Er bleef dus niets anders over, dan de hoop te koesteren, dat Cagni

door de nauwlettende verpleging van den uitstekenden dokter Hodge

spoedig herstellen zou en dan te gelegener tijd de expeditie weer kon

inhalen. Daarom werd in Entebbe de heele uitrusting achtergelaten,

dat Cagni zoo gauw mogelijk zou kunnen opbreken.

Den 14den Mei nam ik met mijn metgezellen afscheid van de gastheeren

in Entebbe, die alles hadden gedaan, om het verblijf van een week op de

aangenaamste wijze voor ons te laten voorbijgaan. Als vertegenwoordiger

der kolonie begeleidde collector Martin de expeditie tot aan de

grens van het koninkrijk Oeganda met een geleide van 26 askari's en

67 dragers.

Op den morgen van den 15den Mei verzamelden zich in den vroegen

morgen alle dragers met hun karavaanleiders, de boys en de soldaten

op de plaats van het hotel Berti, waar de lasten op rijen geschaard

stonden. Intusschen namen wij, Europeanen, afscheid van Cagni met

hoopvolle woorden en goede wenschen voor zijn spoedig herstel.

Om half negen gingen de dragers onder een oorverdoovend geschreeuw

in een lange rij met de lasten op het hoofd langs de breede, vlakke

straat op weg naar Kampala.

De spits der ongeveer vierhonderd personen tellende karavaan was reeds

buiten het gezicht, toen ik met de overige deelnemers der expeditie

eveneens opbrak.

Op korten afstand van Entebbe voert de weg door majestueuse

loofwouden. Deze uitgestrekte landstreek, die een onafgebroken

hoogvlakte is tusschen de drie meren, het Victoriameer, het

Albert Eduardmeer en het Albertmeer, wordt in alle richtingen door

heuvelketens doorsneden, die in het Oosten minder duidelijk zijn

te onderscheiden en meer samenhang toonen, maar in het Westen meer

afzonderlijk van elkander staan.

De grond is meest rood, van de kleur van dakpannen; de verdeeling van

den plantengroei richt zich naar den aard van den bodem. De hoogste

gedeelten, de hellingen en de toppen der heuvels zijn begroeid met

hoog gras, en slechts hier en daar ziet men een eenzamen boom of een

groep van weinige boomen, welker voet omgeven is door onderhout; op

den grond van de inzinkingen, waar men stroomend water vindt, gedijen

prachtige wouden; waar het water niet afvloeit, zijn uitgestrekte

moerassige vlakten geheel met hooge papyrusstruiken bedekt, waaronder

een rijke waterflora tiert.

De weg, nu eens een pad, dat als een diepe kloof door de twee of drie

meter hooge gele grasstengels heen voert, dan weer een vrij breede

route op de vlakke einden, loopt volkomen rechtuit als een romeinsche

weg, gaat over heuvels heen of volgt een eind ver de kammen, daalt

in de dalen neer en dringt in de wouden binnen of passeert groote

moerassige streken, waar hij als dam doorheen leidt. Zulk een dam

wordt door de inboorlingen gemaakt, doordat ze aan beide zijden

papyrusstruiken en riet afhouwen en dwars over den weg leggen; ze

maken op die manier een vaste laag, waar dan zand en losse aarde ter

voltooiing van den weg wordt uitgestort. Voor de stevigheid wordt

aan den weg vastheid gegeven door palen, die aan den kant diep in

het moeras zijn gedreven.

De temperatuur, die des morgens aangenaam is, wordt tegen den middag

gloeiend heet en verstikkend, ofschoon in de heetste uren de lucht

tengevolge van een meteorologische inrichting, die men niet genoeg kan

prijzen, met meer of minder dichte wolken bedekt is, die voldoende zijn

om de onbarmhartige zonnestralen tegen te houden. Bijna elken dag en

iederen nacht breekt er een hevig onweder los, dat door stormachtige

winden, donderslagen en vlammende bliksemstralen en regenbuien

vergezeld wordt, maar in den regel slechts kort duurt. Gelukkig had

de karavaan niet met de ergste orkanen, met water- en windhoozen te

kampen, die op hun weg alles ontwortelen, vernielen en overstroomen

en door gevaarlijke electrische ontladingen vergezeld gaan, zooals

naar de mededeelingen der schrijvers vaak in Oeganda voorkomen.

