Het was nog slechts weinige maanden geleden, dat die naam bij herhaling

genoemd werd in de Amerikaansche bladen, ten tijde van het bloedbewind

van het „Kwade Oog”, die vreeselijke misdadigersbende, welke weken

achtereen geheel New-York in angst en vreeze had gehouden, en aan welks

bestaan juist John Raffles een eind had weten te maken.

Dat alles was Tom bekend, want hij kwam des zomers vaak in de groote

plaatsen, waar men de voornaamste bladen uit New-York ontving, al was

het dan soms een volle maand na hun verschijning.

Jessie was op hem toegetreden en sloeg nu haar mooie armen met een

liefkozend gebaar om zijn hals.

„Zeg, Tom,” begon zij, „dat mag toch niet? Dat mogen wij toch niet

dulden?”

„Maar als die man werkelijk John Raffles is, dan....” kwam Tom

aarzelend.

„En wat zou dat dan nog?” riep Jessie met vuur uit, en haar wangen

gloeiden. „Verandert dat dan iets aan het feit, dat wij het aan hem, en

aan hem alleen te danken hebben, dat wij nu hier samen in ons lief huis

wonen, dat wij leven? Vergeet je dat, Tom? Vergeet je dat?”

„Neen, mijn meisje, natuurlijk vergeet ik het niet,” antwoordde Tom.

„Hij heeft zich edel jegens ons gedragen, en als hij er niet geweest

was, dan lagen nu onze beenderen te bleeken op den top van den heuvel

dicht bij Pine Creek.”

„Zoo is het!” riep de jonge vrouw op hartstochtelijken toon. „En daarom

moeten wij hem redden voor het te laat is. Het is onze plicht! Al ware

hij duizend maal die geheimzinnige gentleman-inbreker van wien je mij

wel eens verhaald hebt, dan nog mochten wij geen oogenblik aarzelen,

nooit, zoo iets zou ik mij zelf nooit kunnen vergeven, als wij hem nu

aan zijn lot overlieten.”

Nog even scheen Tom te weifelen.

Toen barstte hij uit:

„Je hebt gelijk, Jessie. En ik had niet zoolang moeten aarzelen, wie

hij ook zijn moge, hij redde ons het leven, en maakte ons gelukkig, wij

zullen alles doen om hem te redden, maar, hoe zullen wij dat doen?”

„Luister, Tom,” zeide Jessie. „Jij kent hier honderden mijlen in het

rond alle sluipwegen, en de politie niet, want zij komt maar zelden

hier, en weet alleen de voornaamste paden. Wij volgen een van die

wegen, en zorgen dat wij hen voorkomen, zij moeten naar Serati, zei ik

je, en de weg is te lang, om dien in een enkelen nacht te doen, vooral

daar hun paarden al vermoeid zijn.”

Zij sprak haastig en de woorden kwamen stootend over haar bleeke

lippen.

„Ik zal mij in mannenkleederen steken, en wij binden een zakdoek voor

het gelaat, voor het geval wij soms mochten worden gezien. Maar dat

moeten wij trachten te vermijden. Wij nemen handpaarden mede, en in de

duisternis zullen wij hun banden losmaken, als zij ergens kampeeren, en

met de paarden kunnen zij dan verder gaan. Ik meen dat hier ergens hun

wonderlijke vliegmachine is onder gebracht.”

„Ja, te Serati,” kwam Tom, die aandachtig had geluisterd.

„Laten wij dan voortmaken, het begint al te schemeren,” hernam Jessie,

die door een zonderlinge onrust aangegrepen scheen te zijn, en het

denkbeeld niet kon verdragen dat de mannen, die hun leven voor haar en

Tom gewaagd hadden, nu groote kans liepen, in een gevangenis terecht te

komen.

Zij verloren nu geen tijd meer, en maakten alles voor de gevaarlijke

onderneming in gereedheid, welke, als zij mislukte, hen zelve in groot

gevaar zou kunnen brengen.

Jessie ging spoedig eenige kleederen van Tom aantrekken terwijl deze in

den stal de drie paarden ging zadelen, en er toen nog twee van de

bandieten ging opvangen, die in de buurt van het blokhuis liepen te

grazen. Bessy, de gewonde merrie, was uit eigen beweging overeind

gekrabbeld, en naar den veiligen stal gehinkt, maar het dier was

voorloopig niet te berijden.

