In deze omstandigheden moesten de meeningen der reizigers ov

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net

HET BERGLAND VAN DEN ROEWENZORI.

Uit het reisverhaal van Z. K. H. den Hertog der Abruzzen.

Den 24sten Mei 1888 wierp Henry M. Stanley, toen hij op zijn langste en

avontuurlijkste Afrikareis de smalle oeverstrook aan den westelijken

oever van het Albertmeer bereisde, tusschen Nsabe en Badsua voor

de eerste maal een blik op de met sneeuw bedekte toppen van den

Roewenzori.

"Toen wij", vertelt hij, "ongeveer acht kilometer van het kamp bij

Nsabe verwijderd waren en ik, naar het Zuidoosten kijkend, over de

gebeurtenissen van de laatste maand nadacht, wees mijn bediende mij op

een zonderling gevormde wolk, die een wonderheerlijke zilverachtige

kleur had en geleek op een reusachtigen, met sneeuw bedekten

berg. De omtrekken met de oogen volgend, verraste mij de donkere,

blauwzwarte kleur van den voet, en ik bedacht in stilte, of de wolk

ook de voorbode kon wezen van een nieuwen wervelstorm; maar toen ik

zag, dat ze reikte tot aan de opening tusschen het oostelijke en het

westelijke plateau, kreeg ik de overtuiging, dat ik niet voor oogen

had iets, dat op een grooten berg geleek, maar een heuschen, solieden

bergtop, waarvan de hoogste gedeelten met sneeuw waren bedekt."

Roewenzori is de naam, dien Stanley uit de vele aanduidingen van de

in den omtrek van den berg wonende inboorlingen koos, omdat het hem

voorkwam dat hij dien naam het vaakste hoorde.

Geen van de ontdekkingsreizigers, die in de voorafgaande twintig jaren

die streken bezochten en die de wateren van de aan den voet van het

gebergte gelegen meren hadden bevaren, had er de nabijheid van massa's

eeuwige sneeuw en ijs vermoed, die steeds aan het oog onttrokken

werden door een ondoordringbaren sluier van wolken en nevels.

Sir Samuel Baker had in het jaar 1864 aan de bergcomplexen, die hij

door den mist in de vlakte flauw kon onderscheiden, den naam van

Blauwe Bergen gegeven, zonder over de beteekenis van het bergland

een nader onderzoek in te stellen.

Reeds in December 1875 had Stanley zijn kamp op de oostelijke

hellingen van de bergketen opgeslagen en had de inboorlingen niet

willen gelooven, toen ze hem verhalen deden over de schitterend witte

kleur en de verbazend koude lucht van die onzichtbare hoogten.

Sir Harry Johnston gewaagt van enkele particuliere brieven, die Romolo

Gessi in het jaar 1876 had geschreven, toen hij de eerste volledige

opneming deed van de oevers van het Albertmeer. Daar is sprake van

een zonderling verschijnsel, dat Gessi aan de lucht had bemerkt en dat

het aanzien had van met sneeuw bedekte bergen. Misschien meende hij,

dat hij aan een hallucinatie had geleden, want zeker is het, dat de

eer der ontdekking van den Roewenzori noch hem, noch Emin Pacha of

Mason toekomt, die later ook aan het meer reisden.

Stanley maakt terecht de opmerking, dat de uit de rondom de bergen

gelegen moerassige vlakten opstijgende dampen ook op heldere

dagen de atmosfeer volkomen ondoorschijnend maken en de bergketen

onzichtbaar moesten houden. Soms verdrijft een windstoot de nevels

en dan aanschouwt het oog als met een tooverslag verre landschappen,

die binnenkort opnieuw verdwijnen en den toeschouwer in twijfel en

onzekerheid laten.

Met de ontdekking van die geweldige massa van met sneeuw bedekte

bergen, die hun watervoorraad in de meren afvoeren, waaruit de

Nijl zijn water krijgt, kon het onderzoek naar de bronnen van den

belangwekkenden stroom, dat al op zichzelf een zoo groot deel uitmaakt

van de geschiedenis der ontdekkingen op aardrijkskundig gebied,

als voltooid worden beschouwd.

Na twee duizend vierhonderd jaren kreeg de uitdrukking van Aeschylos

van "het door sneeuw gevoede Egypte" haar letterlijke verklaring;

het geheim van den "zilverberg", de Nijlbron van Aristoteles, was

onthuld. Hoe zonderling toch die gang van het menschelijk inzicht!

De overlevering, dat de Nijl uit groote, door met sneeuw bedekte

bergen gevoede meren ontsprong, was door alle tijden heen bewaard

gebleven en had zich hardnekkig gehandhaafd. We vinden haar in de

beschrijving van het Maangebergte terug, die Ptolemaeus uit de

geschriften van Marinus van Tirus overnam en verbeterde; dan in

de geschriften en op de kaarten der arabische geografen uit de

Middeleeuwen; in de beschrijvingen van europeesche compilators,

als den prior van Neuville-les-Dames en Alfonse de Saintorge, en

hoewel er niemand was, die hun daadwerkelijk bestaan kon bevestigen,

verdwenen toch de bergen en de meren tot aan het begin der negentiende

eeuw nooit geheel van de aardrijkskundige kaarten; verschenen ze er,

dan was het echter met onzekere omtrekken en met onbepaalde ligging.

Zeer levendig was het geloof aan de aanwezigheid van sneeuwbergen aan

de bronnen van den Nijl gebleven bij de bewoners van Afrika's oostkust,

en mogelijk werd dat geloof van tijd tot tijd gevoed door berichten,

verspreid door karavanen, die ivoor en slaven uit het binnenland

brachten. Burton, Speke en Baker hadden Arabieren en inwoners van

Zanzibar er steeds weer over hooren praten.

De ontdekking van den Kenia en den Kilimandscharo, waarvan de eer

aan de duitsche zendelingen Krapf en Rebmann toekomt, (1848 en 1849)

scheen de vraag te hebben beslist; maar deze bergen staan noch met

de meren, noch met den Nijl in eenig verband. In het jaar 1861 meende

Speke het Maangebergte te hebben teruggevonden in de vulkanische keten,

die tusschen het Kiwoe- en het Albert-Eduardmeer ligt, en wel in den

hoogsten van de vulkanische kegels, den Nfumbiro; maar geen van die

toppen is met sneeuw bedekt.

