We hadden de locomotief onder handen--wij, dat zijn de kinderen der
hoogste klasse en hun onderwijzer. We hadden gezien hoe in de vuurhaard
door verbranding van steenkool, dat is dus door _oxydatie_ van de
koolstof, warmte was ontwikkeld. Ook hoe die warmte, dat is dus
eigenlijk die _oxydatie_, het water in den ketel tot stoom had omgezet.
Ook hoe de spanning van dien stoom, dat is dus eigenlijk die warmte, dat
is dus _die oxydatie_, den zuiger in beweging bracht, en deze de wielen,
en deze de locomotief, en deze den heelen trein.
Daar reed de trein, twintig en meer zwaar beladen wagens voortgetrokken
door de locomotief, neen door den zuiger, neen door de stoomspanning,
neen door de warmte, neen door de verbranding van steenkool, dat is dus:
door een scheikundige verbinding. Een chemisch proces, het eenvoudige
proces dat zich ook voor onze oogen vertoont, wanneer een simpel
lucifertje brandt, dit bracht ons met duizelende snelheid de wereld
rond, ons en honderden medereizigers, ons en honderden centenaars
vracht.
Waren we bij die oxydatie al bij de bron der kracht? Of moesten we nog
dieper doordringen? Reeds rees de vraag naar de vorming der koolstof,
van dat krachtdragend en straks krachtbarend element, en we zagen hoe
die koolstof bij uiterst kleine hoeveelheden in de chlorophylkorrels
der groene plantendeelen werd gevormd, doch alleen--onder den invloed
van het zonnelicht. Bleven de trillende stralen weg, dan konden de
groen-minnende[8] korrels noch groen vormen, noch uit het in de lucht
zwevende koolzuurgas de koolstof losmaken en deze, met opgezogen water
verbonden, als vaste stof in de plant binden. Geen kool dus in de plant
zonder zonnekracht. En deze was het alzoo ten slotte, die de trein in
beweging bracht, die ons voorttrok, ons en heel de menschheid.
[8] Chloros = groen; phyl = minnend.
Wanneer de kinderen tot zulk een inzicht komen, duizelt het hun soms een
oogenblik. Aan hun oogen is iets te zien. Daar straalt ontroering uit.
Een andere ontroering dan wanneer ze hun dertig plaatsjes in Gelderland
zonder haperen hebben opgezegd. Ook deze voldoening zij hun gegund.
Maar ze haalt niet bij het moment van verheffing, van hartsverheffing,
wanneer ze de dagelijksche dingen uit hun omgeving, het voortsnellen
van een spoortrein, van een hooger niveau zien, als met nieuwe oogen
aanstaren.
De Zon trekt de trein voort. De Zon beheerscht de plantenvoeding, dus
ook de dierenvoeding, dus ook ons leven. De Zon is de levensbron der
Aarde. Zonder haar geen groen, geen kleur, geen leven. Zonder haar--hier
niets dan een duistere, kille woestenij. Is het wonder, dat de oude
volken de Zon aanbaden? Dat er een Zonnegod was? Een Zonnedienst?
De Menschheid knielde voor haar Voedster, haar Onderhoudster, haar
Oorsprong.
Haar oorsprong? De mensch zag niet verder. Wie bij de zon eindigt,
is als de reiziger, die bij een tusschen-station uitstapt. Neen,
hier is het eindpunt niet van onze reis, hier het beginpunt niet van
ons bestaan. Verder moeten we, altijd verder, van zonnestelsel tot
zonnestelsel.
Doch nu begint het ons eerst recht te duizelen. Bij de grenzen onzer
kennis beseffen we het diepst onze onwetendheid. En daar buigt de mensch
het hoofd. Niet voor den Zonnegod. Maar voor dien God, die ook de Zon
heeft geschapen, die het gansche Heelal regeert. Al zien wij Hem niet,
wij gelooven in Hem. In Hem voelen wij den Oorsprong van alle Zijn, de
bron onzer levenskracht. En zooals de planten, onbewust of in vage
bewustheid, de bladeren naar het zonlicht keeren, vanwaar hun groei
en hun sterkte komen moet, zoo richt de menschenziel zich naar haar
Oorsprong, zuchtend en zoekend naar Goddelijk licht.
Wellicht vindt deze of gene het een weinig oneerbiedig, om niet te
zeggen profaan, dat we een religieuse beschouwing verbinden aan iets zoo
materiëels als een locomotief. Maar is een locomotief, omdat het een
werktuig is, dan iets minderwaardigs? Openbaren zich in dit werktuig
niet evenzeer de wonderen als in de organische wereld? En spreken we
niet van organische, d. i. bewerktuigde wereld, omdat we juist bij
planten en dieren de _werktuigen_ als een kenmerkend deel onderscheiden
tegenover de anorganische natuur? Ach, wie God alleen ziet in kerken en
heilige boeken, alleen in bloeiend en zingend leven, hij verruime zijn
blik. Overal, overal is God. In het nietigste stofje werkt Zijn kracht.
