kanten de hoofden der naburige dorpen met hun stoelen en zonneschermen
en een lang gevolg van inboorlingen. Allen deden hun best, aan de
karavaan hulp te bieden bij het oversteken. Er werd dwars over het
water een touw gespannen, waarachter voor meerdere veiligheid nog
een aantal inboorlingen gingen staan. Alle leden der karavaan gingen
daarna afzonderlijk met hun lasten bovenstrooms van het touw naar de
overzij, waarbij ze zich aan het touw vast hielden. Zoo bevond zich
in korten tijd de karavaan op den anderen oever van de Moboekoe,
zonder eenig ongeluk.
In de omgeving van het kamp bevinden zich talrijke dorpen en
bananenaanplantingen. De inboorlingen loopen naakt; nauwelijks een
ketting van schelpjes hebben ze zich om de heupen geslagen, met een
stukje doek eraan. In het kamp wordt bij uitzondering de schuilhut
niet opgeslagen, zoodat de blanken niet onder dak kunnen eten; maar
gelukkig is het mooi weer en de maaltijden worden in de schaduw van
eenige boomen dicht bij de rivier gebruikt. Trots een nauwkeurig
onderzoek gelukt het niet, een visch te zien te krijgen.
De avond is wonderlijk helder en de schemering daalt langzaam. Het
vertrouwde ruischen van den stroom roept de herinnering aan kalme
avonden in afgelegen dalen van de Alpen op. Beneden het kamp branden
tallooze vuren, waaromheen de dragers zich bewegen, en die daardoor
nu eens schijnen uit te dooven, dan weer helder op te vlammen.
De omtrekken van het dal worden tegen den sterrenhemel duidelijk
afgeteekend, en het oog keert terug naar de sneeuwtoppen van den
Duwoni, die het fonkelen der sterren zwak weerspiegelen, en lang
blijft het eraan hangen.
Aller harten waren weer vol hoop. Gelukkiger dan onze voorgangers,
hadden wij vele van de toppen te zien gekregen, eer we den voet van
het gebergte bereikten, en wij hadden een belangrijk feit betreffende
hun verdeeling kunnen vaststellen, namelijk dat de van Kaibo en Butiti
uit in het midden zichtbare berg met twee toppen, die de hoogste van
alle scheen te zijn, geen andere kon wezen dan de Duwoni van Johnston.
Nadat de karavaan het kamp had verlaten, stak ze snel de vlakte over,
waar Ibanda ligt. De vlakte is hier en daar moerassig en bezet met
kleine boschjes hooge acacia's en drakenbloedboomen, en afgeronde,
gladde rotsmassa's zijn erover verspreid. Dan komen we aan den voet
van een hoogen dwarsrichel, die een uitlooper van de rechtsche
dalbegrenzing is. Het pad, dat erheen leidt, is hier en daar zoo
steil, dat ook de onbeladen deelnemers aan de expeditie den adem
verliezen. De karavaan der zwarten, die het eerste deel van den
dagmarsch met hun gewone luidruchtigheid hebben afgelegd, verstomt,
terwijl ze hijgend de moeilijke helling opklauteren; de samenhang in
den optocht gaat verloren en hoe hooger we komen, des te ernstiger
en donkerder wordt het pad.
Ter halver hoogte bevindt zich een smalle, groene vlakte, waarop eenige
hutten van inboorlingen verspreid liggen. Het zijn de laatste huizen
van het dal, dat hoogerop geheel verlaten is. De plaats heet Bihunga en
ligt 536 meter boven Ibanda, dus 1920 meter boven de zee. De expeditie
van het Britsch Museum had er zich verscheiden maanden opgehouden,
om studiemateriaal te verzamelen; een groote hut herinnerde nog aan
het verblijf aldaar.
Daar rondom konden de tenten op de betrekkelijk kleine beschikbare
ruimte slechts met moeite worden opgeslagen. De dragers zochten,
zoo goed het ging, een onderkomen te vinden op de steile helling van
den berg.
Het uitzicht naar boven is door de ervoor liggende hoogten, op welker
helling het kamp is opgeslagen, volkomen afgesneden. Naar beneden
dwaalt het oog over de vlakte van Ibanda en door het breede dal tot
in de verte, waar de wazige atmosfeer het zien belemmert. Rondom zijn
de hellingen met dichte bosschen bezet, waartusschen kleine, met hoog
gras bedekte open plaatsen te voorschijn komen. In de buurt van het
kamp ziet men de eerste Lobelia's, veel Dracaena's, een wonderschoon
bloeienden koraalboom en de armzalige, smalle velden van het dorpje,
dat een groepje Bakongo's herbergt, trots het ruwe klimaat naakt
loopend.
