zich laag kreupelhout, en het zou gemakkelijk

vallen vandaar het huis onder vuur te nemen, zonder zich zelf te

vertoonen, als eenmaal de paarden onder het dichte gebladerte waren

vastgemaakt.

Zonder zich te bedenken, hief Jessie haar geweer op, en vuurde door het

open venster op een der voortgaloppeerende ruiters.

Zij miste, en de bandiet reed snel als de wind verder.

Tom had zijn geweer van het rek gerukt, en legde nu op zijn beurt aan.

Het schot kraakte, het paard van een der bandieten, midden in het hart

getroffen, maakte een verbazenden sprong, en wierp zijn ruiter af,

waarna het neerstortte, en dood bleef liggen.

Tom en Jessie konden zien, hoe de man zich snel van onder het doode

paard bevrijdde, en zoo vlug hij kon weghinkte, om zich achter den

heuvelkring in veiligheid te brengen.

Ook de andere ruiters waren eensklaps weder verdwenen, daar zij wel

begrepen op dien heuvelkam een al te gemakkelijk doelwit op te leveren

voor bekwame schutters.

Maar den andere ruiter die naar den zijkant van het huis was gerend,

had reeds het beschuttend kreupelhout bereikt, en er was nu niets meer

van hem te zien.

Maar dat hij er was, toonde hij gauw genoeg.

Want nauwelijks een halve minuut later knalde een schot vanonder het

dichte gebladerte ter rechterzijde van het huis, op nog geen

tweehonderd meter afstand.

De kogel drong diep in het hout van den zijmuur maar ging er gelukkig

niet door—daartoe waren de balken te dik—bijna twee decimeters in

doorsnede, en van het hardste cederhout.

Intusschen was de toestand zeer gevaarlijk.

Want de jonge lieden konden ten eerste niet weten, of die tien man, die

zij gezien hadden, de geheele aanvalsmacht vormden, en dan konden de

bandieten de duisternis wel eens willen afwachten, om dan van alle

kanten op het huis toe te sluipen, en de beide verdedigers te

overvallen.

Jessie, die zeer bleek was, maar haar tegenwoordigheid van geest geen

oogenblik had verloren, trad nu met het geweer in de hand op Tom toe,

zoo diep mogelijk bukkend, opdat de bandieten haar niet achter het raam

konden zien bewegen, en zeide haastig:

„Luister, Tom. Als wij niets doen, dan worden wij hier als muizen in de

val afgemaakt, want zij zullen wel een middel weten te vinden, om ons

in te sluiten, zonder dat zij onder ons schot komen. Ik zal hulp halen

in Lime Beach.”

„Wat?” schreeuwde Tom. „Nooit! Zij zouden je opvangen en je dooden.

Nooit zeg ik je!”

„Ja, Tom, het moet!” hernam Jessie kalm, en op vasten toon. „Het is

onze eenige kans. Jij schiet beter dan ik, en je kunt de ellendelingen

wel een paar uur bezig houden. Ik zal met Bessy langs de spoorbaan

gaan, en ik kan met een half dozijn dappere kerels binnen drie uur

terug zijn. Ik kan nu nog achter het huis wegkomen, maar als ik wacht,

dan zal het misschien te laat zijn, het moet Tom, het moet!”

De jonge pelsjager was aan een vreeselijken tweestrijd ten prooi.

En toch—Jessie had gelijk—als er niets gedaan werd, dan zouden zij hier

eenvoudig worden afgemaakt, vroeg of laat!

Op hulp behoefden zij niet te rekenen, want daartoe lag het huis te

afgelegen—en de telegraaf was nog niet tot hier doorgetrokken.

Tom trok Jessie in zijn arm en riep half snikkend:

„Ga dan, en moge God je beschermen. Ik zal vechten, tot ik geen patroon

meer heb!”

Hij drukte een innigen kus op de lippen van de jonge vrouw, en Jessie

snelde naar den stal, die achter het huis gelegen was, en maakte Bessy,

de bruine merrie los.

Zij behoefde het dier alleen maar het zadel op te leggen en het gebit

in den mond te doen, want in deze streken was het de gewoonte, het

hoofdstel der paarden nooit af te doen.

