Van dit punt uit volgde men den 8sten Juli het bergland, aan welks

uiterste einde de top ligt en bleef daarbij aan den westkant. Aan den

voet van den eindkegel gekomen, liet men de kampbenoodigdheden achter

en kwam na wat geklauter om half vier in den namiddag, midden in den

nevel, op den in een kleine vlakte uitloopenden top. Dadelijk werd

de kleine magneettheodoliet op het statief gezet. Op eens ontdekten

de bergbestijgers door den nevel heen, ten zuiden van het punt waar

ze zich bevonden, den werkelijken top, die door de straalbreking zeer

hoog boven hen zich scheen te verheffen. Terstond werd de theodoliet

eraf genomen en opgeborgen; de expeditie daalde naar de inzinking en

klom van daar in een verbazend moeilijken klim om en over glibberige

rotsblokken omhoog, tot ze om zes uur op den echten top stond.

De nevel was opgetrokken, maar het was bijna nacht. Cagni had

nauwelijks den tijd, alle toppen met het kompas op te nemen. Daarna

daalde de kleine schaar weer naar beneden, om te gaan rusten. Den

volgenden morgen bij zonsopgang en kristalhelderen hemel was Cagni weer

op den top en kon alle hoeken met de theodoliet en het kompas meten. Na

oprichting van een steenhoop aanvaardde men om acht uur den terugweg,

toen de eerste nevels begonnen op te stijgen. De expeditie sloeg den

weg in naar het ten westen gelegen kleine dal en trok daar door tot aan

het Moboekoedal. Hier werd de marsch door het dichte woud in den nevel

bezwaarlijk, maar nog denzelfden avond was men in Bujongolo terug.

Sella wachtte er op de bergtent van Cagni, om nogmaals er op uit te

trekken voor een photografeertocht. Ik was dien dag naar het eerste

kamp op den Baker gegaan, van waar ik den volgenden dag, den 10den

Juli, naar den Wollastontop ging, die 4659 meter hoog is en nog

door geen lid der expeditie was bestegen. De rotsen waren met ijs

bedekt, het weêr was helder en ik kon twee uren aaneen waarnemingen

doen. Toen zette ik mijn marsch over den kam voort tot den Mooretop,

van waar ik over den reeds door Sella beklommen kam den terugweg naar

Bujongolo insloeg.

Sella was des morgens met Botta en eenige negers weer opgebroken en

was naar het Freshfieldzadel teruggekeerd. Den 11den Juli was hij bij

zonsopgang nog weer op den Eduardtop, en het gelukte hem eindelijk,

het geheele panorama der keten op te nemen, ter wille waarvan hij een

geheele week op het Freshfieldzadel in zijn tent had gewacht. Bij het

dalen bracht hij een bezoek aan den kleinen, wat lageren, tweemaal door

Wollaston bestegen top en vond er een korte, schriftelijke mededeeling

van den engelschen onderzoeker. Daarin waren de beide bestijgingen

van den 17den Februari en den 3den April 1906 vermeld, alsook de

namen der onderzoekers van het hooggebergte "A. F. R. Wollaston,

R. B. Woosnam, 17 Febr. 1906. Height by aneroid 16050 feet."

"A. F. R. Wollaston (Alpine Club), R. B. Woosnam, D. Carruthers

of the British Museum Expedition to Ruwenzori, 5 hours from

Bujongolo. Waterboil 183,6; Temp. of air 39,7; aneroid 16150

feet. April 3, 1906."

Den 12den Juli besteeg Sella bij aanhoudend mooi weer opnieuw den

Stairstop en kon er een groot aantal photografieën maken. Intusschen

had Cagni in twee dagen van ijverig werken de meting van de basis

voltooid, haar met den Eduard- en den Cagnitop verbonden en kon door

waarneming eener bedekking lengte en breedte van het eene eindpunt

van de basis bepalen.