In Bihunga ging ik ertoe over, het aantal deelnemers aan de karavaan te
verminderen. Van hier ging de optocht verder door onbewoonde streken,
en het werd al moeilijker levensmiddelen te krijgen. Er waren afspraken
gemaakt met de hoofden der dorpen in de omgeving van Ibanda, waardoor
bepaald was, dat ze geregeld afdeelingen dragers met levensmiddelen
door het dal naar boven zouden zenden. Afgezien daarvan echter, dat
de hulpmiddelen van zoo'n klein gebied maar beperkt waren, moesten de
af te leggen afstand en de bezwaren van den marsch al grooter worden,
hoe verder de expeditie naar boven doordrong.
Daarom werd in Bihunga een deel van de bagage achtergelaten, ongeveer
veertig lasten, waaronder alle voor persoonlijk gebruik bestemde
voorwerpen, die in het koude klimaat van den berg niet gebruikt konden
worden; en eveneens deed ik afstand van een gedeelte der boys. Dezen en
ook de overbodige dragers gingen naar Butanuka terug, een dorp halfweg
tusschen het Moboekoedal en Fort Portal, dat de plaats van samenkomst
was van alle uit het gebergte komende werkkrachten. De 20 askari's van
de bedekking, die onder het bevel van sergeant Green, een Engelschman,
stonden, bleven in Bihunga als verbindend lid tusschen de expeditie
en het benedendeel van het dal. Het achtergebleven materiaal vond
een goed onderkomen in de hut van de expeditie van het Britsch Museum.
De op deze wijze bewegelijker gemaakte karavaan toog op den morgen
van den 5den Juni weer op weg. Eerst moest ze de hoogten van Bihunga
langs een steil en zeer smal pad door dichte struiken, die gezicht en
handen door de vaak doornachtige takken ten bloede sloegen, beklimmen,
en daarna moest ze over het kleine dal Chawa afdalen in het Mahomadal,
waar een belangrijke zijtak der Moboekoe door stroomt.
De helling is zeer steil en voert geheel door een ondoordringbaar
woud van hooge boomen. Daaronder komen veel exemplaren voor van mooie
coniferen, o. a. van den Podocarpus, die door dicht dooreen geslingerde
lianen onderling verbonden zijn en waartusschen loofboomen staan,
overdekt met orchideeën. Aan alle kanten verheffen zich hooge, steile
bergen, die ook door bosch bedekt zijn. Aan den voet der boomen groeit
dichtbebladerd onderhout, dat vermengd is met varens van allerlei
soort. Het onderhout staat zoo dicht, dat het pad tot iets van een
galerij wordt, waarin men heele einden gebukt moet afleggen. De
struiken hebben veel gevallen boomstammen overgroeid, waaronder in
den humus een rijke oogst van kleine dieren voor de verzamelingen te
vinden is. De grond is zeer vochtig; hij staat hier en daar onder water
en is glibberig, zoodat de dragers slechts met moeite zich staande
kunnen houden. Het woud vergezelt den weg tot aan den oever der Mahoma.
Na den overgang over den stroom begint de optocht weer omhoog te
klimmen over een steile, met reusachtige varens begroeide helling, wat
voor de afzonderlijk en zeer langzaam marcheerende dragers buitengewoon
inspannend is. Vanaf een bepaalde hoogte mengen zich onder de varens
de eerste bamboes en Ericaceeën. Het gladde en moerassige gebied is
bezaaid met rotsblokken van allerlei grootte.
Het is alles niet anders dan een geweldige zijmorene van den gletscher,
die zich in overoude tijden naar het dal heeft laten glijden en die
waarschijnlijk ook de hoogvlakte van Ibanda heeft bedekt. Het is te
verwonderen, dat geen van de talrijke onderzoekers, die het Moboekoedal
vóór ons bezocht hebben, de ware natuur van dit gebied herkend
heeft. Een evenwijdig met de eerste loopende morene gaat langs den
tegenovergestelden, den linkschen, kant van het dal. De Moboekoe gaat
schuimend meer dan 200 meter lager in de steil afdalende kloof, die
ze zich tusschen het rotspuin heeft gebaand, waarbij ze de blokken en
het puin van de morene aan de oppervlakte van de doorsnede bloot legde.