Veel deugdelijker gronden had Stanley voor de bewering, in den

Roewenzori eindelijk het Maangebergte van Ptolemaeus te hebben

gevonden. Inderdaad komt op alle punten alleen de Roewenzori overeen

met de beschrijvingen der oude aardrijkskundigen. Het bergland toch

vormt een met eeuwige sneeuw en gletschers bedekte bergketen, die

met al haar hellingen tot het Nijlgebied behoort, en het maakt in de

tropische streek, waar het zich verheft, zulk een overweldigenden en

onverwachten indruk, dat het de verbeeldingskracht van al diegenen,

die het voor de eerste maal zagen, sterker moet hebben getroffen dan

eenige andere landschapsvorm, en dat het in het geheugen moet zijn

gebleven, zonder dat eenig reisavontuur het eruit kon verdrijven.

Toch waren er velen, die Stanley tegenspraken, en onder hen verscheiden

aardrijkskundigen van naam; maar al diegenen, die de bergketen van

den Roewenzori na Stanley bereisden en onderzochten, Stuhlmann,

Scott Elliot, Moore, Johnston e. a., hebben Stanley's verklaring van

den tekst van Ptolemaeus aangenomen. En werkelijk, als men niet wil

aannemen, dat de oude geografen berichten hebben gekregen van den waren

staat van zaken, zou men hen voor zieners en profeten moeten houden.

Hoe het ook zij, de sage van het Maangebergte heeft haar rol

uitgespeeld, en voor den Roewenzori bestaat, nadat hij eenmaal

zijn vaste plaats op de kaarten heeft gekregen en thans in alle

bijzonderheden van zijn opbouw nauwkeurig is onderzocht en naar

alle richtingen opgemeten is, geen gevaar meer, dat hij ooit uit het

geheugen der menschen zou kunnen verdwijnen!

Om tot de historie der ontdekking terug te keeren: nadat Stanley in

1888 gedwongen was, op den vroeger afgelegden weg door de onmetelijke

oerwouden van het Congogebied terug te gaan, om zich met zijn

achterhoede weer te vereenigen, kwam hij eerst in het volgend jaar,

1889, weer in de buurt van den Roewenzori.

Toen bereisde hij de geheele westelijke helling, koos den weg

tusschen het gebergte en het Albert-Eduardmeer, wendde zich daarna

naar het Oosten en bleef meer dan drie maanden, van April tot Juni,

in de omgeving van de bergketen, waarvan hij de vergletscherde toppen

herhaaldelijk kon waarnemen.

Bezield door den wensch, den vorm en de rangschikking der verschillende

toppen beter te leeren kennen, gaf hij aan luitenant W. G. Stairs de

opdracht, een ontdekkingsreis er heen te ondernemen.

Stairs brak in de eerste dagen van Juni 1889 op van het kamp Bakokoro,

dat 1176 meter boven de zee was gelegen, en trok twee dagen lang door

een der noordwestelijke dalen van het gebergte, terwijl hij op zijn

marsch twee toppen van karakteristieken kegelvorm als doel in het oog

hield, die in de verte zichtbaar waren in het uiterste Noordwesten

van de bergketen. Hij kwam tot de hoogte van 3254 meter, ongeveer 500

meter beneden den rotskegel en kon van daar een met sneeuw bedekten

top onderscheiden, dien hij schatte op 5060 meter hoogte, maar die

niet het hoogste punt vormde.

Daar Stairs niet genoeg levensmiddelen had, om verscheiden dagen

in het bergland te blijven, moest hij het verdere onderzoek opgeven

en naar het dal terugkeeren. Uit den vorm der bergen meende hij het

besluit te mogen trekken, dat ze van vulkanischen oorsprong waren.

In December 1889 voltooide Stanley gelukkig zijn gevaarvolle reis

en kwam met Emin Pacha en zijn begeleiders behouden in Zanzibar

aan. Weinige maanden daarna brak Emin Pacha aan de spits van een

duitsche expeditie weer op, om naar de aequatoriale meren terug

te keeren, en in het begin van 1891 bevond hij zich opnieuw op de

westelijke helling van den Roewenzori, waar hij zijn kamp in Karevia

aan de Isango, een zuidelijken arm van de Semliki opsloeg.

Van dit kamp uit, 1330 meter boven den zeespiegel, ondernam

Dr. F. Stuhlmann, een der deelnemers aan de expeditie, een uitstapje

van vijf dagen bergop door het Butagudal, een van de grootere

dalen, die in het Westen van het gebergte afdalen. Hij kwam tot

4063 meter, waar hij op geringen afstand van de sneeuwgrens stil

hield in het gezicht van twee met sneeuw bedekte bergen. De beperkte

transportmiddelen, alsook de ziekten van de inboorlingen ten gevolge

van de koude, noodzaakten hem tot den terugkeer.

Als uitstekend natuuronderzoeker, ontdekkingsreiziger van den eersten

rang en zorgvuldig waarnemer, gaf Stuhlmann voor de eerste maal

een nauwkeurige beschrijving van de opeenvolging der verschillende

stadia van den plantengroei op de verschillende hoogten en toonde met

overtuigende duidelijkheid aan, dat de Roewenzori geen enkelvoudige

berg, maar een echte bergketen was. Hij onderscheidde er vier

hoofdgroepen in, waaraan hij in de volgorde van het Noorden naar het

Zuiden de namen Kraepelin, Möbius, Semper en Weismann gaf. Möbius

was de hoogste top, door de inboorlingen Kanjangungwe genoemd, en

de Semper heette bij de inboorlingen Ngenwimpi. Hij kon twee ervan

van het hooggelegen Butagudal uit fotografeeren. Hij merkte ook op,

dat de keten inderdaad niet van vulkanischen oorsprong was. Maar

het was hem nog niet recht duidelijk, of er op de bergen werkelijke

gletschers lagen of dat het slechts opeengehoopte sneeuwmassa's waren.

Op Stuhlmann volgde in het onderzoek van den Roewenzori in de

jaren 1894 en 1895 de natuuronderzoeker G. F. Scott Elliot. Hij

drong vijfmaal langs verschillende wegen naar de hooge toppen een

eindweegs voort, door het Yeriadal, het Wimidal, het Moboekoe- en

het Nyamwambadal op de oostelijke helling en door het Butagudal op

den westkant.

Scott Elliot, die aan malaria leed en geen voldoende transportmiddelen

bezat, had een bewijs van bewonderenswaardige wilskracht gegeven,

doch kon omtrent de met sneeuw bedekte hooge punten geen opheldering

geven. De interessantste waarneming, die hij deed, betrof de sporen

van oude gletschers in de dalen Moboekoe, Nyamwamba en Butagu, die

bewijzen, dat de genoemde dalen eenmaal door groote gletschers waren

ingenomen. Ook hij kwam tot de slotsom, dat een vulkanische oorsprong

van de dalen geheel was uitgesloten. De belangrijkste resultaten van

den tocht van Scott Elliot lagen op botanisch gebied.