Zij overtuigde zich nogmaals, dat de kleine revolver in haar

gordeltasch stak, trok het paard naar buiten, en wierp zich in het

zadel.

Zij drukte het dier de hielen in de zijde, en als een pijl uit den boog

vloog het voorwaarts.

Maar het had de spoorbaan nog niet bereikt, of uit het heesterboschje

knalde een schot ......

Bessy maakte een geweldigen sprong, en het had niet veel gescheeld, of

het dier had zijn berijdster afgeworpen.

Toen stond het eensklaps doodstil en daarna liep een lange rilling over

zijn lichaam.

En zoo onverhoeds viel het op zijde, dat Jessie maar juist den tijd had

zich uit de stijgbeugels te bevrijden.

Het arme dier was zwaar gewond, en niet in staat, zijn meesteres te

dragen.

Dadelijk wierp Jessie zich plat op den grond en het was tijd, want een

tweede schot knalde, en de kogel vloog dicht boven haar hoofd voorbij.

Een ziekmakend gevoel van vrees greep de jonge vrouw een oogenblik aan,

maar zij verzette zich er uit alle macht tegen.

Van haar alleen hing het af, of haar man, of haar hoeve gered zou

worden en zij mocht niet aarzelen.

Maar de trouwe Bessy was gewond, wat moest zij doen, hoe kon zij nog

naar Lime Beach gaan?

Zij hief het hoofd een weinig op, en wierp een blik op de spoorbaan.

Zij liet een zachten kreet van blijdschap hooren, daar, op het

zijspoor, stond een trolley, een van die kleine wagentjes op

spoorwielen, welke met behulp van een hefboom, zooals die, waarmede men

handbrandspuiten aan het werk zet, in beweging kunnen worden gebracht.

De afstand bedroeg niet meer dan twintig meter—maar zij liep gevaar,

onderweg daarheen te worden getroffen door den bandiet, die in het

boschje verscholen zat.

En toch was het de eenige weg.

Zij mocht niet aarzelen.

Op handen en voeten kruipend, zorg dragend, dat zij het hoofd niet

boven het lange gras uitstak, sloop zij naar de spoorbaan.

Toen zij de grens van de weide bereikt had, stond zij eensklaps op, en

rende zoo hard zij kon naar de trolley.

Zij sprong er op, maakte den ketting van den hefboom los, en begon de

handgreep op en neer te bewegen.

Die eerste seconden zouden over leven en dood kunnen beslissen, en zij

leken haar uren.

De man in het boschje had haar zeker niet op die plek verwacht want het

duurde een paar tellen, voor hij haar zag, en toen hij schoot was de

trolley reeds in beweging.

Jessie was op de hurken gaan zitten, om zoo weinig mogelijk van haar

lichaam als doelwit bloot te stellen.

Het was zeer vermoeiend en lastig, om in die houding den hefboom op en

neer te bewegen.—Maar het moest!

Het wagentje kreeg hoe langer hoe meer vaart.

De bandiet had reeds tweemaal geschoten en een der beide kogels was met

een harden tik tegen een der wielen afgeschampt.

Maar nu kwam de trolley achter het huis vandaan, en de overige

bandieten, achter den heuvelkring zouden haar te zien krijgen.

Tot haar groot geluk schenen de kerels juist krijgsraad te houden, op

de andere helling van den heuvel, zoodat zij de spoorbaan niet konden

zien.

De trolley kreeg steeds grooter vaart, maar toen Jessie zich eindelijk

durfde oprichten, en steeds den hefboom neerduwend en optrekkend, een

blik achter zich wierp, zag zij, dat de bandiet, die in het boschje

verscholen was geweest, zijn paard had bestegen, en haar nu in

vliegenden galop achterna zette.

Hij dreef zijn paard tegen de flauwe helling van de spoorbaan op, en

joeg het nu tusschen de glinsterende rails voort.

Jessie was ongeveer tweehonderd meter voor hem uit, en spande zich tot

het uiterste in, om dien afstand te bewaren.