De boomen worden langzamerhand dichter, tot men zich boven aan de
morene opnieuw midden in het bosch bevindt. De weg loopt een heel
eind gelijk met den kam der morene, welke kam op sommige plaatsen
minder dan een meter breed is, tot aan een geweldig zwerfblok,
dat minstens twintig meter lang en acht tot tien meter hoog is, en
waarnaast zich een klein, scheef strooien dak vertoont, dat gedragen
wordt door een paar in den grond gestoken palen. Het is de kampplaats
van Nakitawa. Daar rondom bestaat het woud uit reusachtige boomen,
met dicht onderhout aan hun voet. Er was een arbeid van verscheiden
uren noodig, om struiken en boomen te vellen en ruimte te maken voor
zes tenten. De zwarten drongen dadelijk om het rotsblok, waarbij de
keuken was opgeslagen.
Het kamp ligt 2652 meter boven de zee. Op den laatsten dagmarsch
waren er, trots de daling, 732 meter bijgekomen. Bijna den geheelen
namiddag kwamen de dragers afzonderlijk opdagen, uiterst vermoeid van
den bezwaarlijken marsch. Als bewoners der vlakte waren de Waganda
oogenschijnlijk niet in staat, de strapatsen van den tocht door het
gebergte te verdragen, en er moest nu aan gedacht, ze door de Bakonjo
te vervangen, die aan het klimaat van hun dal gewend waren en bij
de jacht op mormeldieren en klipgeiten zich geoefend hadden in het
klauteren langs de hellingen.
Zoo ver het oog reikt is alles wat er van hellingen, rotswanden en
bergen te zien is, door ondoordringbaar woud overdekt. Het is de
aanblik van een maagdelijke natuur; we hebben nu inderdaad de door
menschen bewoonde streken verlaten.
In de buurt van Nakitawa, aan de monding van het Mahomadal, vereenigen
zich de beide morenen, en in den door de vereeniging der linker
morene van het Mahomadal met de rechter van het Moboekoedal gevormden
hoek ligt een meertje, dat later bij de terugkomst van de expeditie
onderzocht werd. Juist tegenover het kamp aan de linkerzijde van
het Moboekoedal verheft zich de groep toppen van den Portal. Aan den
voet der steil afdalende wanden mondt een breed dal uit in dat van de
Moboekoe; het opent zich tusschen de beide zuidelijke Portal-toppen,
die als twee reusachtige grenssteenen aan den ingang staan.
Geen der vroegere onderzoekers had de aanwezigheid van dit zijdal
bespeurd, terwijl de ontdekking het mij mogelijk maakte, gewichtige
besluiten te trekken omtrent de ligging der toppen. Door de opening van
dit nieuwe dal had de expeditie, van Ibanda uit, op den achtergrond
den Duwoni van Johnston aanschouwd. Deze berg lag dus niet aan het
eind van het Moboekoedal. Vergeleek men echter den aanblik der keten,
van Kaibo en Butiti uit, met het geleidelijk zichtbaar worden der
afzonderlijke toppen gedurende den marsch door het Himadal tusschen
Kasongo en Ibanda en daarna bij het dalen naar het Moboekoedal, dan
werd het duidelijk, dat de toppen en gletschers van de middelste en
hoogste groep zich zuidelijk van den Duwoni bevonden; dus moesten ze
tusschen den Duwoni en het Moboekoedal liggen.
Het scheen dus duidelijk, dat het pas ontdekte dal juist in het hart
der keten lag en naar den hoogsten top moest voeren, veel directer
dan het Moboekoedal. Bij het ontbreken van bericht over dit dal en
onzeker, of ik het tot aan den voet der bergen zou kunnen doorreizen,
besloot ik niettemin, den door de vroegere onderzoekers gevolgden
weg verder te vervolgen, om zoo spoedig mogelijk bij een hooger punt
en op een top te komen en van daar de ligging der toppen en dalen
met gewisheid te bepalen. Ik behield voor het ontdekte dal den naam
Boejoekoe, dien de inboorlingen van Ibanda eraan gegeven hadden.
Vijf dagen achter elkander was het weder ongewoon zacht geweest voor
deze streken, en gedurende de geheele reis hadden we eerst in de
laatste dagen, toen de expeditie op het punt stond het gebergte te
verlaten, weer een even lange periode van onafgebroken mooi weer. Op
den morgen van den 6den Juni viel er evenwel bij het aanbreken van
den dag een fijne regen van den grijzen, bewolkten hemel.