Na Scott Elliot nam vijf jaren lang niemand notitie van den Roewenzori,

ofschoon op de periode van wetenschappelijk onderzoek in Oeganda

een van inbezitneming was gevolgd. De groote moeilijkheden en de

noodzakelijkheid, zich uit allerlei verwikkelingen te redden, die de

kolonie vóór zich had, namen al den tijd van de engelsche overheid

in beslag. Men moest koningen afzetten en opstanden bedwingen met

karige hulpmiddelen, die eerst na maandenlange reizen van de verre

kust konden worden aangevoerd.

Zoo komen we aan het jaar 1900. In dat jaar verscheen C. S. Moore aan

het hoofd van een wetenschappelijke expeditie, die tot taak had, de

fauna van de groote meren te bestudeeren, aan de oostelijke hellingen

van den Roewenzori met het doel, een bestijging te beproeven.

Moore had zich voorgenomen, den weg door het Nyamwambadal in, te

slaan, maar kon het niet bereiken, daar de door den regen gezwollen en

ondoorwaadbare rivier het voortmarscheeren verhinderde. Nu herinnerde

zich Moore, dat in het jaar 1894 kapitein, nu generaal, Sir Frederick

Lugard het dal van de Moboekoe tegenover Scott Elliot als het beste

had aangeduid, om de terreinen van de eeuwige sneeuw te bereiken,

en hij beproefde langs dien weg omhoog te gaan. Met slechts een klein

aantal Soeaheli's als dragers, bij wie zich enkele inboorlingen uit

het dal aansloten, kon hij het doortrekken tot de hoogte, ofschoon het

slechte weder hem een beletsel was. Hier ontdekte hij voor de eerste

maal de gletschers, die het boveneind bezetten, en het gelukte hem,

over een van de ijsvelden tot den eigenlijken kam op 4541 meter boven

den zeespiegel door te dringen.

Moore leverde het eerste onwederlegbare bewijs van het voorhanden zijn

van echte gletschers op den Roewenzori en bevestigde de juistheid

van Stuhlmann's beschrijving van het gebergte, daar hij ook van het

Oosten af de verdeeling der toppen in vier hoofdgroepen herkende.

Ongeveer drie weken later bezocht Fergusson, een reisgezel van

Moore, die door koorts aangetast, gedurende den tocht der overige

expeditieleden in Fort Gerry was achtergebleven, ook het Moboekoedal

en vorderde op den gletscher tot 4450 meter hoogte.

Ook een civiel ambtenaar uit het Torodistrict, de heer Bagga, die

reeds een reis in het Nyamwambadal tot aan de bamboe-zône had gemaakt,

bracht kort na Fergusson een bezoek aan het Moboekoedal en drong tot

den gletscher door. Hem komt de verdienste toe, de inboorlingen tot

het aanleggen van een ruw, in het dal omhoog voerend pad te hebben

overgehaald, een weg, die later diensten heeft bewezen aan alle

volgende onderzoekers.

De betrekkelijke gemakkelijkheid, waarmee deze kleine expedities

de gletschers hadden bereikt, en de overweging, dat rondom het

bovengedeelte van het Moboekoedal de hoofdgroepen van de keten verdeeld

waren, gaven Sir Harry Johnston, den High Commissioner van de kolonie,

aanleiding, bij een onderzoekingstocht, dien hij in September van

hetzelfde jaar met de heeren Doggett en Vale ondernam, denzelfden weg

in te slaan. Ook zij bereikten den gletscher en vorderden er op tot

een hoogte van 4520 meter, maar konden niet tot den kam doordringen.

Johnston wilde aan de toppen andere namen geven, namelijk die,

welke de inboorlingen der streek gebruikten en die natuurlijk

verschilden van de door Stuhlmann gegevene. Zoo werd de Semper tot

Kiyanja, en een andere van het Moboekoedal zichtbare top werd Duwoni

genoemd. Johnston kon eenige goede photografieën van het dal, van

den Moboekoegletscher en van eenige toppen opnemen en leverde ons

een uitvoerige beschrijving van de planten- en dierenwereld van het

gebergte. Evenals Scott Elliot bespeurde hij in het dal sporen van

gletscherwerkzaamheid ongeveer duizend meter beneden het punt, waar

tegenwoordig de gletscher eindigt. Ook hij had als al zijn voorgangers

te klagen over den buitengewoon langen duur van het slechte weer.

Dus was alleen in het jaar 1900 het Moboekoedal door vier verschillende

expedities bezocht.

In Augustus van het volgend jaar werd het dal door W. H. Wylde en Ward

bereisd, die tot den kam op het hoogste deel van den gletscher schijnen

te zijn gekomen, tot dezelfde hoogte, die Moore bereikt had, ongeveer

4550 meter. Daarna krijgen we twee jaren lang van het Moboekoedal

geen berichten meer, tot het tochtje van den Reverend A. B. Fisher

en zijn echtgenoote, die in Januari 1903 het punt bereikten, tot waar

Sir Harry Johnston was doorgedrongen.

Het aardrijkskundig tijdschrift "Globus" gaf in het jaar 1904 een kort

bericht over een bestijging van den Roewenzori, door Dr. J. J. David,

in April ondernomen en waarbij deze de hoogte van 5000 meter zou hebben

gehaald. Twee jaren later gaf het "Bollettino" van het italiaansche

Aardrijkskundig Genootschap een artikel van Revelli, naar aanleiding

van de reisdagboeken van David geschreven.

David had zich tot het Butagudal in het Westen van de bergketen gewend,

dat sinds Scott Elliot door niemand meer was opgezocht. Hij ondernam

de bestijging door een zijdal en bereikte in zeven dagen de gletschers

en daarover heen een vergletscherden pas, eigenlijk een zadel. Daarop

verhief zich een ongeveer vijftig meter hooge, rotsachtige top,

van gneis, van waar uit David de aan den anderen kant naar Oeganda

gaande dalen kon overzien. Het klaarblijkelijk gevaar, dat hij liep,

als hij zich alleen verder op den gletscher waagde, belette hem verder

te gaan. De hoogte van het zadel, 5000 meter, tot waar hij was gekomen,

schijnt door hoekmeting te zijn bepaald. Het ontbreken van nauwkeuriger

opgaven en van een ook maar eenigszins uitvoerige beschrijving van den

ingeslagen weg vergunt ons niet, vast te stellen welke berg bestegen

werd. Misschien zou David zijn bestijging op een der photografieën,

die Stuhlmann van het hooge dal Butagu heeft genomen en in zijn boek

weergegeven heeft, met voldoende duidelijkheid kunnen aangeven.