Toen de expeditie naar Bujongolo was teruggekeerd, had een luipaard

stoutmoedige bezoeken aan het kamp gebracht, had schapen verscheurd

en vleesch geroofd tot van dichtbij het vuur midden tusschen de

dragers. Allen hadden het te druk, om op het dier te letten. De kok

Igini en Bulli zetten echter een val voor hem neer, uit twee karabijnen

en een stuk vleesch vervaardigd, en zóó aan de trekkers bevestigd,

dat de wapens afgingen, als het dier eraan rukte. En inderdaad werd

op een nacht het mooie dier gevangen en werd dadelijk door de beide

kogels, die hem in den schedel drongen, gedood.

Ik kon thans onze werkzaamheden als volkomen afgedaan beschouwen. Den

7den was Roccati, nadat hij nog eenmaal naar den Moboekoegletscher

was teruggekeerd, om op verscheiden plaatsen der rotsen de grenzen

der gletschers met roode verfstrepen aan te geven, en nadat hij al

zijn verzamelingen volkomen in orde had gebracht, met Dr. Cavalli

en een aantal Bakonjo, die een deel van de gereedschappen droegen,

van Bujongolo opgebroken, om zich naar Ibanda, het lager dan het

Moboekoedal gelegen kamp, te begeven.

Er bleef een enkele berg over, waarvan de top door niemands voet

nog was betreden, de Gessi. Natuurlijk wilde ik het mij niet

laten ontgaan, ook hem onder handen te nemen, des te minder daar

de bestijging te verbinden was met het onderzoek van het Bujukudal,

dat nog volkomen onbekend was en dus de moeite beloonde, het in zijn

gansche uitgestrektheid door te trekken. Daarom had ik vroeger al de

opdracht gegeven, dat een aantal Bakonjo van het punt af, waar het

Bujukudal uitmondt in het Moboekoedal tegenover Nakitawa, een ruw pad

aan moesten leggen tot op de hoogte. Nu was de arbeid zoo ver gereed,

dat hij in de eerstvolgende dagen beëindigd moest worden.

Ik had het plan, met Sella den weg naar beneden door het Bujukudal af

te leggen, terwijl Cagni het transport van alle overige voorwerpen,

die in het kamp van Bujongolo achtergebleven waren, zou leiden en

met zijn gezellen Cavalli en Roccati in Ibanda zou samentreffen,

om mij daar te wachten.

Ibanda werd dus de algemeene plaats van samenkomst voor de karavaan.

Dadelijk na mijn op 1 Juli plaats gehad hebbenden terugkeer van

den Emin naar Bujongolo, werd met de toebereidselen voor den

definitie ven terugkeer uit het gebergte begonnen, waartoe we de

tusschenpoozen gebruikten, die tusschen de verschillende werkzaamheden

in het kamp vrij bleven. Zoo werden langzamerhand de lasten met de

wetenschappelijke verzamelingen en alle niet meer noodige instrumenten

en overige voorwerpen in gereedheid gebracht.

Wij beschikten nu over veertig Bakonjodragers, daar de voeding van een

grooter aantal op zoo verren afstand van Ibanda moeilijk zou geweest

zijn. Zoo kon altijd slechts een deel van het materiaal vervoerd

worden, en de dragers moesten den weg herhaaldelijk afleggen. De eerste

schaar Bakonjo was met veertig lasten den 4den Juli van Bujongolo

opgebroken. Den 7den ging een tweede karavaan weg, begeleid door

Roccati en Dr. Cavalli. De laatste had zijn vertrek vervroegd, daar

hij had hooren vertellen, dat er zieke dragers in de andere kampen

van het dal waren, een gerucht, dat echter ongegrond bleek. Een week

later verliet Cagni met Lorenzo Petigax, Brocherel, den kok Igini en

23 dragers Bujongolo. Ikzelf was den dag te voren naar het Bujukudal

opgebroken. Ten slotte lag op den 15den Juli Bujongolo, nadat ook

Bulli en een laatste groep van 30 Bakonjo de plaats verlaten hadden,

weer doodsch en verlaten in de stille bergeenzaamheid.