Het weder verandert altijd zeer plotseling. Binnen weinige minuten

wordt de tot dien tijd heldere hemel zwart als de nacht en begint

er akelig dreigend uit te zien; met dezelfde verbazende snelheid

verdeelen zich na een regenbui, die maar zeer kort duurt, de dichte,

zware wolken, en opnieuw straalt de gloeiende zon.

De duur van de dagmarschen wisselt af tusschen drie en zes uren, waarin

15 tot 30 kilometer worden afgelegd. De dragers loopen in den regel

snel, onverschillig hoe de weg ook zij. Men breekt 's morgens om half

zes op, en voor den middag is de marsch ten einde, zoodat men op de

warmste uren van den dag kan rusten. Onderweg neemt de karavaan bijna

een halven kilometer ruimte in; er heerscht een aanhoudend rumoer van

stemmen, gelach, geschreeuw, dat op de bezwaarlijkste einden ietwat

kalmer wordt, als een steile helling ook de niet beladen personen

doet hijgen. Uit de aan den weg liggende kleine dorpen stroomen de

inboorlingen nieuwsgierig toe, om den optocht te bekijken en met de

dragers onder luid gelach te schertsen.

Soms kruist de karavaan een andere, die zout uit de salinen of ivoor

uit den Kongostaat brengt, of er komt ons een blanke koopman tegen met

een geleide. De askari's handhaven een zekere tucht onder de talrijke

schaar en komen dikwijls tusschenbeide, om twisten te beslechten. Die

worden meestal door de dragers veroorzaakt, die, om zich het werk te

verlichten, graag met geweld inboorlingen, die ze onderweg ontmoeten,

tot het dragen der lasten willen pressen.

Voor het overige zijn de negers als kinderen, goedig en zachtmoedig of

boosaardig en lastig, al naarmate men ze behandelt; met een beetje tact

en welwillendheid, waaraan niet een zekere vastheid van wil ontbreekt,

is het gemakkelijk, hun levendig temperament in de goede richting

te leiden. De karavaan bestaat voor het meerendeel uit Waganda's,

die echter, hoewel ze de eigenlijke inboorlingen van Oeganda zijn,

verschillende anthropologische kenmerken in zich vereenigen,

zoodat ze een uit vele stammen gemengd volk schijnen te zijn. Ze

dragen de trekken van de echte negers in hun kroes, pikzwart haar,

den breeden, platten neus, de dikke lippen en de afstaande ooren,

maar het prognatisme is onduidelijk, en het voorhoofd is breed en

wijkt niet achteruit. In den regel zijn het magere menschen, niet

gespierd ook, en ze zien er niet als sterke lieden uit.

Het kamp werd steeds ver van de dorpen, op van te voren gereed

gemaakte plekken opgeslagen. In den regel bestond het uit een groote

schuilhut, waarin de blanken hun maaltijden gebruikten, en een of

twee beschuttende daken voor het bergen van het materiaal en om het

tegen slecht weder te beschutten. Martin sloeg een tweede kamp op,

dat van het mijne afgezonderd lag. In beide wapperden de italiaansche

en de engelsche vlag.

De tenten waren omgeven door een seriba, een omheining van gevlochten

riet, die niet zoozeer diende ter verdediging dan wel om het kamp

der blanken van dat der dragers te scheiden.

De negers kwamen altijd zingend en lawaaimakend op de plaats van het

kamp aan, legden de lasten in groote haast neer op de daarvoor bestemde

plaats en gingen dadelijk aan het bouwen van hun slaaphutten. Met

verwonderlijke snelheid verrezen die dan in het rond.

De zeer doelmatige manier van bouwen bestaat hierin, dat ze een rij

van takken of buigzame riethalmen in een kring in den grond steken,

naar het midden omgebogen en daar aan elkaar verbonden, zoodat een

ronde koepel ontstaat. Daarop worden gelijkmatig gerangschikte bundels

gras gelegd, terwijl een smalle opening voor ingang dient. In minder

dan een kwartier veranderde een groote grasvlakte in een flink dorp.

Tijdens het vlijtige werken van de negers verschijnen in het kamp

lange rijen vrouwen en kinderen uit de naburige dorpen met bundels

bananen en zoete bataten op het hoofd. Een schaar naakte kinders

begeleidt hen; de kleinste worden door de moeders op den rug in een

plooi van het kleed gedragen. Op deze wijze wordt de karavaan door

de bevolking van het land volop van levensmiddelen voorzien.

