In den avond van den 25sten Juni helderde ten gevolge van een

plotselingen omslag van het weder de lucht geheel op, en een

wondervolle zonsondergang overgoot het geheele dal en het verre oerwoud

van het Kongogebied met een vlammend rood. Er volgde een bitterkoude

nacht. Op den morgen van den 26sten, om vier uur, was ik met de gidsen

reeds onderweg. Alles was stijf van de vorst; er vloeide geen druppel

water, en het meer was zoo goed als geheel bevroren. De harde sneeuw

op den gletscher knarste onder de voeten. Om half zes was ons klein

gezelschap weer op den Victor-Emanueltop. Er woei een koude wind van

het Noordwesten; in de heldere, doorschijnende lucht teekenden zich

de lijnen der kammen schitterend tegen het uitspansel af. Het was

ideaal weêr voor het doen van hoekmetingen.

De Victor-Emanueltop ligt zoowat in het midden van den wijden kring,

waarin de bergen en gletschers van den Roewenzori verrijzen, en zonder

twijfel is hij het geschiktste punt voor de waarneming der geheele

keten. Van den top verloopt naar het Noorden de lange vergletscherde

kam, die dan tot het Cavalli-zadel daalt en zich van daar weer tot den

Humberttop van den Eminberg verheft. Een diepe, van het Noorden naar

het Zuiden gerichte kloof met steile wanden scheidt den Emin van den

Gessi, van waar uit de beide toppen Jolanda en Bottego aan het uiterste

einde van den met sneeuw bedekten eindkam duidelijk zichtbaar zijn. In

het Zuidwesten steekt ver boven alle andere bergen de Stanley op met

zijn vijf toppen, van welke de Alexandratop maar even links achter den

Margheritatop te zien is. Op de groote gletschervlakte aan den voet der

beide toppen kan men zwarte punten onderscheiden; dat is de karavaan

van Sella, die op dezen morgen den Alexandratop bestijgt. De kring van

gletschers eindigt in het Oosten in den Mooretop van den Baker, waar

zich de enkele dagen te voren door Sella opgerichte steenhoop verheft.

Over den Scott-Elliotpas heen ziet men als door een venster in de verte

den uitersten westelijken rand van den Luigi-van-Savoyeberg. Tusschen

dezen en den pas kan de blik zich in de dalen verdiepen met de meren

ten westen van den Baker, en in het nog vale licht der morgenschemering

onderscheidt men daar in de diepte een vuur; dat is van het kamp der

zwarte dragers, die de levensmiddelen brengen.

Zoo was ik in dat morgenuur, van den hoogen top van den Speke uit,

getuige van de veelzijdige, opgewekte werkzaamheid van mijn karavaan

en zag vóór mij den geheelen goed georganiseerden arbeid der expeditie

zich ontvouwen. Na zeven uur bevonden we ons reeds op den terugweg naar

de tent en brachten het overige van den dag door met het drogen van

onze kleeren, die door de regens van de laatste dagen doornat waren.

Tegen den avond kwamen nog eenige Bakonjo's met levensmiddelen

aan. De nacht was helder en de sterren fonkelden; de zon ging op aan

een volkomen wolkenvrijen hemel. Ik ging met een gids vooruit in de

richting naar het Noorden op de vlakte tusschen de meren en den voet

van den bergmuur, een rotsterras, waarop ongeveer 200 meter verder

de gletscher met een groep van seracs eindigt. Wij komen vooruit

door te springen van het eene aan den voet der rots opgestapelde

rotsblok op het andere. De dragers vinden iets verder naar beneden

een gemakkelijker weg, die tusschen het tweede en het derde meer

onder Senecio's en Helichrysum loopt.

Zoo bereiken wij steeds langs den rand van den gletscher de hoogte

van den hoogen voormuur, die zich van den Speke naar het Westen

wendt en de dalen ten westen van den Stuhlmann- en den Cavallipas van

elkander scheidt. Op den kam steekt een rotspunt uit, een soort van

uitzichttoren, 4494 meter hoog, van waar uit men den af te leggen weg

kan overzien. Ongelukkigerwijze begon de lucht alweer te betrekken,

en nevels, die zich hier en daar vormden, schoven zich snel tusschen

den beschouwer en het landschap. Op een van de in het Westen vóór

den Emin gelegen uitloopers bemerkten we van hier uit duidelijk een

loodrechten rotskegel, een soort van kleinen Matterhorn, die wel

een van de "tweeling-kegels" zou kunnen zijn, waarop Stairs bij zijn

excursie naar het noordwestelijk deel der keten marcheerde.