De zon was reeds ondergegaan, toen de beide jonge lieden met hangenden

teugel over de vlakte galoppeerden, in de richting van Serati.

Spoedig week Tom van den hoofdweg af, en beiden volgden nu een smal

pad, dat eerst vele tientallen mijlen verder weder op den hoofdweg

uitkwam.

Zonder ophouden renden zij voort, terwijl de duisternis zich over het

land vlijde.

De handpaarden, waarvan Tom er twee, Jessie een aan den teugel voerde,

liepen gedwee mede.

Zij waren gezadeld en getoomd, en aan den zadelknop van ieder paard

hing een geweer met een voorraad patronen.

Eindelijk, omstreeks tien uur in den avond, bereikten zij den hoofdweg

weder.

Zij konden er zeker van zijn, dat zij den sheriff en zijn gevangenen nu

een paar mijlen op zijn minst voor waren.

Het struikgewas terzijde van den rullen weg was nog weinig dicht maar

iets verder op teekende zich de omtrek van een boschje af, ongeveer

twee kilometer breed en lang.

„Als zij werkelijk kampeeren, en niet aan een stuk doorrijden, wat mij

zeer onwaarschijnlijk voorkomt, dan zullen zij wel beschutting zoeken

onder die boomen,” zeide Tom op fluisterenden toon. „Laat ons nog wat

verder gaan.”

Zij dreven de paarden opnieuw aan, en bereikten den zoom van het bosch,

waar het zoo stikdonker was, dat alleen een ervaren woudlooper als Tom

Hatters er den weg kon vinden.

Hier stegen zij af, en brachten de paarden een eind van den weg, in het

dichtst van het kreupelhout.

En toen wachtten zij.

Een kwartier verstreek.

Toen ving het scherpe oor van Tom in de verte het doffe geluid van

hoefslagen in het rulle zand van den hoofdweg op.

„Daar zijn zij,” fluisterde hij. „Laten wij ons nu onherkenbaar maken.”

Zij bonden zich den halsdoek voor het benedenste gedeelte van het

gelaat, en trokken zich van den rand van den weg terug.

Tien minuten later reed een troep van ongeveer zestien man het bosch

binnen.

Tom hoorde dadelijk aan het geluid van de hoefslagen, dat de paarden

vermoeid waren.

Dat was een voordeel, want hun eigen paarden waren nog zoo goed als

versch.

Nog eenige meters, en toen steeg de troep af, op een kort bevel van den

sheriff, die aan het hoofd had gereden.

De paarden werden van de zadels ontdaan, en bijeen gedreven terzijde

van den weg, en daar vastgebonden.

De gevangenen kregen bevel, zich op den grond uit te strekken, en twee

mannen plaatsen zich bij hen met de revolver in de vuist.

De anderen begonnen een vuur aan te leggen, want het was des nachts nog

bitter koud, of richtten tenten op welke de manschappen van den sheriff

te Lime Beach hadden gehaald, welke plaats op hun weg naar Serati lag.

Daar ook waren de overige van den troep achter gebleven, daar de

sheriff het vervoer van zijn gevangenen, gemakkelijk met vijf man

meende te kunnen opknappen.

Dolly, Pat O’Kelly en de derde bandiet waren te Lime Beach achter

gelaten, om vandaar naar Cedar Tree terug te worden gebracht, vanwaar

zij uit de gevangenis ontsnapt waren.

Van de plek, waar de kleine troep kampeerde, tot Serati was nog

omstreeks zestig mijlen.

Tom en Jessie konden, van de plek waar zij zich verscholen hadden,

duidelijk al deze toebereidselen zien.

Het vuur laaide reeds hoog op, en de levensmiddelen werden te

voorschijn gehaald.

Bij het schijnsel van het vuur konden Tom en Jessie zien, hoe de

sheriff zich tot zijn gevangenen wendde, en een oogenblik later aten

deze, zoo smakelijk, alsof zij zich in een eetzaal van een restaurant

bevonden, maar zij aten niet allen te gelijk, dat vond de sheriff,

blijkbaar een voorzichtig man, wat al te gewaagd.

Van den een na den ander werden de touwen losgemaakt, die hun polsen

omklemd hielden en een voor een aten zij.

Daarna werd er een man bij de paarden geplaatst, die over eenige uren

wel zou worden afgelost, en nog twee man bij de gevangenen.