Intusschen ontving ik de huldigingsbezoeken van eenige hoofden,

die in het kamp met een praal verschenen, in overeenstemming met hun

beteekenis. Ze werden door vroeger komende afgezanten aangekondigd;

in den regel waren ze in een witte tunica of in een mantel van meer of

minder kostbare stof gekleed en hadden sandalen aan de voeten. Slaven

vergezelden hen, die de teekens van de macht van hun gebieder droegen,

het zonnescherm en den zetel; daarachter verdrong zich een gevolg

van bedienden en een met lansen en sabels gewapende lijfwacht.

Dan volgde een menigte inboorlingen, die de geschenken aan geiten,

schapen, soms ook kalveren en stieren voor zich uit dreven en korven

met kippen, eieren, bananen, in het kort alle voortbrengselen

der streek, droegen. Een levenmakende muziekkapel met trommels,

fluiten, horens en andere instrumenten volgde den optocht of ging in

de voorhoede.

Nu en dan kwamen de hoofden met dezelfde vertooning van staatsie de

expeditie tot aan de grens van hun gebied tegemoet en sloten zich

bij de menigte aan tot aan het kamp. De muzikanten begeleidden de

karavaan vaak verscheiden dagen achtereen en bewezen haar de eer van

haar onverbiddelijke muziek.

Het tegenbezoek bracht ik of bracht een ander door mij aangewezen

lid van de expeditie aan het hoofd, waarbij de geschenken door ons

beantwoord werden met een vergoeding, die in den regel zeer royaal

uitviel.

De woningen der hoofden zijn cirkelronde huizen met wanden

van in elkander gevlochten riet en met het gewone dak

der inboorlingenhuizen. De binnenruimte is door gordijnen in

verschillende vertrekken verdeeld; de wanden zijn behangen met platen

uit geïllustreerde tijdschriften; op den vloer liggen matten en

dierenvellen; meestal treft men een bescheiden uitstalling van stoelen

aan en van kussens, en alles is zindelijk en in goeden staat. Om het

huis loopen verscheiden seriba's of omheiningen, en in de ruimte

tusschen twee daarvan bevinden zich de hutten voor de vrouwen, de

bedienden en de askari's.

Gedurende de eerste marschdagen was het noodig zich met ontelbare

kleinigheden te bemoeien, opdat alles goed in elkaar zou sluiten en

het werk gelijkmatig over allen verdeeld zou zijn, zoodat er weinig

tijd overbleef om de schilderachtige zijde van het nomadenleven te

waardeeren. Maar later, toen ieder met wat hij te doen had vertrouwd

was geraakt, werd alles ons tot een bron van genot.

Zoodra de avond langzaam begon te vallen, vlammen in den omtrek van

het kamp honderden van vuren op, waaromheen de dragers tot laat in

den nacht vertoeven, om de zoete bataten te roosteren of de bananen

te koken, die bijna hun eenig voedsel uitmaken en waarbij soms nog

wat gedroogde visch komt.

Na een marsch van vijf of zes uren over een dikwijls moeilijken

weg, waarbij de menschen vrij zware lasten op het hoofd droegen,

is die hoogst eenvoudige, eenige maaltijd des avonds voldoende voor

hun verzadiging.

Tegen den avond werd het weder meestal koeler. Na gebruik van den

maaltijd verzamelden zich de blanken om een groot vuur, dat ook,

afgezien van de warmte, die het verspreidde, niet onaangenaam was en

beschutting tegen de kleine gevaarlijke vijanden gaf, die de malaria

overbrengen. De steekmuggen vlogen inderdaad in ontelbare menigten

in de lucht rond; des nachts werden ze tot een ware kwelling. Uren

lang hoorde men door slapeloosheid den roep der schildwachten en het

eigenaardig getriller van den buga-buga, een kleinen, in de buurt

van het kamp nestelenden vogel.

Tusschen drie en vier uur 's morgens klonk een stoot op de trompet

als réveille, en het heele kamp was dadelijk in drukke beweging. In

weinig meer dan een uur was het kamp afgebroken. De dragers grepen

hun lasten en marcheerden af met het gewone doordringende geschreeuw.

De expeditie had 15 dagen noodig, om den afstand tusschen Entebbe en

Fort Portal af te leggen.