Tot haar schrik zag zij, dat de spoorlijn hier langzaam begon te

stijgen.

Het paard zou van die geringe stijging weinig gevoelen, maar de trolley

des te meer.....

Jessie rukte aan den hefboom, zoo snel zij maar kon.

Door de snelle en inspannende beweging was haar overvloedig haar

losgegaan en nu en dan moest zij het uit de oogen strijken om te kunnen

zien.

Boven het snorren van de wielen uit, hoorde zij reeds het tikken van de

paardenhoeven op het versche grint tusschen de rails.

De bandiet had zijn geweer in den holster naast het zadel laten

glijden, en tastte nu naar zijn revolver.

Want de afstand was tot niet meer dan honderd meter op zijn hoogst

verminderd......

Juist toen de kerel voor de eerste maal schoot, had de trolley den top

van de flauwe helling bereikt, en tot haar vreugde bemerkte Jessie, dat

de lijn nu even langzaam weder daalde.

Dat was dadelijk te merken aan de vaart, waarmede de trolley nu

voorwaarts stoof, en het meerdere gemak waarmede zij den hefboom kon

hanteeren.

De bandiet schoot voor den tweeden keer, na zijn paard met een woesten

ruk tot stilstand gedwongen te hebben.

Hij hoopte zeker, aldus beter te kunnen mikken.

De kogel boorde door de dikke strengen van haar loshangend haar, met

een mat geluid als van een zwakken zweepslag.

Steeds verder verwijderde de trolley zich van den ruiter.

Deze wilde nog een laatste poging doen, en dreef zijn paard met een

woesten kreet opnieuw aan.

Maar hij had nog geen tien meter afgelegd, of het dier struikelde over

een grooten, ronden keisteen.

Het stortte op de knieën en wierp den man uit het zadel.

Hij bonsde met het hoofd tegen de rails en bleef bewegingloos liggen,

terwijl het bloed uit een zware hoofdwond gutste.

Jessie, die voortdurend had omgezien, slaakte een luiden kreet.

Dat deed zij niet, omdat de bandiet van zijn paard was gestort, dat met

gebroken poot zachtjes hinnikend op het spoor lag, maar omdat zij, op

geen twee mijlen afstand achter zich, en juist ter hoogte van het

blokhuis, een rookpluim boven den heuvel op zag stijgen.

Die rook kwam uit de pijp van de locomotief, welke den sneltrein trok,

die daar in pijlsnelle vaart naderde, om zich naar Lime Beach te

begeven, waar hij het eerst zou stoppen......

HOOFDSTUK V.

EEN ONVERWACHT WEDERZIEN.

Raffles, Charly en Henderson hadden met hun vrij omvangrijke bagage

plaatsen genomen in den sneltrein, die hen naar een plaats dicht bij de

stad Serati zou brengen, waar hun vliegmachine bewaard werd, en vanwaar

zij weder naar Engeland zouden terugkeeren.

De nieuwe lijn was nog maar zeer kort en Raffles zou er waarschijnlijk

geen gebruik van hebben gemaakt, maar te paard gereisd hebben, ware het

niet, dat hij eens kennis wilde maken met het nieuwe traject.

Eenmaal te Serati, zouden zij het stofgoud te voorschijn halen uit de

veilige schuilplaats, waar zij het hadden verborgen, en dan stond niets

meer hun terugkeer naar Londen in den weg.

De wagens van den trein waren splinternieuw, en zij waren zoo goed in

de veeren opgehangen, dat men van schokken zoo goed als niets merkte.

Ook de snelheid was zoo groot, als men die op de groote Amerikaansche

lijnen maar zou kunnen wenschen.

De lijn liep door een van de schoonste streken van Alaska, en spoedig

zou het hier zeker wemelen van hoeven, en welvarende dorpen zouden uit

den bodem rijzen, terwijl zij er thans nog maar sporadisch voorkwamen.

De trein naderde nu de hoeve van Tom Hatters, en Raffles en Charly

gingen naar het uitkijkplatform van hun wagen, in de hoop, dat zij nog

een glimp van hun vriendelijke gastvrouw en haar man zouden kunnen

opvangen, al passeerden zij het huis ook aan de achterzijde.

