Als kind heb ik genoeg van de Zending gehoord. En toch heb ik er toen
geen flauw idee van gekregen. Op de Zondagschool stond altijd een
gegoten ijzeren negertje, dat met zijn hoofd knikte als we een cent in
zijn busje gooiden, en dan hing er op die Zondagschool een plaat met
zwartjes aan de muur, waarop o. a. een zwart figuurtje neergeknield voor
een blanke meneer. Meer is mij van die Zending niet bijgebleven, dan
alleen nog de naam Soendanezen. Het schijnt, dat toentertijd juist de
zending onder de Soendanezen nog al aan de orde was.
Van het leven der heidenen hoorde ik niets. Slechts galmende klachten
over die arme, verdoolde schapen, die "de Heere Jezus niet kenden",
rolden onze kinderoren en kinderharten binnen. Ik onderstel, dat die
goede zondagschoolmijnheren er zelf niets meer van wisten. En zo bleef
de vrucht van dit werken op ons kindergemoed beperkt tot een vaag
medelijden met de arme heidenen, die "hongerden naar het Evangelie", en
tot de wekelikse zendingscent voor het knikkende negertje.
De bedoeling zal wel goed geweest zijn, maar met grote woorden en
zalvende taal komt men er niet. Ik denk, dat de flauwe en steeds
verflauwende belangstelling bij kinderen en volwassenen, zelfs bij
onderwijzers en predikanten, dan ook voor een groot deel te wijten is
aan de averechtse wijze, waarop door onkundigen die belangstelling
is--en misschien nog wordt--opgewekt en onderhouden.
Hoe komt het, dat wij, jongens, alles van de roodhuiden afwisten?
Omdat we met hen rondzwierven door de wouden, ter jacht en ten oorlog
trokken, om het vuur de vredespijp rookten en in de tent beraadslagingen
hielden; omdat we met hen een wilde oorlogsdans uitvoerden of in
doodse eenzaamheid letten op alle verdachte geluiden in de grootse
geheimzinnige natuur; omdat we, in één woord, met hen meeleefden. Nu
mag dat meeleven weinig te maken hebben gehad met de werkelikheid, en de
phantasie van schrijvers als Cooper en Aimard ons een bedriegelik, een
volkomen verkeerd beeld hebben gegeven, dat doet aan de methode niets
af. Niemand behoefde ons op school of zondagschool voor de Indianen te
winnen. Dat waren onze vrienden, voor wie we vader en moeder zouden
hebben verlaten.
Zeker, er was aan deze Indianen-vriendschap een steekje los,
en misschien wel twee. Te veel verkeerde hartstochten werden in
ons opgeroepen. Onze neiging was veel meer, gans de christelike
beschaving prijs te geven voor die romantiese heerlikheden, dan om die
beklagenswaarde rode broeders te winnen voor het Evangelie en te doen
delen in onze voorrechten. Naar de schatting van ons jongenshart was er
niets zo zalig in de wereld, dan om het zoontje van "den Zwarten Arend"
te wezen. En daarvoor zouden we graag school en zondagschool hebben
opgeofferd, hoe christelik beide ook mochten heten en zelfs voor een
klein deeltje ook waren. Maar, nog eens, dit veroordeelt de methode
niet. En die was: door uitbeelding van het leven dwingen tot medeleven
en aldus belangstelling wekken en kennis aanbrengen.