Den 18den Mei werd het kamp in Mitiana opgeslagen in de nabijheid

van een neerzetting der katholieke missie van de Franschen aan den

voet van een met een kerkje versierden heuvel. Er werden bezoeken

gewisseld met de zendelingen, die prachtige europeesche groenten

en fruit als geschenk hadden gezonden. Den volgenden avond kwam

de expeditie te Bujongolo tegenover het vischrijke Isoldemeer in

boschrijke omgeving. Het kamp werd hier door sterke omheiningen en

palissaden beschermd, wat ook met de volgende kampen het geval was,

daar de omgeving door leeuwen onveilig werd gemaakt, zoodat de

inboorlingen het niet wagen, 's nachts zich op weg te begeven.

Den 25sten Mei werd de grens tusschen de provincie Oeganda en de

Westprovincie overschreden, die de districten Toro, Oenyoro en Ankole

omvat. Buiten enkele hoofden van het nieuwe gebied met hun hofstaat

had ik, ter begroeting van de expeditie den ondercommissaris van de

provincie, den heer A. F. Knowles aangetroffen, die ons zou begeleiden

door het door hem bestuurde terrein, terwijl de heer Martin met zijn

bedekking naar Entebbe terugkeerde.

Bij gedeelten is de weg zeer lastig en vermoeiend; het weer is slechter

geworden en de vele regens maakten den weg moerassig en glibberig.

Hoe meer wij het Albert- en het Albert-Eduardmeer naderden, des te

grooter werd de spanning, om de keten van den Roewenzori te zien te

krijgen. Nadat we het gebied Toro hadden bereikt, waren aller blikken

voortdurend naar het Westen gericht, vooral als de weg naar den top van

een heuvel voerde, die een weinig boven de vlakte uitstak. Tweemaal

hadden we, van opwinding bevend, gemeend, de bergen te aanschouwen,

maar het was een vergissing geweest, een beeld van witte wolken aan

den horizon.

Eindelijk op den morgen van den 28sten Mei daagden van een paar

heuvels ten noorden van Kaibo, bij bedekten hemel maar heldere

atmosfeer, op eens in het Westen hoog in de lucht opstekend, de

met ijs bedekte toppen van de geweldige bergketen op. Ze waren nog

ongeveer 70 kilometer verwijderd en schenen in de lucht te zweven

tusschen de nevels, die den geheelen voet van de bergen omhulden,

en de grijze hoopen wolken, die den hemel boven de toppen bedekte en

ze bijna aanraakte.

Van dit punt uit schenen de bergen in drie hoofdgroepen verdeeld. De

middelste wordt beheerscht door een karakteristieken, met sneeuw

bedekten top met twee punten, die de hoogste van alle schijnt te zijn;

hij is van de zuidelijke groep gescheiden door een diepe insnijding. De

derde groep ligt ten noorden of noordoosten van het middelmassief. Van

de hooge kammen reiken gletschers naar beneden, welker voet door de

vóór de keten liggende kleinere bergen verscholen blijft.

Op dien dag werd het kamp te Butiti opgeslagen, waar ook evangelische

en katholieke zendelingen werken, die jegens de expeditie zeer

vriendelijk waren.

Op den middag van den volgenden dag, 29 Mei, besteeg ik met mijn

begeleiders een ongeveer anderhalf uur van Butiti gelegen heuvel in

de nabijheid van den weg, om opnieuw den Roewenzori te beschouwen,

die zich in zijn vollen glans vertoonde. De karavaan had zich naar het

Noordwesten gewend; daardoor scheen de noordelijke groep van de keten

dichter bij de middelste te zijn gekomen, die ook van dit punt uit

de hoogste was en door de grootste gletschers bedekt bleek te wezen.

De lucht was boven de bergen in het Westen helder, maar donker en

dreigend met onweer in het Oosten. Rondom breidde zich de golvende

vlakte, met lage, van boven afgeronde heuvels in roodachtige of

geel-bruine kleur uit, waar donkergroene vlekken op afstaken, die

gevormd werden door de euphorbia's en de lichtgroene, gevederde

acaciabladeren. Het landschap ging in de verte langzamerhand over in

de dampige atmosfeer en werd onduidelijk aan den voet van de hooge

voorgebergten der keten.