De karavaan wachtte op de levensmiddelen voor de negers, die, door
tachtig Bakonjo gebracht, eerst om zeven uur aankwamen. De Bakonjo
zijn lieden van een krachtig uiterlijk, met nog al vooruitspringende
wangbeenderen, soms met een spoor van baard en met geschoren of
potsierlijk opgemaakte haren. Hun door de kou, het water en de zon
gelooide huid is hard en rimpelig als leer. Ze zijn enkel gekleed in
een van de heupen afhangend stuk doek, dragen aan armen en beenen
metalen ringen en aan den hals een zak voor pijp en tabak. Enkelen
dragen op den rug een luipaardsvel of een soort van mantel van
aaneengehechte vellen van klipgeiten. Er zijn geen Christenen onder
hen. Tijdens den marsch steunen ze op lange stokken, waarvan ze zich
op moeilijke plaatsen met groote behendigheid bedienen.
De tachtig man waren aangeworven, om de eene helft der Waganda-dragers
te vervangen, die dadelijk naar beneden werden gezonden. Nadat alles
in orde was en de menschen gegeten en gedronken hadden, konden we
eindelijk tegen acht uur opbreken.
Achter Nakitawa verdwijnt de weg bijna geheel en wordt tot een
nauwelijks bespeurbaar voetpad. Toen de optocht den kam der morene
had verlaten, ging het bergaf en kwam, tusschen bamboeplanten en
lianen doordringend, in het op een hoogvlakte gelijkende dal, waar de
Moboekoe werd bereikt. De stroom was zoo ondiep, dat men er, van steen
op steen springend, met droge voeten overheen kon komen. Een over de
rivier gelegde boomstam vergemakkelijkte den dragers den overgang. Het
geweldige onderscheid tusschen den overvloed der Moboekoe bij Ibanda
en hier boven Nakitawa komt zeker grootendeels door de toevloeiing
van de Boejoekoe, die bij gevolg een veel belangrijker rivier moet
wezen dan de Moboekoe.
Het vlakke dal is moerassig, en het bosch is er bijna niet anders dan
bamboe. De weg bestaat uit nat slijk, waar men dikwijls tot de knieën
in wegzinkt. Onder het moeras stoot de voet op steenen of stukken
hout, of hij raakt verward in een klimplant of stapt op een omgevallen
boomstam en dwingt den reiziger, te grijpen naar de doornstruiken in
het rond, om het evenwicht te bewaren. Langzamerhand leert men den weg
kennen; men vindt de stevigste plaatsen eruit en het gelukt, zich met
sprongen voort te bewegen, nu eens met den eenen voet op den rechter en
met den anderen op den linker kant van den weg. Of wel men zoekt naar
een steunpunt op de uit het moeras opstekende steenen of wortels of op
een vergaanden tak en een gevallen boomstam. Ieder oogenblik echter
struikelt men of zakt weg, en de tocht wordt gekruid door uitroepen,
die meer krachtig en vol uitdrukking zijn dan wellevend. Intusschen is
het bovendien gaan regenen en van de bamboestruiken, de Ericaceeën,
de varens van allerlei vorm en grootte en de andere bladeren stroomt
aanhoudend een stortbad neer.
Van het hoofd tot de voeten met slijk bedekt, met doornatte
kleederen, kwam de expeditie, nadat ze op den linkerkant van het
dal was overgegaan, aan den voet van een overhangenden rotswand,
die achter in een klein, van voren door een morene versperd, dal lag.
Het is het kamp van Kichuchu, 2997 meter boven de zee, 345 meter
hooger dan Nakitawa gelegen. De rotsmuur biedt tegen slecht weer eenige
beschutting op een plek, die wel beveiligd is voor den neervallenden
regen, maar doornat is door het langs de rotswanden neerloopende
water. Er is slechts plaats voor een enkele tent. Alles in het rond is
diep slijk. Met behulp van op den grond gelegde takken en boomstammen
gelukt het ons, den vasten grond zooveel uit te breiden, dat we nog
twee tenten konden opslaan. Veel uren lang moest ik bij de oprichting
van het kamp in het moeras in den regen rondwaden.
In de nabijheid is weinig brandhout te vinden en de vuren zijn
onvoldoende. De Wagandadragers zijn uitgeput en mismoedig;
ze trillen van kou en zijn blijkbaar buiten staat, verder te
marcheeren. Ze blijven dus allen met de boys achter en gaan naar
beneden naar Boetanoeka, om samen te zijn met de in Bihunga en
Nakitawa ontslagen gezellen. Van nu af gaan we enkel met de Bakongo
verder; de overcomplete lasten worden achtergelaten en zullen later
afgehaald worden.
