I.

Het geluk is een stemming.

Dat is dus iets heel ijls.

Je kunt het niet pakken, niet vasthouden, niet vóór je zetten, niet bij

je steken, niet opsluiten.

Het is als het aroma van een bloem.

Maar dan eigenlijk nog precies het tegenovergestelde.

Want de bloemengeur is iets zwevends, we kunnen hem opvangen,

verdichten, vloeibaar maken, meedragen, er ons mee verkwikken wanneer we

willen.

Doch het geluk is niets, absoluut niets. Men kan niet zeggen: het

is minder dan het denkbaar kleinste stofdeeltje, want dan zou het,

bij toeneming, bij vermenigvuldiging, misschien nog éénmaal op te

vangen zijn, op de fijnste punt van de fijnste naald. Maar het is

met geen stofdeeltje te vergelijken, het is met niets in de wereld te

vergelijken, het bestaat niet in de wereld. Zelfs niet in het heelal.

't Is dan ook onzin te spreken van het ijle geluk. IJlheid en dichtheid

komen alleen te pas in de wereld der stof. Wat ijl is moet onder

omstandigheden ook dicht kunnen worden. En zoo moeten we dus onze

uitspraak, dat het geluk iets heel ijls is, weer intrekken. Het is iets

volmaakt anders. Het is--dat is het meest juiste wat we er van kunnen

zeggen--het is niets.

En toch is het zoo werkelijk als dit blad papier, zoo reëel als een

tafel. We nemen het zoo zeker waar, als dien stoel, als dien schreeuw,

als dien geur. We zien het niet, hooren het niet, ruiken het niet. Maar

het is er, en zóó stellig, dat we soms den stoel niet zien, den schreeuw

niet hooren, den geur niet ruiken, omdat we alléén oogen en ooren hebben

voor het geluk. Ja, àl het bestaande, àl het omringende verdwijnt dan

voor het geluk, dat eigenlijk "niets" is, maar dan alléén bestaat, en

het zoogenaamd werkelijk bestaande wordt niets.

Het is dus dwaasheid te spreken van kleiner dan een stofdeeltje. Het

geluk is reusachtig groot. Het neemt den omvang aan van kamers, van

huizen, van straten, van pleinen, van wouden, van wolken, van het

luchtruim. Het vult een hoekje van een eenzaam hutje en het gansche

heelal. Wáár we dan liggen of wandelen of zweven, overal ontmoeten we

het.

Als het zoo werkelijk en zoo groot is, kunnen we het ons toch wel

toeëigenen? Dat beproeven de menschen dan ook, honderden en duizenden en

millioenen. Misschien wel allen. Dan gieten ze het in een glas en noemen

het drank. Dan tellen ze het uit in een kist en noemen het geld. Dan

vlechten ze het tot een krans en noemen het roem. Maar als ze dan het

glas ledigen, was 't geluk er juist uit verdwenen. En als ze 't geld in

de hand houden, voelen ze 't geluk niet meer. En als de krans hun hoofd

siert, drukt hij met zorg, angst, wangunst, omdat het geluk, nog net

tijdig, aan de lauwerbladeren ontsnapt was.

Het is een wonderlijke verschijning, dat onwerkelijke en toch zoo

waarachtig werkelijke, dat ongrijpbare en toch alom aanwezige, dat

eeuwig gezochte en eeuwig ontvluchtende.

* * * * *

Wat is het een zegen, dat het geluk maar een stemming is.

Ware het een goudklomp, dan zouden we er om moeten strijden en ten

slotte zouden alleen de sterken het in hun bezit hebben.

Ware het een hooge rang, dan was het nooit voor een laaggeborene en

eenvoudig aangelegde beschikbaar.

Ware het een kunstwerk, dan konden alleen de artisten er naar streven.

Maar het is zoo iets vaags en algemeens als de dampkringslucht. Je hapt

maar en je hebt het. Of je zwak bent of sterk, arm of rijk, simpel of

wijs, alledaagsch of begaafd, je hapt maar. Keizer of landlooper, het

geluk is bij ieder en voor ieder, zooals het water om de visschen.

Doch zóó is het toch niet precies.

't Is niet _om_ ons, maar _in_ ons. En het trekt er niet van buiten in,

maar moet van binnen uit ontwikkeld worden. Bloemen ademen geuren uit.

Zoo ontvloeit als een opwekkend aroma aan ons innerlijk leven de

geluksstemming.

Nu is het de moeite van 't opmerken waard, hoe dat innerlijk proces

onafhankelijk kan werken van allerlei buitenafsche invloeden, hoe

deze zelfs vaak ontbindend en bedervend invreten in dien teeren,

nauw-luisterenden groei daar binnen. Rijkdom, rang, roem, ze vernielen

het geluk, dat zoo rustig wasemde in bescheiden, nederigen, vergeten

staat. Zinnestreeling, zielsbekoring, ze vergiftigen de vredige

stemming, die, tot stralende verrukking gestegen, inzinkt tot donkere

dofheid. Kracht doet in overmoed, wijsheid in zelfvergoding het geluk

vervluchtigen. Zoo werkelijk als het is, zoo schuw. Het vliedt voor een

schim. Maar ook, ondanks zijn teerheid, kan het sterk zijn als diamant.

Het weerstaat ziekte, armoede, vernedering, zelfs gezondheid, rijkdom,

verheffing. Het blijft trouw in tegenspoed, zelfs in voorspoed. Het

ontplooit zijn stemmingsschoon onder alle, de meest tegenstrijdige

omstandigheden, het is de schijnbaar grillige, onafhankelijke heerscher,

die zijn troon stelt waar hij wil.

De naar 't uiterlijk misdeelden soms begenadigend, de naar 't uiterlijk

bevoorrechten zijn zegen onthoudend.

Voor ieder toegankelijk, door niemand te dwingen.

En toch door zoo weinigen anders dan kortstondig genoten.

Waarom?

We willen toch wel het geluk?

Ik vrees, dat velen meenen, dat het een goudklomp, een hooge rang, een

kunstwerk is, en dat ze nu altijd maar den verkeerden kant uitkijken.

Slechts een stemming. God heeft het zijn kinderen wel gemakkelijk

gemaakt. Waarom maken _zij_ het zich zoo moeilijk?

Verspreide Opstellen, II · 第 22 / 55 题