Moore was door den aanblik herinnerd geworden aan de Alpen, zooals die

zich voordoen van uit de piemonteesche en lombardijsche vlakte; maar de

vergelijking gaat niet op. Het onderscheid is, zooals men moet voelen,

diepgaand, maar men is niet in staat het te analyseeren. Wel hebben de

verre, met olifantsgras bedekte hellingen en de door papyrusstengels

overdekte moerasvlakten eenige gelijkenis met de bebouwde heuvels en

dalen in het voorland der Alpen, en niets verraadt, dat olifanten,

buffels, antilopen en verscheurende dieren zich daar verbergen

tusschen de velden, die weiden schijnen te zijn of stukken land, waar

koren, maïs of vruchtboomen groeien. Maar het landschap is oneindig

grootscher en plechtiger; als men de verschijnselen in de verte weg

neemt, die meer gelijken op het resultaat van een weerspiegeling dan

op onmiddellijke, zinnelijke waarneming, dan ontbreekt alle spoor van

menschelijke werkzaamheid. De hutten der negers, de bananenvelden

en de andere culturen der inboorlingen zijn slechts met moeite en,

als men ernaar zoekt, te onderkennen; ze versmelten volkomen met

het landschap en doen op geen manier afbreuk aan den indruk van het

maagdelijke en ongerepte.

Bij het voorttrekken kwam de expeditie nog weer door een woud, het

laatste, maar ook het mooiste, dat ze onderweg hadden aangetroffen,

en dat bevolkt werd door tal van apen. Nog dienzelfden dag werd na

een langen marsch van zeven uren Fort Portal bereikt.

Toen we het naderden, werd ik ontvangen door Kasagama, den hier

resideerenden koning van Toro, een knap man van meer dan normale

lichaamsgrootte en met open, intelligente trekken; hij werd door

een talrijk gevolg begeleid, dat veel geschenken bracht. Nadat de

karavaan de zich rondom de stad uitstrekkende bebouwde zone was

gepasseerd, trok ze over den breeden, gladden, door de gloeiende

zon beschenen weg in Fort Portal binnen. De hoofden uit de streek,

die met hun gevolg ter ontvangst van de expeditie verschenen waren,

maken ruimte; de weg is bezet door een dringende menigte menschen,

vooral door lawaai makende kinderen.

Fort Portal werd in 1891 door Lugard aangelegd, nadat hij Kabarega,

den bondgenoot van Mwanga, bij zijn opstand onttroond had en in zijn

plaats Kasakama had aangesteld, waardoor een tijdperk van gruwelijke

vervolgingen en menschenjachten, die bijna het geheele land ontvolkt

hadden, beëindigd werd.

Het aantal der in Fort Portal wonende Europeanen beloopt, met de

dames erbij, niet meer dan vijftien personen; de ondercommissaris,

de collector, de bevelhebber der troepen, en de katholieke en

protestantsche zendelingen. De woningen der engelsche beambten liggen

op een heuvel; die van den onder-commissaris trekt het meest de

aandacht, en het paleis is door een gracht en een palissadenomheining

omringd. Op de naburige heuvels hebben de zendingsgebouwen en het

ziekenhuis plaats gevonden; op een heuvel in het Zuidoosten, die

geheel bedekt is met uitgestrekte bananenaanplantingen, liggen de

huizen van den koning van Toro. Beneden aan den voet der heuvels

naast een met boomen beplanten weg staan winkels, terwijl ook nog

een kazerne aanwezig is voor de inlandsche soldaten en de gewone markt.

De expeditie vond in Fort Portal bij den collector den heer

J. O. Haldane een gastvrije ontvangst; aan de dragers werd als

kampplaats de beneden liggende vlakte aangewezen.

Twee dagen bleef de expeditie onder slecht weder in Fort Portal. Ik

maakte hier kennis met den reverend Fisher en zijn vrouw, die tweemaal

in het Moboekoedal tot aan den gletscher waren doorgedrongen, en ook

met den ontdekkingsreiziger in het hooggebergte, A. F. Wollaston,

die de expeditie van het Britsch Museum, waarvan hij lid was, voor

eenige dagen had verlaten, om op uitnoodiging van den ondercommissaris,

den heer Knowles, mij te begroeten.

Zooals ik reeds gezegd heb, had Wollaston in de laatste maanden twee

van de toppen bestegen, die zich aan het eind van het Moboekoedal

verheffen. Van hun hoogste punt uit had hij in het Noordoosten

onduidelijk tusschen de nevels nog twee met sneeuw bedekte toppen

gezien, die nog hooger waren dan die, waarop hij zich bevond, en die,

naar het hem scheen, zich verhieven op de naar den Kongostaat gekeerde

westelijke hellingen. Het was hem niet mogelijk geweest, vast te

stellen, of deze hoogere toppen met die in het Moboekoedal samenhingen.

