II.

Het geluk is slechts een stemming.

Doch is dit een voordeel?

Een stemming....

Ware het liever goud of rang of kunst of kracht, dan konden we, met een

vast doel voor oogen, het wellicht door volhardende inspanning

veroveren. En als we het dan eenmaal hadden, dan hádden we het ook.

Of, nog beter, ware het kennis!

Dat zou inderdaad het beste zijn. Want kennis kan immers iedereen

verwerven?....

Hoe zullen we in vredesnaam ons een stemming verzekeren!

Zij mag dan zoo eenvoudig, zoo overal en altijd beschikbaar en

bereikbaar wezen, hoe krijgen we ze, hoe onderwerpen we haar ons, hoe

verzamelen we haar in een accumulator?

Zij is niet aan gezondheid, rijkdom, eer gebonden. Maar waaraan dan wel?

Ze is ook niet aan ziekte, armoede, schande verknocht, anders konden

we, als de vroegere monniken en bonzen en derwischen, ons lichaam

verwaarloozen, zelfs kerven, de woestijn in trekken en de bespotting der

wereld winnen.

Ze stoort zich niet aan kennis. Zelfs niet aan deugd.

Dat laatste is wel het droevigste, het bitterste, wat er is: Het

geluk stoort zich niet aan deugd. We zijn hulpvaardig, inschikkelijk,

waarheidlievend, eerlijk tot op een penning--en toch niet gelukkig? En

daar zijn anderen: zelfzuchtig, hardvochtig, leugenachtig, oneerlijk--en

toch wel gelukkig?

Doet het er dan niets, niets aan toe, wat we zijn of hoe we zijn, wat we

doen of hoe we dat doen?

Loopt er dan nergens een grenslijn door de physieke, de oeconomische, de

sociale, de geestelijke, de zedelijke wereld, zoodat we met zekerheid

kunnen zeggen: Aan deze zijde waait onafgebroken de zoele wind van het

geluk? Hier, waar de palmen en olijven wassen, daar stijgen ook de

wierookgeuren der geluksstemming?

Wanneer er nu eens een mensch was, gezond, sterk, welvarend,

hooggeplaatst, veelwetend, verstandig, wijs, braaf--zou hij gelukkig

zijn? Zou het geluk 't product zijn van al die factoren? Of zou er één,

één heel geringe invloed kunnen werken, die dit productsgeluk tot in 't

hart vergiftigde?

* * * * *

Er schijnt een grenslijn te zijn, maar die volgt niet de punten, door

ons aangegeven. Ze loopt door den leeftijd, en scheidt kinderen van

ouderen.

Kinderen ziende, in hun vrijen, niet door volwassenen beroerden staat,

moeten we wel onder den indruk komen: Wat zijn zij gelukkig!

Een arm schooiertje, nauwelijks vijf jaar, drentelt in zijn havelooze

plunje door de straat. Het motregent. Een dame, achter de ruiten,

beklaagt het arme kind. Hij hoort dit gelukkig niet en zingt: Weg met de

Sociale, leve Willemien, de handen in den zak, den mond wijd open. Van

Sociale weet hij niet, van Willemien evenmin. Maar er zingt iets in hem

en dat pakt de klanken die toevallig in de lucht zweven.

Twee kleine meisjes, vierjarigen, loopen op het trottoir. Ze steken de

straat over, kleine scheepjes, drijvend in de menschenzee. Eensklaps

rolt, onvoorzien, een zwaarbeladen kar vlak bij hen. Nu komen ze op een

meneer af, een wildvreemde, en geven hem een handje. Vol vertrouwen.

Doch pas is 't gevaar geweken, of ze laten den meneer weer los en

vervolgen hun tocht. Zonder bedanken. Ze zeggen niet eens: Dag Meneer!

Ze reizen onbekommerd door 's levens moeilijkheden en grijpen de hulp

aan van 't oogenblik.

