In Fort Portal wedijverden de engelsche officieren, koning Kasagama

met zijn hofstaat en de zendelingen met elkander in het betoonen van

gastvrijheid en beminnelijkheden.

Roccati begaf zich van hier uit in gezelschap van Sella naar de

kraters en de kratermeren van Toro op een geologisch-photografisch

uitstapje. De oevers van die meren zijn bezet met een ondoordringbaar

dichten plantengroei van palmen, drakenbloedboomen, en Euphorbia's, die

zich in het water weerspiegelen, en alles wemelt van een ongeloofelijk

mild dierenleven, op het water, in de lucht, in de struiken, misschien

wel bewaard door het bijgeloof der inboorlingen, die zich niet graag

in de nabijheid der vulkanen wagen, de plaatsen, waar zich toovenaars

en booze geesten ophouden en die daarom gevreesd zijn.

Intusschen ondernam ik in gezelschap van Cagni en Cavalli

jachtuitstapjes. We waren in het droge, niet gunstige jaargetijde. Het

was een onmogelijkheid, door het hooge gras vooruit te komen, want

het sluit de paden als muren in en belet den jager alle uitzicht. Des

nachts schittert de heele omgeving van Fort Portal van het roode

schijnsel der vuren, als de kilometerlange stukken van de uitgedroogde

prairieën in vlammen staan.

Zoo naderde Augustus en daarmee het uur van onze terugreis. De

expeditie verliet Fort Portal, begeleid door de heeren Knowles en

Haldane. Trots de talrijke regenbuien barstten overal branden uit,

die soms, als er wind was, ook het bouwland aantastten. Groote velden

waren kaal en met asch bedekt.

Den 7den Augustus overschreed de karavaan de grens tusschen Toro en

Oeganda, aan de scheiding ontvangen door majoor Wyndham. De dragers

schenen ook aangegrepen door het ongeduld van de naar huis keerenden en

trokken snel, met slechts weinig rustpoozen, huns weegs. De dagmarschen

waren op verschillende manier ingedeeld, en dikwijls werd het kamp

opgeslagen op plaatsen, waar men op den heenweg niet gekampeerd had.

In Byndia werd, evenals reeds in Kichiomi in het koninkrijk Toro,

de marsch afgebroken, om een reeks magnetische waarnemingen te doen.

Eindelijk, den 14den Augustus, kwamen wij aan de oevers van het

Victoriameer. De discipline van de karavaan was er in de laatste dagen

niet beter op geworden, en ieder oogenblik ontstonden er twisten,

gekibbel en lasterpraatjes onder de dragers.

Bij den terugweg hadden we een korteren weg ingeslagen en bereikten de

oevers van het meer tegenover de uiterste punt van het schiereiland,

waarop Entebbe ligt.

Terwijl de booten klaar werden gemaakt en de lasten erover werden

verdeeld, ontbeten wij aan den oever van het meer in de schaduw van de

majestueuse boomen. In de eerste middaguren kwamen we in Entebbe aan.

Na een week, die met de verpakking van al het materiaal in kisten werd

doorgebracht, en waarin aan de scheidenden de hartelijkste bewijzen van

gastvrijheid en deelneming van den kant van alle in de stad wonende

Europeanen werden gegeven, verliet onze expeditie Entebbe en zijn

krans van bloeiende eilanden en kusten op de stoomboot "Sybil".

Onderweg deden wij Jinja aan, om de beroemde Riponwatervallen

te bezoeken, die den oorsprong van den Victoria-Nijl vormen; we

ondernamen in de langgestrekte booten der inboorlingen een uitstapje

op de donkergroene wateren van de rivier.

Den 24sten Augustus verliet de italiaansche expeditie op de stoomboot

"Natal" van de fransche Messageries Maritimes den afrikaanschen grond.

Vijf maanden later had ik de gelegenheid, in Rome in een plechtige

vergadering van het italiaansche Aardrijkskundig Genootschap

te verklaren, dat vervuld was wat Sir Henry Stanley vijf jaren

geleden in hetzelfde genootschap als wensch had uitgesproken: "Dat

een hartstochtelijk vriend der Alpen met volle toewijding aan zijn

taak, den Roewenzori tot doel kiezen zou en hier een grondig werk zou

verrichten, door de bergketen van haar hoogsten top tot haar diepste

laagte in al haar uitgestrekte dalen en diepe kloven te onderzoeken."

Den grooten, sedert twee en een halfjaar gestorven onderzoeker is

het niet gegund geweest, de vervulling van zijn wensch te beleven.

