plotselingen omslag van het weder de lucht geheel op, en een
wondervolle zonsondergang overgoot het geheele dal en het verre oerwoud
van het Kongogebied met een vlammend rood. Er volgde een bitterkoude
nacht. Op den morgen van den 26sten, om vier uur, was ik met de gidsen
reeds onderweg. Alles was stijf van de vorst; er vloeide geen druppel
water, en het meer was zoo goed als geheel bevroren. De harde sneeuw
op den gletscher knarste onder de voeten. Om half zes was ons klein
gezelschap weer op den Victor-Emanueltop. Er woei een koude wind van
het Noordwesten; in de heldere, doorschijnende lucht teekenden zich
de lijnen der kammen schitterend tegen het uitspansel af. Het was
ideaal weêr voor het doen van hoekmetingen.
De Victor-Emanueltop ligt zoowat in het midden van den wijden kring,
waarin de bergen en gletschers van den Roewenzori verrijzen, en zonder
twijfel is hij het geschiktste punt voor de waarneming der geheele
keten. Van den top verloopt naar het Noorden de lange vergletscherde
kam, die dan tot het Cavalli-zadel daalt en zich van daar weer tot den
Humberttop van den Eminberg verheft. Een diepe, van het Noorden naar
het Zuiden gerichte kloof met steile wanden scheidt den Emin van den
Gessi, van waar uit de beide toppen Jolanda en Bottego aan het uiterste
einde van den met sneeuw bedekten eindkam duidelijk zichtbaar zijn. In
het Zuidwesten steekt ver boven alle andere bergen de Stanley op met
zijn vijf toppen, van welke de Alexandratop maar even links achter den
Margheritatop te zien is. Op de groote gletschervlakte aan den voet der
beide toppen kan men zwarte punten onderscheiden; dat is de karavaan
van Sella, die op dezen morgen den Alexandratop bestijgt. De kring van
gletschers eindigt in het Oosten in den Mooretop van den Baker, waar
zich de enkele dagen te voren door Sella opgerichte steenhoop verheft.
Over den Scott-Elliotpas heen ziet men als door een venster in de verte
den uitersten westelijken rand van den Luigi-van-Savoyeberg. Tusschen
dezen en den pas kan de blik zich in de dalen verdiepen met de meren
ten westen van den Baker, en in het nog vale licht der morgenschemering
onderscheidt men daar in de diepte een vuur; dat is van het kamp der
zwarte dragers, die de levensmiddelen brengen.
Zoo was ik in dat morgenuur, van den hoogen top van den Speke uit,
getuige van de veelzijdige, opgewekte werkzaamheid van mijn karavaan
en zag vóór mij den geheelen goed georganiseerden arbeid der expeditie
zich ontvouwen. Na zeven uur bevonden we ons reeds op den terugweg naar
de tent en brachten het overige van den dag door met het drogen van
onze kleeren, die door de regens van de laatste dagen doornat waren.
Tegen den avond kwamen nog eenige Bakonjo's met levensmiddelen
aan. De nacht was helder en de sterren fonkelden; de zon ging op aan
een volkomen wolkenvrijen hemel. Ik ging met een gids vooruit in de
richting naar het Noorden op de vlakte tusschen de meren en den voet
van den bergmuur, een rotsterras, waarop ongeveer 200 meter verder
de gletscher met een groep van seracs eindigt. Wij komen vooruit
door te springen van het eene aan den voet der rots opgestapelde
rotsblok op het andere. De dragers vinden iets verder naar beneden
een gemakkelijker weg, die tusschen het tweede en het derde meer
onder Senecio's en Helichrysum loopt.
Zoo bereiken wij steeds langs den rand van den gletscher de hoogte
van den hoogen voormuur, die zich van den Speke naar het Westen
wendt en de dalen ten westen van den Stuhlmann- en den Cavallipas van
elkander scheidt. Op den kam steekt een rotspunt uit, een soort van
uitzichttoren, 4494 meter hoog, van waar uit men den af te leggen weg
kan overzien. Ongelukkigerwijze begon de lucht alweer te betrekken,
en nevels, die zich hier en daar vormden, schoven zich snel tusschen
den beschouwer en het landschap. Op een van de in het Westen vóór
den Emin gelegen uitloopers bemerkten we van hier uit duidelijk een
loodrechten rotskegel, een soort van kleinen Matterhorn, die wel
een van de "tweeling-kegels" zou kunnen zijn, waarop Stairs bij zijn
excursie naar het noordwestelijk deel der keten marcheerde.
