Er is een mooi puntdicht van Staring, dat zich veroordeelend richt tegen
hen, die meenen zonder inspanning hun doel te kunnen bereiken. Met een
vlugge pen--ach, pennen zijn vaak vlugger dan voor 't heil van den
schrijver en 't genot van den lezer wel goed is--heeft iemand eenige
vellen papier volgeroffeld, en nu verbeeldt hij zich, meesterwerk te
hebben geleverd. Doch Staring ontneemt hem die illusie.
Zulk _roffelwerk_ zou onverganklijk leven?
Neen vriend, _geschoeid_ won Bilderdijk
Het _steil_ der kunst, maar achter hem in 't _slijk_
Blijft gij met uw _pantoffels_ steken.
Staring mocht meepraten. Onvermoeid arbeidende aan zijn gedachten en
zijn gedichten, rustte hij niet, aleer beide rijp waren. Laten we alleen
eens een oogenblik nauwlettend acht geven op de beelden en woorden in
dit simpele, vierregelige versje, dan zien we daar aanstonds, hoe
Staring de daad bij 't woord gaf.
Hebt ge wel eens roffelwerk gezien? Waarschijnlijk niet want dan zoudt
ge bekend moeten wezen met den arbeid van den timmerman. Een van zijn
werktuigen heet nl. een roffel. Het is een schaaf waarmee allereerst
het ruwste van de planken worden afgeschaafd voor ze een nauwkeuriger
behandeling ondergaan. Zoo'n afgeroffelde plank ziet er dus nog slordig
uit. Natuurlijk, er is nog slechts weinig zorg aan besteed. Vandaar dat
de figuurlijke beteekenis van afroffelen op slordig, onnauwkeurig werken
wijst. En wie nu het roffelwerk wil overbrengen op literair gebied,
heeft daarmee reeds zichzelf veroordeeld.
Neen, zoo gauw en gemakkelijk komen we er niet. Wie het stijgende pad
der kunst wil betreden, rekene er op, dat het beklimmen van den berg
inspanning eischt en ruste zich uit tot den tocht. Niet "op onze
slofjes" bereiken we den top. _Geschoeid_ won Bilderdijk het hoogtepunt,
waarop Staring hem ziet. Maar wie meenen mocht, op _pantoffels_ B. te
kunnen navolgen, blijft beneden in de modder steken.
Ik wil niet beweren, dat Staring hier uitmunt door oorspronkelijke
beeldspraak. Doch ieder zal wel erkennen, dat de oude beelden, die we
dagelijks gebruiken en die overal in de volkstaal leven, door Staring in
volle klaarheid gezien en toegepast zijn, zoodat hij aan 't oude weer
nieuw leven heeft geschonken. Al schreef Staring maar twee regels, die
regels mochten woord voor woord opgenomen en gewogen worden. Ieder woord
had zijn volle gewicht.
Dit bereikte hij natuurlijk niet door er maar op los te schrijven.
Door nadenken en overwegen verdiepte en verhelderde hij zijn gedachten,
door oefening en aanhoudende zelfcritiek kuischte hij zijn taal. Daarom
mogen we zeggen, dat Starings werken zijn uitspraken bevestigen. En
daar vloeit tevens uit voort, dat Staring-lectuur, zeg mijnentwege
Staring-studie, een heilzamen invloed kan hebben op de vorming van het
jonge geslacht. Men heeft het zoo vaak over de "vormende waarde" der
literatuurbeoefening. Welnu, wie nog zoekt naar de wijze, waarop die
vormende waarde tot haar recht kan komen, beproeve maar eens door middel
van Staring zijn leerlingen oog en eerbied te doen krijgen voor
volharding.
* * * * *
Aan die deugd is in onzen tijd meer dan ooit behoefte. Zenuwzwakke
naturen, gelijk we er vele tellen, zijn vaak alleen sterk in
opwindingen. Alles moet bij vlagen en ingevingen gaan. En als de
inspiratie niet werken wil, komt er niets. Inspiratie heet de eenig
betrouwbare drijfkracht. Zij stempelt den arbeid met het merk der
genialiteit.
Natuurlijk zal niemand de beteekenis van een krachtige aandrift
loochenen. Maar wie meenen mocht, dat zij den volhardenden arbeid missen
kan, komt bedrogen uit. Reeds meermalen heeft men getracht, de natuur
van het genie te bepalen, doch, hoe verscheiden de karakteristieken ook
zijn mogen, in één opzicht stemmen alle overeen: Geen genie zonder
volharding. Alle groote mannen waren sterk... in het overwinnen van
moeilijkheden. En dit laatste is iets anders, dan het drijven om zijn
telkens wisselenden zin te krijgen.
Hoe wreed zij 't ook vervolgen tot den dood,
't Genie blijft toch d'omstandighêen te groot,
zegt Potgieter.
Volharding en veranderingszucht staan tegenover elkaar. De eerste is het
kenmerk van kracht, de laatste van zwakheid. Met groote ambitie begint
iemand soms aan een nieuwe taak, liefst aan de uitvoering van een zijner
_eigen_ vele nieuwe plannen. Hij leeft bij zijn phantasie, en in die
phantasie ziet hij alleen maar het mooie en aantrekkelijke. Doch nu
komt de werkelijkheid en daarmee rijzen van alle kanten moeilijkheden,
waarvan hij te voren geen flauw vermoeden had. Aanvankelijk tracht
hij de moeilijkheden te overwinnen, doch spoedig geeft hij 't op.