De door Stuhlmann aanschouwde en afgebeelde bergen boven het Butagudal

in het Westen der keten waren dus verschillend van die, welke van het

Oosten uit te zien zijn en welke de italiaansche expeditie van Kaibo

en Butiti uit had kunnen waarnemen. Het leek dus aanbevelenswaardiger,

de bestijging van de bergen van de westelijke helling uit te beproeven.

Deze mededeelingen waren niet zeer aanmoedigend. Volgde ik den door

de voorgangers ingeslagen weg door het Moboekoedal, dan liep ik

gevaar, na den top op den achtergrond van het dal te hebben bereikt,

mij den toegang tot de hoogere toppen door een diep dal of door een

onbestijgbaren kam te zien afgesneden. Aan den anderen kant zouden wij,

om naar de westelijke helling van het gebergte te komen, een langen

marsch in de vlakte door streken, waar malaria heerscht, moeten maken;

we zouden om het uiterste zuidelijke punt van de keten moeten heen

gaan en het Semlikidal moeten bereiken, en het was twijfelachtig,

of de hulpmiddelen van die streken voor de voeding van de talrijke

karavaan toereikend zouden zijn; bovendien was ook de stemming der

inboorlingen van den Kongokant, die zich al vaak vijandig en onrustig

hadden getoond, een zeer onzekere zaak.

Van de beide wegen bood de tweede stellig groote moeilijkheden, en

wel in ongekende mate. Daarom besloot ik, den kortsten, rechten weg

te nemen en het Moboekoedal voor de bestijging te kiezen, om zoodra

mogelijk op de bergen te komen. Daar zouden wij, met in aanmerking

nemen van de nadere omstandigheden, tot een beslissing kunnen komen

omtrent den te kiezen weg.

De beide dagen van het oponthoud in Fort Portal waren rustdagen voor

de karavaan. Ze waren reeds voldoende geweest, den hechten samenhang

te verbreken en de in de beide vorige weken gewonnen tucht losser

te maken. Toen dus op den morgen van den 1sten Juni de klank van

trommels en trompetten zich om half vijf deed hooren, kwam geen van

de boys in beweging en de dragers daagden te laat en afzonderlijk

op. Ten gevolge daarvan kon ik de karavaan eerst na twee uren onder

het gewone geschreeuw in gang zetten; de engelsche en de italiaansche

vlag werden voor haar uit gedragen.

De dragers konden worden verminderd, daar door het gebruik van de

levensmiddelen en doordat wij veel dingen in Fort Portal achterlieten,

de bagage geslonken was, en wij kozen de gezondste en krachtigste

mannen uit voor den verderen tocht. Bij het vertrek werden wij door

den heer Knowles, den collector, den heer Haldane, en Dr. Wollaston

vergezeld, welke laatste zich naar de expeditie van het Britsch Museum

in het Nyamwambadal wilde terugbegeven.

Een geleide van 20 askari's voltooide de karavaan. De vrouwen der

soldaten waren gekomen, om vóór het vertrek van hen afscheid te

nemen. De vorm van dat afscheid kon niet zediger en bescheidener zijn;

de vrouw laat zich vóór haar man op een knie neer en hij legt haar

de hand op het hoofd.

In drie dagen legden wij den weg tusschen Fort Portal en het

Moboekoedal af. Er moesten talrijke wildstroomende beken worden

doorwaad; maar slechts één daarvan, de Wimi, beteekent iets. Als ze

gezwollen is, kan ze tot een ernstigen hinderpaal worden. Wij vonden

het stroompje ongeveer tien meter breed; het water was zeer koud,

ongeveer 60 of 70 centimeter diep en sterk stroomend. Dwars over

het water werd een lange menschenketen gevormd en aan den bovenkant

daarvan trokken de dragers met hun lasten door het water. Diegenen, die

struikelden of uitgleden, konden dus dadelijk gesteund en opgeholpen

worden. In ongeveer een uur bevond zich onze heele karavaan aan den

overkant, waar de helling schuin en met hoog gras bedekt was, zonder

dat we een enkel stuk bagage hadden verloren.

De weg, die door een heuvelachtige en bebouwde streek leidt, daalt ten

slotte naar de Moboekoe, die door een bedding vloeit, welke zeven of

acht meter diep in oude alluviale lagen is ingesneden. De rivier is

ongeveer 20 meter breed en 60 tot 70 centimeter diep; de strooming

is heftig. Het water is frisch, maar geelachtig van kleur, dus niet

tot drinken noodend.

Het bergland van den Roewenzori De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 2 / 7 段