Als bloot vermoeden zij gewezen op de mogelijkheid, dat David de

inzinking tusschen den Helena- en den Savoyetop van den Stanleyberg,

ongeveer 2800 meter boven het niveau der zee, bereikt heeft, waar

men een zoowat vijftig meter hooge rotspunt vindt.

In hetzelfde jaar 1904 ondernam M. T. Dawe een belangrijke plantkundige

excursie naar het Moboekoedal, zonder daarbij plannen te hebben van

bergbestijgingen.

In den tusschentijd was de spoorweg tusschen Mombasa aan de kust van

den Indischen Oceaan en Fort Florence aan den oostelijken oever van het

Victoriameer geopend. Port Florence was reeds met Entebbe, de hoofdstad

van Oeganda, door een geregelden stoombootdienst verbonden. Zoo was het

mogelijk geworden, in het hart van het afrikaansche vasteland zonder

eenig ongerief door te dringen tegen geringe kosten en met enorme

besparing van tijd. In het geheele land heerschten rust en veiligheid.

Na de poging tot een bestijging van David maakte tot het eind van 1905

niemand gebruik van die gunstige omstandigheid; maar toen scheen opeens

de belangstelling in het onderzoek van den Roewenzori weer te ontwaken.

Toen ik het plan tot een expeditie overwoog en in het begin van

1906 begonnen was met de eerste stappen tot de uitvoering van mijn

voornemen, door het materiaal samen te brengen, moest het geheimzinnige

gebergte herhaalde aanvallen van beproefde bergbeklimmers zich laten

welgevallen, allen van ijver brandend, om den sluier op te lichten,

die het geheim ginds eeuwen verborg.

In November 1905 verscheen voor de eerste maal in de historie van den

Roewenzori een echte karavaan van Alpinisten in het Moboekoedal; ze

bestond uit de heeren Douglas, W. Freshfield en A. L. Mumm met den gids

Moritz Inderbinnen uit Zermatt. Ze kwamen aan in het allerongunstigste

jaargetijde. Na lang wachten aan het boveneind van het dal werden ze

door den onophoudelijken regen genoodzaakt, van hun voornemen af te

zien. Ze hadden een enkel uitstapje kunnen maken, waarbij Mumm tot

den gletscher was opgeklommen, zonder echter tot den kam te hebben

kunnen vorderen.

In Januari 1906 keerde Reverend Fisher met zijn onverschrokken

echtgenoote terug, om voor de tweede maal den Moboekoegletscher

te bestijgen; buitendien kwam R. Grauer, een oostenrijksch

bergbeklimmer, vergezeld van twee engelsche zendelingen,

H. E. Maddox en Rev. H. W. Tegart, die reeds in het jaar te voren

op den Moboekoegletscher tot 4267 meter hoogte waren doorgedrongen,

opnieuw op den het dal begrenzenden hoogen kam, die sedert 1901 nog

niet weer was bestegen. Hij beklom daarbij een rots, die zich in een

inzinking van den kam ter hoogte van 4572 meter boven de zee verheft

en waaraan hij den naam van koning Eduard gaf.

Ten slotte was in October 1905 een door het Britsch Museum

uitgeruste expeditie met het doel de fauna en de flora van den

Roewenzori te onderzoeken, onder leiding van A. B. Woosnam van Londen

vertrokken. Deelnemers waren G. Legge, R. C. Dent, M. Carruthers en

de Alpinist Dr. A. F. R. Wollaston. De expeditie hield zich langen

tijd in het Moboekoedal op, om studiemateriaal te verzamelen; in den

tusschentijd werden excursies naar de gletschers in het bovengedeelte

van het dal ondernomen.

Eerst bereikte Woosnam alleen de hoogte; daarna kwam ook een klein

gezelschap, waartoe Wollaston, Woosnam en Dent behoorden, in Februari

1906 bij de rotspunten op den kam, tot waar Grauer, Maddox en Tegart

in Januari waren doorgedrongen.

Weinige dagen later ondernamen Wollaston en Woosnam de bestijging

van een top, die zich aan den westelijken wand van het dal verheft,

den Kiyanja van Johnston; wegens den dichten nevel moesten ze op een

rotspunt van den kam ter hoogte van 4915 meter stilhouden, niet ver

onder den werkelijken top.

Den 1sten April klommen de beide eerstgenoemden, bij wie zich

Carruthers aansloot, over de rotsen naast den Moboekoegletscher onder

aanhoudend slecht weer omhoog en bereikten een 4844 meter hoogen top,

die in het Noordoosten zich boven het dal verheft en dien ze hielden

voor Johnston's Duwoni.

Ten slotte keerden de drie na twee dagen naar de rots van den Kiyanja

terug en stelden, op grond van een hoogtemeting door middel van

het kookpunt, vast, dat de hoogte veel aanzienlijker, namelijk 4922

meter was.

Het aanhoudende slechte weder, dat hen op al deze excursies vervolgde,

vergunde hun niet meer dan een vage veronderstelling, dat zich in

het Noordwesten nog andere toppen van de keten verhieven, die hooger

schenen dan de door hen beklommen toppen.

Vóór mijn vertrek waren uit Oeganda slechts onbepaalde en onnauwkeurige

berichten over deze bestijgingen naar Europa doorgedrongen, en er was

nog geen precies, onmiddellijk bericht van de medeleden der expeditie

van het Britsch Museum aangekomen.

Ten behoeve van een duidelijk overzicht heb ik de onderzoekingsreizen

naar den Roewenzori, die aan de mijne voorafgingen, alle vermeld;

er kan nog wel de een of andere tocht door engelsche ambtenaren zijn

ondernomen, maar ik heb er geen mededeelingen over kunnen vinden.

Geen van mijn voorgangers was in staat geweest, de bergketen

inderdaad te onderzoeken, dat is, het was niemand gelukt, de vorming,

het verloop der waterscheidingen, de wijze van groepeering en de

hoogteverhoudingen der toppen onder elkaar, hun betrekkingen tot

de dalen, de uitgebreidheid en rangschikking der gletschers vast te

stellen en te beschrijven.

De bekwaamsten hadden waargenomen, dat de sneeuwbergen in vier

verschillende groepen gerangschikt zijn; men wist echter niet, of

deze door hooge kammen verbonden waren of dat ze door diepe dalen

waren gescheiden.

Bij gebrek aan een stelselmatig onderzoek was het onmogelijk,

de beschrijvingen der van verschillende punten uit aanschouwde

bergen met elkander in verbinding te brengen; de verwarring ten

gevolge van de massa der aan de bergen gegeven namen moest een

vergelijkende samenstelling der verschillende waarnemingen nog meer

bemoeilijken. Voor het overige was het slechts aan zeer weinigen,

en dan nog zeer zelden, vergund geweest, op grooten afstand een blik

op het geheele bergstelsel te kunnen werpen.

