Wat heeft nu de School met de Zending te maken, en dan nog wel de
Openbare School? Hierover zullen we het toch wel eens zijn, dat de
Zending in de Openbare School niet thuis hoort. Zij zou daar de Joden,
de Ongelovigen ergernis geven en dus de neutraliteit schenden. Wie de
Zending op het leerprogramma brengt der Algemene Volksschool, begaat
daarmee wetsschennis.
Zou het? Dan zijn wij allen schenners der wet en schenders
der neutraliteit, en dan moeten al onze geschiedenisboekjes
veroordeeld worden. Want wij allen bespreken de Zending bij ons
Geschiedenisonderwijs en alle geschiedenisboekjes handelen er over.
Echter----'t is de Zending _naar ons toe_ en niet de Zending _van ons
uit_.
Is de laatste echter iets anders dan de eerste?
Alle kindertjes van alle openbare scholen horen, zo ongeveer op hun
negende of tiende jaar, dat onze voorvaderen heidenen waren, dat ze
voor stenen beelden knielden, dat ze aan afgoden offerden, en dat er
toen zendelingen in ons land kwamen, die er het christendom predikten.
Ook wat de gevolgen daarvan waren. Dat enkele van die zendelingen
wreedaardig vermoord werden. Maar dat er ook kerken werden gesticht
en kloosters en scholen. En dat door de monniken de landbouw en de
tuinbouw veel verbeterd werden, en de ziekenverpleging, en verschillende
bedrijven. Dat door diezelfde monniken kunsten en wetenschappen werden
beoefend en hierdoor het volk ook geestelik ontwikkeld. Dat eindelik
door die volgelingen van Christus de jeugd werd onderwezen, niet alleen
in lezen en schrijven, maar ook in de christelike leer en zeden,
zodat de bewoners van ons land stoffelike, verstandelike en zedelike
verheffing aan de invoering van het christendom, dus aan de Zending,
te danken hadden. Zonder Zending geen School. Dus ook ònze school heeft
haar bestaan oorspronkelik aan die Zending te danken. Zou zij er nu over
moeten zwijgen? Neen, terecht verhaalt zij er van en met dankbaarheid.
Maar die Zending heeft niet stil gestaan. Toen ze hier in de Noordelike
landen het Christendom had gebracht en verbreid, was haar taak niet
afgelopen. "Predikt het Evangelie aan alle creaturen", had Jezus gezegd.
En terwijl ze hier nog steeds voortgaat, eeuw in eeuw uit, in de
christenwereld christenen te maken, arbeidt ze nu ook in alle oorden der
aarde, onder roden en gelen en bruinen en zwarten, om er de zegeningen
van het christendom te brengen. Van _deze_ Zending wordt op de school
echter gezwegen, althans op de openbare school. Waarom? Ik denk, dat
men zich hiervan nooit rekenschap heeft gegeven, maar dat het niet
om beginselredenen geschiedt. Ik vermoed, dat dit zwijgen samenhangt
met de aard van ons Aardrijkskundig onderwijs, dat veel meer aandacht
geschonken heeft en nog schenkt aan de examineerbare kaartkennis en de
natuurkundige verschijnselen in land en zee en dampkring, dan aan de
mensen en hun leven. Volkenkunde--de echte, die de mensen ziet werken
voor hun spijs en drank, ziet bouwen aan hun woning, ziet leven met hun
stam- en gezinsgenoten, ziet jagen en strijden, ziet bidden en offeren
en toveren, ziet dobbelen en drinken; Volkenkunde--de echte, die de
mens schildert in zijn velerlei betrekking tot de natuur, de medemens,
de godheden,--deze Volkenkunde is nog bij lange na geen gemeen goed
bij ons Aardrijkskundig onderwijs op de lagere, en zelfs niet op
de middelbare en de hogere scholen. En nu komt het mij voor, dat dit
staatkundig-natuurkundig karakter van ons Aardrijkskundig onderwijs er
schuld aan heeft, dat, met het volksleven, ook over de Zending gezwegen
wordt. Wie de heidenlanden volkenkundig behandelt, móét wel over de
Zending spreken, ware 't alleen omdat heel veel van onze kennis dier
streken en volken, naast de reizigers, ook aan de zendelingen te danken
is. Men kan wel bijna zeggen: geen reiziger, die zo intiem met de
inboorlingen meeleeft als de zendeling, geen dus ook, die zo bekend is
met de uiterlikheden van dat leven en met de volksziel, die achter deze
uiterlikheden verborgen is en zich er door openbaart. Zodat, gelijk
de Zending ons heel wat Volkenkunde heeft aangebracht, deze ons ook
natuurlikerwijze met de Zending in aanraking brengt. Doch, al ware het
niet door dit verband, dan nog is het plicht van ons, en voor de school,
kennis te nemen ook van de hedendaagse arbeid der Zending om de hoogst
belangrijke taak, welke zij in cultuurhistories opzicht verricht.