Om aan den voet van den Emin te komen, moesten wij het bovendeel van

het dal oversteken, dat naar het Westen van het Cavalli-zadel daalt,

en een tweede, lager rotsbastion, dat van den Speke af in dit dal

vooruitspringt, passeeren. Van daar uit ging de weg verder langs den

berg onder den Grantgletscher, die zich nog sterker dan de overige op

den rug van dezen uitlooper schijnt te hebben teruggetrokken; daarna

stegen we erlangs in de richting van den Cavallipas verder. Wij

bemerkten daarbij, dat er, als door de Voorzienigheid geschapen

trappen waren, ingesloten tusschen rotsblokken, waar we anders

onmogelijk over zouden hebben kunnen heen komen. Er groeiden een

menigte Helichrysumstruiken, waar de gidsen een pad door moesten banen.

Het dal wordt in zijn bovengedeelte beneden de inzinking gepasseerd, en

het zesde kamp wordt een paar honderd meter onder den Humbertgletscher

op een kleine rots vlakte opgeslagen, waar de rots loodrecht in het dal

afdaalt. Dit mondt 160 meter verder uit in een soort van amphitheater,

dat door loodrechte wanden is omgeven; in het midden echter leidt een

minder steile helling naar het Cavallizadel omhoog. In het Westen

trekt zich het dal samen tot een enge kloof, waarin zich de uit de

zuidelijke gletschers van den Emin komende bergstroom uitstort.

De op dien dag afgelegde weg was lang geweest, en wij allen voelden

ons vermoeid.

Op den morgen van den 28sten Juni kondigde zich de dag met slecht weer

aan. Wij braken bij bewolkten hemel op en begonnen de vooruitspringende

rots te beklimmen, die van den Humberttop tusschen den Emingletscher

en den Humbertgletscher in dalende richting voortloopt. Toen we

den rechtschen rand van den laatste hadden bereikt, lieten we hier,

juist 200 meter boven het zesde kamp, de tent achter en begonnen de

bestijging door de sneeuw, die den gletscher bedekte. Boven aangekomen,

bogen wij naar het Westen af in de richting van een rotskam, waarover

we den Humberttop bereikten ter hoogte van 4815 meter. Hier bleven

we vijf uren; toch viel het ons nauwelijks te beurt, hier en daar

een paar bergen tusschen de nevels te voorschijn te zien komen. We

richtten op den breeden, steenachtigen top een groot en steenhoop op.

Een machtige, verbrokkelde kam strekt zich in het Noorden tot den

Kraepelintop uit, die lager en eveneens steenachtig is. De Gessi,

aan de overzijde van een nauwe kloof met steil afdalende wanden,

heeft het aanzien van een breed zadel met twee weinig uitstekende

punten aan het uiterste noord- en het uiterste zuideinde van een

langen, met sneeuw bedekten kam. Laat keerden wij naar de tent in de

nabijheid van den gletscher terug.

Den dag daarop wilde ik naar den Humberttop terugkeeren, om

hoekmetingen te verrichten, maar reeds in den morgen dreigde slecht

weer. Wij hadden nog slechts levensmiddelen voor een enkelen dag. Bij

den grooten afstand van Bujongolo, de eenige basis, waar we iets konden

vinden, en bij zoo moeilijke wegen was de regelmatige proviandeering

niet licht. Dus moesten we den terugweg inslaan.

In een half uur hadden we het zesde kamp onder het Cavallizadel

bereikt; daarna stegen we weer omhoog naar den "uitzichttoren",

en in de eerste uren van den namiddag sloegen we, onderweg door

een sneeuwstorm, overvallen, de tent nogmaals aan den voet van

den Victor-Emanueltop op. Den volgenden dag trokken wij in een

langen dagmarsch over het Stuhlmannzadel, staken het bovengedeelte

van het Bujukudal over, klommen tegen den steilen wand van het

Scott-Elliotzadel op en overnachtten weer in het tweede kamp aan den

oever van het meer en aan den voet van den westelijken wand van den

Baker. De levensmiddelen waren op den terugweg op vooraf aangewezen

punten verdeeld, zoodat de karavaan snel vooruit kwam, daar ze slechts

het weinige kampmateriaal had mee te voeren.