Ten volle bevredigd door den gedanen arbeid, met een verheugd hart

bij de gedachte aan den terugkeer in het vaderland, verlieten allen

zonder leedwezen het ongastvrije rotsland, dat hun vijf weken lang had

geherbergd; vol ongeduld het moeras, de steenen, de treurige vegetatie

van schimmelplanten en korstmossen, het vale licht der nevels, den

eeuwig stroomenden regen, het vocht en de koude te verlaten, om de

zon, de droge warmte en de levensvolheid van de tropische vlakten

met haar kleurenpracht, haar vogelgekrijsch en haar vroolijk volkje

van zorgelooze Waganda's ervoor in de plaats te krijgen.

De Moboekoe, die gezwollen was door een langer dan veertien

dagen aanhoudenden regentijd, was niet weer te herkennen; ze

vormde grootsche watervallen tusschen de terrasvormig oprijzende,

afzonderlijke hoogvlakten van het dal. Overal ontmoetten de dalende

karavanen afdeelingen van dragers, die naar Bujongolo omhoog gingen,

om nieuwe lasten te halen.

Terwijl een maand te voren aan hen, die uit de vlakte kwamen, het dal

zoo goed als ontbloot van dierlijk leven was voorgekomen, maakte nu,

na het wekenlang verblijf in het zwijgende hooggebergte, waar hoogstens

eenige raven kringen in de lucht beschreven, elk gonzen van een insect,

elk geluid van een vogel een diepen indruk op ons.

Bihunga was tot een belangrijk punt van samenkomst geworden; het was

de plaats waar de Bakonjodragers de Waganda's uit de vlakte aflosten,

welke laatsten weer in Ibanda samentroffen.

De leden der expeditie werden, toen ze na elkander in Ibanda

uit Bujongolo aankwamen, door de naburige hoofden met het gewone

ceremoniëel en met geschenken ontvangen. Het kamp was natuurlijk de

verzamelplaats voor alle bewoners van het omliggende land. Vrouwen

en grijsaards waren ijverig bezig met het uitrukken van gras en in

orde brengen van den grond voor den bouw van nieuwe hutten naast de

tenten. Van den vroegen morgen tot den laten avond duurde het gelach,

het rumoer, het dringen om de vuren, om de keukens en bij het haar-

en baardscheren, terwijl de askari's zich hier en daar door de menigte

bewogen en hun best deden, een weinig orde in de menschenmassa te

bewaren. De rivier was steeds vol badende negers, die in het water

zich met allerlei grappen vermaakten.

Dr. Cavalli kreeg opeens veel te doen, en verscheiden uren van den

dag moest hij zich met de zieken bezighouden, die van heinde en ver

tot hem kwamen, door verwanten of vreemden met trouwe zorg gesteund

of gedragen. Bij de kleine operaties schreeuwden en weenden ze,

om dadelijk erna te lachen, juist als kinderen.

Cagni deed een reeks magnetische waarnemingen. Dr. Roccati ondernam

geologische en mineralogische excursies in de omgeving, waaronder

een naar het meer boven Nakitawa, bij de monding van de Mahoma,

in het Moboekoedal. Dit meer was reeds door Moore, door Johnston,

door Dawe en anderen gezien; Freshfield noemt het Kobokorameer; maar

te oordeelen naar de reisberichten, schijnt geen der genoemden in de

nabijheid te zijn geweest. Om erbij te komen, moet men van Nakitawa

zonder eenig spoor van een weg in het dichte oerwoud doordringen

en zich met de bijl een pad banen door het bamboestruikgewas, de

lianen en de Ericaceeën. Men komt over morenenruggen, die een zoo

weelderigen plantengroei vertoonen, dat men op veel plaatsen over de

struiken loopt, over een elastische, vaak vier tot vijf meter hooge

onderlaag van takken en loof. Van tijd tot tijd klautert een van de

Bakonjogidsen op een boom, om zich te oriënteeren.

