„Laat ik jullie zeggen, dat ik het niet alleen en zelfs niet

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 336 EEN AVONTUUR IN ALASKA.

EEN AVONTUUR IN ALASKA.

HOOFDSTUK I.

DE LIST EENER VROUW.

Buitengewoon lang had dat jaar de winter in Alaska geduurd, vooral in

de noordelijkste streken.

Maanden achtereen was de thermometer niet boven de veertig graden onder

nul gekomen, en de opbrengst aan vellen van hermelijnen, blauwvossen,

bevers, beren en andere pelsdieren, was buitengewoon groot geweest,

terwijl het bont van uitstekende kwaliteit was geweest.

Maar eensklaps, toen men reeds April schreef, was het weder omgeslagen

en uit het Zuiden woei luwe wind, die de sneeuwlaag snel deed smelten,

en de rivieren buiten hun oevers deed treden, die het overvloedige

smeltwater van de bergen bijna niet konden verzwelgen.

Het was plotseling Lente geworden, en zoo vlug was het gegaan, zoo warm

was het geworden, dat men zich in een tropisch klimaat zou wanen. Nog

nimmer hadden de ruwe bewoners in deze barre streken iets dergelijks

beleefd.

Overal schoten de voorjaarsbloemen uit den bodem, die nog pas weinige

dagen geleden met een decimeter dikke laag sneeuw was bedekt, de

twijgen van de sparren en dennen botten uit, en een zoete geur vervulde

de heerlijk blauwe lucht.

Op de heuvels en de bergen lag nog sneeuw, maar in de dalen bloeide en

groeide het reeds, en wild bruischend stroomden de rivieren, terwijl de

vele watervallen zich met donderend geweld van de hooge rotsen

stortten.

De sleden werden opgeborgen, en men begon de paarden uit de stallen te

halen, die des winters een gemakkelijk leventje hadden, daar dan hun

werk door de sterke trekhonden werd gedaan.

Ook de sneeuwschoenen hadden voorloopig weder afgedaan, evenals de

vetlederen laarzen, en de dikke pelsen.

Het was omstreeks elf uur in den avond.

In de nederzetting aan de Tanana, een zijrivier van de machtige Jukon,

welke niet meer dan veertig mijlen van Seratie is gelegen, en welke den

naam Cedar Tree draagt, hadden alle bewoners zich reeds ter ruste

begeven.

Het is een der grootste nederzettingen in dit gedeelte van Alaska, en

het dorp is zeer trotsch op het bezit van iets zeer bijzonders in dit

land—een steenen huis.

Dat was het Gemeentehuis, en het was nog niet eens geheel van steen,

daar de eenige verdieping uit houten balken was opgetrokken.

Alle andere huizen waren van hout, en lagen, wegens het brandgevaar,

vrij ver uit elkaar.

Ook de kleine gevangenis was uit hout opgetrokken.

Zij lag op de grens van het dorp, dat ongeveer twee duizend inwoners

telde, wat zeer veel is in dit gebied.

De wanden bestonden uit vierkant gekapte boomstammen, stevig op elkaar

bevestigd, en het gebouw was ongeveer vijftien meter lang, en tien

meter breed.

Steeds liep een schildwacht om het huis, met de karabijn over den

schouder.

In een der cellen zat een nog jonge vrouw, die daar vijf dagen geleden

was binnengebracht, met nog een zestal anderen.

Zij was te Pine Creek, een nederzetting op een dertigtal mijlen van

Cedar Tree gelegen, met die zes mannen gevangen genomen en wij zullen

spoedig zien, om welke reden dit geschied was.

De vrouw had groote, zwarte oogen, waar nu een somber vuur uit gloeide,

en glanzend, blauw-zwart haar, dat in een dikken wrong boven op haar

hoofd was bevestigd.

Zij droeg nog haar winterkleederen, want toen men haar arresteerde, was

het nog bitter koud.

Haar voeten waren in met bont gevoerde, hooge laarzen gestoken, en zij

had een wollen trui aan, met lederen riempjes versierd.

Zij zat op een lage kruk, die dicht bij het bed was geschoven, dat

slechts uit een stroomatras en een paar dekens bestond.

Tegen de zoldering bevond zich het kleine raam, dat van stevige tralies

was voorzien.

De deur, van dikke houten balken gemaakt, was met ijzer beslagen.

Dolly Patterson—zoo was de naam van de gevangene—had reeds een uur in

dezelfde houding gezeten, roerloos, met starenden blik.

En nu begon zij in zich zelf te spreken.

„Ik moet hier uit! Tot iederen prijs moet ik hier uit. Wreken wil ik

mij op die vervloekte Engelschen, die mij hier in hebben gebracht, en

die Pat O’Kelly hier eveneens hebben doen belanden. En niet alleen op

hem wil ik mij wreken—ook op Jessie Barry en haar minnaar, dien

ellendigen Tom Hatters! Hij is het geweest, die mijn vriend Mike

Penalty heeft gedood!”

Zij bleef even in gedachten voor zich uitstaren, en ging toen op half

fluisterenden toon voort:

„Als Mike niet zijn zinnen had gezet op die meid, die Jessie, dan zou

dit alles niet gebeurd zijn—dan zouden die vreemdelingen uit Londen hun

hulp niet aan Tom Hatters hebben geboden—dan zouden zij ons niet

achtervolgd hebben, toen Mike met mijn hulp Jessie Barry had

ontvoerd—en dan zou Mike niet gedood zijn in het gevecht, dat hij met

Tom had! Maar dat is niet alles. Niet daarom alleen wil ik mij wreken.

Ik had Pat O’Kelly tot opvolger van Mike gekozen—en die reusachtige

kerel, die bij de Engelschen was, heeft hem behandeld als een ondeugend

kind, en hem in een hoek van het danshuis te Pine Creek geworpen, alsof

hij een baal vuil goed geweest ware! En toen wij hem er bijna onder

hadden, toen hij al zijn schoten had afgevuurd, die er op zijn revolver

zaten—toen kwamen die vervloekte Engelschen weder opdagen—en met hen de

bereden politie en wij waren er bij! Ontvoering van een onmondig jong

meisje—weet ik, hoe die lui het noemden—manslag en de rest! En hier zit

ik nu, tot zij mij voor den sheriff sleepen—mij en Pat en de anderen.

Maar daar zullen wij het niet op aan laten komen—ik moet hier uit—en ik

zal hier uit!”

De zwarte oogen van de vrouw flikkerden, terwijl zij dit zeide en zij

had haar vuisten gebald, tot de nagels haar in het vleesch drongen.

Haar gedachten gingen terug naar hetgeen er een paar weken geleden te

Meadow Hill en later te Pine Creek geschied was ......

In de eerst genoemde nederzetting woonde de predikant Richard Barry, en

zijn dochter Jessie was verloofd met den jongen pelsjager Tom Hatters.

Maar Mike Penalty, de minnaar van Dolly, had zijn blikken op het jonge

meisje laten vallen, en hij had haar door een lage list weten te

ontvoeren, waarbij zijn eigen minnares hem de behulpzame hand had

geboden.