Om aan den voet van den Emin te komen, moesten wij het bovendeel van
het dal oversteken, dat naar het Westen van het Cavalli-zadel daalt,
en een tweede, lager rotsbastion, dat van den Speke af in dit dal
vooruitspringt, passeeren. Van daar uit ging de weg verder langs den
berg onder den Grantgletscher, die zich nog sterker dan de overige op
den rug van dezen uitlooper schijnt te hebben teruggetrokken; daarna
stegen we erlangs in de richting van den Cavallipas verder. Wij
bemerkten daarbij, dat er, als door de Voorzienigheid geschapen
trappen waren, ingesloten tusschen rotsblokken, waar we anders
onmogelijk over zouden hebben kunnen heen komen. Er groeiden een
menigte Helichrysumstruiken, waar de gidsen een pad door moesten banen.
Het dal wordt in zijn bovengedeelte beneden de inzinking gepasseerd, en
het zesde kamp wordt een paar honderd meter onder den Humbertgletscher
op een kleine rots vlakte opgeslagen, waar de rots loodrecht in het dal
afdaalt. Dit mondt 160 meter verder uit in een soort van amphitheater,
dat door loodrechte wanden is omgeven; in het midden echter leidt een
minder steile helling naar het Cavallizadel omhoog. In het Westen
trekt zich het dal samen tot een enge kloof, waarin zich de uit de
zuidelijke gletschers van den Emin komende bergstroom uitstort.
De op dien dag afgelegde weg was lang geweest, en wij allen voelden
ons vermoeid.
Op den morgen van den 28sten Juni kondigde zich de dag met slecht weer
aan. Wij braken bij bewolkten hemel op en begonnen de vooruitspringende
rots te beklimmen, die van den Humberttop tusschen den Emingletscher
en den Humbertgletscher in dalende richting voortloopt. Toen we
den rechtschen rand van den laatste hadden bereikt, lieten we hier,
juist 200 meter boven het zesde kamp, de tent achter en begonnen de
bestijging door de sneeuw, die den gletscher bedekte. Boven aangekomen,
bogen wij naar het Westen af in de richting van een rotskam, waarover
we den Humberttop bereikten ter hoogte van 4815 meter. Hier bleven
we vijf uren; toch viel het ons nauwelijks te beurt, hier en daar
een paar bergen tusschen de nevels te voorschijn te zien komen. We
richtten op den breeden, steenachtigen top een groot en steenhoop op.
Een machtige, verbrokkelde kam strekt zich in het Noorden tot den
Kraepelintop uit, die lager en eveneens steenachtig is. De Gessi,
aan de overzijde van een nauwe kloof met steil afdalende wanden,
heeft het aanzien van een breed zadel met twee weinig uitstekende
punten aan het uiterste noord- en het uiterste zuideinde van een
langen, met sneeuw bedekten kam. Laat keerden wij naar de tent in de
nabijheid van den gletscher terug.
Den dag daarop wilde ik naar den Humberttop terugkeeren, om
hoekmetingen te verrichten, maar reeds in den morgen dreigde slecht
weer. Wij hadden nog slechts levensmiddelen voor een enkelen dag. Bij
den grooten afstand van Bujongolo, de eenige basis, waar we iets konden
vinden, en bij zoo moeilijke wegen was de regelmatige proviandeering
niet licht. Dus moesten we den terugweg inslaan.
In een half uur hadden we het zesde kamp onder het Cavallizadel
bereikt; daarna stegen we weer omhoog naar den "uitzichttoren",
en in de eerste uren van den namiddag sloegen we, onderweg door
een sneeuwstorm, overvallen, de tent nogmaals aan den voet van
den Victor-Emanueltop op. Den volgenden dag trokken wij in een
langen dagmarsch over het Stuhlmannzadel, staken het bovengedeelte
van het Bujukudal over, klommen tegen den steilen wand van het
Scott-Elliotzadel op en overnachtten weer in het tweede kamp aan den
oever van het meer en aan den voet van den westelijken wand van den
Baker. De levensmiddelen waren op den terugweg op vooraf aangewezen
punten verdeeld, zoodat de karavaan snel vooruit kwam, daar ze slechts
het weinige kampmateriaal had mee te voeren.
Den 1sten Juli keerde ik, na den Freshfieldpas te zijn overgegaan,
waar Sella gemeenschappelijk met Botta zijn tent had opgeslagen,
om te kunnen photografeeren, steeds onder stroomenden regen in het
moerassige Moboekoedal terug. Na een afwezigheid van zeventien dagen
zag ik het kamp van Bujongolo weer.
