II.

Als kind heb ik genoeg van de Zending gehoord. En toch heb ik er toen

geen flauw idee van gekregen. Op de Zondagschool stond altijd een

gegoten ijzeren negertje, dat met zijn hoofd knikte als we een cent in

zijn busje gooiden, en dan hing er op die Zondagschool een plaat met

zwartjes aan de muur, waarop o. a. een zwart figuurtje neergeknield voor

een blanke meneer. Meer is mij van die Zending niet bijgebleven, dan

alleen nog de naam Soendanezen. Het schijnt, dat toentertijd juist de

zending onder de Soendanezen nog al aan de orde was.

Van het leven der heidenen hoorde ik niets. Slechts galmende klachten

over die arme, verdoolde schapen, die "de Heere Jezus niet kenden",

rolden onze kinderoren en kinderharten binnen. Ik onderstel, dat die

goede zondagschoolmijnheren er zelf niets meer van wisten. En zo bleef

de vrucht van dit werken op ons kindergemoed beperkt tot een vaag

medelijden met de arme heidenen, die "hongerden naar het Evangelie", en

tot de wekelikse zendingscent voor het knikkende negertje.

De bedoeling zal wel goed geweest zijn, maar met grote woorden en

zalvende taal komt men er niet. Ik denk, dat de flauwe en steeds

verflauwende belangstelling bij kinderen en volwassenen, zelfs bij

onderwijzers en predikanten, dan ook voor een groot deel te wijten is

aan de averechtse wijze, waarop door onkundigen die belangstelling

is--en misschien nog wordt--opgewekt en onderhouden.

Hoe komt het, dat wij, jongens, alles van de roodhuiden afwisten?

Omdat we met hen rondzwierven door de wouden, ter jacht en ten oorlog

trokken, om het vuur de vredespijp rookten en in de tent beraadslagingen

hielden; omdat we met hen een wilde oorlogsdans uitvoerden of in

doodse eenzaamheid letten op alle verdachte geluiden in de grootse

geheimzinnige natuur; omdat we, in één woord, met hen meeleefden. Nu

mag dat meeleven weinig te maken hebben gehad met de werkelikheid, en de

phantasie van schrijvers als Cooper en Aimard ons een bedriegelik, een

volkomen verkeerd beeld hebben gegeven, dat doet aan de methode niets

af. Niemand behoefde ons op school of zondagschool voor de Indianen te

winnen. Dat waren onze vrienden, voor wie we vader en moeder zouden

hebben verlaten.

Zeker, er was aan deze Indianen-vriendschap een steekje los,

en misschien wel twee. Te veel verkeerde hartstochten werden in

ons opgeroepen. Onze neiging was veel meer, gans de christelike

beschaving prijs te geven voor die romantiese heerlikheden, dan om die

beklagenswaarde rode broeders te winnen voor het Evangelie en te doen

delen in onze voorrechten. Naar de schatting van ons jongenshart was er

niets zo zalig in de wereld, dan om het zoontje van "den Zwarten Arend"

te wezen. En daarvoor zouden we graag school en zondagschool hebben

opgeofferd, hoe christelik beide ook mochten heten en zelfs voor een

klein deeltje ook waren. Maar, nog eens, dit veroordeelt de methode

niet. En die was: door uitbeelding van het leven dwingen tot medeleven

en aldus belangstelling wekken en kennis aanbrengen.