Hij ontwijkt de steenen, die hij moest opruimen om zijn weg te kunnen
vervolgen, en de lust ontzinkt hem. 't Mooie plan wordt opgegeven, een
nieuw gevormd, en de jonge arbeider komt verzwakt uit den strijd terug.
Het spreekt vanzelf, dat niet alle strijders evenveel kracht hebben.
Doch hieruit mag niet volgen, dat de sterke voortzetten en de zwakke
opgeven moet. Opgeven voert tot bezwijken. Ook de zwakke moet vóórtgaan.
Hij kan 't niet zoo snel, als zijn bevoorrechte medestrijder. Dat
hindert niet. Dan gaat hij maar langzaam, desnoods veel langzamer.
Maar... vooruit! Niet een nieuw pad ingeslagen, omdat de gang langs het
oude te zwaar valt. Ook op dat nieuwe pad liggen de moeilijkheden. En ze
wachten u reeds, al ziet ge ze niet. Overál zijn ze. En ge ontvlucht ze
niet, door ze te ontwijken, maar door ze te overwinnen. Van Haren zegt
het zoo mooi van de smart: "We zullen den oceaan oversteken, om haar te
ontkomen. Maar aan gindsche kust staat ze reeds, en wacht ons op." En
zoo is het ook met de bezwaren, aan onze taak verbonden. Juist wie ze
ontvlucht, raakt er onder. Doch wie ze aandurft en aanpakt, wordt hun
meester. Dat niemand zich toch door een gevoel van zwakheid late
terneerslaan en ontmoedigen. Haast is niet noodig. Haast u _langzaam_.
Aan de taaiheid is evenzeer de zege verzekerd als aan de kracht.
Taaiheid is kracht. Zij is de kracht in pasmunt, teergeld op den langen
arbeidsweg. En de vraag is niet: Wat bereikt ge op het moment, maar wel:
Wat zult ge aan het einde van uw leven bereikt hebben.
* * * * *
Beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald. Ja, hier is wel iets
waars in. Maar wanneer men tien en twintig keer ten halve keert, dan
komt men altijd op dezelfde plek terug. Dan zal men niet dwalen, doch
ook niet vooruitkomen. En de dwalende ontdekt nog wel eens gansch nieuwe
gezichtspunten en kan--verder op den rechten weg gerakend--tot de blijde
ervaring komen, dat hij een eind gevorderd is. Doch de terugkeerder
wordt een stilstaander. En stilstand is de dood. Ik zou zeggen: Beter
half gewonnen, dan heel verloren. Wie de eerste helft gewonnen heeft,
bemeestert wellicht ook de tweede.
Er is niets zoo ontzenuwend voor den zenuwzwakke als het weifelmoedige
en aarzelende. Maar dat wordt niet bestreden--doch integendeel
bevorderd--door koppigheid en doordrijven. Het is verwonderlijk, hoe
zulke naturen vaak sterk zijn in de bevrediging van hun lusten. Maar
hierbij drijven ze dan op den krachtigen stroom hunner neigingen
en slepen daarbij nog anderen mee. Dan wordt voor wilskracht en
volharding aangezien, wat integendeel groote wilszwakte is. Zoowel
bij zelfbeheersching als bij zelfbevrediging wordt vaak groote kracht
ontwikkeld. Maar in 't eerste geval is het de sterkende kracht van een
stalende tucht en in 't laatste de verterende woede van een laaiende
drift. Daardoor werkt zelfbevrediging menigmaal verslappend. En juist op
dit gebied geldt het, dat men liever ten halve keeren moet dan geheel te
dwalen. Men kan er bijna zeker van zijn, dat we ons op den goeden weg
bevinden, als er van ons iets _geëischt_ wordt en we in de vervulling
dier eischen, zij het met opoffering van menigen lust, onze
zelfbevrediging vinden in gewetensrust.
Doch het was mijn bedoeling niet, dieper op dit onderwerp in te gaan. Ik
wilde alleen, mijzelf en anderen er nog eens van doordringen, dat er in
onzen tijd van stemmingen en sentimenten dringend behoefte is aan die
geesteskracht, welke zich in volharding openbaart. In de school en in de
geheele opvoeding kan zij aangekweekt worden, door de kleine en groote
kinderen met blijde opwekking te nopen of met zachten dwang te noodzaken
tot een telkens herhaalde krachtsinspanning, die kleine en groote
moeilijkheden weet te boven te komen. Overhaasting is ook hier niet
noodig. De overhaasting in onderwijs en opvoeding is al te vaak de dood
voor rustige kracht. De haast van onzen tijd loopt uit op revolutiebouw,
op flodderwerk. Ze werkt met rijgdraden, en meent daarmee te kunnen
volstaan. Doch waar de opvoeding niet voor één seizoen, maar voor 't
leven, voor de eeuwigheid arbeidt, daar behoeft zij zich niet door
haast te doen bederven. Ouders, die hun kinderen waarachtig liefhebben,
en onderwijzers, die hun leerlingen niet behoeven klaar te stoomen,
kunnen de jeugd maar weinig meegeven, dat van blijvender waarde is voor
verstandelijke en zedelijke ontwikkeling dan de kracht der Volharding.
Zij houdt aan den arbeid en is daardoor tevens een heilzame meesteresse
der tucht. Alle begin is moeilijk, zegt een onzer twijfelachtige
volksmeeningen. Soms is 't waar. Doch heel dikwijls is ook 't begin
gemakkelijk en valt juist het volharden zwaar. Daarom lezen we zoo
terecht: Alleen wie volhardt tot den einde toe, die zal zalig worden.
En mocht Schiller schrijven: Nur Beharrung führt zum Ziel.