Ware deze methode bij kleinen en groten ook gevolgd, waar het er om
te doen was, hoofden en harten voor de Zending te winnen, ik maak mij
sterk, dat het succes groter zou zijn geweest. Doch, gelijk ik reeds
opmerkte, het ontbrak de leiders aan zaakkennis en daardoor waren ze
niet in staat, hun luisterende leerlingen in de vreemde wereld te
verplaatsen, tot meelevende belangstellenden te maken en zo in hen de
ware christelike barmhartigheid en reddingsliefde wakker te roepen ten
opzichte van die in hun ellende gekende medeschepselen. Het gevoel, in
ons ontwikkeld, was te hol, te leeg, te loos, en zakte dientengevolge
gauw ineen. De stemming was te veel een zeepbelverschijning, doordat het
voorwerp onzer liefde niet concreet genoeg was. Algemeenheden omtrent
arme negertjes, die "nooit iets van de Heer Jezus" horen, werkten even
weinig uit als algemeenheden omtrent ballingen in Siberië, slaven in
Afrika, armen in onze eigen woonplaatsen, gewonden en gesneuvelden op
't slagveld en andere ellendigen in de "broederschap der mensheid." Het
concrete grijpt ons aan, roert ons gemoed, zet de driften in werking.
Een "Negerhut van Oom Tom" overstemde duizend preken en betogen. Oom Tom
kon men lief krijgen en in hem zijn millioenen natuurgenoten. Zo nu moet
ook door het concrete heidenleven het christenhart worden bewogen tot
helpen.
* * * * *
Er ligt voor onze kinderschrijvers nog een prachtig terrein braak in
de zendingsarbeid te midden der inboorlingen op Celebes, Halmaheira en
andere eilanden van onze Archipel. De blanke man, alleen de wildernis
intrekkende, nu niet met het geweer onder de arm, maar met de liefde in
het hart. Dat kan iets boeiends, leerrijks, en tevens iets verheffends
worden. Die tropiese natuur, de bossen, de bergen, de dieren, de
riviertjes en watervallen, en dan de bewoners in hun hutten, in hun
tuinen, en op hun tochten; de opening der zending, 't verkeer met de
kinderen, straks een school en een ziekenhuisje te midden van deze
wereld--wat een mooi materiaal voor een kinderboek. Het toneel al
even belangwekkend als de spelers. Doch wie zich door deze stof voelt
aangetrokken, zorge voor ernstige voorbereiding, zodat zijn verhaal
niet wat vroom geleuter is, maar een zuiver beeld geve van de in zijn
eenvoud zo aangrijpende werkelikheid. De aard der inboorlingen moet met
ethnografiese trouw worden teruggegeven, de veranderingen in die aard
door het christendom met zielkundige juistheid.
Moeilik? Zeer zeker, zo'n taak is moeilik, vooral wanneer alle kennis
niet met schoolmeesterachtige opdringerij worde meegedeeld, maar
natuurlik verwerkt in het leven der personen. Doch even zeker is hier
een dankbare taak te vervullen, te dankbaarder, omdat men niet alleen
de kinderen, maar ook de volwassenen er een dienst mee bewijst. Want,
al is er voor de leergrage en goedwillende volwassenen reeds heel wat
materiaal voorhanden, dit bevindt zich niet in zulk een vorm, dat
het gemakkelik kan worden gebruikt. Het is niet ieders gave, uit vele
verslagen en mededelingen in tal van losse afleveringen de stof bijeen
te garen, die men behoeft. Gemakkelik kan men ook predikanten hun
onkunde in dezen verwijten, doch waar ook predikanten een zo uitgebreid
lectuur- en studieprogram hebben, als onze tijd schier elke beschaafde
voorlegt, kan men ook van hen moeilik vergen, dat ze uit verspreide
gegevens zich een volledig en juist zendingsbeeld samenstellen.
Daarom--de schrijver, de kunstenaar moet aan het werk. En zolang deze
zich laat wachten, altans de volkenkundige auteur. Een prachtig boekje,
om ons enig inzicht te geven, tal van veroordelen bij ons op te ruimen,
en onze belangstelling te wekken, noemde en roemde ik reeds "Zending
in Ned. Indië" door J. W. Gunning en Dr. H. Adriani. Een andere zeer
lezenswaardige brochure is "Het Ned. Zendelinggenootschap. Wat het doet
en wat het wil." Dit korte geschrift is rijk voorzien van kaartjes
en plaatjes. En wie zich oriënteren wil omtrent de "Hedendaagsche
Zending in Onze Oost" schaffe zich het aldus genoemde boekje aan.