Zij zagen evenwel niets, en het huis leek wel uitgestorven te zijn.

Maar eensklaps riep Charly uit:

„Kijk eens—wat is dat? Die bruine vlek daar, dicht bij den voet van den

spoordam? Het lijkt wel een dood paard!”

Raffles kneep zijn oogen half dicht en antwoordde toen:

„Je hebt gelijk—het is een bruin paard—en wat— — —wat beteekent dat?

Het is Bessy, de bruine merrie van Jessie Hatters!”

Een oogenblik keken de beide vrienden elkander vragend aan, en toen zij

weder naar de bruine vlek keken, was de trein de plek al voorbij

geraasd.

„Ik kan niet zeggen, dat dat mij bevalt,” bromde Raffles voor zich

heen. „Hoe komt dat paard daar—dood of zwaar gewond?”

„Misschien is het bij ongeluk gestort of heeft het een poot gebroken,”

meende Charly.

„Maar Jessie was heelemaal niet voornemens dezen middag te paard er op

uit te trekken,” riep Raffles uit. „Neen, ik vrees dat hier iets anders

achter schuilt.”

Hoofdschuddend verliet hij het platform weder en begaf zich, door

Charly gevolgd, weder naar de coupés.

Maar nauwelijks vijf minuten later werden de remmen zoo sterk

aangedraaid dat de reizigers door elkaar dreigden te rollen.

Raffles wierp een blik door het portierraampje.

Het spoor maakte hier een flauwe bocht, en op ongeveer twee honderd

meter voor den trein lag iets over het spoor heen, en nog wat verder

stond een trolley en daarop had een jonge vrouw zich in haar volle

lengte opgericht en zwaaide met een rooden lap—een halsdoek of iets

dergelijks.

„Maar dat is Jessie!” riep Charly verwonderd uit, die naast Raffles was

komen staan.

„Ja, zij is het, hoe komt zij hier—wat doet zij hier, en wat is dat

zwarte ding dat over de rails ligt?”

„Een paard!” antwoordde Charly. „Nog een paard dus!”

De trein had zijn vaart aanzienlijk verminderd en op ongeveer 20 meter

voor het gevallen dier stond hij stil.

Overal kwamen hoofden naar buiten steken, die van dit oponthoud midden

in de vlakte niets begrepen.

De hoofdconducteur sprong uit den bagagewagen en liep naar de

locomotief om den machinist te vragen wat er gaande was.

Maar daarbij kreeg hij de trolley en Jessie in het oog en het lichaam

van een zwaar gewond man, uit wiens voorhoofd donkerrood bloed

stroomde.

Jessie was doodsbleek van de trolley gekomen, den rooden doek nog

steeds in de hand en liep toen snel op den hoofdconducteur toe, die nu

pas besefte, aan welk groot gevaar de reizigers ontkomen waren, daar de

mogelijkheid volstrekt niet was buitengesloten, dat de trein zou zijn

ontspoord, als de locomotief tegen het lichaam van het paard was

aangereden.

Onder de passagiers die den trein verlaten hadden bevonden zich ook

Charly en Raffles, die haastig op de jonge vrouw toeijlden.

„Wat is er toch gebeurd?” riep Charly, terwijl hij het jonge vrouwtje

dat van opwinding beefde de hand toestak.

„Ons huis is door bandieten aangevallen, mijnheer—ik wilde met Bessy

hulp gaan halen in Lime Beach, zij hebben mijn paard onder mij

neergeschoten en toen zag ik de trolley staan op het zijspoor, dat zich

niet ver van ons huis met het hoofdspoor vereenigt.

„Een der bandieten zette mij achterna—en toen hij mij bijna had

ingehaald gleed zijn paard uit over een ronden keisteen en wierp hem

af. Hij kwam met het hoofd tegen de rails terecht—en het paard viel met

gebroken poot dwars over het spoor.

„Ik keerde dadelijk zoo ver mogelijk terug, omdat ik de rookpluim van

de locomotief zag en gaf het onveilige sein met mijn rooden halsdoek.”