De vlakte, waarop zich het kamp van Kichuchu bevindt, is het eerste van
drie boven elkaar liggende terrassen. Alle drie zijn gelijkmatig met
stilstaand water bedeeld; ze worden door drempels van 200 tot 300 meter
van elkaar gescheiden en vormen het bovenste deel van het Moboekoedal.
Van Kichuchu af stijgt de weg dadelijk langs een smalle, natuurlijke
trap; deze is ingesneden in de rotsen van een ongeveer 300 meter
hoogen bergwand, die van den zuidelijksten top der Portalpunten
neerdaalt. Waar de rotstrap te smal en ongemakkelijk is, wordt het
klimmen door houten trappen verlicht; de weg is zoo steil, dat men op
handen en voeten moet klimmen, waarbij men zich moet vastgrijpen aan de
weinige lianen en alleenstaande boompjes. Op het laatste, minder steile
gedeelte wordt het pad opnieuw geheel tot moeras, steenen en wortels.
Eindelijk komen we op de hoogte, die den rand van het tweede terras
vormt. Hier werd de expeditie verrast door een der zeldzaamste
tooneelen van de gansche reis. De hoogvlakte was overdekt met een
groot woud van boomachtige Ericaceeën. De stammen en takken zijn van
boven tot onderen met een dichte laag mossen overtogen, die in lange
baarden van alle takken afhangen en die de knoopen van het hout, de
uiteinden der afgehouwen takken verdikken en afronden. Tengevolge
daarvan doen zich de planten wonderlijk wanstaltig voor en als
door gezwellen bedekt, alsof ze lijden aan een groenachtig gelen
of rooden uitslag. Geen enkel blad is te zien, uitgezonderd aan
de hoogste takken; zwart en donker ligt het woud door den dichten
stand der boomen en de dooreenwarring der takken. Van den bodem
is door de tallooze doode stammen niets te ontdekken; ze liggen in
een onontwarbaar net over en door elkander, bedekt met kleverige,
glibberige mossen. Geen woud maakt er somberder indruk dan dit,
dat wel een bosch uit den oertijd gelijkt.
Toen we aan de Mokoeboe kwamen, bleek die helder te wezen; de karavaan
trok er over en ging daarna naar het derde terras, waar aan den voet
van den Buamba een kamp werd opgeslagen ter hoogte van 3518 meter
boven de zee. Het was een mooie dag, en ik had bijna geen geduld, om
in Buamba te blijven, bijna in het gezicht van Bujongolo, de laatste
halt in het dal. Nadat in haast iets was gebruikt, marcheerden we
verder dwars over de met allerlei planten begroeide hoogte, met
het uitzicht op een geheel door groen en bloemen omsloten waterval,
die van de bergen aan de rechterzij van het dal neerstortte.
Met mijn metgezellen kwam ik tegen twee uur in den namiddag in
Bujongolo aan, een echt adelaarsnest tusschen de rotsen, 3798 meter
boven de zee en 800 meter boven Kichuchu. Wij hadden de karavaan van
dragers achter ons gelaten. De meesten hadden in Buamba gerust, en
slechts enkelen kwamen dien dag de expeditie achterna. De plaats was
ruw en woest; van den gletscher waaide een snijdend koude wind, die aan
alles eerder herinnerde dan aan den aequator en Midden-Afrika. Allen
waren wij onder den indruk, dat we eindelijk aan den voet der bergen
waren aangekomen, die we zouden onderzoeken, nadat we een reis van
54 dagen achter ons hadden.
De expeditie bracht den nacht onder den blooten hemel door. Er was
geen tent aangekomen, en velen moesten zich ook zonder slaapzak
behelpen. Eenige schapen, die met de dragers tot hier gekomen waren,
drongen verschrikt tegen elkander aan, en de figuren der naakte
negers, die in de nabijheid om een vuur hurkten, teekenden zich in
de nachtelijke duisternis in onduidelijke omtrekken af.
Cagni had, nauwelijks hersteld, twee dagen geleden Entebbe verlaten
en trok nu in snelle marschen naar ons toe, vol verlangen ons in te
halen en door zijn persoonlijke medewerking bij te dragen tot den
goeden afloop der expeditie.