Toen waren die twee Engelschen sportsmen verschenen, met hun

reusachtigen metgezel, die zooveel als hun bediende scheen te zijn, en

zij hadden Tom geholpen, om de ontvoerders van Jessie te achtervolgen.

Er was een gevecht gevolgd, en Mike en drie der kerels, die hem hadden

bijgestaan, hadden het onderspit moeten delven.

Dat was voorgevallen op den top van een hoogen heuvel, tamelijk dicht

bij Pine Creek.

En zij, Dolly Patterson, door haar wraakzucht gedreven, was daarheen

gesneld, en had een vijftigtal bandieten weten mee te krijgen, die den

top gingen belegeren, zeker als zij waren, dat vroeg of laat de kleine

troep daarboven zich zou moeten overgeven wegens gebrek aan voedsel.

Maar toen was het wonderbaarlijke gebeurd—op den tweeden nacht was er

eensklaps een vliegmachine verschenen, die was neergestreken op den

heuveltop en de belegerden had ontvoerd.

Het was zoo snel in zijn werk gegaan, en het kwam zoo onverwacht, dat

de vliegmachine zich reeds lang in de lucht had begeven, toen de

bandieten begrepen hadden wat er gaande was.

Onverrichter zake waren de gouddelvers weder naar hun nederzetting

teruggekeerd, Dolly met een hart vol wraak.

Maar de rouw over den dood van haar minnaar duurde niet zeer lang—want

een paar dagen later had zij haar gunsten aan diens vriend en

medeplichtige Pat O’Kelly geschonken.

Toen had dat zonderlinge voorval in het danshuis van „Merry Pig” te

Pine Creek plaats, en Dolly bracht het steeds weder in verband met het

optreden dier geheimzinnige vreemdelingen.

Op een avond waren er twee mannen verschenen, naar hun uiterlijk te

oordeelen goudzoekers.

Op een wijze, welke Dolly zich nog altijd niet kon verklaren, hadden

zij zich van „Merry Pig” weten meester te maken, en een hunner had zijn

plaats ingenomen.

Hij had alle aanwezige getracteerd op een glas wijn—en eenige minuten

later waren zij allen bedwelmd, behalve zij zelve, Dolly Patterson, die

zich slapend had gehouden, en dus tusschen haar oogwimpers alles had

gezien wat er daarna geschiedde.

De twee gewaande goudzoekers hadden alle stofgoud van de speeltafel en

uit de zakken van hun slachtoffers geroofd, en waren daarop snel als

het weerlicht verdwenen.

Dolly had alarm gemaakt, maar zij had een kostbaren tijd verloren met

het zoeken van „Merry Pig” dien zij ten slotte gebonden in den kelder

van zijn danshuis vond, en pas een half uur later kon de achtervolging

van de stoutmoedige roovers een aanvang nemen.

Men haalde hen in dicht bij de hut van Tom Hatters, die op dat

oogenblik verlaten was, en men zou hen ook zeker gevangen hebben,

ofschoon zij reeds zeven der achtervolgers buiten gevecht hadden

gesteld, als niet een groote troep wolven het spel was komen bederven.

Want men moest zich uit alle macht tegen deze hongerige roofdieren

verdedigen, en van die omstandigheid maakte de in de hut belegerde

roovers gebruik, snel de plaat te poetsen.

Toen het gevecht met de wolven geëindigd was, waren de vogels gevlogen

en zeker reeds lang in veiligheid.

Toen, weder een paar dagen later, was eensklaps die reusachtige

Engelschman te Pine Creek verschenen, thans geheel alleen. Hij had er

naar zijn twee metgezellen gevraagd, en toen hij vernam, dat zij

vertrokken waren had hij het besluit genomen den volgenden morgen naar

Serati terug te keeren, vanwaar hij gekomen was.

Maar dien avond verscheen hij in het danshuis van Murphy O’Reill, en

het lot bracht ook Pat en Dolly daar.

Zij herkende hare vijand onmiddellijk, en er ontstond een gevecht van

een tegen vijftig.

De reus sloeg vijftien man neer, maar de anderen zouden hem zeker

gedood hebben, als niet ter elfder ure eensklaps weder die satansche

Engelschen verschenen waren, thans nog wel in gezelschap van een zestal

mannen der bereden politie.

Het pleit was toen spoedig beslist, en een achttal raddraaiers was

gevankelijk weggevoerd, ook Dolly en haar nieuwe minnaar Pat O’Kelly.

En van dat oogenblik af was de vrouw slechts door een enkele gedachte

bezield, zich te wreken op die geheimzinnige vreemdelingen en op Jessie

en op Tom Hatters, die nu al reeds gehuwd zouden zijn.

Hoe het kwam had zij niet juist kunnen zeggen, maar zij bracht steeds

opnieuw verband tusschen den roof van het stofgoud in het danshuis van

„Merry Pig” en de achtervolging van Mike Penalty.

Zij had de stemmen van de beide Engelschen gehoord en ook die van de

roovers, toen zij zich in de speelzaal van het danshuis onbespied en

geheel alleen waanden, en die stemmen waren dezelfde.

O, als zij maar eenmaal vrij was, dan zou zij niet rusten, voor zij die

mannen weder terug had gevonden, en hen op hun beurt aan de politie kon

doen overhandigen.

Zij stond een klaps op, en spitste de ooren.

Ergens in het sombere gebouw klonken voetstappen.

Zij wist wat dat beteekende—de cipier kwam haar het avondmaal brengen.

Een blik uit het nauwe venster overtuigde haar, dat de nacht zeer

donker was.

En daarbuiten hoorde zij het getrappel van paardenhoeven—zeker was er

ergens een paard vastgebonden, want het geluid klonk steeds op dezelfde

plaats.

Een vast besluit kwam eensklaps bij de vrouw op.

Zij deed snel den halsdoek af, dien zij droeg, en nam de beide

uiteinden stevig in de handen.

De voetstappen kwamen langzaam nader.

Telkens ging er een deur open en dicht, dan trad de cipier een cel

binnen, om den gevangenen het avondmaal te brengen.

Nu stond hij even stil voor haar eigen cel.

Als een kat sloop zij achter de deur, zoodat zij niet dadelijk te zien

zou zijn, als de man binnentrad.

De deur ging open en de cipier trad binnen, in de eene hand zijn

lantaarn, in de andere een houten schaal, met een stuk brood en wat

groenten.

Maar hij was nauwelijks twee passen in de cel of Dolly sprong als een

tijgerin ruggelings op hem toe, en sloeg hem bliksemsnel den sterken

doek om den hals.

Uit alle macht trok zij den doek aan, zoodat de man geen geluid kon

geven, en lantaarn en schaal liet vallen, in een onwillekeurige

beweging om zich van den wurgenden doet te bevrijden.

Toen hem dit niet gelukte, tastte hij naar de revolver in zijn holster,

maar de vrouw was hem voor geweest.