In deze omstandigheden moesten de meeningen der reizigers over de

hoogte der belangrijkste toppen, over de uitgestrektheid der gletschers

en over den algemeenen aard van het bergmassief wel ver uiteenloopen

en alle beslistheid missen, omdat ze de uitkomst waren van een meestal

vluchtigen aanblik van verre bergen, die voor het meerendeel door

ervoor liggende hoogten aan hun voet verborgen waren, ofwel steunden

op de bekendheid met een enkel dal en de toppen daar in de buurt.

Zoo wisselde de schatting der hoogte van de bergen tusschen 5000

en 6000 meter. Het eenige betrouwbare resultaat was, dat, door de

hoekmetingen, ten opzichte van den schijnbaar hoogsten top verkregen,

welke metingen luitenant Behrens, een lid der met de vaststelling van

de grens tusschen de engelsche en duitsche koloniën in Oost-Afrika

belaste commissie, van vele ten zuidoosten van den bedoelden top

gelegen punten had uitgevoerd. De berekening op grond van deze

waarnemingen, gaf tot uitkomst een hoogte van 5107 meter. Maar toch was

het, zooals de overste C. Delmé Radcliffe, de leider der expeditie,

aanvoert, niet uitgesloten, dat zich verder naar het Noorden nog

hoogere toppen bevonden, die van de waarnemingsplaats uit niet

zichtbaar waren.

De keten van den Roewenzori, zonder twijfel de belangrijkste groep van

bergen en gletschers uit Afrika, en het eenige der met de Nijlbronnen

samenhangende raadselachtige vraagstukken, dat nog niet was opgelost,

beloofde een vruchtbaar ontdekkingsgebied te worden. Des te meer

waren de duidelijke bezwaren van de onderneming en de onbekendheid

van de hindernissen, die de oplossing van het vraagstuk in den weg

konden treden, geschikt, mij aan te sporen en in spanning te houden.

Het grootste bezwaar, waartegen bijna al mijn voorgangers bij

het onderzoek van den Roewenzori hadden moeten strijden, was het

aanhoudend slechte weer, de bijna onophoudelijke regen en in de korte

tusschenpoozen van droogte de dichte, alles omhullende nevel geweest.

De keuze van het minst ongunstige jaargetijde was dus buitengewoon

belangrijk. Maar het leek bij het lezen der berichten over de

voorafgegane pogingen, die in alle jaargetijden, bijna zelfs in alle

maanden ondernomen waren, alsof er in de bergen bestendig regentijd

heerschte, zonder eenige afbreking door mooi weder.

Inderdaad wordt de groote bergketen, die geïsoleerd tusschen de

wijde, moerassige vlakten van Oeganda en de onmetelijke oerwouden

van het Kongogebied verrijst, tot middelpunt van aantrekking voor de

door de tropische zon voortgebrachte dampmassa's, die zich tegen de

verijsde toppen tot een ondoordringbaren sluier van nevels en wolken

verdichten. Daardoor kwam het, dat reizigers zich veel maanden in

de nabijheid van de keten konden ophouden, zonder ooit de toppen der

bergen in het gezicht te krijgen of meer dan zeer vluchtige en korte

beelden op te vangen.

Het schijnt wel, als hadden alleen Stairs en Stuhlmann in Juni en

David in April iets betere klimaatsvoorwaarden aangetroffen. Maar

Wollaston trof het juist in April ellendig. Stanley geeft aan, dat

hij in Mei vaak en bijna dagelijks de met sneeuw bedekte bergen door

nevelen omhuld had gezien. Sir Harry Johnston bericht, dat naar de

meening der plaatselijke autoriteiten November en December de beste

maanden waren; daarentegen had Freshfield in dat jaargetijde te lijden

onder afschuwelijk weer.

De door de zendelingen in de provincie Toro aan den voet der bergen

ingewonnen berichten en het bericht van Sir William Garstin over

het bovenbekken van den Nijl, Kaïro 1904, schenen daarin overeen te

stemmen, dat de regen minder viel in Januari en Februari, en ook in

Juni en Juli, ofschoon in het gebergte ook in die maanden de atmosfeer

niet helder werd. Toch waren de ervaringen van mijn voorgangers met

deze opgaven slecht in overeenstemming te brengen; maar bij gebrek

aan elk ander aanknoopingspunt was het beter, zich er toch naar te

richten. Ik besloot dus, Italië in het voorjaar te verlaten en mij

begin Juni ter plaatse te bevinden.

De voorbereidingen tot de reis werden getroffen in de eerste maanden

van het jaar 1906, en wel op een wijze, die maakte, dat de expeditie

zoo goed mogelijk toegerust was voor de buitengewone omstandigheden,

waaronder het onderzoek moest plaats hebben in een bijna totaal

onbekend gebergte en in een landstreek met zoo eigenaardige

verhoudingen, in het hart van een werelddeel, waarin nog zooveel te

ontdekken was.

Het voornaamste werk der expeditie was natuurlijk een aardrijkskundig,

want men moest de topografie van de bergketen vaststellen en de hoogten

der bergen meten. Daarbij voegden zich onderzoekingen over geophysica,

meteorologie en magnetisme.

Verder was het noodig, met behulp der photografie overvloedige

afbeeldingen uit de bereisde gebieden te erlangen. Even belangrijk

waren geologische en ijsstudiën, onderzoek van gesteenten en

mineralen, dieren en planten. Op grond van dit alles verzocht ik

mijn trouwen medewerker, met wien ik zooveel moeiten en gevaren en

zoo groote verantwoordelijkheid had gedeeld, kapitein Umberto Cagni,

zich bij het reisgezelschap aan te sluiten. Deze en de luitenant ter

zee Edward Winspeare als ordonnans zouden mij bij het geografisch

en geophysisch werk bijstaan. De photografie werd aan Vittorio

Sella toebedeeld, een man, wiens roem als alpinist en photograaf

geen verdere verklaring behoeft; de zorg voor de gezondheid was

opgedragen aan den officier van gezondheid Achille Cavalli Molinelli,

die tijdens mijn Noordpoolexpeditie in 1906 de tweede groep der

vooruitgezonden onderzoekers naar Frans-Jozefsland en van daar terug

had geleid. Cavalli Molinelli zou ook doctor Alessandro Roccati,

die speciaal met het geologisch onderzoek belast was, helpen bij het

verzamelen van botanisch en zoölogisch materiaal.