Den geheelen tijd door had ik op een hoogte van meer dan 4000 meter
geleefd, waarbij mij maar weinig en primitief kampmateriaal ter
beschikking stond; er moesten drie personen in een enkele kleine
bergtent zonder veldbedden slapen, bijna altijd met door regen en
sneeuw doorweekte kleeren, onder ontberingen en strapatsen, die enkel
kunnen beoordeeld worden door wie het leven in het hooggebergte onder
dergelijke omstandigheden kent.
In die zeventien dagen was het mij mogelijk geweest, een flink stuk
werk te doen; ik had de toppen Margherita, Alexandra, en dien tweemaal,
Helena en Savoye van den Stanley, den Victor-Emanueltop van den Speke
ook tweemaal en den Humberttop bestegen; ik had mij een weg gebaand
over de zadels naar Freshfield, Scott-Elliot en Stuhlmann genoemd,
het bovengedeelte van het Bujukudal kunnen onderzoeken en de westelijke
hellingen van den Speke en daar bij tevens de studie van de verdeeling
der toppen en van den aard van den samenhang der afzonderlijke groepen
onder elkander kunnen voltooien, wat ik voor een deel reeds sedert
de eerste bestijgingen der toppen van den Baker ondernomen had en wat
ik later door talrijke hoogte- en hoekmetingen verder had uitgebreid.
Dat alles werd op de gelukkigste wijze aangevuld door de werkzaamheden,
die de overige leden der expeditie hadden uitgevoerd. Wat dien arbeid
van mijn medeleden betreft, kan ik het volgende mededeelen.
Het bericht over de werkzaamheid van een expeditie als die
der Roewenzori-bestijging, welker afzonderlijke afdeelingen hun
bijzondere taak hebben en die zich gelijktijdig met verschillende
dingen bezighouden op uiteenloopende punten, kan noodwendig enkel in
brokstukken worden gegeven en moet in den tijd nu en dan teruggaan,
om de veelzijdige werkzaamheid van de karavaan in het licht te stellen.
Toen ik den 22sten Juni het vierde kamp op den Scott-Elliottop verliet,
om mij door het Bujukudal naar de noordelijke bergen te begeven,
bestegen Cagni en Cavalli onder leiding van den gids Brocherel den
Alexandratop. Jammer genoeg, was het weer nevelig, zoodat ze in de drie
uren, die ze op den top doorbrachten, slechts af en toe een vluchtig
oogenblik uitzicht hadden, waardoor ze den naburigen Margheritatop
waarnemen en van de omringende bergen eenige hoekmetingen konden
doen. Bij den terugkeer geraakten ze in een erge sneeuwjacht, zoodat
ze er tot de knieën in wegzonken.
Sella was bij het aanbreken van den dag met de photografietoestellen
opgebroken en kon een paar foto's van de kammen in de buurt van
het kamp nemen, terwijl Roccati geologische waarnemingen deed en
mineralen verzamelde.
Den 23sten en den 24sten hinderde hetzelfde slechte weer, dat mijn
eerste bestijging van den Victor-Emanueltop had belet en mij twee
dagen in het vijfde kamp gevangen had gehouden, Sella en Roccati bij
alle werk buiten de tent.
Cagni had haast om naar Bujongolo terug te keeren, om zoodra mogelijk
de magnetische waarnemingen te beginnen en de ligging van de ter
beeindiging der trianguleering vereischte basislijnen vast te
stellen. Hij verliet den 23sten, te zamen met Cavalli, het vierde
kamp en kwam nog denzelfden avond over het Freshfieldzadel naar
Bujongolo, waarbij hij den geheelen weg moest afleggen in een regen,
die op wolkbreuken geleek. Langs den weg had hij op geschikte punten
voorraden van levensmiddelen laten plaatsen ten gebruike voor allen,
die nog in het gebergte waren achtergebleven. Cavalli, die zich
met het oog op botaniseeren in het derde kamp, aan den voet van den
westelijken wand van den Baker had opgehouden, keerde den volgenden
dag naar Bujongolo terug, eveneens tot op de beenderen nat.