De anderen kropen in de tent.

En toen werd het stil.

Even later klonk de blazende schreeuw van een civetkat door de

nachtelijke stilte.

Het was Tom, die den kreet had laten hooren.

Hij wist, dat Raffles dien kreet zou herkennen, want menigmaal hadden

zij elkander met dien schreeuw gewaarschuwd, als zij op de jacht een

weinig van elkander waren afgeraakt.

Misschien begrepen de gevangenen nu wel, dat er vrienden in de buurt

waren.

De bewakers der drie mannen onderhielden het vuur, door er van tijd tot

tijd droge takken op te werpen.

Een paar uren verstreken, en toen begrepen Tom en Jessie, dat het

oogenblik om te handelen was aangekomen.

Zij slopen omzichtig vooruit, naar de plek waar de paarden waren

vastgebonden, de bewaker leunde tegen een van de dieren aan, met de

armen over de borst gekruist en het hoofd gebogen, het leek wel, of hij

sliep.

Zonder eenig gerucht te maken, kroop Tom op handen en voeten naderbij,

en toen onder het paard door, dat diep in slaap was, en zich in het

geheel niet bewoog.

Hij wierp van onder den buik van het dier een blik op den gordel van

den man, die er tegen aanleunde, de revolver stak in den holster.

Met een beweging, vlugger dan het weerlicht, had Tom de revolver uit de

tasch getrokken, en tegelijkertijd was hij op de been, en hield den

onthutsten schildwacht zijn eigen wapen onder den neus.

„Geen beweging, of het zal je berouwen,” fluisterde Tom van wiens

gelaat niets anders te zien was dan de oogen, die dreigend glommen in

den gloed van het kampvuur. „Je handen op!”

De handen van den man gingen de hoogte in.

Jessie, die snel naderbij was gekomen, begon met den man een doek in

den mond te duwen, waarop zij hem snel en handig de armen op den rug

bond, en tenslotte zijn beenen stevig kluisterde.

Dit alles had nauwelijks eenige minuten geduurd.

Tom tilde den man op, en legde hem achter den stam van een dikken boom.

Daarop wendden zich de twee naar het kampvuur.

Op nog geen tien meter afstand hielden zij stil.

De gevangenen schenen te slapen maar de bewakers waren klaar wakker,

zij speelden kaart.

Maar opeens gebeurde er iets, waarop Tom en Jessie zeker niet verdacht

waren geweest.......

De grootste van de drie gevangenen, de reus die zij den naam James

hadden hooren geven, hief eerst voorzichtig het hoofd op, en scheen

even te luisteren.

Uit de tent klonk het zagend geluid van twee snorkende mannen.........

Toen hief hij zich op, en Tom en Jessie zagen tot hun verbazing, dat

zijn handen niet langer op zijn rug waren vastgebonden—de reus was er

zeker in geslaagd, zich van zijn banden te ontdoen.

Hij sloop nu achter de beide kaartspelers, en zoo bliksemsnel stortte

hij zich op hen, dat zij zelfs geen gelegenheid kregen, een zucht te

slaken.

Hij had hen beiden met zijn geweldige handen in den nek genomen, en hen

zoo vlug met het gelaat voorover in het mos van den bodem gedrukt, dat

zij geen kik konden geven.

Tom en Jessie zagen, hoe nu ook de beide anderen worstelden om los te

komen, en zij aarzelden niet langer.

Binnen eenige tellen waren zij op de plek, waar het kampvuur langzaam

begon uit te dooven.

Tot groote verbazing van Henderson, die hen niet had hooren aankomen,

bonden zij een van de spartelende mannen met een stuk van een lasso de

armen stijf tegen het lichaam, terwijl Jessie den man met de revolver

in bedwang hield.

Vervolgens werd hetzelfde gedaan met den anderen man, en tenslotte

kregen zij beiden een prop in den mond.

Jessie snelde naar de beide Engelschen, die zich nog niet van hun

touwen hadden kunnen bevrijden, en sneed die met haar scherp jachtmes

door.

Raffles begreep volstrekt niet, wie die beide gemaskerde mannen konden

zijn, die hem en zijn metgezellen zoo onverwachts te hulp waren

gekomen, maar hij aanvaardde den bijstand dankbaar.