In de buurt van een omgevallen boom zijn sporen te ontdekken van

een verlaten vuurhaard, een stuk courant en een oud sardinenblikje,

aanwijzingen van een vroegere onderzoekingsreis, misschien van

Wollaston of een ander medelid van de expeditie van het Britsch Museum.

Van hier uit bereikt men in een uur het meer. Het is blijkbaar een

langwerpig rond glaciaal meer; het strekt zich uit van het Zuidoosten

naar het Noordwesten, met loodrecht oprijzende oevers, en is omgeven

door een smallen zoom van moerasmossen, waarbuiten het water dadelijk

zeer diep is. Er hangen nevelen in het rond en er heerscht een doodsche

stilte; nergens een spoor van dierlijk leven. Roccati verzamelde

hier planten en dieren aan de moerassige oevers. Lorenzo Petigax en

Brocherel bezochten later nog eenmaal het meer en konden zich nog

beter ervan overtuigen, dat onder normale omstandigheden geen rivier

eruit ontspringt.

Terwijl in Ibanda allen met velerlei arbeid bezig waren, bracht

ik het onderzoek van het gebergte ten einde. Ik was op den morgen

van den 13den Juli van Bujongolo opgebroken met de gidsen Giuseppe

Petigax en Ollier, een askari, een boy en zeventien zwarte dragers

met den gids, die bij hen behoorde, een knappen ouden man van vijftig

jaren. Op het Freshfieldzadel waren Sella en Botta bij mij gekomen,

en wij marcheerden daarna te zamen tot aan het derde kamp beneden de

westelijke hellingen van den Baker.

Het dal met de meren, waardoor wij zoo dikwijls bij regen en nevel

waren getrokken, nam nu op den mooien, helderen dag een geheel

ander landschappelijk karakter aan. Toch brengt de zon, door de

dichte, donkere Senecioboschjes gezien, iets in de natuur, dat er

niet bij past; de Helichrysums maken den indruk van bloemskeletten;

het geheele landschap is doodsch en ernstig, zonder leven, en van

beklemmende stilte.

Den volgenden dag werd de lucht na een zonsopgang van verblindende

helderheid opnieuw door nevels verduisterd. Op den bekenden weg

bestegen wij het Scott-Elliotzadel en marcheerden dan in het

uitgedroogde rivierbed op het Bujukudal toe. De vooraangaanden

waren aanhoudend in gevaar, getroffen te worden door de steenen,

die ondanks alle voorzichtigheid onder de schreden van de beladen

negers losraakten.

Aan het benedeneind van de geul aangekomen, moest de expeditie nog

een uur door een donker bosch trekken van altijdgroene gewassen,

dat op een plek afgebroken werd door een moeras, en was daarna

aan het Bujukumeer, een bekoorlijk, rustig waterbekken ter hoogte

van 3918 meter, waarop eenige eenden rondzwommen. De aanblik van de

toppen van den Stanley en den Baker met hun ontzaggelijke, loodrecht

afdalende wanden is hier onvergelijkelijk veel grootscher dan in het

bovengedeelte van het Moboekoedal.

Op de met mos bedekte oevers, tusschen het riet, wordt spoedig de voor

de expeditie door de Bakonjo aangelegde weg zichtbaar, die langs een

zachte helling dwars over het bovenste terras van het dal leidt. De

weg eindigt in een rotsspleet, die gevormd wordt door bergmassa's,

afdalend van den Mooretop van den Baker en van den Johnstontop van

den Speke. Hier verheft zich een eerste steile trap naar boven en

de eerste Ericaceeën verschijnen weer op een hoogte van 3748 meter,

vermengd met weinige Lobelia's, die echter bijna alle afgestorven zijn.