* * * * *
In het lijvige en rijk geïllustreerde boek[6], dat de heer T. J. Bezemer
ons via de firma J. B. Wolters over Oost-Indië heeft gegeven, verwijst
de schrijver ons voor zijn bron over Midden-Celebes naar de opstellen
van de zendeling Alb. C. Kruyt, geplaatst in de Mededeelingen van het
Nederlandsch Zendelinggenootschap. De heer Kruyt heeft dan ook niet
alleen als zendeling, maar ook als kenner van de Toradja's, de
koppensnellers van Midden-Celebes, een welgevestigde naam. Hij is
een der velen, wier nuchter-ideale arbeid tot uitbreiding van het
christendom, door zijn rijkdom van feitenkennis de wetenschap der
volkenkunde ten goede is gekomen en wiens streven reeds daarom de
belangstelling en steun der "neutrale" wetenschap verdient. Doch al
ware dit niet zo, dan nog zou het werk der Zending--zo zei ik--ook de
bijstand van "neutraal" Nederland verdienen, om zijn hoge waarde voor de
vorming der inboorlingen.
[6] Door Nederlandsch Oost-Indië. Schetsen van land en volk, bewerkt
door T. J. Bezemer. Met een inleiding van J. F. Niermeyer, en
ongeveer 300 illustraties en kaarten. Groningen, J. B. Wolters,
1906. Prijs, geb. f 7.50.
Wij, onwetende napraters, hebben in de regel zo'n totaal verkeerd
idee van de Zending. We denken, als we heel welwillend zijn, aan wat
goedaardige, ietwat dweepzieke naturen, die daar te midden van de
heidenwereld staan te preken, de christelike leer te verkondigen, zo
ongeveer als dat bij ons de straatpredikers doen. We zien voor ons
geestesoog een blanke man, omringd door zwarte inboorlingen, en hen de
weg der zaligheid wijzend, vol geloof aan wonderbare bekeringen. En
dan vinden we dat van die mannen heel edelaardig, maar toch ook wat
onnozel. Wellicht hebben de verdichte verhalen en illustraties uit
onze vaderlandse geschiedenisboekjes schuld aan deze voorstellingen.
En spotternijen als van Multatuli, die onze Nederlandse vrouwen in
devote stemming _winter_sokjes liet breien voor arme (en _warme_!)
negerkinderen, zullen aan een zuivere voorstelling van de zaak ook geen
goed hebben gedaan. Doch, door welke oorzaken ook, een feit is het, dat
in het onkerkelik Nederland een volkomen foutieve voorstelling heerst
van de Zendingsarbeid en dat er mede daardoor alle belangstelling voor
ontbreekt.
Laat die heidenen maar gelukkig zijn in hun natuurstaat, zeggen we met
goedhartige onkunde, ze hebben genoeg aan hun vruchten, hun velden, hun
hutten, hun heerlike natuur en hun eenvoudige zeden, wat wilt ge die
mensen nu meer geven, dan ge ze ontneemt? In plaats van hun idyllies
leventje brengt gij ze een beschaving van kruit en jenever. Laat hen met
rust. En indien ge met alle geweld hun kennis wilt vermeerderen, hun
zeden verzachten, randt dan toch in elk geval hun godsdienst niet aan.