De doekpunten in één hand vattend, en zoo sterk mogelijk vast wringend,

nam zij met de vrije hand het wapen uit den holster, en liet het in

haar zak glijden, daar zij wel begreep, er zich hier niet van te kunnen

bedienen.

Toen trok zij uit alle macht den doek dicht.....

De woeste bewegingen van den cipier werden spoedig minder krachtig,

zijn gelaat verkreeg een blauwe kleur, zijn oogen puilden uit zijn

hoofd, toen gleed zijn lichaam slap op den houten vloer.

Dolly verloor geen tijd, daar zij niet zeker wist, of zij den man

gedood had.

Zij stak de hand in zijn zak, en haalde er den sleutel uit, waarmede,

naar zij wist, de deur van de gevangenis geopend kon worden, benevens

de sleutels van de cellen, die aan een bos bijeen gebonden waren.

Zij nam de revolver in de vuist en snelde de cel uit, waarvan zij de

deur zacht sloot.

Toen opende zij snel een paar celdeuren, die zij het eerst op haar weg

ontmoette.

Maar toen zij de deur van de derde wilde openen, hoorde zij en de

bevrijde bandieten beneden in het huis gerucht.

Zij mochten zich hier niet langer ophouden.

IJlings snelden zij de trap af, en bereikten de vestibule.

Juist trad een sergeant van de bereden politie uit een vertrek.

Hij bleef een oogenblik verstomd van verbazing staan—en die paar

seconden werden hem noodlottig.

Een der bandieten bracht hem een hevigen slag op het hoofd toe met den

poot van zijn stoel, dien hij zooeven had losgebroken, en de man

stortte zonder een kreet achterover en bleef liggen.

Dolly opende snel de deur—de ontvluchten stonden buiten.

Op eenigen afstand stond een paard aan een boom gebonden, het was een

dienstpaard van de politie en behoorde waarschijnlijk aan den sergeant

toe, dien zij zooeven hadden neergeslagen.

Dolly wilde er op toevliegen, toen juist de wachtpost om den hoek van

de gevangenis verscheen.

De man begreep dadelijk, wat er geschied was, en rukte zijn karabijn

van den schouder.

Maar voor hij het wapen kon aanleggen, kraakte er een schot—Dolly had

haar revolver op hem afgeschoten.

De man slaakte een doffen kreet, en viel voorover.

Zonder om te zien, ijlde de vrouw naar het paard, maakte het los, en

wierp zich schrijlings in het zadel.

Zij spoorde het paard met tong en hielen aan, en het snelde weg in de

duisternis............

HOOFDSTUK II.

DE BEVRIJDING VAN PAT O’KELLY.

Als een stormwind vloog het paard door de breede straten van het dorp,

en spoedig had Dolly Patterson de laatste hutten achter zich gelaten.

Zij wierp een blik achter zich.

Er was niemand te zien.

En zij wist, dat het eenigen tijd zou duren, eer de achtervolging

begonnen kon worden.

Van dat uitstel moest zij gebruik maken, dat begreep zij maar al te

goed.

Zij spoorde daarom het paard tot den grootsten spoed aan, en de

hoefslagen van het dier klonken in snellen cadans op den grond.

Onder het rijden had zij haar plan opgemaakt.

Zij zou trachten, de kloof bij Pine Creek te bereiken, waar zij wist,

vrienden van Pat te zullen vinden, evenals hij lieden zonder geweten,

die zich bezig hielden met roof en moord, als zij genoeg hadden van

goud zoeken.

Maar zij zou voorloopig volkomen veilig zijn, want de kloof was vol

schuilplaatsen, en men kon er zich uitstekend in hinderlaag liggen.

De „Bereden Noordwestelijke” zou zich nog wel eens bedenken, voor zij

zich daar waagde, om de vluchtelinge weder te vangen.

Dolly woonde hier reeds jaren, en zij wist wel, dat de politie hier

niet te vergelijken was met die in de beschaafde streken van Amerika en

Canada.

De manschappen waren weinig in aantal en door de verbazend groote

afstand moesten zij soms dagen achtereen reizen, vaak geheel alleen, om

een of andere opdracht van den inspecteur te gaan vervullen.

En daarbij werden zij door honderden gevaren bedreigd—van de zijde der

meedoogenlooze natuur, van de wilde dieren en niet het minst van den

mensch.

Als zij eenmaal daar was, zou zij de vrienden bijeen roepen—want Pat

moest tot iederen prijs bevrijd worden, voor hij voor den rechter zou

verschijnen.

Want als dat eenmaal het geval was geweest, dan zou hij naar elders

worden overgebracht, en daar zijn straf moeten uitzitten in een steenen

gevangenis—en daaruit ontsnapt men niet zoo gemakkelijk.

Wat er van de andere ontsnapten geworden was wist zij niet, maar zij

stelde er ook geen belang in, nu het toeval gewild had, dat zij

vreemden in vrijheid had gesteld inplaats van kameraden, kon het haar

niet schelen wat er van hen terecht kwam.

Zij galoppeerde bijna een vol uur aan een stuk door, en daarna pas

gunde zij het paard een weinig rust, en liet het in stap overgaan.

Maar een half uur later begon opnieuw de wilde rit over de vlakte, die

zich uitstrekte van Cedar Tree tot eenige mijlen voor Pine Creek, en

die slechts hier en daar onderbroken wordt door lage heuvelketens, en

rivieren, die zoo goed als allen schatplichtig zijn aan de Jukon, de

voornaamste rivier van Alaska.

Om een uur in den nacht steeg Dolly af, want haar paard begon teekenen

van vermoeidheid te geven, en het dier moest haar redden—zij mocht er

niet het uiterste van vergen, wilde zij het niet onder zich zien

doodvallen.

Zij hield dus halt aan den zoom van een dicht woud, voornamelijk uit

sparren en dennen bestaande.

Het was wonderlijk zoel in de lucht, en de vrouw snoof met wijd

geopende neusgaten die lucht der vrijheid op, die haar bijna bedwelmde,

na die dagen in de gevangenis.

Zij luisterde scherp naar de geluiden uit de wildernis, waarvan zij de

beteekenis kende door een jaren lang verblijf in deze streek.

Zij onderscheidde het eentonig geroep van den cojote, den halfwilden

woestijnhond, het fladderen van de reusachtige uilen onder de takken

der geweldige woudreuzen, het woedend geblaas van den lynx, die in een

val gevangen zat, het tikken van de smeltende sneeuw op de dorre

bladeren in het bosch, alle geluiden der natuur.

Heel ver huilde een wolf, en Dolly dacht er een oogenblik aan, een vuur

aan te leggen, om de verscheurende dieren af te schrikken.

Maar dit achtte zij bij nader inzien toch te gevaarlijk, de

achtervolgers mochten eens nader bij zijn dan zij vermoedde.

Deze gedachte joeg haar opnieuw op, en zij ging te voet verder, het

paard aan den toom mee voerend.

Om drie uur in den nacht begon het reeds licht te worden in het Oosten.

Zij had nu het woud in zijn volle breedte doorschreden, en toen zij aan

den anderen zoom stond, zag zij in de verte flauw de omtrekken van een

gebergte.