Dit is een "Handboek voor Zendingstudie, samengesteld door den Ned.
Studenten Zendings-Bond". Het beslaat 275 blz., bevat 20 illustraties
met zendingskaart, en is voor f 1.25 geb. in linnen bandje (fr. p. p.
f 1.40) uitsluitend verkrijgbaar bij het Bestuur van den Ned. Stud.
Zend.-Bond, de heer J. W. Gunning J.H.zn., Oude Delft 210, Delft.
(Aanvragen per postwissel ad f 1.40.) Dit handige en keurige boek
bevat geen volkenkundige bizonderheden, maar geeft alle inlichtingen
omtrent de Protestantse Zending in onze Oost en daarbij noemt het tal
van bronnen, waaruit de weetgierige zijn kennisdorst kan lessen. Als
verzamelwerk is dit een uitnemende legger, die telkens geraadpleegd kan
worden en dan, waar hij zelf niet de gewenste inlichtingen verschaft,
toch de weg hiernaar aanwijst.
Niet vergeten mag ook worden, hoe wijlen de heer Nijland, hoofd ener
chr. school te Utrecht, in de voortreffelike handleiding bij zijn platen
over N.-Indië ook een belangrijk hoofdstuk aan de Zending heeft gewijd
bij de plaat van Madjawarna (Modjowarno) in Oost-Java.
En nu willen we ten slotte nagaan, waar en hoe we de Zending in onze
school ter sprake kunnen brengen.
* * * * *
Het best geschiedt dit, dunkt mij, overeenkomstig het idee van de heer
Nijland, bij de aardrijkskunde van onze Oost. Wanneer deze in het zesde
leerjaar aan de orde is en zich niet beperkt tot het aanleren van wat
namen van eilanden, zeeën, straten, plaatsen, rivieren en residentiën,
wanneer ze door platen, lectuur[7] en het levende woord van de
onderwijzer, die eilanden tot begroeide en bevolkte landschappen maakt,
heeft ze daar een kostelike gelegenheid, de Zending niet ééns, maar
herhaalde keren ter sprake te brengen en in haar waar karakter te doen
kennen. En dan knoopt ze, als vanzelf, aan deze arbeid herinneringen
vast aan ons verre verleden, toen de Zending in onze landstreken
dezelfde dienst verrichtte, welke ze nu in de tropiese gewesten vervult.
Zo wordt dan het heden om de evenaar een toelichting bij het verleden in
de gematigde luchtstreken en dankt de Geschiedenis wat verheldering in
haar schemerdonker aan de Aardrijkskunde. Men beweert altijd, dat het
Verleden het Heden moet verklaren. Het komt mij voor, dat er voor het
omgekeerde evenveel, zo niet meer te zeggen is.
[7] B.v. het bizonder mooie boekje over Ned. Indië door J. L.
Hooftman en K. G. Houwen. In het 2e deeltje B., dat van Java en
de Buitenbezittingen vertelt, vinden we bizonderheden over de
Zending op Java en in de Minehassa. Al is het onderwerp moeilik,
toch zou ik bij een herdruk het boekje nog verrijkt willen zien
met een hoofdstuk: "Een zendeling aan de arbeid." Wellicht vinden
de schrijvers hiervoor geschikte stof in het meermalen genoemde
opstel van Dr. Adriani over de arbeid onder de Toradja's in
Midden-Celebes. Door dit opstel heb ik ook een enigszins andere
opvatting van het koppensnellen gekregen, dan de schr. geven bij
de bespreking van de Bataks.