Na een tocht naar de toppen op den achtergrond van het Moboekoedal,
waarbij we veel nevel hadden, bleven we nog vier dagen in Bujongolo,
door slecht weer als opgesloten. Maar eindelijk kwam dan den 14den
het onderzoek van de centrale groep aan de beurt, en terwijl ik mij
gereed maakte, om Bujongolo te verlaten, ten einde de centrale groep
der keten te gaan onderzoeken, trok commandant Cagni in ijlmarschen
door het Moboekoedal, en hij had al bijna de tochtgenooten bereikt,
toen zij hem nog op vele mijlen afstands vermoedden.
Zooals gezegd, was hij den 5den Juni van Entebbe met 25 dragers, een
riksja en een paard opgebroken. In korten tijd had hij zijn krachten
in zoo ver herwonnen, dat hij op één dag twee, ja zelfs vier etappen
kon afleggen. Daar het juist volle maan was, brak hij op vóór het
aanbreken van den dag en zette den tocht tot den laten avond voort,
zoodat hij 46 tot 50 kilometer in eens aflegde. De dragers, die door
giften van eenige schapen en door kleine geschenken in geld gewillig
waren geworden, deden wonderen. Eenmaal marcheerden ze 17 uren en
lieten in dien tijd 60 kilometer achter zich.
In zes dagen kwam Cagni te Fort Portal, waar koning Kasagama hem
alle mogelijke vriendelijkheid bewees. Den 12den Juni brak hij van
daar weer op. In Butanuka trof hij de 178 Wagandadragers, die uit
het Moboekoedal teruggestuurd waren. Volgens de door mij gegeven
aanwijzingen ontsloeg hij een deel van hen en liet de overigen naar
Fort Portal verder marcheeren, waar ze den terugkeer der expeditie
uit het gebergte zouden afwachten.
Niet zonder moeite kwam hij over de Wimi, die geworden was tot
een tegen 50 meter breeden en hier en daar over een meter diepen
bergstroom. Een nog ernstiger belemmering vond hij aan de Moboekoe, die
ten gevolge van de regenstroomen, waardoor de expeditie in Bujongolo
was opgehouden, eveneens zeer gezwollen was. Daar hij geen touw
bezat, dat lang genoeg was, om het over de rivier te spannen, zooals
ik had gedaan, behielp hij zich daarmee, dat hij de halsters van het
paard en alle touwen van de tenten en de lasten enz. samenknoopte. Op
deze wijze kreeg hij een touw, dat wel is waar nauwelijks half zoo
breed was als de rivier, maar dat door twee groepen mannen over het
middelste en snelst stroomende deel kon worden vastgehouden. Dank zij
der gewillige hulp van de hoofden en inboorlingen uit de omliggende
dorpen, gelukte het Cagni, de rivier zonder ongevallen te passeeren,
maar de overtocht had een halven dag gekost.
Den 14den Juni verwisselde hij in Bihunga, waar de askari's van
het geleide in kwartier lagen, zijn Wagandadragers tegen geboren
Bakonjo. Twee dagen later kwam hij te Bujongolo aan; de heele afstand
was door hen in slechts tien dagmarschen afgelegd.
Hij vond er alleen Dr. Cavalli. Ik was den avond te voren opgebroken,
en Sella en Roccati hadden zich juist dien morgen op weg begeven,
om den berg of pas ten zuiden van den Kiyanja te beklimmen.
Freshfield had zijn karavaanleider hooren vertellen, dat het zadel in
de waterscheiding, waarover de zuidelijke kam van den Kiyanja loopt,
eens door de in het Westen der keten wonende inboorlingen als pas
werd gebruikt. Ze gingen er over naar het Moboekoedal tot naar Buamba,
om met de Bakonjo ruilhandel te drijven.
Daarentegen gelukte het mij niet, van mijn dragers de geringste
inlichting te krijgen over de verbindingswegen tusschen de beide kanten
van de bergketen. Ze schenen vrees te koesteren voor de streken aan
den anderen kant van den kam en waren blijkbaar overtuigd, dat een
trekken over de grens van den Kongostaat gelijkstond met den dood. Dus
was het natuurlijk, dat de Bakonjo in deze omstandigheden een grooten
tegenzin aan den dag legden, om mij naar het Westen te volgen.
Op den morgen van den 15den Juni waren in Bujongolo slechts negen
Bakonjo bijeen gekomen, die nauwelijks voldoende waren, samen met de
vier gidsen en Botta, de voor een kamp benoodigde onmisbare dingen en
levensmiddelen voor eenige dagen te dragen. In het laatste oogenblik
stelden de negers nog den eisch, hun loon dagelijks uitbetaald te
krijgen, en ik moest een niet gering gewicht aan roepijen meenemen.