Ware deze methode bij kleinen en groten ook gevolgd, waar het er om

te doen was, hoofden en harten voor de Zending te winnen, ik maak mij

sterk, dat het succes groter zou zijn geweest. Doch, gelijk ik reeds

opmerkte, het ontbrak de leiders aan zaakkennis en daardoor waren ze

niet in staat, hun luisterende leerlingen in de vreemde wereld te

verplaatsen, tot meelevende belangstellenden te maken en zo in hen de

ware christelike barmhartigheid en reddingsliefde wakker te roepen ten

opzichte van die in hun ellende gekende medeschepselen. Het gevoel, in

ons ontwikkeld, was te hol, te leeg, te loos, en zakte dientengevolge

gauw ineen. De stemming was te veel een zeepbelverschijning, doordat het

voorwerp onzer liefde niet concreet genoeg was. Algemeenheden omtrent

arme negertjes, die "nooit iets van de Heer Jezus" horen, werkten even

weinig uit als algemeenheden omtrent ballingen in Siberië, slaven in

Afrika, armen in onze eigen woonplaatsen, gewonden en gesneuvelden op

't slagveld en andere ellendigen in de "broederschap der mensheid." Het

concrete grijpt ons aan, roert ons gemoed, zet de driften in werking.

Een "Negerhut van Oom Tom" overstemde duizend preken en betogen. Oom Tom

kon men lief krijgen en in hem zijn millioenen natuurgenoten. Zo nu moet

ook door het concrete heidenleven het christenhart worden bewogen tot

helpen.

* * * * *

Er ligt voor onze kinderschrijvers nog een prachtig terrein braak in

de zendingsarbeid te midden der inboorlingen op Celebes, Halmaheira en

andere eilanden van onze Archipel. De blanke man, alleen de wildernis

intrekkende, nu niet met het geweer onder de arm, maar met de liefde in

het hart. Dat kan iets boeiends, leerrijks, en tevens iets verheffends

worden. Die tropiese natuur, de bossen, de bergen, de dieren, de

riviertjes en watervallen, en dan de bewoners in hun hutten, in hun

tuinen, en op hun tochten; de opening der zending, 't verkeer met de

kinderen, straks een school en een ziekenhuisje te midden van deze

wereld--wat een mooi materiaal voor een kinderboek. Het toneel al

even belangwekkend als de spelers. Doch wie zich door deze stof voelt

aangetrokken, zorge voor ernstige voorbereiding, zodat zijn verhaal

niet wat vroom geleuter is, maar een zuiver beeld geve van de in zijn

eenvoud zo aangrijpende werkelikheid. De aard der inboorlingen moet met

ethnografiese trouw worden teruggegeven, de veranderingen in die aard

door het christendom met zielkundige juistheid.

Moeilik? Zeer zeker, zo'n taak is moeilik, vooral wanneer alle kennis

niet met schoolmeesterachtige opdringerij worde meegedeeld, maar

natuurlik verwerkt in het leven der personen. Doch even zeker is hier

een dankbare taak te vervullen, te dankbaarder, omdat men niet alleen

de kinderen, maar ook de volwassenen er een dienst mee bewijst. Want,

al is er voor de leergrage en goedwillende volwassenen reeds heel wat

materiaal voorhanden, dit bevindt zich niet in zulk een vorm, dat

het gemakkelik kan worden gebruikt. Het is niet ieders gave, uit vele

verslagen en mededelingen in tal van losse afleveringen de stof bijeen

te garen, die men behoeft. Gemakkelik kan men ook predikanten hun

onkunde in dezen verwijten, doch waar ook predikanten een zo uitgebreid

lectuur- en studieprogram hebben, als onze tijd schier elke beschaafde

voorlegt, kan men ook van hen moeilik vergen, dat ze uit verspreide

gegevens zich een volledig en juist zendingsbeeld samenstellen.

Daarom--de schrijver, de kunstenaar moet aan het werk. En zolang deze

zich laat wachten, altans de volkenkundige auteur. Een prachtig boekje,

om ons enig inzicht te geven, tal van veroordelen bij ons op te ruimen,

en onze belangstelling te wekken, noemde en roemde ik reeds "Zending

in Ned. Indië" door J. W. Gunning en Dr. H. Adriani. Een andere zeer

lezenswaardige brochure is "Het Ned. Zendelinggenootschap. Wat het doet

en wat het wil." Dit korte geschrift is rijk voorzien van kaartjes

en plaatjes. En wie zich oriënteren wil omtrent de "Hedendaagsche

Zending in Onze Oost" schaffe zich het aldus genoemde boekje aan.