Bij het lezen der treffende bizonderheden in het opstel van Dr. Adriani
werd ik--zonder dat de schrijver daar enige opzettelike aanleiding
toe gaf--telkens en telkens met mijn gedachten naar onze voorouders
verplaatst, de tropiese wouden werden verdrongen door onze noordelike
bossen, de open hutten in het warme klimaat door de besloten ruimten bij
ons, en de donkerkleurige inlanders, de Toradja's, door de blonde,
goudgelokte Germanen. Alleen de zendelingen waren in mijn oog dezelfden,
altans gelijken: vredige, arbeidzame, toewijdingsvolle naturen. In Kruyt
en Adriani herleefden Bonefacius en Winfried, in de tijdgenoot zag ik de
voorganger terug van veertien eeuwen her. En de moeilikheden van tans
deden mij de zwarigheden van toen beter begrijpen. Doch ook de middelen
van tans wierpen een licht op de toen gevolgde wegen.
We zeggen het onze geschiedschrijvers maar trouw na, dat de zendelingen
de heidense gebruiken en feesten aanwendden om er de nieuwe godsdienst
door ingang te doen vinden, en dan kunnen we het denkbeeld niet geheel
onderdrukken, dat hier iets onoprechts in gelegen was, dat er wat slimme
politiek onder school. Voor ons gevoel was het niet: een kloek en
onomwonden planten van het kruis te midden van de talloze afgoderijen,
maar het leiden langs een zoet lijntje naar andere begrippen bij oude
vormen. En bij al onze bewondering voor de zendelingen, was hierin toch
iets, dat ons minder behaagde. Doch lees nu eens wat Dr. Adriani
schrijft over de wijze van vertellen der zendelingen:
"Het is eene gewoonte van Europeanen in Indië en Nederland de
Zendelingen te verwijten, dat zij aan de Inlanders allerlei duistere
dogma's leeren, die hen op geenerlei wijze ontwikkelen, integendeel hun
geheugen met ballast bezwaren. Moeilijk is het deze voorstelling te
bestrijden, omdat men het eenige middel niet of bijna niet kan aanwenden
en dat zou zijn: de menschen te verzoeken zelf eens tegenwoordig te zijn
bij het onderwijs; doorgaans kunnen zij het in het geheel niet volgen en
dus blijven zij maar liever bij hun vooroordeel. Ik wil hiertegen dan
ook geen strijd aanbinden, maar u alleen deze vraag stellen: Indien men
de landstaal gebruikt, is men dan niet gedwongen zich te beperken tot
hetgeen men in die taal kan zeggen? Is het feit dat de Zending zich
bedient van de landstaal niet een bewijs dat zij zich aan banden wil
leggen, dat zij niet wil zeggen, wat men in de landstaal niet kan
zeggen, dat men niet wil doorredeneeren in zijn eigen gedachtenkring,
maar zich bepalen tot dien welke men in de landstaal kan beheerschen?
Men mag toch aan menschen, die zich met veel moeite deze beperking
opleggen, niet verwijten, dat zij geen ernst maken met de praktijk? Het
moge waar zijn, dat het gebruik der landstaal een ruimer veld opent voor
geestelijk verkeer met den Inlander, het is niet minder waar, dat juist
dat gebied er buiten valt, waarop de Europeaan zich het gemakkelijkst
zou bewegen, omdat hij daarop de baas is. Een Europeaan nu, die zijn
taal wil opgeven, maar niet zijn gedachtenkring als hij werkelijk in
geestelijk verkeer met de Inlanders wil komen, beproeft het onmogelijke;
hij zou de Inlandsche taal moeten wringen in een vorm in welke zij geen
Inlandsche taal meer is. En het zijn gewoonlijk de Europeanen, die
meenen het recht te hebben eene Inlandsche taal naar hunne denkwijze in
te richten, die aan de Zending verwijten de Inlanders met duistere
dogma's te kwellen."
In dit verweer tegen het laatstgenoemde verwijt lezen we te gelijk de
verklaring, waarom de huidige en vroegere zendelingen zich steeds moeten
aansluiten bij de gedachtenwereld en dus ook zoveel mogelik bij de
zeden en gebruiken der heidenen: het enige gemeenschapsmiddel, de taal,
verplichtte hen reeds daartoe. Denken we hier wel eens aan bij onze
geschiedenislessen? Dat ook toen de zendelingen onder de Friezen en
Saksen zich van het Fries en het Saksies moesten bedienen? En dat ook
zij daardoor beperkt waren tot hetgeen in die talen verstaanbaar was te
maken?