Den 1sten Juli keerde ik, na den Freshfieldpas te zijn overgegaan,

waar Sella gemeenschappelijk met Botta zijn tent had opgeslagen,

om te kunnen photografeeren, steeds onder stroomenden regen in het

moerassige Moboekoedal terug. Na een afwezigheid van zeventien dagen

zag ik het kamp van Bujongolo weer.

Den geheelen tijd door had ik op een hoogte van meer dan 4000 meter

geleefd, waarbij mij maar weinig en primitief kampmateriaal ter

beschikking stond; er moesten drie personen in een enkele kleine

bergtent zonder veldbedden slapen, bijna altijd met door regen en

sneeuw doorweekte kleeren, onder ontberingen en strapatsen, die enkel

kunnen beoordeeld worden door wie het leven in het hooggebergte onder

dergelijke omstandigheden kent.

In die zeventien dagen was het mij mogelijk geweest, een flink stuk

werk te doen; ik had de toppen Margherita, Alexandra, en dien tweemaal,

Helena en Savoye van den Stanley, den Victor-Emanueltop van den Speke

ook tweemaal en den Humberttop bestegen; ik had mij een weg gebaand

over de zadels naar Freshfield, Scott-Elliot en Stuhlmann genoemd,

het bovengedeelte van het Bujukudal kunnen onderzoeken en de westelijke

hellingen van den Speke en daar bij tevens de studie van de verdeeling

der toppen en van den aard van den samenhang der afzonderlijke groepen

onder elkander kunnen voltooien, wat ik voor een deel reeds sedert

de eerste bestijgingen der toppen van den Baker ondernomen had en wat

ik later door talrijke hoogte- en hoekmetingen verder had uitgebreid.

Dat alles werd op de gelukkigste wijze aangevuld door de werkzaamheden,

die de overige leden der expeditie hadden uitgevoerd. Wat dien arbeid

van mijn medeleden betreft, kan ik het volgende mededeelen.

Het bericht over de werkzaamheid van een expeditie als die

der Roewenzori-bestijging, welker afzonderlijke afdeelingen hun

bijzondere taak hebben en die zich gelijktijdig met verschillende

dingen bezighouden op uiteenloopende punten, kan noodwendig enkel in

brokstukken worden gegeven en moet in den tijd nu en dan teruggaan,

om de veelzijdige werkzaamheid van de karavaan in het licht te stellen.

Toen ik den 22sten Juni het vierde kamp op den Scott-Elliottop verliet,

om mij door het Bujukudal naar de noordelijke bergen te begeven,

bestegen Cagni en Cavalli onder leiding van den gids Brocherel den

Alexandratop. Jammer genoeg, was het weer nevelig, zoodat ze in de drie

uren, die ze op den top doorbrachten, slechts af en toe een vluchtig

oogenblik uitzicht hadden, waardoor ze den naburigen Margheritatop

waarnemen en van de omringende bergen eenige hoekmetingen konden

doen. Bij den terugkeer geraakten ze in een erge sneeuwjacht, zoodat

ze er tot de knieën in wegzonken.

Sella was bij het aanbreken van den dag met de photografietoestellen

opgebroken en kon een paar foto's van de kammen in de buurt van

het kamp nemen, terwijl Roccati geologische waarnemingen deed en

mineralen verzamelde.

Den 23sten en den 24sten hinderde hetzelfde slechte weer, dat mijn

eerste bestijging van den Victor-Emanueltop had belet en mij twee

dagen in het vijfde kamp gevangen had gehouden, Sella en Roccati bij

alle werk buiten de tent.

Cagni had haast om naar Bujongolo terug te keeren, om zoodra mogelijk

de magnetische waarnemingen te beginnen en de ligging van de ter

beeindiging der trianguleering vereischte basislijnen vast te

stellen. Hij verliet den 23sten, te zamen met Cavalli, het vierde

kamp en kwam nog denzelfden avond over het Freshfieldzadel naar

Bujongolo, waarbij hij den geheelen weg moest afleggen in een regen,

die op wolkbreuken geleek. Langs den weg had hij op geschikte punten

voorraden van levensmiddelen laten plaatsen ten gebruike voor allen,

die nog in het gebergte waren achtergebleven. Cavalli, die zich

met het oog op botaniseeren in het derde kamp, aan den voet van den

westelijken wand van den Baker had opgehouden, keerde den volgenden

dag naar Bujongolo terug, eveneens tot op de beenderen nat.