De Roewenzoriketen heeft zoowel in orographisch als in hydrographisch

opzicht veel eigenaardige trekken. Terwijl in den regel de continenten

in trappen van de zee opstijgen naar de uitloopers aan den voet

der bergstelsels, verheft zich de Roewenzori in de groeve van het

Albertmeer, een gebied, dat ongeveer 300 meter dieper ligt dan de

gemiddelde hoogte van Oeganda, en waarin de bekkens van het Albert-

en het Albert-Eduardmeer met de noordelijke verlenging van het laatste,

het Dueru- of Ruisambameer liggen.

Deze depressie is niets anders dan een deel van de westelijke groote

geul in Afrika. Die inzinkingen of geulen, misschien het interessantste

geologische verschijnsel in Afrika, zijn twee enorme, 30 tot 70

kilometer breede insnijdingen, die, ongeveer zes lengtegraden van

elkander verwijderd, bijna evenwijdig loopen en het werelddeel, van

het Nyassameer af, in noordelijke richting doorsnijden. De oostelijke

geul volgt den 36sten meridiaan tot voorbij het Rudolfmeer en wendt

zich dan naar de Roode Zee; de westelijke verloopt tusschen den 29sten

en den 30sten meridiaan en eindigt bij Gondokoro in het dal van den

Boven-Nijl. Beide geulen bevatten een bijna onafgebroken reeks van

meren alsook talrijke vulkanische bergen, kegels en kraters; beide zijn

door een dwarskam in twee deelen verdeeld, die twee hydrographische

stelsels, een noordelijk en een zuidelijk, van elkander scheidt. In de

oostelijke geul ligt deze kam in de nabijheid van het Naiwaschameer,

ongeveer daar, waar de Oegandaspoorweg de depressie snijdt. In de

westelijke geul wordt de waterscheiding door een formeele keten

van vulkanische bergen gevormd, waarvan enkele nog heden werkzaam

zijn; deze keten scheidt ook de merenreeks in twee verschillende

systemen. Tot het zuidelijke behooren de Kiwoe- en Tanganyika-meren

en tot het noordelijke het Albert-Eduard- en het Albertmeer.

Aan het uiterste zuideinde van de Roewenzoriketen verdeelt zich de geul

in twee armen; de eene loopt ten oosten van de keten en eindigt aan den

voet der bergen, die de noordelijke afsluiting van het Ruisambabekken

vormen en waar Toro en Fort Portal op liggen; de andere arm loopt ten

westen van het gebergte, vormt het dal der Semliki en het bekken van

het Albertmeer en strekt zich ook nog ter lengte van eenige honderden

kilometers in het Nijldal uit. De Roewenzori is op deze wijze bijna

volkomen door de inzinking van het Albertmeer omgeven en vormt te

zamen met de drie meren een zelfstandig, van het Victoriameer geheel

afgescheiden hydrographisch stelsel.

Zoo komt het, dat de geheele bergketen al haar water, onverschillig

of het afloopt naar het Oosten, Westen, Zuiden of Noorden, uitstort

in een en hetzelfde riviergebied en bijna geheel alleen de drie meren

en de Semliki voedt, die te zamen de zuidwestelijke bronnen van den

Nijl vormen. Ofschoon de Roewenzori zonder twijfel de belangrijkste

groep van met sneeuw bedekte bergen is in het geheele werelddeel,

en ofschoon hij in het centrum van Afrika ligt evenals in de

richting van de hoofdas, maakt hij toch geen deel uit van de groote

waterscheiding. Integendeel is de waterscheiding tusschen Kongo en Nijl

een lage hoogte, die geheel door het beide hellingen bedekkende groote

woud gemaskeerd wordt en zich naar het Westen op korten afstand van

de Semliki voortzet, in het Noorden tot het Albertmeer voortloopt,

in het Zuiden zich in de vulkaanketen tusschen het Kiwoe- en het

Albert-Eduardmeer, dat is in den scheidingskam van de geul voortzet,

en dan een buiging langs de oostelijke oevers van het Kiwoe- en

Tanganyikameer maakt.

Ik had voor de keten den naam Roewenzori behouden, die haar door

Stanley, haar eersten ontdekker, was geschonken en die in het vervolg

door de meerderheid der aardrijkskundigen was aangenomen. Stanley had

het gebergte door de noordelijk en westelijk wonende inboorlingen met

de namen Roewenzori, Ukonju, Bugombowa, Avuruka, Avirika, Ruwenzururu,

Ruwenjura enz. hooren aanduiden. Het scheen hem, alsof Roewenzori de

in de Bantoetaal het veelvuldigst gebruikte benaming was; ze zou te

vertalen wezen met "Koning der nevelen" of ook met "Regenvoortbrenger".