Over de noodzakelijkheid, om bij een onderneming, die in hoofdzaak uit

bergbestijgingen zou bestaan, berggidsen uit de Alpen mee te nemen,

behoeft niet te worden uitgeweid. Ook hadden we eraan te denken, dat de

expeditie waarschijnlijk langen tijd boven de sneeuwgrens zou moeten

werken. Dus moest men zich van alles voorzien wat noodig was bij het

leven op het ijs, ongeveer als op mijn expeditie in Aljaska. Daarvoor

moesten europeesche dragers worden meegenomen, daar men boven den voet

der gletschers op de diensten van de inboorlingen niet kon rekenen.

Dus werden bij de leden gevoegd de gletschergids, Giuseppe Petigax,

die zich in de Alpen, in Aljaska en op de Noordpoolexpeditie als

mijn kloeke en toegewijde begeleider had onderscheiden, en Cesare

Ollier met de dragers Giuseppe Brocherel en Lorenzo Petigax, die

alle vier uit Courmayeur geboortig waren. Dan was er nog Arminio

Botto, de hulp van Sella voor de photografie, die in den Kaukasus,

in Aljaska en op den Himalaya aan het harde ontdekkersleven gewend

was geworden, en ten slotte Igino Igini, ook een trouwe dienaar van

mij, die den arctischen winter in de schuilhut aan de Teplitzbaai op

Frans-Jozefsland met mij had doorgebracht.

In het begin van April 1906 was alles klaar, en in den avond van

den 16den verliet de expeditie, die voltallig aan boord van de

poststoomboot "Bürgermeister", een duitsche boot, was samengekomen,

de haven van Napels, om de vaart naar Afrika te beginnen.

De afstand van Napels naar Mombasa in Engelsch Oost-Afrika aan de kust

van den Indischen Oceaan bedraagt ongeveer 4100 zeemijlen en wordt

in zeventien dagen afgelegd, waarbij een kort oponthoud in Port Saïd,

Suez, Aden en Djiboeti komt.

De aanwezigheid van professor Koch onder de passagiers droeg er voor

ons allen toe bij, de eentonigheid van den overtocht door gesprekken

over aequatoriaal Afrika te verminderen. Koch keerde daarheen terug,

om de studie der slaapziekte te vervolgen, dien verschrikkelijken

geesel, die in weinige jaren geheele landstreken in de buurt van de

groote meren had ontvolkt.

De laatste dagen van de vaart werden overschaduwd door een geval van

ziekte, dat luitenant Winspeare overviel; het was waarschijnlijk een

infectieverschijnsel van de ingewanden met hooge koorts; en daar de

kwaal langer aanhield, kregen we weldra de zekerheid, dat Winspeare

de expeditie niet door de ongezonde zone tusschen de kust en het

gebergte zou kunnen vergezellen, een reis, die vaak noodlottig wordt

voor diegenen, die den tocht in volle gezondheid aanvangen.

Mombasa, de beste haven aan de geheele oostkust van Afrika,

een waardevolle stapelplaats op den ouden zeeweg naar Indië, eer

de landengte van Suez was doorboord, is eeuwen lang een der meest

begeerde en vurigst omstreden bezittingen geweest tusschen Arabieren,

Portugeezen en Turken, die er afwisselend heer en meester waren. Nadat

de portugeesche heerschappij in 1729 voor goed geëindigd was, werd het

eiland, waarop de stad is gelegen, een volgende eeuw door Arabieren

uit het geslacht Mazrui, onder de nominale opperheerschappij van de

imams van Oman geregeerd, tot deze, na overbrenging van hun hoofdstad

van Maskate naar Zanzibar, de Mazrui uit Mombasa verdreven en in het

jaar 1837 hun eigen heerschappij herstelden.

Na het jaar 1848 volgden duitsche en engelsche ontdekkingsreizen

elkander op, en in aansluiting daaraan de koloniale

handelmaatschappijen, die aan de kusten nederzettingen stichtten

en zich langzamerhand landwaarts in terrein zochten, door steeds

meer concessies van den sultan van Zanzibar te erlangen en met

inlandsche hoofden verdragen te sluiten. Later drongen anglikaansche

en katholieke missies ver in het binnenland door, waar de Mohammedanen

hun voorgangers waren geweest. Daaruit ontstonden godsdienstoorlogen,

die Oeganda langen tijd teisterden.

In het jaar 1890 stelden Duitschland en Engeland door een verdrag de

grenzen van hun wederzijdsche belangensferen vast; drie jaren later

maakte de engelsche regeering op de kolonie voor zich aanspraak

en breidde daarna haar bezit spoedig tot aan de grenzen van den

Kongostaat uit.

Op den morgen van den 4den Mei 1906 werd de arme, voortdurend aan

koorts lijdende Winspeare naar het ziekenhuis gebracht, dat op

een frissche en gezonde plek in het gezicht van de zee en van het

schilderachtige portugeesche fort bekoorlijk is gelegen. De grijze

hemel, waaruit een fijne regen neerdruppelde, was in overeenstemming

met de treurige stemming, die aller gemoed bij het scheiden van den

metgezel vervulde. Nadat zijn toestand zich had verbeterd, verliet

luitenant Winspeare Mombasa, om den 12den Mei naar Europa terug

te keeren.

Zooals men weet, is Mombasa thans met het Victoriameer door een

spoorweg verbonden, die in noordwestelijke richting bijna evenwijdig

loopt met de engelsch-duitsche grens, om het meer bij Port Florence,

aan het eind van de Kavirondobaai bijna onder den aequator, te

bereiken.

Den 4den Mei, om elf uur in den voormiddag, verliet de italiaansche

expeditie Mombasa. Zij werd door den spoorweg door streken gevoerd,

die voor nog geen dertig jaar volkomen onbekend waren.

Van de kust van den Indischen Oceaan tot aan het Victoriameer bedraagt

de afstand 940 kilometer, die tegenwoordig zonder het minste ongerief

in twee dagen worden afgelegd, terwijl men gemakkelijk in de kleine

spoorwaggons zit, waarvan de spoorwijdte nauwelijks een meter is. Nog

slechts weinige jaren geleden was er, om dat eind af te leggen, een

gevaarlijke marsch vol moeilijkheden van drie tot vier maanden noodig,

die over onbegaanbare wegen door het gebied van oorlogszuchtige stammen

voerde; bovendien was het klimaat hoogst ongunstig, en er moest een

talrijke karavaan van dragers worden gehuurd, met alle verwikkelingen,

hindernissen en kosten, die daarmee gepaard gaan.