„Gij hebt u kranig gehouden!” riep de hoofdconducteur uit, die de

uiteenzetting mede had aangehoord.

„De bandieten belegeren dus nog altijd uw huis?” vroeg Raffles.

„Ja, mijnheer, en ik smeek u om in Lime Beach, zoodra de trein daar is

aangekomen, hulp te gaan halen. Gij behoeft slechts naar den Sheriff te

gaan, dien wij goed kennen, Tom en ik, en hij zal dadelijk met een

tiental van zijn jongens komen opdagen”

„De boodschap zal gedaan worden, Madame—maar niet door ons!” antwoordde

Raffles. „Wij keeren nu aanstonds met u terug, want als wij het goed

begrijpen, dan strijdt Tom op dit oogenblik geheel alleen tegen een

groote overmacht.”

„Er zijn minstens tien mannen, mijnheer. Een was er buiten gevecht

gesteld, toen ik wegging. En Dolly Patterson is er ook bij!”

„Wat zegt gij daar? Is zij dus ontsnapt?” riep Charly uit.

„Ja, zij was de zwerver, dien gij eergisteren bij het thuiskomen van de

jacht niet ver van ons huis zijt tegengekomen.”

„Ik vertrouwde dien kerel niet van het eerste oogenblik, dat ik hem

zag,” hernam Raffles. „Maar dat had ik toch niet gedacht. Nu, wij

zullen geen tijd verliezen met praten,—wij keeren dadelijk met behulp

van de trolley naar uw huis terug, waarvan wij hier ongeveer 8

kilometer verwijderd zijn.”

Hij wendde zich tot den hoofdconducteur, en vervolgde:

„Wij kunnen er zeker op rekenen, dat gij dadelijk bij aankomst van den

trein een boodschap stuurt naar den Sheriff?”

„Dat kunt gij aan mij overlaten, mijnheer,” riep de hoofdconducteur

uit. „Wij zullen die kerels tien van onze jongens op hun dak sturen.”

Intusschen waren de machinist, de stoker, en eenige conducteurs bezig

het lichaam van het gewonde paard van de rails te sjorren.

De zwaar gewonde bandiet werd in den trein gedragen, en tenslotte werd

de trolley op het terug gaande spoor over gebracht, zoodat de trein

zijn weg kon vervolgen.

Maar eerst was Charly James Henderson gaan waarschuwen—en daar stonden

de drie mannen naast het spoor, duchtig gewapend, maar zonder een enkel

stuk bagage, die zou mede gaan naar Lime Beach.

Een schel gefluit klonk en de trein zette zich langzaam in beweging.

De wielen draaiden al sneller en sneller en de trein reed weg om in een

dollen rit den verloren tijd weer in te halen.

Raffles en zijn metgezellen waren op de trolley toegestapt en Henderson

greep den hefboom.

De eerste wendde zich tot Jessie, en zei glimlachend:

„Dat is een wederzien, madame, waarop wij geen van allen hadden durven

hopen.”

„Maar u doet veel meer voor ons, mijnheer, dan wij u ooit kunnen

vergelden,” riep Jessie met tranen in de oogen uit. „Wij sturen al uw

plannen in de war.”

„Ik verzeker u dat wij allen drie zeer gesteld zijn op zulke

onverwachte intermezzi—niet waar Henderson?” zoo wendde hij zich met

een knipoogje tot zijn trouwen chauffeur.

„Ik voor mij zou geen dag kunnen leven, zonder minstens een paar

bandieten neer te leggen!” riep Henderson op gullen toon. „Ik verzeker

U, madame, dat het niets dan een aangename ontspanning voor ons is.”

„Gij hoort het,” hernam Raffles glimlachend. „In ernst, wij konden toch

onmogelijk toelaten, dat uw man daar wellicht wordt afgemaakt door die

schurken, terwijl wij er iets aan konden doen.”

Henderson had de trolley reeds in beweging gebracht en zijn gespierde

armen brachten den hefboom zoo snel in beweging, als twee zuigerstangen

het ter nauwernood hadden kunnen doen.