Hij trof Cagni verdiept in allerlei werk. Nadat hij weer orde had

gesteld op de organisatie van de expeditie, zorgde hij voor de vorming

van vliegende negertroepjes, die tot taak hadden mij van levensmiddelen

in de verre dalen ten westen van den Speke te voorzien. Verscheiden

Bakonjo hadden gewonde voeten en behoefden geneeskundige hulp. Daar

de meerderheid van de tenten ontbrak en de plaats open was, nam

Dr. Cavalli het kampwerk weer op, liet de reeds gereed gemaakte

platformen herstellen en nieuwe aanleggen, de gaten vullen, blokken ver

wij deren en boomen vellen ter vergrooting van de beschikbare ruimte.

Het slechte weer vergunde geen enkele waarneming. In den loop van een

week kon Cagni de zon niet een enkel uur lang onafgebroken te zien

krijgen. De regen was niet hevig, maar viel onophoudelijk, en de nevel

was zoo dicht, dat men niet eens den overkant van het dal kon zien.

Toch kon Cagni op 25, 27 en 28 Juni, in de zeer kleine tusschenpoozen

waarin het weder ophelderde, eenige astronomische waarnemingen

doen. Ook Sella benutte den 26sten het ietwat betere weêr, om van

het vierde kamp uit in gezelschap van Roccati, Brocherel en Botta de

bestijging van den Möbiustop, den eenigen nog niet bestegen top van

den Stanley, te voleindigen, en deed een kort uitstapje over den kam

naar de Serpentinrotsen van de westelijke hellingen, nadat hij het

geweldige sneeuwdek op dien kam met bijlslagen had verbrijzeld. Van

daarboven waren de beide kleine meren aan den voet van den rotswand

duidelijk zichtbaar. Het viertal keerde in een dichten sneeuwstorm

naar het kamp terug, maar de dag was toch tot iets nuttig geweest.

Den volgenden dag brak Sella met Brocherel en Botta in de vroege

morgenschemering weer op. Van de gletschervlakte uit kon hij mij

tijdens mijn oponthoud op den Victor-Emanueltop waarnemen. In

de tusschenpoozen tusschen de nevels deed hij opnamen met het

photografietoestel en kwam ten slotte ook op den Alexandratop. Onder

den terugkeer van Sella begon het weer te sneeuwen.

Nog gunstiger liep de 27ste Juni af. Sella keerde met Roccati naar den

Alexandratop terug. Het was de vijfde bestijging van den top. Weer

beneden aangekomen, trok hij met Brocherel en Botta over den pas

tusschen den Alexandra- en den Möbiustop en daalde langs den van

spleten doorsneden gletscher aan de westzijde ongeveer 400 meter

naar beneden. Van een rotspunt uit, die vooruitsprong tusschen de

gletschers van de beide toppen, kon hij verschillende opnemingen van de

westelijke wanden maken en zoo de voorstelling in beeld van den Stanley

van alle windstreken uit voltooien. De door Sella bestegen rots aan

den voet der westelijke gletschers was daar de laatste overwinning;

den volgenden dag braken ze bij storm en hagel met hulp van de uit

Bujongolo aangekomen dragers het kamp af en daalden naar de meren

ten westen van den Baker.

Den 29sten sloegen ze nogmaals hun kamp op het Freshfieldzadel op. Op

dien dag werd het photografietoestel op den kam ten zuiden van den

Eduardtop dicht bij den rand van den gletscher opgesteld. Na drie uren

van vergeefsch wachten in regen en sneeuwjacht lieten ze het daar staan

en keerden naar hun tent terug. Den geheelen volgenden dag brachten

ze op den kam door, terwijl de sneeuw om hen heen stoof, zooals ze

daar zaten gehurkt bij het toestel. Ook beneden op den pas was zooveel

sneeuw gevallen, dat het gewicht ervan de tent had omvergeworpen. Trots

rijkelijke besproeiing met petroleum gelukte het eerst met de grootste

moeite een klein vuur aan te leggen met het doorweekte hout.

Den 1sten Juli steeg ook Roccati, die de inzameling van mineralen en

steensoorten in de omgeving van den pas en de naburige gletschers

voltooid had, naar Bujongolo naar beneden en liet Sella, die vast

besloten was zijn plan te volvoeren, met Brocherel en Botta achter. In

den namiddag van dien dag trok ook ik op den terugweg van den verren

Emin over den pas, van waar ik mij rechtstreeks naar Bujongolo begaf.

Den daarop volgenden morgen steeg Sella bij weinig belovend weer met

zijn beide begeleiders, van den pas uit, over den zuidelijken kam

omhoog naar den Eduardtop. Hij kon enkele foto's maken en ook een

vrij onvolledig panorama verkrijgen. Bij de daling werd hij door een

hevig onweer overvallen, dat den geheelen volgenden dag met regen,

hagel en sneeuw aanhield.