Stuhlmann hoorde de namen Runssoro en Rundjuru van de inboorlingen

van den Wanyoro- en Bakonjostam. In hun taal beteekenen Niuru en

Nssoro regen; daardoor wordt de juistheid van de vertaling van den

naam door Stanley gegeven bevestigd. Stuhlmann verandert echter de

schrijfwijze eenigszins. Ook David schreef "Roenssoro; buitendien

hoorde hij de hoogste toppen Kokoro noemen.

Scott-Elliot geeft als inheemschen naam Runsororo aan; ook hoorde

hij van zeer velen den naam Kiriba, die bergtop zou beduiden.

Volgens A. B. Fisher hebben de inboorlingen van Oeganda geen naam

voor den geheelen berg, doch enkel namen voor de afzonderlijke

toppen. Fisher vermeldt echter de namen Rwenzozi en Rwenseri, waaraan

hij de beteekenis "berg der bergen" of "de zeer bijzondere berg" en

"berg daar beneden" geeft.

Bij zoo groote onzekerheid had Stanley het volle recht, een bepaalden

naam te kiezen, en niemand kan er iets tegen hebben, want als hij het

gebergte met een naam had gedoopt, die in geenerlei betrekking stond

tot den door de inboorlingen gebruikten, als hij het bij voorbeeld

Maangebergte, Ptolemaeusgebergte of Victoriagebergte had genoemd,

zouden alle geografen den naam zonder tegenspraak en zonder pogingen

tot verandering hebben aanvaard.

Deze korte opmerkingen over den naam Roewenzori zullen voldoende

zijn om aan te toonen, welk een onmogelijke onderneming het is, van

de inboorlingen plaatselijke namen voor alle afzonderlijke bergen en

toppen der keten te krijgen. Tot heden heeft de poging het resultaat

gehad, dat elke onderzoeker zich van een anderen, afwijkenden naam

bediende. Overigens is het zeer waarschijnlijk, dat de inboorlingen

nooit speciale namen voor de verschillende toppen hebben gehad,

als men bedenkt, dat zelfs in onze Alpen vele toppen eerst na het

opkomen van het Alpinisme hun namen hebben gekregen.

Het was daarom noodig, aan de Roewenzoriketen een naam te geven,

die niets meer dan een middel is voor topografische aanduiding. Met

inachtneming van het werk mijner voorgangers, die aan de bergen

reeds namen hadden gegeven, onderhandelde ik na mijn terugkeer uit

Afrika met Sir Harry Johnston en Dr. Stuhlmann mondeling over dit

onderwerp. Een overeenstemming werd gemakkelijk verkregen, daar beide

uitstekende onderzoekers met al mijn voorstellen meegingen. Ik had

namelijk voorgesteld, aan de bergen de namen te geven der tot hiertoe

met de geschiedenis van het onderzoek van Centraal Afrika verbonden

reizigers en voor de afzonderlijke toppen de namen te behouden,

die Stuhlmann reeds had gegeven.

Sir Harry Johnston had reeds vroeger voorgeslagen, de bergen met

de namen van beroemde reizigers aan te duiden, daar er geen juiste

en voldoende onderscheidende inlandsche namen te vinden waren. Zie

Johnston, The Uganda Protectorate, 2de druk, Londen 1904 blz. 159.

De kaart van het Roewenzorigebied, die het voornaamste resultaat

van de italiaansche expeditie in geografisch opzicht voorstelt,

werd op den grondslag der talrijke hoekmetingen geteekend, die ik

van de verschillende toppen uit door middel van het meetkompas had

uitgevoerd met behulp van een basis, die over een lengte van 300 meter

op het veld bij Bujongolo door commandant Cagni was afgestoken en

door hem met den Kiyanja, dat is met den Eduardtop van den Baker, en

met een ten noordoosten van Bujongolo gelegen rotstop, den Cagnitop,

verbonden was geworden, van welken top uit Cagni zelf alle hoeken

der toppen met een reistheodoliet had gemeten.

Ten slotte maakt de berekening van de lengte en breedte van Bujongolo

het mogelijk, aan de bergketen de haar op de kaart van Afrika

toekomende plaats te doen toekomen. Naar de kaart ligt Bujongolo op 0

graden, 20 minuten en 23 seconden N. B. en op 30 graden, 1 minuut en

34 seconden O. L. van Greenwich. Deze getallen zijn eenige seconden

boven de in mijn voordracht in het italiaansche Aardrijkskundig

Genootschap genoemde en op de kaart vermelde. Door aanwijzingen van

het astronomisch observatorium van Greenwich konden eerst later de

verbeteringen worden aangebracht.