De uitvoering van dit met het oog op de verschrikkelijke bezwaren,

welke te overwinnen waren, werkelijk grootsche werk is een der

schitterendste bewijzen van de volharding en de wilskracht, die de

mensch in een zesjarigen onophoudelijken strijd met de zwaarste

moeilijkheden heeft aan den dag gelegd. Onmetelijk lange einden

van den weg zijn volkomen waterloos en zonder eenige hulpbronnen;

het zijn bijna woestijnen. Verder loopt een groot deel der lijn door

bergland, waar ze tot 2347 meter stijgt, om dan tot 1829 meter te

dalen, dan weer omhoog te gaan tot 2530 meter en aan de oevers van

het Victoriameer opnieuw tot 1128 meter naar beneden te gaan.

De bewoners, naakte wilden zonder industrie of handwerk, niet in staat

tot eenigen arbeid, konden geen hulp verleenen. Men moest daarom

uit Indië een leger van 20 000 arbeiders en handwerkslieden laten

komen, die men had te voeden, te kleeden, onder dak te brengen en

van gereedschap te voorzien; elke kleinigheid moest uit Engeland

of Indië komen, wat groote omzichtigheid en een ingewikkelde

organisatie vereischte als voor een veldtocht. Daarbij komt, dat

tengevolge van de ongehoorde terreinmoeilijkheden in een land,

waar de tsetsevlieg het gebruik van lastdieren niet vergunt, de

voorbereidende werkzaamheden van den spoorwegaanleg het verste

einde van het reeds gelegde spoor slechts weinig vooruit konden

wezen. Dan de ongezonde streken, epidemieën, gezwellen, die door

kwellende parasieten werden veroorzaakt, en ten slotte talrijke op

menschenvleesch beluste leeuwen, die veel offers eischten en grooten

schrik onder de arbeiders verspreidden.

Het werk werd in 1895 begonnen, nog eer de verovering van Oeganda

voltooid was. Toen de werkzaamheden tot de helft waren voltooid,

brachten in het jaar 1897 de ernstige muiterij onder de soedansche

troepen en de opstand der door de mohammedaansche partij opgestookte

koningen van Oeganda en Oenyoro de kolonie in groot gevaar. Maar in

het derde jaar na de opening der lijn telde de Oegandaspoorweg reeds

tegen 179 000 passagiers!

De trein rijdt tot op de pier van Port Florence aan het Victoriameer,

waar de "Winifred", de stoomboot, ankert. Zij onderhoudt met de

tweelingboot "Sybil" de gemeenschap tusschen de havens van het

Victoriameer. De handel neemt zoo snel toe, dat in het jaar 1907 een

derde stoomboot van stapel liep en een vierde is al in aanbouw.

Alleen overdag wordt er gevaren. Aan den avond van den 6den Mei

legde dus de "Winifred" aan den mond van de golf van Kavirondo in het

meer bij het eilandje Rusinga aan, om er den nacht door te brengen;

ze werd dadelijk door booten van inboorlingen omringd. Dat zijn

groote booten van slanken vorm, die in staat zijn, twintig en meer

roeiers op te nemen, niet ruw uitgeholde boomstammen, maar zorgvuldig

gebouwde, gekielde, planken booten, die door touwen van vezel planten

saamgebonden en met vezelstoffen en hars gedicht zijn. Het voorste

gedeelte is voorzien van een langen, spits toeloopenden snavel.

Op den morgen van den 7den Mei werd bij het aanbreken van den dag

de vaart voortgezet, maar nu niet meer in het troebele water van de

golf van Kavirondo, maar in het volkomen heldere, doorzichtige water

van het meer zelf, dat in een tusschen blauw en groen gelegen tint

heerlijk schittert en kristalhelder is. Enkele uren na het vertrek

verliezen wij het land geheel uit het gezicht en men komt volkomen

in de illusie, dat men zich op open zee bevindt.

Het Victoriameer wordt inderdaad enkel door het Bovenmeer in

Noord-Amerika overtroffen in grootte en heeft zulk een uitgebreidheid,

dat men er in de lengte en in de breedte meer dan 300 kilometer kan

varen, zonder land te zien. Het gelijkt ook op de zee door de talrijke

onverwachte stormen, die golven meebrengen, in hoogte volkomen gelijk

aan die van den oceaan.

Eerst in het jaar 1907 is de hydrographische studie van de 3200

mijlen lange kusten voltooid, waaraan de commandant der engelsche

marine, H. Whitehouse, zeven jaren ingespannen heeft gewerkt. Maar

het midden van het meer is nog voor het grootste deel ondoorzocht en

levert de stof voor een groote menigte sagen, die in het land verbreid

zijn. Men vertelt van eilanden, die door wilde menscheneters bewoond

zijn, van schepen, die door geweldige wervelstroomen verzwolgen zijn,

van monsters, die de onbekende diepten bewonen en dergelijke verhalen.

De route van de stoomboot loopt ongeveer langs den evenaar en ligt

dwars door het noordelijkste deel van het meer, op vrij grooten

afstand van de rij eilanden, die den oever omzoomen en daarlangs

een bijna onafgebroken, voor stormen welbeschut kanaal afzonderen,

waarin de roeibooten en de kleine zeilscheepjes van de inboorlingen

in volle veiligheid kunnen varen.

Het belangrijkste en grootste eiland is Roevoema, een van die, welke

den toegang tot de Napoleongolf versperren en de uitvloeiing van

den Nijl uit het Victoriameer verbergen; het werd vroeger door een

krijgshaftigen stam bewoond, die met behulp van een sterke oorlogsvloot

steeds met groote dapperheid zijn onafhankelijkheid tegen de machtige

koningen van Oeganda verdedigde.

De slaapziekte heeft de meerderheid der verrukkelijke, vruchtbare

eilanden van den archipel in groote kerkhoven veranderd. Nadat geheele

landstreken van den Kongostaat door de ziekte waren ontvolkt, tastte

ze, de hoofdverkeerswegen volgend, tusschen 1900 en 1902 in Oeganda

om zich heen en breidde zich al verder uit. Langzamerhand vertoonde ze

zich ook in de streken van Oesoga en Kavirondo. Ze richtte onmetelijke

verwoestingen aan en eischte tot 40 000 slachtoffers in een enkel

jaar. Daar de ziekte hoofdzakelijk mannen in hun beste jaren wegrukt,

zijn er dorpen en eilanden, waar enkel vrouwen en kinderen zijn

achtergebleven.

Aan de noord westpunt van het meer legde de "Winifred" op 7 Mei des

namiddags in de baai van Entebbe aan, en de italiaansche expeditie

was aan het eind van de verkeerswegen der beschaving gekomen, nadat ze

in drie weken een afstand van 4750 geographische mijlen had afgelegd.