Thans gaat het nu eens op den rechtschen, dan weer op den linker

oever van den stroom bergaf, tot men op een tweede hoogvlakte komt,

waarachter zich het dal samentrekt tot een smalle kloof, die daardoor

gevormd wordt, dat het bergmassief, aan welks uiterste zuidelijk

einde de Cagnitop ligt, dwars over het dal zich uitstrekt naar het

Noorden. Het loopt zoo ver door, dat het met het langgerekte, geweldige

massief van den Speke samenvalt. Dit is van het Westen naar het Oosten

gericht en vormt tot hier de noordelijke, linkerzijde van het dal. Op

den kam van dien rotsvoorsprong van den Speke verheft zich de zeldzame

monolithische rots van regelmatige, architectonische vormen, die al

in de schildering der eerste bestijgingen van den Baker werd genoemd.

Wij dalen door de kloof aan de rechterzijde; beneden groeit er een

dicht woud van Ericaceeën, dat veel tijdverlies zou hebben veroorzaakt,

als er niet reeds een pad door gehouwen was. Daaruit komen we op

de zeer uitgestrekte derde hoogvlakte, waarop verschillende, van

het Noorden komende, zijdalen uitmonden. Het eene verloopt naar het

Noordwesten achter den oostelijken voorlooper van den Speke, om in de

nauwe kloof tusschen den Emin en den Gessi te eindigen; het is het

Migusidal. Twee andere uitloopers, die door een nevenkam gescheiden

zijn, worden doorstroomd door den bergstroom Kurungu, die uit een

door den Jolandagletscher van den Gessi gevoed meer ontspringt; en

ook vloeit er de Waigga door, die eveneens uit een meer aan den voet

van den noordelijken Portalberg komt.

Nauwelijks op de hoogvlakte aangeland, sloegen we op een geschikt punt

de tenten op, in de nabijheid van een tegen het weer beschuttende rots,

aan den voet van den rechter dal wand in een open ruimte van het bosch,

waar overal Helichrysum bloeide. De 3506 meter hooggelegen plek is

uiterst schilderachtig; ze is omgeven door hellingen en bergwanden,

die geheel met dicht woud bedekt zijn en ligt tegenover de rotstorens

van den noordelijken Portaltop.

Dit negende kamp werd het uitgangspunt voor de bestijging van den

Gessi, den laatsten top, die nog bedwongen moest worden.

Op den morgen van den 15den Juli trok ik met de beide berggidsen en

eenige negers over de vlakte in noordelijke richting en wendde mij

naar een inzinking in den van den Speke afdalenden noordwand van

het dal. Daarheen trok onze kleine schaar, door in een klein dal op

een der hellingen door te dringen, om niet door het dichte woud te

moeten gaan. Van den kam daalden wij naar het Migusidal, waarbij we

een eindweegs de sporen van een luipaard volgden, die zich een weg

door de struiken had gebaand.

Ook het Migusidal wordt gevormd door terrasvormig boven elkander

gelegen vlakten. De expeditie bestijgt een paar van die terrassen

en komt ten slotte op een hoogvlakte, die zacht hellend omhoog voert

naar een bergketel, waar de kloof eindigt, die den Emin van den Gessi

scheidt. Wij vermeden de hoogvlakte, doordat wij langs den rechter

rotswand van het dal omhoog gingen, tot wij op het terras kwamen, waar

de Jolandagletscher eindigt. De brave Bakonjo marcheerden uitstekend;

de meeste inspanning werd echter van de gidsen gevergd, die den weg

moesten banen, door boomen en struiken van allerlei soort om te hakken.

Het tiende kamp werd op een hoogte van 4166 meter boven de zee in de

nabijheid van een oude morene opgeslagen, een paar honderd meter van

de tegenwoordige eindmorene van den gletscher verwijderd, die in seracs

verbrokkeld, op den rand van een loodrechte rots eindigt. Senecio's en

Helichrysum dringen slechts nog een kort eind boven het kamp door. Van

dit hoog terras af gezien, vormt het amphitheater der bergen een der

mooiste panorama's, die er op den Roewenzori te zien zijn.

