XV. "EEN LIEFLIJKE NAAM".

Hij kende de namen Jezus Christus alleen als vloek.

Zijn vader vloekte, zijn moeder, zijn oudere broers, de buren, zelfs

zijn zusje. En dus vloekte hij ook, reeds als klein jongetje.

Alleen één buurvrouw, een jong vrouwtje, dat altijd bij haar werk zong,

had bij die namen wel eens een fijnere gemoedssnaar doen trillen dan die

van driftige boosheid. Zij kende een heel repertoire van liederen waarin

ze haar Heiland verheerlijkte, en zond de hulde van haar hart, door

open deur en venster, vaak jubelend de buitenlucht in. Zoo had het

buurjongetje wel eens gehoord van een lieflijken naam, die ruischt langs

de wolken, maar die lieflijke naam naderde hem overigens niet anders dan

als rauw scheldwoord.

Dit veranderde niet, toen hij ouder werd. Zijn kameraden vloekten, op 't

werk, in de herberg, op straat, in huis, overal. Ook onder dienst werd

gevloekt, en niet enkel door de soldaten, doch vooral niet minder door

de onder-officieren en de officieren, gelijk in het burgerlijk leven de

heeren voor de arbeiders niet onderdeden en hen meermalen overtroffen.

Op deze wijze was Jezus Christus met dien man door 't leven gegaan.

Aldus kon men merken, dat deze man niet in de heidenwereld, maar in een

"Christelijke maatschappij" was opgegroeid.

Tot op zekeren dag.

Hij was nu over de zestig, had vrouw noch kind, stond--ach neen,

slingerde alleen over de wereld, was meer dronken dan nuchter, kende

de politiebureaux beter dan de kerken en had in onze Christelijke

samenleving nog nooit den Christus ontmoet. Tot op zekeren dag, toen

hij, in dronkenschap aangereden door een automobiel, gewond naar het

ziekenhuis werd vervoerd. De chronische ziekte van het alcoholisme had

men tot nog toe alleen in politiehokken behandeld; een gekneusd been

opende de deuren van het ziekenhuis. En toen hij daar zoo rustig lag,

toen hoorde hij het ruischen van den lieflijken naam.

Dat ging zoo. Een jong meisje van misschien achttien jaar kwam iedere

week met bloemen in de zaal. Dan ging ze alle bedden langs, zette bij

elken patiënt een tuiltje frissche bloemen, knikte de zieken vriendelijk

toe en verdween weer. Soms bleef ze een poosje, om dezen of genen met

zachte stem wat voor te lezen, een mooi verhaal of een hoofdstuk uit den

Bijbel. En telkens, als ze er geweest was, liet zij de kranken achter,

verkwikt door haar bloemen, haar welluidende stem, haar lieflijke

verschijning.

Ruwe harten verteederden onder den invloed van deze zorgende zachtheid.

Ze begrepen die vredige toewijding niet, maar dat was ook niet noodig.

Ze vergaten hun ellende van nu, vergaten gehéél de ellende van 't

verleden, vergaten ook de ellende die weer in de toekomst dreigde, waren

volkomen onder de bekoring dier reine liefde. Ze ervoeren de balsemende

en louterende macht van het Christendom; ze kwamen in aanraking met

Christus, maar ze konden Zijn naam nog niet spellen en noemden Hem; lief

meisje.

Toch hoorden ze het lieflijke ruischen.

* * * * *

Ze wisten niet, gelijk duizenden en nogmaals duizenden dit niet weten,

dat dit _Christendom_ was. Ze meenden--_indien_ ze hieromtrent iets

meenden--dat "Christendom" onafscheidelijk verbonden was aan preeken en

catechiseermeesters en gezang, maar niets te maken had met bloemen en

vriendelijke knikjes. Het Christendom--o ja, dat had je in de kerken,

in die groote, eenzame steenen gebouwen, waar alleen een zeker soort

menschen op Zondagmorgen naar binnen ging, daar moest je lid van wezen,

als van Artis bij voorbeeld, maar dat stond heelemaal buiten een

ziekenhuis. In een ziekenhuis kwamen zieken en dokters en verpleegsters,

en dat meisje--dat was alleen maar "een lief meisje", dat had eigenlijk

in het ziekenhuis niets te maken.