Dit is een "Handboek voor Zendingstudie, samengesteld door den Ned.

Studenten Zendings-Bond". Het beslaat 275 blz., bevat 20 illustraties

met zendingskaart, en is voor f 1.25 geb. in linnen bandje (fr. p. p.

f 1.40) uitsluitend verkrijgbaar bij het Bestuur van den Ned. Stud.

Zend.-Bond, de heer J. W. Gunning J.H.zn., Oude Delft 210, Delft.

(Aanvragen per postwissel ad f 1.40.) Dit handige en keurige boek

bevat geen volkenkundige bizonderheden, maar geeft alle inlichtingen

omtrent de Protestantse Zending in onze Oost en daarbij noemt het tal

van bronnen, waaruit de weetgierige zijn kennisdorst kan lessen. Als

verzamelwerk is dit een uitnemende legger, die telkens geraadpleegd kan

worden en dan, waar hij zelf niet de gewenste inlichtingen verschaft,

toch de weg hiernaar aanwijst.

Niet vergeten mag ook worden, hoe wijlen de heer Nijland, hoofd ener

chr. school te Utrecht, in de voortreffelike handleiding bij zijn platen

over N.-Indië ook een belangrijk hoofdstuk aan de Zending heeft gewijd

bij de plaat van Madjawarna (Modjowarno) in Oost-Java.

En nu willen we ten slotte nagaan, waar en hoe we de Zending in onze

school ter sprake kunnen brengen.

* * * * *

Het best geschiedt dit, dunkt mij, overeenkomstig het idee van de heer

Nijland, bij de aardrijkskunde van onze Oost. Wanneer deze in het zesde

leerjaar aan de orde is en zich niet beperkt tot het aanleren van wat

namen van eilanden, zeeën, straten, plaatsen, rivieren en residentiën,

wanneer ze door platen, lectuur[7] en het levende woord van de

onderwijzer, die eilanden tot begroeide en bevolkte landschappen maakt,

heeft ze daar een kostelike gelegenheid, de Zending niet ééns, maar

herhaalde keren ter sprake te brengen en in haar waar karakter te doen

kennen. En dan knoopt ze, als vanzelf, aan deze arbeid herinneringen

vast aan ons verre verleden, toen de Zending in onze landstreken

dezelfde dienst verrichtte, welke ze nu in de tropiese gewesten vervult.

Zo wordt dan het heden om de evenaar een toelichting bij het verleden in

de gematigde luchtstreken en dankt de Geschiedenis wat verheldering in

haar schemerdonker aan de Aardrijkskunde. Men beweert altijd, dat het

Verleden het Heden moet verklaren. Het komt mij voor, dat er voor het

omgekeerde evenveel, zo niet meer te zeggen is.

[7] B.v. het bizonder mooie boekje over Ned. Indië door J. L.

Hooftman en K. G. Houwen. In het 2e deeltje B., dat van Java en

de Buitenbezittingen vertelt, vinden we bizonderheden over de

Zending op Java en in de Minehassa. Al is het onderwerp moeilik,

toch zou ik bij een herdruk het boekje nog verrijkt willen zien

met een hoofdstuk: "Een zendeling aan de arbeid." Wellicht vinden

de schrijvers hiervoor geschikte stof in het meermalen genoemde

opstel van Dr. Adriani over de arbeid onder de Toradja's in

Midden-Celebes. Door dit opstel heb ik ook een enigszins andere

opvatting van het koppensnellen gekregen, dan de schr. geven bij

de bespreking van de Bataks.