Een woeste juichkreet steeg uit haar borst omhoog.

Daar lag de vrijheid—daar was het gebergte met zijn diep en lang

ravijn!

Zij wierp zich weder in het zadel en zette haar vlucht voort.

Snel werd het dag.

Nu en dan wierp zij een blik achter zich, maar niets liet zich zien,

dat haar kon verontrusten.

Zij zag slechts weinig menschen, en die kwamen allen uit een andere

richting, het waren veedrijvers, die, nu de winter heengegaan was,

weder arbeid voor hun handen konden vinden, gouddelvers, pelsjagers,

die hun wintervoorraden naar Seratie gingen brengen.

Wel duchtte de vrouw van deze lieden geen gevaar, maar zij bleef hun

toch uit den weg, zij wist maar al te goed, dat zij niet zeer gezien

was in deze streek.

Mike Penalty was een schurk geweest, en Pat O’Kelly was weinig beter,

en de minnares van die lieden kon ook niet veel zaaks zijn.

Doodelijk vermoeid door den langen rit, hongerig en vaal bereikte Dolly

ten slotte, omstreeks vijf uur in den morgen, den voet van het

gebergte, dat zich uitstrekte zoover het oog kon zien.

Weer rustte zij, alvorens de beklimming te beginnen.

Zij wist een smal pad, dat kronkelend naar een soort pad voerde, en van

daar kon men naar het ravijn afdalen.

Het paard, aan deze klimpartij wel gewend, klauterde tegen het pad op,

en een uur later stond de vluchtelinge aan het einde van de pas.

Zij richtte zich hoog in het zadel op, en wierp een blik over het diepe

dal, dat zich nu aan haar voeten uitstrekte.

Het was hier en daar dicht begroeid met hooge heesters, lang

prairiegras en ceders.

Drie watervallen stortten zich met luid geraas van een vijftig meter

hooge rots omhoog.

Op vele plaatsen liepen diepe kloven op dit ravijn uit, die een waar

doolhof vormden, waar men goed den weg moest kennen, om er niet te

verdwalen.

Plotseling slaakte Dolly een luiden kreet, die het paard verschrikt de

ooren deed spitsen.

Op nauwelijks een halve mijl afstand kronkelde een lichtblauwe

rookspiraal bijna rechtstandig in de wolkenlooze lucht omhoog.

Dat moesten de jongens zijn!

Zij drukte het paard de hielen in de flanken, en het dier stoof weg,

door zijn instinct gedreven, dat het zeide, dat daar ginds

soortgenooten, versch gras, en water te vinden zou zijn.

Tien minuten reed Dolly snel voort, bergafwaarts.

Toen steeg zij af, bond het paard aan een boom, en drong voorzichtig

het kreupelhout binnen.

Na ongeveer honderd passen aldus te zijn voort gegaan, boog zij

behoedzaam de takken terzijde.

Zij zag nu een open plek in het bosch, welig met gras begroeid en in

het midden daarvan brandde het vuur, dat den rook naar den hemel had

gezonden.

Daarom heen zaten een tiental mannen, reeds in zomerdracht, met slappe

hoeden op, katoenen geruiten hemden aan, en half hooge laarzen.

Om hun hals was een kleurige doek geknoopt, die met een punt in den nek

viel.

Dolly uitte een doordringenden kreet.

Onmiddellijk sprongen de mannen op, en grepen hun geweren.

Maar zij lieten de wapens dadelijk weder vallen, toen Dolly met luid

gelach uit het kreupelhout te voorschijn sprong, en ineens midden in

het grasveld stond.

„Daar ben ik, jongens!” riep zij uit, met een woest gebaar het hoofd in

den nek werpend. „Wat zeggen jullie er wel van!”

„Dolly!”

„Duivelsche meid!”

„Een dochter van den booze!”

„Zij moet kunnen tooveren!”

Deze en andere uitroepen werden hoorbaar.

De mannen, blijkbaar zeer verheugd over de onverwachte komst van de

„Verloren dochter” zooals een geletterde onder hen haar noemde,

omringden haar, luidruchtig schreeuwend en lachend.

„Je bent er dus uitgebroken, meisje?” vroeg een der kerels, die de

aanvoerder scheen te zijn.

„Ja Fred,” antwoordde Dolly. „Ik geloof dat ik een paar kerels koud heb

gemaakt—maar het ging niet anders. En daar ben ik nu.”

„En Pat?” vroeg er een.

Het gelaat van de vrouw kreeg een sombere uitdrukking, toen zij

antwoordde:

„Pat is—nog daar! Ik heb twee kunnen bevrijden—maar hij was er niet

bij. Daarom juist kom ik hier, jongens, Pat mag daar niet blijven,

versta jullie. Dat mag niet!”

De mannen keken nadenkend voor zich.

Zij begrepen wel, wat Dolly bedoelde, zonder het nog te hebben

gezegd—maar dat was een zaak, die hun het hachje kon kosten.

Dolly keek hen een voor een met half dicht geknepen oogen aan, en

hernam toen:

„Ik hoop toch niet, dat ik met zuigelingen te doen heb? Vloeit er geen

bloed meer in jullie aderen? Heeft de winter het doen bevriezen—voor

goed?”

„Dat zou geen man ons mogen zeggen, Dolly!” kwam Fred op somberen toon.

„Maar je weet zelf, dat het een gevaarlijk ding is! Er ligt nu politie

in Cedar Tree, naar ik heb gehoord, en het is een groote plaats!”

„Te groot voor een vastberaden troep van tien man?” vroeg Dolly op

verachtelijken toon. „Jullie willen dus een man in gevangenschap laten,

die jullie zoo menigmaal heeft aangevoerd, als er wat te rooven viel,

ik moet het dus alleen gaan doen?”

Die laatste vraag had doel getroffen.

Er lieten zich kreten van protest en woede hooren.

„Zij heeft gelijk!” riep er een. „Het zou een schande zijn, als wij Pat

daar lieten zitten, en het aan een vrouw overlieten, hem te bevrijden.”

„Laat ik jullie zeggen, dat ik het niet alleen en zelfs niet in de

eerste plaats doe om Pat zelf!” vervolgde Dolly. „Maar hij en ik hebben

nog een appeltje te schillen met een paar Engelschen, die hier nog wel

in de buurt zullen zwerven, en die ons in de gevangenis hebben

geholpen. Niemand kent zoo goed als Pat O’Kelly de sluipwegen hier, en

hij moet ons aanvoeren als wij wraak gaan nemen voor wat zij ons hebben

aangedaan. Ook die Tom Hatters zal er van lusten! Weet jullie al, dat

hij getrouwd is, en nu met zijn vrouw dicht bij den nieuwen spoorweg

woont, en dat hij dezer dagen het geld voor zijn pelsen moet gaan

ontvangen van den agent der Hudson Compagnie in Serati?”

Deze vraag had een groote uitwerking op de schurken, die hier bijeen

waren.

Hun oogen schitterden, en zij keken Dolly en daarna elkander

veelbeteekenend aan.