Vrijheid van godsdienst, vrijheid van geweten, is een van de schoonste
vruchten der nieuwere tijden, waarvoor we Willem de Zwijger en zijn
medestrijders nog tans dankbaar zijn, laten we dat kostbaar bezit der
latere eeuwen in eere houden ook in de heidenwereld, en die mensen de
vrijheid gunnen hun god of goden te dienen op hun wijze.
Al dit gepraat lijkt heel mooi en verstandig. Er is slechts één gebrek
bij, dat het n.l. geheel buiten de werkelikheid omgaat. De voorstelling
van de Zending deugt niet, en dat liefelike leventje van eenvoudige
wilden, vreedzaam en vergenoegd levende te midden eener rijke en
stemmende natuur, is even onwaar als de roman van Paul en Virginie.
Indien er hier geleuterd en gefantaseerd wordt, het is niet door de
zendelingen, die met een warm hart en een koel hoofd arbeiden op het
terrein zelf, maar wel door hun ondeskundige bespotters en bestrijders.
En wie hiervan overtuigd wil worden, leze eens de zeer zaakrijke en
heldere opstellen van Ds. J. W. Gunning (De beteekenis der Christelijke
Zending voor onze Koloniën) en van Dr. N. Adriani (De Zending in
Midden-Celebes.) Deze artikelen, oorspronkelik verschenen in de
Tijdspiegel van Nov. 1908 en Onze Eeuw van Sept. 1908, en nu in één
bundeltje verenigd, kunnen elk oprecht belangstellende een zuiver beeld
geven èn van de heidenwereld èn van het werk der Zending. Men zal er o.
a. uit leren, dat neutraliteit bij de aanraking met die wereld eenvoudig
onzin is, daar iedere gebeurtenis, reeds de eenvoudige vestiging van
een vreemdeling, het bouwen van een huis of het aanleggen van een weg,
onmiddellik ingrijpt in de godsdienst dezer voorouder-vereerders, waar
elke nieuwigheid de wraak der voorouders over de hoofden van hun
nageslacht roept. En ook, dat niet-invoering van het christendom
uitloopt op uitbreiding van het Mohammedanisme met zijn veelwijverij,
dus in geen geval op het handhaven van een ideale natuurstaat--die niets
ideaals heeft.
Gaarne zou ik ter bewijsvoering van het hier gezegde hele bladzijden
overschrijven, maar dat gaat niet. Laat ik volstaan met de toelichting
bij die ideaal-natuurstaat, dat er nog de godsoordelen in volle
werkelikheid heersen. "Het doel van het godsoordeel is," schrijft
Dr. Adriani, "eene zaak door de goden te laten uitmaken. Laat men dit
geschieden, doordat elk der partijen iemand aanwijst die voor hen eene
lans in den grond zal steken, waarbij hij die het diepst steekt de zaak
voor zijne partij heeft gewonnen, dan wordt vooraf, met een klein offer
de Aarde opgeroepen, om de zaak te beslechten. Duikt men om het langst,
dan zijn het de watergoden die de zaak uitmaken. Maar het allermeest
laat men de beklaagde een vinger in de kokende hars steken; vertoont die
vinger na eenigen tijd blaren of wonden, dan is het bewijs der schuld
geleverd. Men begrijpt dat maar zelden iemand aan dit godsoordeel
ontkomt en het is zeker ook wel daarom zooveel meer gebruikelijk dan de
andere, bij welke de kans te worden vrijgesproken gelijk staat met die
van veroordeeld te worden. Men wil degenen die van hekserij worden
verdacht met alle geweld ter dood veroordeeld hebben en geeft hun dus
niet de kans daaraan te ontkomen. Geschiedt het een enkelen keer toch,
dat iemand door dit godsgericht als onschuldig wordt aangewezen, dan
vervallen zijn aanklagers in eene boete. Het doodvonnis wordt niet door
den stam voltrokken. Men wil zijne eigene familie niet dooden en noodigt
daarom een anderen stam uit, het vonnis te komen voltrekken. Het is niet
moeilijk voor zoo iets liefhebbers te vinden. Vooreerst waren er altijd
zwervende benden van den stam Napoe in de buurt, die steeds bereid waren
een doodvonnis te voltrekken, omdat daarop als belooning voor hen stond
den schedel in een hunner godshuizen te brengen, te wijden en op te
hangen. Zoozeer was het medebrengen gewenscht van een schedel, d. w. z.