Ofschoon de waarnemingen onder ongunstige atmosferische omstandigheden

werden gedaan en ook niet alle metingen plaats hadden met een zij

't ook nauwkeurig, maar zwaar, gevoelig en moeilijk verplaatsbaar

instrument als de theodoliet, toch kan de topografische schets als

voldoende nauwkeurig worden beschouwd, daar ze op zeer talrijke,

van dezelfde punten uit dikwijls herhaalde waarnemingen steunt, die

bovendien, daar ze grootendeels in betrekking tot elkander staan,

elkaar wederzijds contrôleeren.

De Roewenzoriketen wordt door zes bergen of groepen van toppen met

gletschers gevormd, die door niet met sneeuw bedekte inzinkingen,

zadels of passen, worden gescheiden en daardoor met preciesheid van

elkaar kunnen worden afgezonderd. De met gletschers bedekte zone is,

gemeten in rechte lijn van het Zuiden naar het Noorden meer dan 11.5

kilometer lang en, gemeten van het Oosten naar het Westen, ongeveer

6.5 kilometer breed. De lijn der waterscheiding, die alle bergen,

dus de gezamenlijke met sneeuw bedekte keten omvat, is ongeveer 19

kilometer lang.

In het Noorden begint de keten met twee bergen, twee evenwijdige,

met sneeuw bedekte kammen, die bijna precies van het Noorden naar

het Zuiden zijn gericht, waarvan de oostelijke door mij Gessiberg

werd genoemd ter herinnering aan den italiaanschen onderzoeker, die

als eerste in een boot het Albertmeer rondvoer; de westelijke Emin

naar Emin Pacha, die voor de eerste maal met Stanley te zamen door

het Semlikidal trok.

Bij den Emin sluit zich de Speke aan, die den naam draagt van den

onderzoeker, aan wien men de ontdekking is verschuldigd, dat de

Nijl uit het Victoriameer ontspringt. Dan vormt de keten een hoek

naar het Westen, om zich tot de hoogste groep te verheffen, die met

het volste recht den naam Stanleyberg draagt, en ze zet de buiging

naar het Oosten voort met de groep, die den naam van Baker voert,

den onderzoeker, die het Albertmeer ontdekte en van daar uit als

eerste het bergmassief van den Roewenzori aanschouwde.

De groep ten zuiden van den Baker, die in het algemeen een richting

van het Noordoosten naar het Zuidwesten heeft, werd Thomson genoemd

ter herinnering aan J. Thomson, den succesvollen onderzoeker van

Nigerië. Na mijn terugkeer naar Europa stemde ik in met het voorstel

van het engelsch Aardrijkskundig Genootschap, om den Thomson den naam

te geven van Luigi van Savoye, daar de maatschappij den bovengenoemden

berg met mijn ontdekkingen wenschte te verbinden. De naam Thomson

werd behouden, om een van de gletschers van dezelfde groep naar hem

te noemen.

De Stanley omvat de hoogste toppen, den Margherita, 5125 meter,

den Alexandra, 5105 meter, den Helena, 4995 meter, en den Savoye,

4980 meter. Van een vijfden top, den Möbius, die tusschen Helena

en Alexandra ligt en iets lager is dan de Savoye, is de hoogte niet

gemeten.

Van de beide noordelijke groepen heeft de Emin de toppen Humbert,

4815 meter, en Kraepelin, 4801 meter; de Gessi de toppen Jolanda,

4769 meter, en Bottego, 4719 meter. De Luigi van Savoye eindelijk

omvat de toppen Weismann, 4663 meter, Sella, 4659 meter, en Stairs,

4590 meter. De top tegenover Bujongolo draagt den naam Cagnitop

naar dengene, die hem besteeg, om van daar uit de triangulatie te

verrichten. Hij is 4519 meter hoog.

De voornaamste gletschers hebben hun namen gekregen naar de toppen,

van waar ze afdalen.

De vijf inzinkingen, die de zes bergen van elkander scheiden, dragen in

de richting van het Noorden naar het Zuiden de namen Roccati, Cavalli,

Stuhlmann, Scott-Elliot en Freshfield. Ze zijn alle tusschen 4300 en

4400 meter hoog, met uitzondering van het Stuhlmannzadel tusschen de

beide hoogste bergen, den Speke en den Stanley, dat iets lager is,

namelijk 4200 meter.

Aan de dalen, meren, rivieren en bergbeken heb ik de door de Bakonjo

gebruikte namen gelaten.

Het bergland van den Roewenzori De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 7 / 7 段