Bij het lezen der treffende bizonderheden in het opstel van Dr. Adriani

werd ik--zonder dat de schrijver daar enige opzettelike aanleiding

toe gaf--telkens en telkens met mijn gedachten naar onze voorouders

verplaatst, de tropiese wouden werden verdrongen door onze noordelike

bossen, de open hutten in het warme klimaat door de besloten ruimten bij

ons, en de donkerkleurige inlanders, de Toradja's, door de blonde,

goudgelokte Germanen. Alleen de zendelingen waren in mijn oog dezelfden,

altans gelijken: vredige, arbeidzame, toewijdingsvolle naturen. In Kruyt

en Adriani herleefden Bonefacius en Winfried, in de tijdgenoot zag ik de

voorganger terug van veertien eeuwen her. En de moeilikheden van tans

deden mij de zwarigheden van toen beter begrijpen. Doch ook de middelen

van tans wierpen een licht op de toen gevolgde wegen.

We zeggen het onze geschiedschrijvers maar trouw na, dat de zendelingen

de heidense gebruiken en feesten aanwendden om er de nieuwe godsdienst

door ingang te doen vinden, en dan kunnen we het denkbeeld niet geheel

onderdrukken, dat hier iets onoprechts in gelegen was, dat er wat slimme

politiek onder school. Voor ons gevoel was het niet: een kloek en

onomwonden planten van het kruis te midden van de talloze afgoderijen,

maar het leiden langs een zoet lijntje naar andere begrippen bij oude

vormen. En bij al onze bewondering voor de zendelingen, was hierin toch

iets, dat ons minder behaagde. Doch lees nu eens wat Dr. Adriani

schrijft over de wijze van vertellen der zendelingen:

"Het is eene gewoonte van Europeanen in Indië en Nederland de

Zendelingen te verwijten, dat zij aan de Inlanders allerlei duistere

dogma's leeren, die hen op geenerlei wijze ontwikkelen, integendeel hun

geheugen met ballast bezwaren. Moeilijk is het deze voorstelling te

bestrijden, omdat men het eenige middel niet of bijna niet kan aanwenden

en dat zou zijn: de menschen te verzoeken zelf eens tegenwoordig te zijn

bij het onderwijs; doorgaans kunnen zij het in het geheel niet volgen en

dus blijven zij maar liever bij hun vooroordeel. Ik wil hiertegen dan

ook geen strijd aanbinden, maar u alleen deze vraag stellen: Indien men

de landstaal gebruikt, is men dan niet gedwongen zich te beperken tot

hetgeen men in die taal kan zeggen? Is het feit dat de Zending zich

bedient van de landstaal niet een bewijs dat zij zich aan banden wil

leggen, dat zij niet wil zeggen, wat men in de landstaal niet kan

zeggen, dat men niet wil doorredeneeren in zijn eigen gedachtenkring,

maar zich bepalen tot dien welke men in de landstaal kan beheerschen?

Men mag toch aan menschen, die zich met veel moeite deze beperking

opleggen, niet verwijten, dat zij geen ernst maken met de praktijk? Het

moge waar zijn, dat het gebruik der landstaal een ruimer veld opent voor

geestelijk verkeer met den Inlander, het is niet minder waar, dat juist

dat gebied er buiten valt, waarop de Europeaan zich het gemakkelijkst

zou bewegen, omdat hij daarop de baas is. Een Europeaan nu, die zijn

taal wil opgeven, maar niet zijn gedachtenkring als hij werkelijk in

geestelijk verkeer met de Inlanders wil komen, beproeft het onmogelijke;

hij zou de Inlandsche taal moeten wringen in een vorm in welke zij geen

Inlandsche taal meer is. En het zijn gewoonlijk de Europeanen, die

meenen het recht te hebben eene Inlandsche taal naar hunne denkwijze in

te richten, die aan de Zending verwijten de Inlanders met duistere

dogma's te kwellen."

In dit verweer tegen het laatstgenoemde verwijt lezen we te gelijk de

verklaring, waarom de huidige en vroegere zendelingen zich steeds moeten

aansluiten bij de gedachtenwereld en dus ook zoveel mogelik bij de

zeden en gebruiken der heidenen: het enige gemeenschapsmiddel, de taal,

verplichtte hen reeds daartoe. Denken we hier wel eens aan bij onze

geschiedenislessen? Dat ook toen de zendelingen onder de Friezen en

Saksen zich van het Fries en het Saksies moesten bedienen? En dat ook

zij daardoor beperkt waren tot hetgeen in die talen verstaanbaar was te

maken?