Hij trof Cagni verdiept in allerlei werk. Nadat hij weer orde had
gesteld op de organisatie van de expeditie, zorgde hij voor de vorming
van vliegende negertroepjes, die tot taak hadden mij van levensmiddelen
in de verre dalen ten westen van den Speke te voorzien. Verscheiden
Bakonjo hadden gewonde voeten en behoefden geneeskundige hulp. Daar
de meerderheid van de tenten ontbrak en de plaats open was, nam
Dr. Cavalli het kampwerk weer op, liet de reeds gereed gemaakte
platformen herstellen en nieuwe aanleggen, de gaten vullen, blokken ver
wij deren en boomen vellen ter vergrooting van de beschikbare ruimte.
Het slechte weer vergunde geen enkele waarneming. In den loop van een
week kon Cagni de zon niet een enkel uur lang onafgebroken te zien
krijgen. De regen was niet hevig, maar viel onophoudelijk, en de nevel
was zoo dicht, dat men niet eens den overkant van het dal kon zien.
Toch kon Cagni op 25, 27 en 28 Juni, in de zeer kleine tusschenpoozen
waarin het weder ophelderde, eenige astronomische waarnemingen
doen. Ook Sella benutte den 26sten het ietwat betere weêr, om van
het vierde kamp uit in gezelschap van Roccati, Brocherel en Botta de
bestijging van den Möbiustop, den eenigen nog niet bestegen top van
den Stanley, te voleindigen, en deed een kort uitstapje over den kam
naar de Serpentinrotsen van de westelijke hellingen, nadat hij het
geweldige sneeuwdek op dien kam met bijlslagen had verbrijzeld. Van
daarboven waren de beide kleine meren aan den voet van den rotswand
duidelijk zichtbaar. Het viertal keerde in een dichten sneeuwstorm
naar het kamp terug, maar de dag was toch tot iets nuttig geweest.
Den volgenden dag brak Sella met Brocherel en Botta in de vroege
morgenschemering weer op. Van de gletschervlakte uit kon hij mij
tijdens mijn oponthoud op den Victor-Emanueltop waarnemen. In
de tusschenpoozen tusschen de nevels deed hij opnamen met het
photografietoestel en kwam ten slotte ook op den Alexandratop. Onder
den terugkeer van Sella begon het weer te sneeuwen.
Nog gunstiger liep de 27ste Juni af. Sella keerde met Roccati naar den
Alexandratop terug. Het was de vijfde bestijging van den top. Weer
beneden aangekomen, trok hij met Brocherel en Botta over den pas
tusschen den Alexandra- en den Möbiustop en daalde langs den van
spleten doorsneden gletscher aan de westzijde ongeveer 400 meter
naar beneden. Van een rotspunt uit, die vooruitsprong tusschen de
gletschers van de beide toppen, kon hij verschillende opnemingen van de
westelijke wanden maken en zoo de voorstelling in beeld van den Stanley
van alle windstreken uit voltooien. De door Sella bestegen rots aan
den voet der westelijke gletschers was daar de laatste overwinning;
den volgenden dag braken ze bij storm en hagel met hulp van de uit
Bujongolo aangekomen dragers het kamp af en daalden naar de meren
ten westen van den Baker.
Den 29sten sloegen ze nogmaals hun kamp op het Freshfieldzadel op. Op
dien dag werd het photografietoestel op den kam ten zuiden van den
Eduardtop dicht bij den rand van den gletscher opgesteld. Na drie uren
van vergeefsch wachten in regen en sneeuwjacht lieten ze het daar staan
en keerden naar hun tent terug. Den geheelen volgenden dag brachten
ze op den kam door, terwijl de sneeuw om hen heen stoof, zooals ze
daar zaten gehurkt bij het toestel. Ook beneden op den pas was zooveel
sneeuw gevallen, dat het gewicht ervan de tent had omvergeworpen. Trots
rijkelijke besproeiing met petroleum gelukte het eerst met de grootste
moeite een klein vuur aan te leggen met het doorweekte hout.
Den 1sten Juli steeg ook Roccati, die de inzameling van mineralen en
steensoorten in de omgeving van den pas en de naburige gletschers
voltooid had, naar Bujongolo naar beneden en liet Sella, die vast
besloten was zijn plan te volvoeren, met Brocherel en Botta achter. In
den namiddag van dien dag trok ook ik op den terugweg van den verren
Emin over den pas, van waar ik mij rechtstreeks naar Bujongolo begaf.
Den daarop volgenden morgen steeg Sella bij weinig belovend weer met
zijn beide begeleiders, van den pas uit, over den zuidelijken kam
omhoog naar den Eduardtop. Hij kon enkele foto's maken en ook een
vrij onvolledig panorama verkrijgen. Bij de daling werd hij door een
hevig onweer overvallen, dat den geheelen volgenden dag met regen,
hagel en sneeuw aanhield.