Daarop zeide Fred:

„Als dat zoo is, dan zal er dezer dagen wel een goeden slag zijn te

slaan in zijn huis, hij heeft een prachtigen winter gehad.”

„Dat meende ik ook,” hernam Dolly kortaf. „Het blijft dus afgesproken,

dat wij Pat gaan bevrijden, zoo spoedig mogelijk?”

„Ja, wij geven ons woord!” schreeuwden de mannen door elkander.

„Zoo mag ik het hooren!” riep Dolly. „Ik moet nu eerst hier uitrusten,

en afwachten, of zij mijn spoor zijn bijster geworden, maar daarna gaan

wij dadelijk naar Cedar Tree, en ik zou wel eens willen zien, dat die

gevangenis bestand is tegen tien vastberaden mannen!”

„Tien mannen—en een vrouw, die wel voor twee geldt,” zeide Fred op

hoffelijken toon.

„Ik dank je voor het compliment, Fred,” zeide Dolly lachend. „Wij

zeggen dus, dat wij hier nog een vollen dag blijven, en dan gaat het er

op los. Wij kunnen in dien tijd een goed plan beramen. En geef mij nu

wat te eten, want ik kom van honger om. Laat een van jullie mijn paard

gaan halen, het is op honderd passen van hier vastgebonden.”

Een oogenblik later zat Dolly midden in den kring mannen en deed zich

te goed aan een stuk konijnenvleesch, aan het spit gebraden.

Haar paard graasde met de rijdieren der bandieten, aan een der

voorbeenen gekluisterd met een zwaar stuk boomstam.

De troep bleef den geheelen dag op denzelfden plek, maar het vuur werd

gedoofd want het was mogelijk, dat de achtervolgers het spoor van de

vluchtelinge hadden gevonden, en dan zou de rook hen natuurlijk

aanlokken.

Maar er deed zich niets bijzonders voor.

De wachtposten, die nu waren uitgezet, gaven slechts eenmaal het sein,

en dat was nog overbodig, want zij hadden verkeerdelijk gemeend, eenige

ruiters te zien, die naderhand slechts een kleine kudde rendieren

scheen te zijn.

Toen de avond viel werden de voorzorgsmaatregelen verdubbeld, en de

wachtposten kregen bevel, goed uit hun oogen te zien.

Fluisterend bespraken intusschen Fred en Dolly hunne plannen, terwijl

de andere mannen zich bij het schijnsel van het kampvuur onledig

hielden met dobbelen en kaartspelen, waarbij het soms zoo ruw toeging,

dat Fred zijn gezag moest laten gelden, en hen met een waarschuwend

woord en een beweging naar zijn revolver tot de orde moest roepen.

Zij besloten, dat zij den volgenden dag laat in den middag op weg

zouden gaan, ten einde ver na middernacht te Cedar Tree aan te komen.

Tenslotte wikkelden allen zich in hun mantels en begaven zich ter

ruste.

Dolly had zich zoo ver mogelijk van de tien schurken teruggetrokken,

want zij vertrouwde hen maar ten halve ......

De volgende dag ging op dezelfde wijze voorbij en omstreeks drie uur in

den middag werden de paarden gezadeld, en de kleine troep begaf zich op

weg.

De mannen waren allen gewapend met geweer en revolver en zij waren vast

besloten om er gebruik van te maken, als het noodig mocht zijn.

Want bijna allen stonden zij bij de politie in het krijt en als zij

gevangen genomen werden, zou hun zeer waarschijnlijk een langjarige

gevangenis wachten.

Twee mannen reden een paar honderd pas voor hen uit, om bij het eerste

verdachte teeken de anderen te kunnen waarschuwen.

Maar zij ontmoetten geen manschappen der bereden politie, en de rustige

bevolking ging hun zooveel mogelijk uit den weg.

De duisternis was allang gevallen toen zij op ongeveer tien mijlen

afstand van Cedar Tree halt hielden om het tijdstip af te wachten,

waarop zij den aanslag konden wagen.

Om een uur in den nacht trokken zij verder, en het was omstreeks kwart

over tweeën toen zij opnieuw halt hielden, op 200 passen afstand van

het dorp.

Een der mannen zou bij de paarden achter blijven en de negen andere

slopen met Dolly het dorp binnen, dat in diepe rust verzonken was.

Geen geluid liet zich hooren.

Aangevoerd door de minnares van Pat O’Kelly begaven de bandieten zich

naar de gevangenis, zorgdragende dat zij in de schaduw der huizen

bleven.

Toen zij het gebouw konden zien liggen, hielden zij opnieuw halt en nu

snelde Dolly en twee mannen zoo vlug zij konden naar de gevangenis,

juist toen de schildwacht zich aan den anderen kant van het gebouw

bevond.

„Let goed op, daar ga ik,” fluisterde Dolly tot de beide bandieten.

Zij ijlde den schildwacht achterna, die op het hooren van haar schreden

dadelijk stilstond en zich omwendde terwijl hij het geweer van zijn

schouder rukte.

Dolly trad glimlachend op hem toe, en vroeg met haar liefste lachje:

„Ken je mij niet meer, schat?”

De schildwacht deed ten hoogste verbaasd een stap achteruit en zeide op

gedempten toon: „Bij mijn arme ziel, het is waarachtig Dolly Patterson,

zoo, je komt je dus weer gevangen geven?”

„Ja, zij zaten mij zoo dicht op de hielen, dat ik de partij wel als

verloren moest beschouwen,” antwoordde de vrouw.

„Nu, ga dan maar gauw met mij mee,” grinnikte de schildwacht. „Je hebt

er verstandig aan gedaan, dat je .....”

Maar hij kon niet verder spreken.

De twee bandieten hadden hem van achteren beslopen, terwijl Dolly hem

sluw aan de praat hield, zij hieven tegelijkertijd hun breed jachtmes

op, en door de beide wapens getroffen, zakte de schildwacht zonder een

geluid te geven ineen.

Dadelijk liep het drietal op de voordeur van de gevangenis toe, en met

een stem, alsof zij doodelijk uitgeput en bevreesd was riep Dolly op

jammerenden toon:

„Doe open, om Gods wil doe open. Ik ben het Dolly Patterson, ik ben

uitgeput en stervende.”

Dadelijk werd er achter de deur sleutelgerammel gehoord en de zware

deur werd op een kier geopend.

De lichtstraal van een lantaarn drong naar buiten. Dadelijk rukten de

beide bandieten de deur verder open en wierpen zich op den

politiebeambte, die haar geopend had.

De man verdedigde zich wanhopend, en trachtte zijn revolver te grijpen,

maar een vreeselijke slag met een gummiknuppel op zijn hoofd deed hem

duizelend ter aarde storten.

Dolly maakte zich meester van den sleutelbos die aan zijn gordel hing,

en zoo vlug zij kon begon zij de cellen te openen.

Zij was zeker op het goede spoor, want de drie eerste boeven die zij in

vrijheid stelde waren handlangers van Pat O’Kelly, en de vierde was

haar minnaar in eigen persoon.