Op den morgen van den 16den was alles rondom het kamp bevroren. Eer

de dag aanbrak gingen we weer op weg. Door een van boven door de

eindseracs van den Jolandagletscher gekroonde kloof, dan over de

rotsen daar rechts van bereikten we de firnsneeuw en daarmee den

zuidoostelijken kam van den berg. Om half zeven zette ik, zonder dat

ik van het touw gebruik had behoeven te maken, den voet op den 4769

meter hoogen Jolandatop, en Ollier begon terstond met het bouwen van

een reusachtigen steenhoop.

Het weer, dat er bij het opbreken uit het kamp dreigend uitzag, was

langzamerhand geheel opgeklaard, en wij hadden een prachtigen kijk

op alle bergen te zamen, zoodat ik nog een photografisch panorama

van het geheele gebergte kon opnemen. De keten was nu volkomen in

twee panorama's opgenomen, die vanaf de uiterste einden van den

onmetelijken cirkelboog uit gephotografeerd waren, namelijk van den

Stairstop van den Luigi van Savoye en van den Jolandatop, die bij den

Gessi behoort. Daar sluiten zich dan bij aan het van den Eduard-top

genomen panorama en dat van de Grauerrots. Tegenover mij zag ik op

korten afstand den gespleten en verbrokkelden kam van den Emin, ten

zuiden daarvan den Speke met den machtigen Victor-Emanuelgletscher, die

van geen punt uit zoo duidelijk zichtbaar is als van de toppen van den

Gessi. Achter hem verheft zich de bovenste kam van den Margheritatop

met den geweldigen noordwestelijken schouder. Nog verder zuidelijk

ligt de geheele Baker met zijn woesten, loodrecht naar het Bujukudal

afdalenden rotswand.

Ten oosten van den laatste steekt achter een reeks uitloopers de

Cagnitop omhoog.

De Gessi staat in zuidoostelijke richting door middel van

een langgestrekten uitlooper met den noordelijken Portaltop

in gemeenschap. Het schijnt alsof de waterscheiding van hier uit

over een rij van ruggen verloopt, die in noordoostelijke richting

tegen elkander aan liggen, zoodat de van de oostzijde van den Gessi

afstroomende wateren tot het stelsel van de Semliki zouden behooren.

Lang vertoefde ik op den top, om voor de laatste maal het grootsche

schilderij te bewonderen van de bergen en de gletschers, dat nu

geen geheimen meer voor mij had. Dan besteeg ik langs den met sneeuw

bedekten kam in een half uur nog den Bottegotop, die vijftig meter

lager is dan de Jolandatop. Het uitzicht is, in het groot beschouwd,

hetzelfde. In een eng dal ten noorden van het tusschen den Gessi en

den Emin gelegen Cavallizadel wordt een meertje zichtbaar.

Aan den noordoostelijken en noordelijken kant van den Emin dalen drie

kleine gletschers naar beneden. De westelijke wand van den Gessi wordt

geheel door een gletscher ingenomen, terwijl de oostelijke wand een

naakte rots is.

Nog vóór het middaguur waren wij weer in onze des morgens verlaten

tent terug. We hadden denzelfden weg genomen, maar waren langs

den rand der kloof gegaan en niet onder door, om ons niet bloot te

stellen aan het gevaar, bij de seracs van den Jolandagletscher door

lawinen te worden getroffen. Na korte rust werd de terugweg aanvaard,

en snel daalden wij naar het negende kamp in het Bujukudal.

Gedurende het geheele uitstapje was de zonderlinge monoliet op den

uitlooper, die het Bujukudal van het Migusidal scheidt, in het gezicht

gebleven. Door zijn eigenaardig uitzien aangelokt, had Sella er afstand

van gedaan mij naar den Gessi te vergezellen, om te trachten die rots

van nabij te bekijken.

Op den morgen van den 15den brak Sella in gezelschap van Botta op en

keerde eerst naar het tweede terras van het dal terug, om dan tegen

den, met reusachtige Ericaceeën en altijdgroene struiken begroeiden

noordwand omhoog te gaan. Het terrein was zeer oneffen, en geweldige

rotsblokken moesten worden vermeden, die soms troonden op omgevallen

en met mos begroeide boomen. De nevel omhulde Sella, eer hij hoog

genoeg had kunnen komen om den monoliet duidelijk te zien.