Een familie is met één slag van schatrijk straatarm geworden. De ouders

zijn der wanhoop nabij, de dochters zitten gebroken, met roodbeschreide

oogen. Het groote landgoed met villa, koetshuis, personeel--alles weg.

Er komen gedachten aan zelfmoord. Alleen de zevenjarige Henri voelt er

niets van, en speelt op zijn fluit. "Maar Henri, hoe kun je fluiten, je

weet toch dat we nu arm zijn," zegt een zuster, zacht-verwijtend. "Mag

een arm jongetje dan niet fluiten?" vraagt Henri.

Een meisje van vijf jaar zoekt kiezelsteentjes in den tuin, platte.

Dat zijn guldens, en daar koopt ze allerlei dingen voor, ginds in den

winkel van den kastanjeboom. Ze koopt zich rijk met niets. Dan toovert

ze, van haar guldens, kinderen die naar school gaan, en de school is

daar in dien hoek, op het plaatsje achter 't huis.

Zou er op de geheele wereld iemand met zijn edelsteenen goedkooper,

volkomener, veiliger gelukkig zijn dan dit kind met haar

kiezelsteentjes? Is er één opera-zanger ter wereld, die onbezorgder

geniet dan dit zingende schooiertje? Gaan er ooit meisjes in dreigend

gevaar--vertrouwenvoller naar vreemde meneeren? En waar is een wonderer

tooverfluit, dan die in de vingers van den rijken armen Henri?

Nergens bloeit het geluk, de zuivere stemming, zoo rijk, zoo natuurlijk,

zoo onafgebroken als in de kinderwereld. Hildebrand heeft verhaald van

kinderrampen, maar waren die niet hoofdzakelijk uit de wereld der

volwassenen geimporteerd?

Wie gelukkig wil zijn, blijve een kind. Dan zingt hij zijn vreugde uit

in den motregen, vertrouwt op de hulp van het moment, werkt zich niet

ziek voor diamanten en hecht meer aan de fluit, die hem trouw blijft,

dan aan 't landgoed, dat zich verspeculeeren laat.

Indien gij niet wordt gelijk deze kleinen, gij zult het koninkrijk der

hemelen geenszins binnengaan.

* * * * *

Een kind blijven, opnieuw een kind worden, is dat mogelijk?

Blijven--dat wordt den kinderen moeilijk genoeg gemaakt, door Ooms,

Tantes, Grootouders, door hun eigen Ouders, door het heirleger van

volwassenen. Dezen--men rekent ze soms tot de opvoeders--roepen door

geschenken de hebzucht, door sieraden de ijdelheid, door lof de

eerzucht, door vleierij de jaloezie wakker. Het kind is niet gelukkig,

als het niet een schat van speelgoed, mooie kleeren en de bioscoop

heeft. Men wekt begeerten, maakt ontevredenen.

Opnieuw een kind worden--dan moeten we ons onttrekken aan de zuiging

der wereld, die ons hardnekkig voeren wil in haar sfeer van kostbare

en rustroovende zotheden. Wij moeten durven zingen, zonder te letten

op haar critiek; durven genieten van de weiden, de boomen, de wolken,

de sterren, de vogels, gelijk het kind van zijn steentjes; de

vredestemming van een eenvoudig genot hooger schatten dan de zorg van

een omvangrijk bezit; en ons durven loslaten in 's levens zee, onder

alle omstandigheden vertrouwende op een Macht, die wij bij de hand

kunnen vatten.

Zullen we dan verzekerd zijn van altijd-durend geluk?

Licht komt alleen uit tegen duister. Geen geluksstemming zonder ervaring

der smart. Deze laatste zal ons niet bespaard blijven. Maar het is

droevig te zien, hoeveel menschen de zuivere stemming verjagen, die

ze wilden verwerven, gelukzoekers in het land van zorg, schijn en

slavernij, waar 't geluk niet te vinden is.

Verspreide Opstellen, II · 第 23 / 55 题