Het is ontroerend te lezen, hoe langs de draden der taal de zendelingen

langzaam, heel langzaam contact krijgen met de inlanders en hoe ze die

draden zelf moeten spinnen uit de woordvezeltjes, die ze in 't verkeer

met de inlanders opdoen. Van die inlanders zelf moeten ze zo het middel

krijgen om hen te bereiken, te bewerken, te veranderen. Wat kost dit een

tijd, een inspanning, een geduld, een toewijding, een onvermoeidheid,

een geloof! Eerst zijn en voelen de zendelingen zich de leerlingen

van de inlanders, om langs die weg hun leermeesters te worden. En de

inlanders beseffen aanvankelik heel wel hun meerderheid, een meerderheid

op alle gebied van kennen en kunnen. Doch gaandeweg gaan ze hun

minderheid gevoelen, en dan ervaren ze bij intuitie, dat het op hun

innerlik leven is gemunt, dat ze zich moeten verdedigen om te blijven

wie ze waren. Is het, naar alle waarschijnlikheid, ook niet aldus gegaan

in de lage landen bij de Noordzee?

Niet minder ontroerend is het te lezen, hoe de zendelingen door middel

van de school, d. i. dus door de kinderen, een nauwer contact krijgen

met de ouderen. We horen, alweer, in de geschiedenislessen als iets

doodgewoons aan, dat de zendelingen hier scholen stichtten, maar we

hebben er geen aasje idee van, wat dit eigenlik inhield. Scholen

stichten, d. i. de kinderen trekken, de kinderen wennen, de kinderen

winnen, en aldus dichter bij de ouders komen. "Toen", schrijft Dr.

Adriani, "de scholen, na eenige jaren van tobben, goed aan den gang

waren, hadden wij ook het genoegen te merken, dat de kinderen stemming

voor ons maakten. Kwamen wij een dorp in, de kinderen toonden hunne

blijdschap en gaven te kennen dat wij hun welkom waren. Zij maakten

er een gebeurtenis van en de ouders lieten zich vaak aansteken door

de stemming der kinderen. Wetende dat wij hunne kinderen iederen dag

een poos onder onzen invloed hadden, begonnen de ouders te gevoelen

dat zij belangen met ons gemeen hadden en het wel en wee der kinderen

was dikwijls een onderwerp van gesprek tusschen hen en ons." En dan

vertelt Dr. A. verder, hoe de kinderen steeds meer belangstelling

kregen in allerlei wat ze van de zendelingen konden leren, beproefden

eigenaardigheden van hun taal uit te leggen, en zelfs behulpzaam waren

bij het samenstellen van Bijbelse leesboeken.

Natuurlik is alles, wat daar op Celebes geschied is, niet maar een

simpele herhaling van hetgeen bij de invoering van het christendom in

ons land is gebeurd. Doch het hoofdfeit is hetzelfde: de aanraking der

christelike beschaving met een heidense samenleving. En mij dunkt, het

moet ook voor onze schoolkinderen belangwekkend en verhelderend zijn,

als ze bij de bespreking der Zending in Indië nog eens herinnerd worden

aan de Zending in de landen der Duitsers en daarbij in de gelegenheid

worden gesteld, enkele parallellen te trekken.

Te ver mogen we bij dit trekken van parallellen niet gaan. Wie b.v.

zeggen zou, dat die inboorlingen tans aan het begin van hun beschaving

staan evenals wij 18 eeuwen geleden, en dat zij over nog eens 1800 jaar

zullen zijn, wat wij nu zijn--die zegt meer dan hij verantwoorden kan.

Voldoende is het, dat wij enige overeenkomst zien en hiervan gebruik

maken, om het verleden toe te lichten door het heden.

Verspreide Opstellen, II · 第 31 / 55 题