Op een scherp fluitsein van een der bandieten waren de andere mannen

van Fred ter hulp komen snellen, en dat was wel noodig, want op het

gerucht van den strijd vlogen er deuren open en een aantal

politiebeambten, uit hun sluimering gewekt, kwamen toesnellen.

Van weerszijden kraakten de revolverschoten, en twee der bandieten

werden doodelijk gewond.

Maar de anderen wisten buiten het gebouw te komen en snelden zoo vlug

zij konden naar de paarden, nu en dan ophoudend om op hun achtervolgers

te vuren.

Door het schieten waren vele bewoners wakker geworden, maar niemand

dacht er ook maar een oogenblik aan zich in den strijd te mengen, want

iedereen kende de noodlottige gevolgen daarvan.

De mannen van Fred hadden onderweg voor paarden gezorgd en zoo behoefde

Pat O’Kelly en de andere bevrijden niets anders te doen dan zich in het

zadel te werpen. Eenige seconde later joeg de geheele troep in razend

galop in de duisternis weg, terwijl de politiemannen hen vruchteloos

nog eenige schoten achterna zonden.

HOOFDSTUK III.

IN HET HUIS VAN TOM HATTERS.

Omstreeks denzelfden tijd dat zich dit voorval afspeelde, zaten vroeg

in den morgen een viertal mannen en een jonge vrouw in een licht en

zonnig vertrek van een farm op eenige mijlen ten Zuid Westen van het

dorp Lime Beach gelegen op ongeveer honderd passen afstand van de

nieuwe lijn, welke pas onlangs was aangelegd en juist in gebruik

genomen, tot groot gerief van de veehandelaars die daar hun groote

bezittingen hadden, en die tot dusverre steeds genoodzaakt waren

geweest hun vee honderden mijlen ver vaak door cowboys naar het naaste

station te laten drijven.

Toch was deze farm mijlen in het rond nog altijd de eenige van de

streek en het zou zeker jaren duren, voor Tom Hatters en zijn jonge

vrouw, want zij waren de bewoners van dit huis, buren zouden krijgen.

De drie andere mannen in het vertrek waren John Raffles, Charly Brand

en James Henderson, dezelfde Engelschen waaromtrent Dolly zich in zoo

weinig vleiende bewoordingen tijdens haar alleenspraak in haar cel had

uitgelaten.

Raffles was hier, eenvoudig omdat een gril hem naar Alaska had

heengedreven, waar hij op den „Blauwvos” had willen jagen, en inplaats

daarvan op bandieten gejaagd had, want hij had in de paar weken van

zijn verblijf al meer avonturen beleefd, dan een ander in een jaar.

Hij had zijn jongen gastheer, den pelsjager Tom Hatters, een van die

diensten kunnen bewijzen, welke men niet zoo spoedig vergeet, want zij

hebben betrekking op dood of leven.

Maar zeker zou de brave kerel geen oogenblik hebben kunnen vermoeden,

dat de man, die zijn meisje aan de handen van zijn belagers ontrukt

had, dezelfde was die in de hoofdstad van Engeland de

gentleman-inbreker heette, of ook wel Lord Lister de groote onbekende.

Neen, hij zou zeker eerder zijn kostbaarste vellen hebben gegeven, dan

toe te geven, dat zijn gast iemand was, naar wien de politie te Londen

reeds jaren speurde met een ijver die omgekeerd evenredig was aan het

bereikte resultaat van haar nasporingen.

Wie hem gezegd had, dat de man die daar tegenover hem zat en daar zoo

rustig zijn pijp rookte een man kon zijn, wiens leven een voortdurende

reeks van gevechten met de wet was, dien zou hij hebben uitgelachen of

voor krankzinnig hebben verklaard.

En toch was het zoo, daar zat, op duizend mijlen afstand van zijn

grootsten vijand, den hoofdinspecteur Baxter, de stoutmoedige

gentleman-inbreker in de gedaante van een Engelschen sportman, die hier

voor zijn vermaak kwam jagen, en ondertusschen gelegenheid vond een

bevallig jongmeisje te redden dat nu tegenover hem gezeten was en hem

vroolijk lachend aankeek, maar thans als de wettige gade van Tom

Hatters.

Pas eenige dagen woonde het jonge paar in deze farm, welke Tom gepacht

had, in de vaste overtuiging, dat zijn werkkracht binnen kort een

kapitaal er uit zou slaan.

Hij had grootsche plannen, hij zou een boomgaard aanleggen, konijnen in

het groot gaan fokken, en tegelijkertijd zijn eigenlijk beroep, dat van

pelsjager niet vergeten, zoodra de eerste sneeuw weder zou zijn

gevallen.

Wat Raffles, zijn vriend Charly Brand en zijn trouwe metgezel, den

chauffeur Henderson betreft, zij stonden op het punt weder naar hun

land terug te keeren, op dezelfde wijze als zij gekomen waren, namelijk

per vliegmachine, welk toestel zich thans te Serati bevond, waar het

was toevertrouwd aan de hoede van den plaatselijken commandant.

Hij zou met zijn metgezellen nog een paar dagen doorbrengen in de farm

om met zijn vriendelijken gastheer wat te jagen.

Maar nu zouden niet langer de sneeuwschoenen, de sleden en de honden

gebruikt worden, maar men zou er te voet op uitgaan, want de sneeuw was

reeds verdwenen en de schitterende zonnestralen hadden den grond

spoedig doen opdrogen.

Jessie, de jonge vrouw van den pelsjager, weinig meer dan een kind nog,

liep bedrijvig af en aan, en pakte eenige eetwaren in een rugzak van

haren echtgenoot.

Charly Brand, die juist een blik door het groote venster had geworpen,

zeide nu:

„Het is buitengewoon schoon weer en men kan zich bijna niet

voorstellen, dat het nog geen week geleden veertig graden vroor.”

„Dergelijke snelle weersveranderingen komen hier wel eens meer voor,

mijnheer,” zeide Tom, „maar zoo snel en aanzienlijk als deze lente heb

ik het nog nimmer bijgewoond.”

„Het is eigenlijk jammer, dat de nieuwe lijn zoo dicht voorbij uw huis

loopt,” hernam Charly. „Meestal komt een spoorweg het natuurschoon niet

ten goede!”

„Dat is zoo, en hij verdrijft het wild,” gaf Tom toe. „Maar daarentegen

is het heel gemakkelijk voor het vervoer van mijn pluimvee en

landbouwproducten naar de stad.”

„Wat zijn eigenlijk onze plannen voor heden?” vroeg Raffles nu.

„Ik wilde den kant van Pine Creek opgaan, mijnheer, en in het

terugkomen wilde ik te Serati het geld voor mijn vellen gaan halen.”

„En wilt ge dat hier bewaren?” vroeg Raffles verwonderd. „Is dat niet

zeer gevaarlijk?”

„Heel lang zal het niet in huis zijn, mijnheer, ik moet het voor het

grootste gedeelte dadelijk weer betalen aan den man die mij deze hoeve

verkocht.”