De trolley reed over de rails met een vaart van bijna 50 kilometer in

het uur, en de personen, die zich op het kleine wagentje bevonden,

moesten zich goed vasthouden aan de vier ijzeren stangen op den hoek om

er niet af te tuimelen.

Er waren nog geen tien minuten verstreken of het scherpe oor van

Raffles ving den knal van een geweerschot op, dat nog drie maal

herhaald werd.

Het was nu zaak om voorzichtig te zijn, want aanstonds zouden zij in

het gezicht van de bandieten komen, wier stelling de jonge vrouw hun

had aangeduid.

Henderson bracht dus de trolley tot stilstand, achter een groepje

dichte heesters en het viertal sprong van het wagentje, en daalde langs

de helling van den spoordam naar de vlakte af, het geweer in den

aanslag en zorgvuldig om zich heen spiedend.

„Daar is de heuvelkring, waarachter zij verborgen zijn, mijnheer,”

zeide Jessie op zachten toon, terwijl zij met uitgestrekte armen naar

den top van de lage heuvels tegenover het huis wees, waarvan op deze

plek alleen het bovenste gedeelte was te zien.

„Dan zullen wij hen in den rug trachten te komen,” zeide Raffles

kortaf. „Zij zijn natuurlijk te paard gekomen?”

„Ja.”

Zooveel mogelijk dekking zoekend tegen de hooge heesters, waarvan de

takken nog kaal waren, en het prairiegras dat reeds welig begon op te

schieten, slopen de vier voort teneinde achter de belegeraars te komen.

Het was een vrij lange tocht, want zij moesten, trachten buiten het

gezicht van de bandieten te blijven.

Na een half uur hadden zij den bodem van een soort dalkom bereikt, en

Charly bood zich aan, naar boven te kruipen, en de omgeving op te

nemen.

„Dat is goed,” zeide Raffles op zachten toon. „Als je iets ziet, en het

is veilig dan wenk je ons en wij zullen ons bij je voegen.”

Charly begon door het lange gras naar boven te klauteren, en hief toen

voorzichtig het hoofd op.

De achter geblevenen zagen hem eenigen tijd rondkijken en toen hief hij

de hand op en wenkte hen, om snel naderbij te komen, waarop hij zich

dadelijk plat in het gras wierp.

Zoodra de anderen zich bij hem hadden gevoegd, zeide Charly op

fluisterenden toon:

„Daarginds, op een open plek, is een man bij de paarden van de

bandieten, een tiental zou ik zeggen.”

„En zijzelven?”

„Ik kan hen niet zien, maar ik geloof wel te weten, waar zij zijn, want

je kunt hen hier duidelijk hooren schieten. Ik kan ook het dak van het

huis zien.”

„Dan moet het eerst die man bij de paarden onschadelijk worden

gemaakt,” zeide Raffles, „en wel zonder gerucht te maken om de anderen

niet ontijdig te waarschuwen.”

„Dat zal niet zoo gemakkelijk gaan—als er niet geschoten mag worden,”

hernam Charly, „want de plek is geheel open en de man zou ons dadelijk

hooren aankomen.”

Henderson die even had nagedacht, vroeg nu:

„Hoe dicht denkt gij dat wij dien kerel kunnen naderen, mijnheer Brand,

zonder dat hij het merkt?”

„Tot op ongeveer tien meter—dichter zeker niet.”

„Dat is ruim voldoende!” kwam Henderson tevreden.

„Waarom? Wat wil je dan doen?” vroeg Charly.

„Ik zal hem eenvoudig met de lasso vangen, mijnheer Brand,” antwoordde

de reus. „Dat maakt geen leven, en het is afdoende. Ik zal eens zien of

ik nog wat ken van mijn vroegere kunsten als cowboy. Madame Jessie, mag

ik u verzoeken om de lasso, die gij daar bij u hebt?”

De jonge vrouw ontdeed zich dadelijk van het zorgvuldig opgerolde

koord, dat zij bij wijze van een bandelier over den schouder droeg en

reikte het Henderson toe.

„Het is een lasso van 15 meter, mijnheer,” zeide zij.

Lord Lister No. 0336: Een avontuur in Alaska · 第 2 / 4 段