van een stuk menschenlichaam en dus van een stuk levenskracht, waardoor
genezing aan de zieken, lang leven en gezondheid aan de gezonden werd
gebracht en die tevens een bewijs was van de dapperheid dergenen die den
schedel medebrachten, dat het voor elken troep Napoeërs schande was naar
hun land terug te keeren zonder althans één schedel mede te brengen.
Doordat het slachtoffer niet tot de familie behoorde, behoefde men het
niet te sparen. En voor elk der deelnemers was het zaak, door althans
één houw op het lichaam van den veroordeelde te geven, deel te hebben
aan de terechtstelling. Het gevolg was, dat de executie neerkwam op
een langzaam doodmartelen, wel niet uit wreedheid uitgevoerd, doch
ook niet uit barmhartigheid nagelaten. En dat deze terechtstellingen
demoraliseerend werken moesten, kan wel vooral hieruit blijken, dat men
met opzet jonge knapen daaraan liet deelnemen, om hun den natuurlijken
tegenzin tegen bloedvergieten te doen overwinnen en hen zoodoende dapper
te maken."
Tot zo ver de schrijver, doctor in de taal- en letterkunde van den O.-I.
Archipel. Men zal toestemmen, dat dit staaltje van rechtspleging niet
getuigt van idylliese verhoudingen. En nu is het wel waar, dat er ook in
onze christelike, beschaafde maatschappij nog velerlei ongerechtigheid
en wreedheid gevonden wordt, maar het is toch een groot verschil, of
zulk kwaad er is _krachtens_ de godsdienst, zoals daarginds, of
_ondanks_ de godsdienst, zoals hier. Aan het christendom--ik zeg niet
aan "een" christelike "leer"--heeft onze samenleving onnoemelik veel
goeds te danken, ook de heidenwereld zal er door stijgen, en alleen
reeds hierom verdient de Zending de zedelike en geldelike steun ook der
"ongelovigen", wie het te doen is om uitbreiding van, laten we alleen
maar zeggen, de menselikheid op aarde.
Men hoeft er geen ogenblik aan te twijfelen, of die wrede gebruiken
gevolgen zijn van de godsdienst der inboorlingen. Hieromtrent worden
we èn door Ds. Gunning en door Dr. Adriani afdoende ingelicht. Ook
het koppensnellen is geheel en al uitvloeisel van de godsdienstige
opvattingen. Een strijd tegen ruwheid en wreedheid van zeden móét dus
een strijd tegen de godsdienst zijn. Zonder het christendom komt men
er niet. En dat mag gerust uitgesproken worden ook in de school. De
kinderen mogen weten, dat wij, die door het christendom zijn opgetrokken
uit de onkunde en wanzeden der heidenwereld, met ditzelfde christendom
hebben te arbeiden in de heidenwereld van nu. En dat kunnen we hun best
aan 't verstand brengen, mits we eerst zelf voldoende op de hoogte zijn.
De onwetendheid omtrent dit onderwerp is echter groot, en niet alleen in
de schoolwereld, ook zelfs in de kerk. In de Theologische Revue van 20
Sept. j.l. schrijft Ds. C. N. Scharten uit Doesburg: "de predikanten
en evangelisten weten zelve vaak zoo bitter weinig van de Zending. Het
wordt in den laatsten tijd wel iets beter, maar waarlijk het ziet er met
onze zendingskennis vaak nog treurig uit. Wij hebben allereerst zelf te
zorgen, dat wij er wat van af weten."
Waar een predikant zo iets getuigt, behoeft het schuldgevoel van de
onderwijzers nog niet zo groot te zijn. Maar toch, ook door ons is een
plicht verzuimd.