„Maar dat kunt gij toch onmogelijk alles te voet afdoen?”

„Zeker niet! Daarom wilde ik voorstellen, heden te paard te jagen, er

is op een paar mijlen hier vandaan een prachtig jachtgebied, waar het

nog krioelt van wilde schapen, elanden en beren. Morgen kunnen wij dan

wat meer in de buurt blijven, en te voet jagen.”

Aldus werd afgesproken en de toebereidselen voor de jacht waren spoedig

afgeloopen.

Tom had in zijn stal een viertal uitstekende paarden, waarvan hij er

drie ter beschikking zijner gasten zou stellen.

Om half negen reed de kleine troep uit, juist toen er met donderend

geweld een sneltrein gepasseerd was.

Jessie stond in de deuropening en keek hen zoo lang zij kon na.

Van tijd tot tijd draaide Tom zich in het zadel om, teneinde haar toe

te wuiven.

Eindelijk onttrok een heuvelrug de geheele hut aan het oog.

„Vindt gij het zelf niet wat gewaagd, uw jonge vrouw zoo geheel alleen

achter te laten, met den naasten buurman op een tien mijlen afstand?”

vroeg Raffles nadat zij eenigen tijd voort gereden hadden, terwijl

Fang, de prachtige wolfshond, vroolijk voor hen uit galoppeerde.

Tom haalde even de schouders op en antwoordde:

„Wat zal ik u zeggen mijnheer, als wij bewoners van deze streken ons

met dergelijke dingen gingen ophouden, dan zouden alle oogenblikken van

ons leven vergald worden, de vrouwen zijn hier ook niet wat zij in

Europa zijn, zij kunnen allen met het geweer en de revolver omgaan, en

zij kennen de wildernis bijna evengoed als wij mannen. En dan, welk

gevaar zou Jessie kunnen loopen? Dolly en Pat zitten gelukkig in de

gevangenis, en de anderen zullen het niet wagen, zich zelf in het

gevaar te storten, nu de bereden Noord Westelijke hier juist aan het

patrouilleeren is geweest.”

Het gesprek eindigde hiermede, want reeds sprongen er in de verte een

paar groote elanden over het pad.

De jacht was spoedig in vollen gang, en tegen den middag rustten de

vier jagers uit op een plek, die ongeveer twee mijlen van Serati was

gelegen.

Vervolgens begaven zij zich naar deze stad en Tom ging bij den agent

der Hudson-Maatschappij zijn geld halen, ongeveer achttien honderd

dollar, een zeer groot bedrag voor deze streken. Daarvan zou hij er

dadelijk vijftien honderd voor zijn hoeve moeten betalen en over vier

dagen zou de man komen, die ze hem verkocht had.

Beladen met vier zakken goudgeld die twee aan twee aan zijn zadel

hingen, keerde Tom in gezelschap van zijn gasten naar de hoeve terug.

Toen zij op ongeveer een halve mijl afstand van het huis waren, zagen

zij een armoedigen zwerver, die uit de richting van de hoeve kwam, en

nauwelijks opkeek toen de vier ruiters voorbij gingen.

De rand van zijn hoed was diep in zijn oogen getrokken, en van zijn

gezicht was weinig of niets te zien.

Toen de man een meter of tien voorbij was, draaide Raffles zich nog

eens in zijn zadel om.

Hij kreeg den indruk, dat de man had stilgezeten, om hen na te kijken,

en nu zich haastig weer omdraaide, om zijn weg te vervolgen.

Naar zijn bewegingen te oordeelen was hij nog zeer jong, bijna een

knaap, met smalle schouders, en een dunnen hals.

„Hebt gij hier veel last van landloopers?” vroeg Raffles, die een

oogenblik in gedachten verzonken scheen te zijn geweest.

„Des zomers wel, dan komen zij hier bij geheele troepen, maar

schadelijk zijn zij niet, behalve dat zij soms de eieren uit de hokken

stelen, of wortelen uit de akkers trekken.”

Hij wilde nog iets zeggen, maar nu werd zijn geheele aandacht in beslag

genomen door Jessie, die op den deurdrempel stond, en de thuiskomende

jagers verwelkomde, door met haar zakdoekje te zwaaien.

Zooals zij daar stond, in haar licht katoenen japonnetje, was zij nog

wel echt een kind, de verpersoonlijkte lente, met de zon op haar gouden

haar, dat in dikke vlechten over haar teederen boezem nederviel.

Tom liet een juichkreet hooren, zijn oogen schitterden van liefde en

blijdschap.

Toen gaf hij zijn paard de sporen, en joeg in een woesten galop over de

vlakte om ten slotte zijn paard met een ruk vlak voor de deur tot staan

te brengen, zoodat het hier als het ware op de achterbeenen kwam te

zitten.

Hij was in een oogwenk uit het zadel, liep op zijn jonge vrouw toe, en

nam haar in zijn armen.

Met de armen om elkanders nek, elkander teeder in de oogen ziende, ging

het paartje het huis binnen, zonder zich om het paard of iets anders te

bekommeren.

Raffles keek hen met een wonderlijke uitdrukking in zijn groote grijze

oogen na, en mompelde toen zacht:

„Als ik er nog iets van weet, dan is dat werkelijk liefde, onbedorven,

rein en sterk. Ik geloof, dat men zoo iets nog maar alleen in deze

afgelegen streken der aarde vindt.”

„Misschien ben je nu wel een weinig onbillijk, Edward,” zeide Charly

glimlachend. „Maar ik erken, dat het goed doet, die twee jonge menschen

te zien, in de volheid van hun geluk.”

„Als het maar duurt,” zeide Raffles voor zich heen, zoo zacht, dat

Charly hem bijna niet verstond.

„Waarom zou dat niet?” vroeg de jonge man. „Zij hebben elkander immers

innig lief.”

„Ja, maar de liefde beschermt tegen de boosheid niet,” gaf Raffles ten

antwoord. „Ik hoop dat die Dolly en haar kornuiten heel lang gevangen

worden gehouden, anders zeg ik niet.”

„Ach, vrees je daarvoor?” riep Charly uit. „Je denkt dus, dat de haat

van die vrouw nog niet geluwd is?”

„Dat denk ik, daarvoor is zij juist een vrouw,” zeide Raffles op

ernstigen toon.

Zij waren nu het huis genaderd en stegen af.

Charly bond de paarden vast en Raffles ontlastte het paard van Tom van

de goudzakken, voor het dier te ver uit de buurt kon raken.

Hij droeg ze naar binnen, en legde ze glimlachend neder voor Tom, die

met zijn vrouwtje op de rustbank gezeten was, en aan heel andere dingen

dacht dan aan goud, of het moest het goud zijn, dat op den schedel van

Jessie glinsterde.

„Neem mij niet kwalijk, dat ik je kom storen, mijn waarde Tom,” zeide

hij schertsend, „maar je zult je misschien herinneren, dat je hier met

vier zakken goud geld bent teruggekomen. Hier zijn ze.”

De jonge man sprong verlegen op, en riep uit:

„Dat is waar, ik dacht er niet aan.”