Het schouwspel, dat een onweer op deze hoogte van 4322 meter

aanbiedt, is een der meest grootsche, die men kan aanschouwen. Zware

wolkenmassa's waren gelegerd boven de Semliki, die in de verte zich

als een zilveren lint voortslingerde. Geweldige wervelingen van nevels

komen aanhoudend uit de oostelijke en westelijke dalen op, vloeien te

zamen en lossen zich onder voortdurend opvlammen van bliksemstralen

en kraken van donderslagen op, om dadelijk door nieuwe, uit de diepte

opkomende dampmassa's te worden vervangen.

Dikwijls klaarde in den avond na een onder nevel, regen, sneeuw

en hagel verloopen dag het weer op. In de van waterdamp verzadigde

atmosfeer van kristalheldere doorschijnendheid is de ondergaande zon

als een reusachtige vuurbol, en dalen, gletschers en sneeuwvlakten

in het Westen worden overgoten door een vlammend rood.

Op den morgen van den 4den Juli verliet Sella met zijn begeleiders

opnieuw de tent, om den middelsten top van den Luigi van Savoye,

die thans den naam van Sella draagt, te bestijgen. Na door het

hoogst gelegen deel van het dal te zijn getrokken ten westen van

den Freshfieldpas, kwamen ze aan een inzinking van den kam. Het was

moeilijk, zich in den nevel te oriënteeren. De talrijke rotstorens

noodzaakten hen, over een steil hellend sneeuwveld ten zuiden van

den kam te gaan en daarna naar de noordzijde beneden den top terug te

keeren, dien ze eindelijk door een rotskloof bereikten. De 4659 meter

hooge, rotsachtige Sellatop is eveneens bezaaid met uiterst talrijke

plekken, waar de bliksem verwoestingen heeft aangericht. Eenige rotsen

waren aan den rand over een dikte van verscheiden centimeters geheel

doorboord en zagen eruit, alsof ze wormstekig waren geworden. Ze

bleven verscheiden uren op den top, zonder dat het hun gelukte, ook

maar een enkele photografische opneming te doen. Nauwelijks konden

ze in het Zuidwesten door den een oogenblik lichter wordenden nevel

den Weismanntop aan het uiterste einde van een met sneeuw bedekten

kam onderscheiden.

Bij den terugkeer daalden ze rechtstreeks naar het dal, dat vol

moerassige plaatsen was en de gewone vegetatie van Senecio's vertoonde;

na het aanbreken van den nacht kwamen ze in mooien maneschijn in hun

tent terug.

Eindelijk op den 5den Juli trof Sella weer met de expeditie in

Bujongolo samen, nadat hij een geheele week op den Freshfieldpas

vertoefd had en steeds uitvluchten op de kammen had gedaan, waarbij

hij uren en uren naast zijn photografietoestel in ellendig weêr had

doorgebracht. Niettegenstaande zijn volharding en geduld was het

hem niet mogelijk geweest, het geheele panorama der bergen van den

Eduardtop uit op te nemen, zooals zijn bedoeling was geweest.

Ondertusschen was men in Bujongolo niet werkeloos gebleven. Cagni had

te vergeefs beproefd, magnetische waarnemingen te doen. Ze waren door

de menigte der in de gesteenten bij Bujongolo voorkomende ijzerhoudende

mineralen verhinderd geworden, welker invloed zich zelfs openbaarde,

als de inclinatienaald geplaatst werd op een met opzet voor dat doel

gebouwd getimmerte, dat vele meters boven den grond uit balken was

opgetrokken.

De grootste moeite was het echter, om een voldoende vlak en uitgestrekt

veld te vinden, waarop men een basislijn kon afpalen, welker beide

einden met de twee toppen verbonden moesten worden, die in het net

begrepen waren der door mij van verschillende bergen uit gemeten

hoeken.

Tegenover de hooge rots, aan welker voet Bujongolo lag, bevond zich

iets achterwaarts een effen terrein. Maar van daar kon men alleen

den Eduard- en den Cagnitop zien, die met de overige toppen niet

verbonden waren. Een andere nog hooger gelegen plaats op den naar het

Freshfieldzadel voerenden weg, die door het slechte weder en door het

heen en weer gaan van de dragers in een moeras was veranderd, bood

al geen betere gelegenheid. Ik moest mij met Cagni ervan overtuigen,

nadat wij hier een geheelen dag in den regen hadden doorgebracht.