Het is ontroerend te lezen, hoe langs de draden der taal de zendelingen
langzaam, heel langzaam contact krijgen met de inlanders en hoe ze die
draden zelf moeten spinnen uit de woordvezeltjes, die ze in 't verkeer
met de inlanders opdoen. Van die inlanders zelf moeten ze zo het middel
krijgen om hen te bereiken, te bewerken, te veranderen. Wat kost dit een
tijd, een inspanning, een geduld, een toewijding, een onvermoeidheid,
een geloof! Eerst zijn en voelen de zendelingen zich de leerlingen
van de inlanders, om langs die weg hun leermeesters te worden. En de
inlanders beseffen aanvankelik heel wel hun meerderheid, een meerderheid
op alle gebied van kennen en kunnen. Doch gaandeweg gaan ze hun
minderheid gevoelen, en dan ervaren ze bij intuitie, dat het op hun
innerlik leven is gemunt, dat ze zich moeten verdedigen om te blijven
wie ze waren. Is het, naar alle waarschijnlikheid, ook niet aldus gegaan
in de lage landen bij de Noordzee?
Niet minder ontroerend is het te lezen, hoe de zendelingen door middel
van de school, d. i. dus door de kinderen, een nauwer contact krijgen
met de ouderen. We horen, alweer, in de geschiedenislessen als iets
doodgewoons aan, dat de zendelingen hier scholen stichtten, maar we
hebben er geen aasje idee van, wat dit eigenlik inhield. Scholen
stichten, d. i. de kinderen trekken, de kinderen wennen, de kinderen
winnen, en aldus dichter bij de ouders komen. "Toen", schrijft Dr.
Adriani, "de scholen, na eenige jaren van tobben, goed aan den gang
waren, hadden wij ook het genoegen te merken, dat de kinderen stemming
voor ons maakten. Kwamen wij een dorp in, de kinderen toonden hunne
blijdschap en gaven te kennen dat wij hun welkom waren. Zij maakten
er een gebeurtenis van en de ouders lieten zich vaak aansteken door
de stemming der kinderen. Wetende dat wij hunne kinderen iederen dag
een poos onder onzen invloed hadden, begonnen de ouders te gevoelen
dat zij belangen met ons gemeen hadden en het wel en wee der kinderen
was dikwijls een onderwerp van gesprek tusschen hen en ons." En dan
vertelt Dr. A. verder, hoe de kinderen steeds meer belangstelling
kregen in allerlei wat ze van de zendelingen konden leren, beproefden
eigenaardigheden van hun taal uit te leggen, en zelfs behulpzaam waren
bij het samenstellen van Bijbelse leesboeken.
Natuurlik is alles, wat daar op Celebes geschied is, niet maar een
simpele herhaling van hetgeen bij de invoering van het christendom in
ons land is gebeurd. Doch het hoofdfeit is hetzelfde: de aanraking der
christelike beschaving met een heidense samenleving. En mij dunkt, het
moet ook voor onze schoolkinderen belangwekkend en verhelderend zijn,
als ze bij de bespreking der Zending in Indië nog eens herinnerd worden
aan de Zending in de landen der Duitsers en daarbij in de gelegenheid
worden gesteld, enkele parallellen te trekken.
Te ver mogen we bij dit trekken van parallellen niet gaan. Wie b.v.
zeggen zou, dat die inboorlingen tans aan het begin van hun beschaving
staan evenals wij 18 eeuwen geleden, en dat zij over nog eens 1800 jaar
zullen zijn, wat wij nu zijn--die zegt meer dan hij verantwoorden kan.
Voldoende is het, dat wij enige overeenkomst zien en hiervan gebruik
maken, om het verleden toe te lichten door het heden.