Alles was zoo snel en geruischloos in zijn werk gegaan, dat de beide

vermoeide mannen in hun tent, die zich op ongeveer vijf meter afstand

bevond, nog altijd doorsnurkten.

Tot dusverre was er ook geen woord gesproken tusschen de bevrijders en

de bevrijden.

Raffles en zijn metgezellen voelden zich nu bij den arm gegrepen, en

snel medegevoerd.

Allen slopen het bosch weder binnen, en begaven zich naar de paarden,

waar de gebonden man bezig was met vruchtelooze pogingen, zich van de

touwen te ontdoen, die hem bonden.

De paarden werden allen snel losgemaakt, en Tom voerde de dieren bij

den teugel naar de plek, waar hij zijn eigen paarden had achtergelaten.

In een oogwenk waren allen in het zadel, en een enkel klappend

tonggeluid van Tom was voldoende om de paarden van den sheriff te

bewegen, uit zich zelf mede te loopen met de anderen.

Zwijgend traden allen snel het bosch uit, en daarna begon de tocht over

de vlakte, en langs de boschwegen, welke Tom alleen kende.

Nog altijd was er geen woord gesproken.

Twee uur later ging de zon op.

Met een ruk hield Tom zijn paard in, en dadelijk stonden alle anderen

stil.

De paarden van de politiemannen werden met den kop naar den kant

gedraaid van waar zij gekomen waren, en een enkele klap op de bil was

voldoende, om hen weder terug te doen draven.

Op dat oogenblik verlichtten de eerste stralen van de zon het

landschap.

De leeuwerik steeg op en vervulde de lucht met zijn jubelenden kreet.

Een oogenblik keken Tom en Jessie de bevrijde mannen aandachtig aan, en

toen maakten zij langzaam den zakdoek los, die den onderkant van hun

gezicht had verborgen.

„Tom! Jessie!” riep Raffles uit, meer ontroerd dan hij wilde laten

blijken.

„Ja, mijnheer, wij zijn het,” antwoordde Tom, met trillende lippen,

„wij wilden niet ondankbaar zijn, en ...........”

„En daarom hebt gij u aan het grootste gevaar bloot gesteld om ons te

redden,” vulde Charly den zin aan, terwijl hij het hoofd boog, en het

vermeed, de jonge vrouw in de reine oogen te zien.

Raffles was zeer bleek geworden, en zeide nu op doffen toon:

„Gij vermoedt nu zeker, wie en wat wij zijn, nietwaar?”

„Dat raakt ons niet, mijnheer,” riep Jessie op hartstochtelijken toon.

„Gij moogt wezen wie en wat gij wilt, tegenover ons hebt gij allen

gehandeld als gentlemen, als dappere edelmoedige mannen, ik......... ik

wil u een hand geven......”

Met iets als een snik boog Raffles zich snel over het kleine, gebruinde

handje, dat hem over den fraaien hals van Jessie’s paard werd

toegestoken, en wat hij te Londen nimmer deed als Lord Aberdeen, dat

deed hij hier in de wildernis, hij kuste dat handje, gehard door

eerlijken arbeid.

Toen hij zich weder oprichtte, lag er dezelfde harde trek van vroeger

op.

Zijn stem echter had een omfloersten klank, toen hij zeide:

„Eens zult gij wellicht alles begrijpen—en mij op een andere wijze

beoordeelen—dan de anderen het meestal doen.”

„Wij zullen ons u altijd herinneren als een edelman,” was alles wat Tom

zeide.

„Maar nu moogt gij niet langer hier blijven, onze wegen scheiden hier.

Het is nog twee uur rijden tot Serati en gij kunt u niet meer

vergissen, volg slechts dezen breeden zandweg, den telegraaf kan u niet

inhalen, want die is hier niet, en de sheriff heeft in de eerste uren

geen paarden. Gij zijt dus vrij en kunt van Serati vertrekken met uw

vliegmachine.”

Eenige oogenblikken staarden de mannen elkander aan.

Toen wendde Raffles eensklaps den teugel en als een pijl uit den boog

vloog zijn paard over de vlakte in de richting van Serati.

En lang, lang keken Tom en Jessie, met tranen in de oogen, de weg

ijlende gedaanten na, tot zij verdwenen waren achter een

heuvelrug...........

Lord Lister No. 0336: Een avontuur in Alaska · 第 4 / 4 段