Ze wisten niet, gelijk duizenden en nogmaals duizenden het niet weten,

dat zoo ook Jezus, de Christus, in het ziekenhuis dezer wereld eigenlijk

niets te maken had. Hij kwam er, Hij zag er de lichamelijke, maar

vooral de zedelijke ziekten: de zelfzucht in haar leelijke vormen van

hebzucht, eerzucht, heerschzucht, afgunst, nijd, haat. Hij ging er naar

binnen en bracht er de bloemen Zijner liefde, de sterkende blikken van

Zijn zegenend oog, de schoone verhalen van Gods Vaderliefde. Hij bracht

die _Liefde zelve_ in Zijn _leven_. Hij openbaarde haar in Zijn daden,

Hij lichtte haar toe in Zijn woorden. Hij wierp de dronkaards, de

bedwelmden van allerlei aard, ook die der eigengerechtigheid, niet in

een donker hok, opdat ze daar hun roes zouden uitslapen en straks weer

dieper wegzinken, maar Hij riep ze allen tot Zich, die vermoeid en

belast waren, allen, opdat Hij ze rust zou geven. Zoo ging Hij het

zondenhuis der wereld in en bracht er de verkwikkende, de genezende, de

reddende Liefde. Wat eerst alleen lieflijk ruischte langs de wolken des

hemels, zweefde nu, als engelenzang, door de menschheid heen, over de

velden der aarde. En het was heerlijk om te hooren, behalve voor hen,

die in het liefdelied een verwijt, een aanklacht, den dood van hun

zelfstreelend en zelfverheerlijkend Ik vernamen, daarvan niet hooren

wilden en dan ook inderdaad meenden, dat die stem "hier niets te maken

had" en haar het zwijgen oplegden aan het kruis. Tevergeefs. Want door

de eeuwen heen bleef haar toon trillen door de zedelijke wereld, bewoog

en beweegt ook nu nog de menschelijke harten.

Wanneer de oude dronkaard dit alles geweten had, hij zou het Christendom

anders geëerd hebben dan in godslastering en het wel aanstonds herkend

hebben in "dat lieve meisje." Nu begon het hem pas langzamerhand te

schemeren, als zij hem voorlas uit wat hij "haar boekje" noemde. Hij

formuleerde 't zich wel niet zoo scherp, maar 't werd hem toch flauw

bewust: zij was een gezant, zij was een vertegenwoordigster, zij was een

brengster--in daden--van de Blijde Boodschap. In haar kwam tot hem de

Herder, die niet rustte eer hij 't verloren schaap had; de Meester, die

zijn jongeren geleerd had, dat hij zachtmoedig was en nederig van hart;

de Koning, die 't uitsprak: "Voorwaar zeg Ik u, voor zooveel gij dit

één van deze Mijne minste broeders gedaan hebt"--hongerigen spijzigen,

dorstigen laven, naakten kleeden, vreemdelingen herbergen--"zoo hebt gij

dat Mij gedaan."

In haar kwam Christus tot hem.

En toen zij, op Kerstmis, zong van: "Er ruischt langs de wolken een

lieflijke naam," hoorde hij niet alleen het lieflijke ruischen, maar kon

hij dien naam ook spellen. En daarvoor gebruikte hij dezelfde letters,

die eerst zijn vloeken hadden gevormd. Maar nu had hij ook het levende

Christendom ontmoet.

"O, Kerstnacht, schooner dan de dagen!"

Verspreide Opstellen, II · 第 32 / 55 题