Geen mechanisme, of het is een nabootsing van hetgeen de mensch in de
gecompliceerde mechanismen der levende schepping heeft ontdekt. Waar we
ook beginnen, stijgend langs stralen van zonnelicht worden we naar den
Oorsprong heen geleid.
* * * * *
Dezelfde locomotief, die ons naar de Zon heenvoerde als de trekkende
kracht van treinen, als de beheerscheresse dezer aarde, bracht ons nog
een andere waarheid aan 't licht. Waarom, als de trein nu toch al zoo
zwaar was, waarom nu nog de locomotief zoo vreeselijk zwaar gemaakt? Dan
werd de vracht toch immers nog grooter? Dan viel er toch immers nog meer
voort te trekken? Dan was er dus immers nog meer krachtsontwikkeling
noodig? Gaf dat niet verlies aan brandstof en wat dies meer zij?
De kinderen kwamen al spoedig zelf met de opmerking dat de locomotief
wel erg zwaar moest wezen, om de wielen tegen de rails te drukken. Want
anders zouden de wielen wel ronddraaien, maar ze zouden langs de rails
glijden en de locomotief zou niet vooruitgaan. Die zwaarte was noodig.
Daardoor kwam er tegenstand, wrijving. En die _tegenstand was voorwaarde
van vooruitgang_. Zelfs, hoe zwaarder trein de locomotief had voort te
trekken, hoe zwaarder ze zelf moest wezen. De tegenstand groeit met de
belangrijkheid der taak.
Onderstel, dat er geen wrijving was, onze voeten zouden niet kunnen
staande blijven, we zouden niet kunnen voortkomen. Een spiegelend
ijsveld ware de aarde, waarop geen beweging mogelijk was. Waar geen
wrijving is, zou ze gemáákt moeten worden.
In het materiëele willen we dit graag gelooven, daar spreekt het ook zoo
duidelijk. Maar in het moreele? En in het geestelijke? Daar zijn we maar
al te zeer geneigd, om over de moeilijkheden te klagen en de bezwaren
te verwenschen. Toch geldt het ook hier, dat de wrijving voorwaarde
van vooruitgang is. Zullen we geestelijk en zedelijk groeien, dan toch
alleen door geestelijke en moreele krachtsinspanning, en die kunnen
we ons niet bij recept voorschrijven, maar die moeten van ons door
de levensomstandigheden _geëischt_ worden. Wanneer van alle kanten de
moeilijkheden op ons af komen, kunnen we daaronder wel eens gebukt gaan.
Maar het zijn de grootste geesten, het zijn de helden der menschheid,
die in toestanden van hopeloosheid en radeloosheid ten onder dreigden te
gaan, om straks gesterkt het hoofd weer op te heffen.
Wanneer het leven ons iets leeren kan, dan is het wel dat we alleen
worstelende krachten winnen. Wie de worsteling vervloekt, vervloekt
zijn eigen verbetering. Wie de worsteling ontvlucht, zinkt weg in
verslapping. We behoeven daarom de moeilijkheden niet te zoeken, we
behoeven het gevaar niet te beminnen. Wie 't gevaar bemint, valt er in,
zegt Augustinus. Maar iets anders is het, het gevaar te zoeken en te
beminnen, iets anders de moeilijkheden, die 't leven op onzen weg legt,
aan te pakken. Dit is onze plicht, sterker, hierin ligt ons heil. En
al lijkt het op 't eerste gezicht ongerijmd, al kost het vaak schier
bovenmenschelijke zelfbeheersching in verloochening van ons rustig
geluk, we moeten zelfs dankbaar kunnen zijn voor de smartvolle zorgen
als prikkels tot zelfverbetering, lijden ter loutering.
Het spreekt van zelf, dat niet in deze woorden met de kinderen werd
gesproken, maar wel in dezen geest, en dat daarbij ervaringen werden
bewust gemaakt uit het kinderleven, dat al zoo rijk is aan verleidingen,
ontvluchtingen, inzinkingen, misschien ook overwinningen. Bijna alles
wat in het leven der volwassenen werkt, gist ook al in het leven der
kinderen, zij het natuurlijk in andere sterkte. Wie dit niet ziet,
phantaseert de kinderen "kinderlijker" dan ze zijn. Hun onschuld is
onrijpe schuld. De groote waarheden zijn daarom ook voor de kleinen. En
al vroeg mogen ook zij beseffen, dat de worsteling noodig is ter
overwinning. Alleen daardoor wordt de Jacob een Israël.