Den volgenden dag kon hij zijn doel beter naderen, maar zag zich

teleurgesteld, daar hij zich bevond vóór een rotstop, die tengevolge

van zijn geïsoleerden stand op een kam grootscher leek, dan hij in

werkelijkheid was. Tegen het vallen van den nacht keerde hij naar

het negende kamp terug.

Den 17den Juli werd met de daling begonnen bij bedekte lucht, maar

zonder regen of nevel. Wij gingen over de vlakte, waar zich de dalen

Bujuku, Migusi en Kurungu vereenigen en die waarschijnlijk de bodem

is van een vroeger meer, thans geheel met riet bedekt, en marcheerden

langs den linkerkant, waar zich overal kleine, met gras begroeide

heuvels vertoonden. De expeditie kwam op het derde terras, daarna

bij de derde vernauwing van het dal tusschen de beide zuidelijke

Portalbergen.

Hier buigt zich het dal licht naar het Zuiden, en de weg voert steil

bergaf langs den linkeroever der rivier, die met stroomversnellingen

en schuimende watervallen zich naar beneden spoedt. Een klein eind

beneden de vlakte houden de Senecio's op, terwijl de Lobelia's

(Lobelia Stuhlmanni en Deckeni) nog voorkomen.

Nadat we over de Manureggio gegaan waren, een linker zijtak van de

Bujuku, kwamen we in een gebied, dat met een reusachtige grassoort

begroeid is, een echt rietbosch tusschen de Ericaceeënstammen, en

waarmee alle steile hellingen in den omtrek bedekt zijn. Hier waren

groote rotsblokken verspreid, en de hellingen werden telkens door

kleine bochten afgebroken.

De negers hebben hier het pad aangelegd, door de lange, dikke

rietstengels eenvoudig uit te trekken; die vormden een veerkrachtige

onderlaag, maar waarop men bij iederen stap uitglijdt of struikelt

of wegzakt.

Het elfde kamp werd beneden de Porta-lengte ter hoogte van 2910 meter

boven de zee opgeslagen. Eindelijk bevond men zich weer in een echt

bosch, omgeven door trotsche boomen, waaronder mooie, met lianen

bedekte Podocarpusboomen, bamboestruiken, en buiten het gebied van

Senecio's en Lobelia's. Kudden van apen dartelden tusschen de takken,

en de lucht was vervuld van vogelgezang.

Des avonds begon het weer te regenen, voor de eerste maal na tien

dagen van droog weer. De eenige tijd van onafgebroken mooi weer,

dien de expeditie in het bergland beleefde, lag achter ons.

Den volgenden dag ging het op den linkeroever van de rivier over

een al beter wordenden weg bergaf. Beneden in het dal aangekomen,

wendden we ons naar het Zuiden, recht naar de Moboekoe, waarover

een bamboebrug gelegd was. Kort daarna kwam de expeditie op den

ouden weg door het Moboekoedal en steeg omhoog naar de morene van

Nakitawa. Twee uren later kwam ze te Bihunga, en na nog twee uren te

Ibanda, waar de geheele expeditie eindelijk weer vereenigd was. Onze

taak was volbracht. Door het goede in elkander grijpen van ons aller

werk was de onderneming in elk opzicht gelukt.

In twee dagen reisde de expeditie van Ibanda naar Fort Portal. De

Roewenzori had zich in zijn gewonen wolken- en nevelsluier gehuld en

werd niet weer zichtbaar. Wij waren in de verstikkende hitte der vlakte

teruggekeerd onder de vroolijke menigte der dragers, naar de vertrouwde

vertooningen der inboorlingendorpen met hun bananenaanplantingen. Bij

elk kamp werden we door de hoofden met het gansche ceremoniëel der

afrikaansche étiquette ontvangen.

Het bergland van den Roewenzori De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 6 / 7 段