Bij het aan wal gaan ontving mij de oppercommissaris van het

Oegandaprotectoraat, de heer Hesketh Bell, die in October 1907 tot

gouverneur benoemd werd en bood mij en commandant Cagni gastvrijheid

aan in zijn huis. De overige leden der expeditie werden opgenomen door

de ambtenaren, de heeren G. F. M. Ennis en W. M. Carter, alsook door

Majoor L. C. E. Wyndham. De gidsen werden in het "Equatoriaal Hotel",

dat door den heer Berti, een Italiaan, wordt gehouden, ondergebracht.

Entebbe of Port Alice, dat nauwelijks vijftien jaren geleden door

Sir Gerald Portal werd gesticht, is de politieke en administratieve

hoofdstad van het engelsche Oegandaprotectoraat. Dit omvat veel meer

dan het vroegere koninkrijk van dien naam, daar er ook de rijken

Oenyoro en Ankole toe behooren, die in een krans om het Westen en

Zuiden van het eigenlijke Oeganda zijn gelegen, alsook de heele streek

ten oosten van het Kiogomeer en om den grooten, uitgedoofden vulkaan

Elgon. Verder behooren in het Noorden de uitgestrekte gebieden er toe,

die de namen Nijlprovincie en Rudolfprovincie dragen.

De stad ligt op twee heuvels op de uiterste punt van een schiereiland

tusschen twee armen van het meer. De straten zijn alle breed en

worden aan beide zijden door de huizen van Europeanen omzoomd. Die

zijn op de in tropische streken gewone manier gebouwd met daken, die

over de breede galerijen naar voren springen en zijn door bloemtuinen

omringd. De ligging der stad is betooverend mooi; het onmetelijke meer

met zijn overvloed van licht en glans en zijn hier en daar verspreide

liefelijke en vriendelijke eilanden ligt vóór ons uitgebreid; maar

de netten en het gaaswerk vóór de vensters, de hallen en deuren zijn

welsprekende getuigen van de heerschende malaria.

Er is een hotel, een protestantsche en een katholieke kerk, drie

ziekenhuizen, verschillende handelshuizen en winkels, die door

Goaneezen en Indiërs worden gehouden. Een uitgestrekt terrein langs

het meer wordt door den botanischen tuin ingenomen.

Aan het uiterste noordeinde der stad bevindt zich het marktplein,

het punt van samenkomst der negers, die altijd in grooten getale

in de nabijheid der stad zich ophouden in de hoop, eenig werk te

krijgen als gidsen of dragers. De woningen der inboorlingen, ongeveer

honderd hutten, liggen, tot een dorpje vereenigd, verder van de stad

verwijderd onder prachtige boomen te midden van bananenaanplantingen

en maïsvelden.

Onze expeditie hield zich van den 7den tot den 15den Mei in Entebbe

op, om de organisatie der karavaan in alle bijzonderheden voor te

bereiden. Intusschen werd ongelukkigerwijze de commandant een offer van

het ongezonde klimaat, ten minste hij kreeg den 8sten Mei koorts en

trots de chinine-inspuitingen hield de koorts aan, en de ziekte werd

gecompliceerder door een ontsteking van de ingewanden, zoodat hij na

eenige dagen naar het ziekenhuis moest worden overgebracht, dat gezond

was gelegen en waar voor het herstel de gunstigste omstandigheden te

vinden waren.

Ik verloor daardoor de meest waardevolle hulp op een oogenblik,

waarop het werk het moeilijkste en ingewikkeldste was.

De uit de "Winifred" ontscheepte uitrusting van de expeditie was

door de dragers op de plaats van het "Equatoriaal Hotel" gebracht

en werd nu te midden van een dichten drom nieuwsgierigen, kinderen

en volwassenen, uit de kisten gehaald, nadat alle vrachtstukken

gecontroleerd en geteld waren. Het gezamenlijk materiaal voor het

kamp, tenten, bedden, slaapzakken, stoelen, tafels, badkuipen,

keukengereedschap, de hermetisch gesloten kisten met kleeren, het

photografiemateriaal, alsook dat voor de zoölogische, botanische en

mineralogische onderzoekingen, de jachtwapens met munitie vormden te

zamen 114 stukken bagage, elk van 23 kilogram zwaarte, die genummerd

en van teekens voorzien moesten worden, om, als ze noodig waren,

terstond gevonden te kunnen worden.

De voorraad levensmiddelen was onder aanneming van een verblijf

van veertig dagen in het hooggebergte boven de sneeuwgrens en een

even langen duur der reis van Entebbe tot de bergen, met de terugreis

inbegrepen, berekend. Hij vormde 80 dragerslasten van hetzelfde gewicht

als de zoo juist genoemde; elke last bevatte het dagelijks benoodigde

voor twaalf personen plus de door dunne plaatjes beschermde blikjes

gecondenseerde melk. Het eenige onderscheid tusschen de voor het

hooggebergte en die voor de lagere regionen bestemde porties bestond

daarin, dat de laatste geen vleesch in bussen bevatten, daar versch

vleesch in iedere bewoonde landstreek gemakkelijk te krijgen was.

Dus waren er 194 dragers noodig voor het vervoer van de geheele

uitrusting. Rekent men daarbij de karavaanleiders, de persoonsbedienden

met hun eigen dragers, de met de zorg voor de paarden en muildieren

belaste negers en diegenen, die tijdens den marsch de runderen, geiten,

schapen, het levend proviand voor de karavaan, moesten drijven, dan

komt men tot een gezamenlijk aantal van over de driehonderd menschen.

De collector of hoogste ambtenaar van het district, J. Martin, een

man van groote ervaring in het organiseeren van karavanen en reizen,

had het heele personeel door den heer Bulli, die toenmaals beambte

van het italiaansche koloniale genootschap was, in de maanden vóór

de aankomst van de expeditie laten uitzoeken en voorbereiden. Bulli

zou bovendien de expeditie als karavaanleider vergezellen.

Er waren drie paarden en drie muildieren gekocht, om de bezwaren van

den marsch eenigszins te verlichten; verder twee riksja's, kleine,

lichte tweewielige wagentjes, die voor één of twee personen ruimte

boden en door inboorlingen getrokken of geschoven werden; ze moesten

dienen, om zonder inspanning de vlakke einden van den weg af te leggen.

Den 12den Mei was alles voor het vertrek gereed. Maar ik wilde nog

drie dagen wachten, daar ik er maar moeilijk toe kon overgaan, Cagni

achter te laten. Ik moest echter toch besluiten, zonder hem op te

breken; de duur van zijn ziekte liet zich in het geheel niet bepalen,

en wilde men nog langer talmen, dan liep men gevaar, dat het gunstige

jaargetijde tot onderzoek der bergen onbenut verstreek, om geheel te

zwijgen van het gevaar, dat er nog een deelnemer ziek kon worden en

daarmee de uitslag van de heele onderneming mislukken kon.

Het bergland van den Roewenzori De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 1 / 7 段