Nu werd het plan overwogen, de basis naar de vlakte achter Bujongolo

te verleggen. Ik zou dan naar den Eduardtop zijn gestegen, en Cagni

zou den top, die zijn naam draagt, hebben beklommen, om van die punten

uit de hoeken der overige bergen te meten. Alles hing ervan af, of het

ons gegeven zou wezen, eenige uren helder weêr op de bergen te treffen.

Intusschen ondernam ik een onderzoek in het dal, dat zich tegenover

Bujongolo tusschen den Baker en den Cagnitop bevindt, en zag, dat

het door sterk hellende, gladde en voor de zwarte dragers zeker

onoverkoombare rotsblokken versperd was. Het weêr bleef als te voren

slecht; de Baker was geheel met versche sneeuw bedekt; in het dal

had de regen de heele aarde in taai slijk veranderd.

Den 4den Juli gelukte het, trots den aanhoudenden regen en den dichten

nevel, door gebruik te maken van elk windje dat de wolken verdreef, de

basislijn op de vlakte boven het kamp af te steken op een mostapijt

op moerassigen grond, begroeid met Senecio's, die van het water

dropen. Om de theodoliet aan de beide einden der lijn te kunnen

opstellen, moest men bepaalde fondamenten leggen, door steenen als

paalwerk tot op twee meter diepte in het moeras te brengen. Nauwelijks

waren de voorbereidselen voltooid, of het weer begon beter te worden,

en op den 5den Juli, op een helderen, zeer kouden morgen, kon ik den

Freshfieldpas bestijgen. Roccati, die mij tot zoo ver vergezeld had,

keerde met Sella weer naar Bujongolo terug, terwijl ik rechtstreeks

naar den Eduardtop verder trok, langs den zuidelijken kam, waarover

drie dagen te voren Sella de bestijging had volbracht. De nevel keerde

weer, eer ik den top had bereikt, en eerst laat in den namiddag kon

ik bij een kort oogenblikje van helderheid eenige hoeken meten. In

den laten avond keerde ik in het kamp terug.

Den 6den werd ik door het opnieuw slecht geworden weer in mijn werk

gehinderd; den 7den echter was ik op een vroeg morgenuur naar den top

gestegen en kon alle metingen voleindigen. Den volgenden dag ondernam

ik nog de bestijging van den Stairstop van den Luigi van Savoye,

vóór ik naar Bujongolo terugging.

Commandant Cagni was den 6den Juli met Giuseppe Petigax, Brocherel

en eenige zwarten opgebroken, om de bestijging van den rotstop ten

noorden van het kamp te verrichten, welke top aan het eene einde der

basislijn en aan het hoeknet zou worden aangesloten.

De Cagnitop ligt aan het uiterste zuidelijk einde van een rotsmuur,

die zich tusschen den Baker en den zuidelijken Portaltop bevindt,

ingesloten tusschen twee korte dalen, die meertjes bevatten en door

zijtakken van de Moboekoe worden doorstroomd.

Daar Cagni de rotsblokken, die mij bij het onderzoek van den 2den

Juli hadden belet voort te gaan, wilde vermijden, en ook om het

Moboekoedal niet dwars te moeten oversteken door het moeras, besloot

hij de wanden van den Baker beneden den Wollastontop te bestijgen en

dan op de hoogte naar den Cagnitop te marscheeren.

De expeditie sloeg dus eerst den weg naar het kamp aan den

Moboekoegletscher in en wendde zich van daar naar de oostelijke

hellingen van den Baker met het doel, den pas ten oosten van den

Mooretop te bereiken. Maar de nevel, die eeuwige vijand, dwong hen, aan

den steilen wand te midden van sneeuw, rotsblokken en moerassen halt

te houden. Den volgenden dag zag men in, dat men op den ingeslagen weg

niet verder kwam. Men moest in de nauwe kloof tusschen den Wollaston-

en den Cagnitop afdalen. Dat was geen lichte taak, en op meer dan één

plaats moest men de lasten en ook de dragers, alsof het zakken waren,

aan een touw neerlaten. Toen men aan den voet der loodrecht oprijzende

zuidwestelijke wanden van den Cagnitop en beneden in het kleine dal

was gekomen, steeg men door een dicht boschje van Ericaceeën weer

naar den bovensten rand en sloeg de tent dadelijk beneden den pas op.

Het bergland van den Roewenzori De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 5 / 7 段