Het schouwspel, dat een onweer op deze hoogte van 4322 meter
aanbiedt, is een der meest grootsche, die men kan aanschouwen. Zware
wolkenmassa's waren gelegerd boven de Semliki, die in de verte zich
als een zilveren lint voortslingerde. Geweldige wervelingen van nevels
komen aanhoudend uit de oostelijke en westelijke dalen op, vloeien te
zamen en lossen zich onder voortdurend opvlammen van bliksemstralen
en kraken van donderslagen op, om dadelijk door nieuwe, uit de diepte
opkomende dampmassa's te worden vervangen.
Dikwijls klaarde in den avond na een onder nevel, regen, sneeuw
en hagel verloopen dag het weer op. In de van waterdamp verzadigde
atmosfeer van kristalheldere doorschijnendheid is de ondergaande zon
als een reusachtige vuurbol, en dalen, gletschers en sneeuwvlakten
in het Westen worden overgoten door een vlammend rood.
Op den morgen van den 4den Juli verliet Sella met zijn begeleiders
opnieuw de tent, om den middelsten top van den Luigi van Savoye,
die thans den naam van Sella draagt, te bestijgen. Na door het
hoogst gelegen deel van het dal te zijn getrokken ten westen van
den Freshfieldpas, kwamen ze aan een inzinking van den kam. Het was
moeilijk, zich in den nevel te oriënteeren. De talrijke rotstorens
noodzaakten hen, over een steil hellend sneeuwveld ten zuiden van
den kam te gaan en daarna naar de noordzijde beneden den top terug te
keeren, dien ze eindelijk door een rotskloof bereikten. De 4659 meter
hooge, rotsachtige Sellatop is eveneens bezaaid met uiterst talrijke
plekken, waar de bliksem verwoestingen heeft aangericht. Eenige rotsen
waren aan den rand over een dikte van verscheiden centimeters geheel
doorboord en zagen eruit, alsof ze wormstekig waren geworden. Ze
bleven verscheiden uren op den top, zonder dat het hun gelukte, ook
maar een enkele photografische opneming te doen. Nauwelijks konden
ze in het Zuidwesten door den een oogenblik lichter wordenden nevel
den Weismanntop aan het uiterste einde van een met sneeuw bedekten
kam onderscheiden.
Bij den terugkeer daalden ze rechtstreeks naar het dal, dat vol
moerassige plaatsen was en de gewone vegetatie van Senecio's vertoonde;
na het aanbreken van den nacht kwamen ze in mooien maneschijn in hun
tent terug.
Eindelijk op den 5den Juli trof Sella weer met de expeditie in
Bujongolo samen, nadat hij een geheele week op den Freshfieldpas
vertoefd had en steeds uitvluchten op de kammen had gedaan, waarbij
hij uren en uren naast zijn photografietoestel in ellendig weêr had
doorgebracht. Niettegenstaande zijn volharding en geduld was het
hem niet mogelijk geweest, het geheele panorama der bergen van den
Eduardtop uit op te nemen, zooals zijn bedoeling was geweest.
Ondertusschen was men in Bujongolo niet werkeloos gebleven. Cagni had
te vergeefs beproefd, magnetische waarnemingen te doen. Ze waren door
de menigte der in de gesteenten bij Bujongolo voorkomende ijzerhoudende
mineralen verhinderd geworden, welker invloed zich zelfs openbaarde,
als de inclinatienaald geplaatst werd op een met opzet voor dat doel
gebouwd getimmerte, dat vele meters boven den grond uit balken was
opgetrokken.
De grootste moeite was het echter, om een voldoende vlak en uitgestrekt
veld te vinden, waarop men een basislijn kon afpalen, welker beide
einden met de twee toppen verbonden moesten worden, die in het net
begrepen waren der door mij van verschillende bergen uit gemeten
hoeken.
Tegenover de hooge rots, aan welker voet Bujongolo lag, bevond zich
iets achterwaarts een effen terrein. Maar van daar kon men alleen
den Eduard- en den Cagnitop zien, die met de overige toppen niet
verbonden waren. Een andere nog hooger gelegen plaats op den naar het
Freshfieldzadel voerenden weg, die door het slechte weder en door het
heen en weer gaan van de dragers in een moeras was veranderd, bood
al geen betere gelegenheid. Ik moest mij met Cagni ervan overtuigen,
nadat wij hier een geheelen dag in den regen hadden doorgebracht.