Jessie was ook blozend opgestaan, en zeide:

„Het is goed, dat mijnheer Bristol—dat was de naam, dien Raffles hier

had aangenomen—het goud maar heeft binnengebracht, anders was je paard

er mee vandoor gegaan, Tom. En nu zal ik eens voor een goed maal gaan

zorgen, de heeren zullen wel hongerig zijn.”

En vlug als een eekhorentje was zij weggesneld.

Tom keek haar met een blik vol innige liefde na, en ging toen zijn geld

wegbergen, in een ouderwetsche ladekast, een erfstuk van zijn moeder.

Het overige van den dag werd doorgebracht met praten en rooken, en na

het avondmaal begaf men zich vroeg ter ruste.

Den volgenden dag zouden de drie Engelschen om twee uur in den middag

vertrekken met den trein, die het naaste station aandeed, op ongeveer

vijftien mijlen van de hoeve gelegen.

Maar de morgen zou nog aan de jacht gewijd zijn.

Toen zij zich gereed maakten om te vertrekken, wende Raffles zich tot

Tom en zeide zacht:

„Luister eens, mijn waarde Tom, vindt gij het nu wel verstandig, mede

te gaan, en uw jonge vrouw geheel alleen te laten, terwijl er een

groote som geld in huis is?”

Tom keek een weinig bedremmeld voor zich, en zeide:

„Maar, wie kan dat weten, behalve gij?”

„O, zeg dat niet, denkt gij, dat men dergelijke dingen geheim kan

houden? Er zullen zeker wel meer personen zijn, die zeer goed weten,

dat gij gisteren uw geld bij den agent van de Maatschappij zijt gaan

halen.”

Tom scheen te aarzelen.

Als woudlooper kon hij zich de ongerustheid van den Engelschman niet

goed voorstellen, hij begreep niet, wat men hier te vreezen kon hebben,

als Jessie achterbleef met een goed geweer en een span woeste

trekhonden, die haar zeker zouden verdedigen als een brutale zwerver

het mocht wagen, die hoeve binnen te dringen.

„Als gij ons gaarne vergezelt, laat dan tenminste mijn bediende bij uw

vrouw achterblijven,” drong Raffles aan, die zelf niet begreep, waarom

hij door ongerustheid werd gekweld van het oogenblik af, dat hij zich

den dag te voren op den zadel had omgewend, toen de jonge zwerver was

voorbijgegaan, en gezien had, hoe die zich haastig afwendde.

„Nu, goed dan,” riep Tom uit, die niet gaarne het tochtje gemist had,

en volkomen gerust was omtrent het lot van zijn geld. „Als gij er dan

op staat, dan zal mijnheer de reus hier blijven. Als Jessie dan niet

goed bewaakt is, dan weet ik het niet.”

Raffles wenkte Henderson terzijde, en wisselde eenige woorden met hem,

welke de reus zwijgend aanhoorde.

Daarop keerde Henderson in het huis terug, en de drie anderen zagen,

hoe hij voor een der ramen zijn revolver begon na te zien, na ook zijn

geweer voor zich op de tafel te hebben gelegd.

„Nu ben ik tot uw dienst,” riep Raffles opgewekt uit. „Uw vrouwtje is

nu wel veilig, zou ik denken.”

„Op weg dan!” kwam Tom, verheugd dat nu alles naar den wensch van zijn

gast geschikt was.

Allen grepen hun geweer en tasch, sloegen den knapzak over den

schouder, en namen afscheid van Jessie.

De jagers zouden voor de lunch—de laatste—terug zijn.

Na een voorspoedige jacht die eenige hazen, parelhoenders en een

speenvarkentje had opgeleverd, keerden de drie mannen weder naar de

hoeve terug.

Evenals den vorigen dag stond Jessie hen in de deur op te wachten.

Maar zij was niet zoo opgewekt als den vorigen dag, het vertrek van de

mannen, die haar het leven en de eer gered hadden, was op handen.

Ook Tom was stiller dan anders, en zijn vroolijke lach bleef

achterwege.

Toen de maaltijd ten einde liep, stond hij op, en zeide met trillende

stem:

„Ik ben beter jager dan spreker, vrienden—maar ik moet u toch zeggen,

dat het mijn vrouw en mij groot leed doet, dat gij ons weder gaat

verlaten. Gij hebt voor Jessie en mij gedaan, wat niet veel anderen

zouden doen, onder gelijke omstandigheden. Dat vergeten wij nooit—neen

nooit. Het is niet waarschijnlijk, dat wij nog ooit in de gelegenheid

zullen komen, u een dienst van dien omvang te vergelden, maar mocht het

lot zulk een zonderlingen keer nemen, dat dit wel het geval is, dan

zult gij bemerken, dat Tom en Jessie weten wat de dankbaarheid

beteekent. Onder alle omstandigheden, wat er ook zou kunnen gebeuren,

wij zouden u helpen als gij in gevaar zou mogen verkeeren.”

Raffles had zwijgend en meer ontroerd, dan hij wilde laten blijken,

naar deze eenvoudige woorden geluisterd.

Nu richtte hij zijn doordringende oogen vast op Tom, en zeide:

„Onder alle omstandigheden, zegt hij. Wat er ook zou kunnen gebeuren?”

„Ja, dat herhaal ik,” riep de jonge pelsjager uit, terwijl hij de hand

van Raffles greep en die met kracht drukte.

Een oogenblik was het stil in de groote kamer.

Toen kwam Jessie aarzelend op Raffles aan, zij had een kleinen ruiker

veldbloemen in de hand.

„Wilt gij deze bloemen van mij aannemen, mijnheer, als aandenken?”

vroeg zij schuchter.

Raffles scheen te weifelen, maar een blik in de reine oogen van het

kindvrouwtje deed hem haastig besluiten, hij stak de hand uit, en nam

voorzichtig de bloemen aan.

Zijn stem had een klank, dien Charly er maar zeer zelden in hoorde,

toen hij zeide:

„Ik zal deze bloemen mede naar England nemen, Madame—als een aandenken

aan een paar schoone dagen; ik heb hier, waar ik ze stellig niet kon

verwachten, echte en zuivere liefde gevonden—en goedheid des harten.

Als gij mij kendet, en wist wie ik was, dan zoudt gij beter begrijpen,

als ik u zeide, welke groote waarde deze veldbloemen voortaan voor mij

zullen hebben.......”

Hij had het ruikertje tusschen een paar knoopen gestoken en reikte

Jessie de hand.

„Wij zullen elkander waarschijnlijk nimmer terug zien,” zeide hij.

„Vaarwel!”

Weinig uren later zou Raffles moeten bekennen, dat hij zich hierin

vergist had.......

HOOFDSTUK IV.

DE BANDIETEN VALLEN AAN.

De drie Engelschen waren ongeveer een uur weg, toen Jessie, die stil en

bedroefd voor het raam zat, een zachten uitroep slaakte.

Lord Lister No. 0336: Een avontuur in Alaska · 第 1 / 4 段