Nu werd het plan overwogen, de basis naar de vlakte achter Bujongolo
te verleggen. Ik zou dan naar den Eduardtop zijn gestegen, en Cagni
zou den top, die zijn naam draagt, hebben beklommen, om van die punten
uit de hoeken der overige bergen te meten. Alles hing ervan af, of het
ons gegeven zou wezen, eenige uren helder weêr op de bergen te treffen.
Intusschen ondernam ik een onderzoek in het dal, dat zich tegenover
Bujongolo tusschen den Baker en den Cagnitop bevindt, en zag, dat
het door sterk hellende, gladde en voor de zwarte dragers zeker
onoverkoombare rotsblokken versperd was. Het weêr bleef als te voren
slecht; de Baker was geheel met versche sneeuw bedekt; in het dal
had de regen de heele aarde in taai slijk veranderd.
Den 4den Juli gelukte het, trots den aanhoudenden regen en den dichten
nevel, door gebruik te maken van elk windje dat de wolken verdreef, de
basislijn op de vlakte boven het kamp af te steken op een mostapijt
op moerassigen grond, begroeid met Senecio's, die van het water
dropen. Om de theodoliet aan de beide einden der lijn te kunnen
opstellen, moest men bepaalde fondamenten leggen, door steenen als
paalwerk tot op twee meter diepte in het moeras te brengen. Nauwelijks
waren de voorbereidselen voltooid, of het weer begon beter te worden,
en op den 5den Juli, op een helderen, zeer kouden morgen, kon ik den
Freshfieldpas bestijgen. Roccati, die mij tot zoo ver vergezeld had,
keerde met Sella weer naar Bujongolo terug, terwijl ik rechtstreeks
naar den Eduardtop verder trok, langs den zuidelijken kam, waarover
drie dagen te voren Sella de bestijging had volbracht. De nevel keerde
weer, eer ik den top had bereikt, en eerst laat in den namiddag kon
ik bij een kort oogenblikje van helderheid eenige hoeken meten. In
den laten avond keerde ik in het kamp terug.
Den 6den werd ik door het opnieuw slecht geworden weer in mijn werk
gehinderd; den 7den echter was ik op een vroeg morgenuur naar den top
gestegen en kon alle metingen voleindigen. Den volgenden dag ondernam
ik nog de bestijging van den Stairstop van den Luigi van Savoye,
vóór ik naar Bujongolo terugging.
Commandant Cagni was den 6den Juli met Giuseppe Petigax, Brocherel
en eenige zwarten opgebroken, om de bestijging van den rotstop ten
noorden van het kamp te verrichten, welke top aan het eene einde der
basislijn en aan het hoeknet zou worden aangesloten.
De Cagnitop ligt aan het uiterste zuidelijk einde van een rotsmuur,
die zich tusschen den Baker en den zuidelijken Portaltop bevindt,
ingesloten tusschen twee korte dalen, die meertjes bevatten en door
zijtakken van de Moboekoe worden doorstroomd.
Daar Cagni de rotsblokken, die mij bij het onderzoek van den 2den
Juli hadden belet voort te gaan, wilde vermijden, en ook om het
Moboekoedal niet dwars te moeten oversteken door het moeras, besloot
hij de wanden van den Baker beneden den Wollastontop te bestijgen en
dan op de hoogte naar den Cagnitop te marscheeren.
De expeditie sloeg dus eerst den weg naar het kamp aan den
Moboekoegletscher in en wendde zich van daar naar de oostelijke
hellingen van den Baker met het doel, den pas ten oosten van den
Mooretop te bereiken. Maar de nevel, die eeuwige vijand, dwong hen, aan
den steilen wand te midden van sneeuw, rotsblokken en moerassen halt
te houden. Den volgenden dag zag men in, dat men op den ingeslagen weg
niet verder kwam. Men moest in de nauwe kloof tusschen den Wollaston-
en den Cagnitop afdalen. Dat was geen lichte taak, en op meer dan één
plaats moest men de lasten en ook de dragers, alsof het zakken waren,
aan een touw neerlaten. Toen men aan den voet der loodrecht oprijzende
zuidwestelijke wanden van den Cagnitop en beneden in het kleine dal
was gekomen, steeg men door een dicht boschje van Ericaceeën weer
naar den bovensten rand en sloeg de tent dadelijk beneden den pas op.