V.

Waarheid in de opvoeding, zo zeiden we in het begin, is slechts een

middel.

_Slechts_ een middel.

Maar welk een heerlike vrucht kan het ons bezorgen.

Als we jegens elkander steeds _waar_ zijn, groeit er een steeds dichter

_onderling vertrouwen_ op.

En dit vertrouwen geeft aan 't onmisbaar verkeer met mensen--in 't

gezin, in school en kerk, in de fabriek, in de... Staten-Generaal!--zo'n

veilig rustgevoel.

Onderling vertrouwen is een geestelike atmosfeer, weldadig en

vruchtbarend.

Evenwel--hoe verkwikkend en sterkend, dit vertrouwen is toch ook weer

slechts een middel.

Wanneer de leden onzer roverbende volkomen op malkaar kunnen rekenen,

volkómen, is hun dit wel zeer geriefelik in 't bedrijf, maar waarborgt

het in geen enkel opzicht hun zedelike vooruitgang.

Het is verwonderlik, hoe vele zogenoemde deugden eigenlik alleen

bruikbaarheden zijn, middelen die voor een zeker doel "deugen",

maar met waarachtige zedelikheid niets te maken hebben. Waarheid en

vertrouwen--'t zijn woorden met een edele klank, vertegenwoordigen ook

wel mooie eigenschappen, de vraag is echter: welk doel beogen we ermee?

Heiliging van ons zelf en anderen?

Dan is 't goed.

Doch zedelik verderf van onszelf en anderen?

Ook dit kan door waarheid en vertrouwen worden beoogd en bereikt.

Een goudstuk kan God of de Duivel dienen. Bouwen we er kroegen en

bordelen van of weeshuizen? In zichzelf heeft het geen waarde. En zo is

't ook met de goudstukken van vele zogenaamde deugden. Wat bouwen we er

mee op?

Wat bouwen we met waarheid en vertrouwen in onze kinderen op?

Het is niet de zon der waarheid, het is niet de dampkring van 't

vertrouwen, die beslissen over de toekomst. Dezelfde zon, dezelfde

dampkring doen giftplanten en voedingsgewassen uitgroeien.

Zon en dampkring zijn slechts middelen.

De aanleg, in de zaadkorrel verborgen, is het zijnde, het bepalende.

Daarvan hangt de aard van het gewas af. En de hoofdvraag is dus in de

opvoeding: Wat doen we met de aanleg van 't kind?

Kunnen we die beinvloeden?

Kunnen we die _veranderen_?

Dit laatste lijkt onmogelik.

Er kan alleen sprake zijn van een bevorderen en belemmeren. Een kweken

of verstikken van aanwezige eigenschappen.

Zoals een kind geboren is, _is_ het geboren. Het heeft in zijn aanleg

zijn bestemming.

Is er dan geen "wedergeboorte" mogelik?

De grenzen van dit opstel gedogen niet de behandeling van deze vraag.

Ze wordt hier alleen gesteld, om ons eraan te herinneren, dat het

gewichtigste probleem der opvoeding, de zedelike vorming, op een ander

gebied ligt dan we nu hebben betreden.

Wie omtrent de mogelikheid van aardverandering, van wedergeboorte, een

belangrijk boek raadplegen wil, leze: "Gebroken aardewerk" van Harold

Begbie.[3] Eén citaat kan volstaan, om de betekenis van dit werk te

doen uitkomen: "Wat wij ook van het verschijnsel zelf mogen denken, het

feit staat vast, dat door hetgeen wij bekeering noemen, menschen die met

bewustheid het verkeerde doen, die slecht en ongelukkig zijn, op eens

met hun vrijen wil het goede doen en zich gelukkig gevoelen. Het brengt

geen _verandering_ te weeg maar een _omkeering_ in aard. _Het schept

een nieuwe persoonlijkheid._ De uitdrukking "wedergeboorte" is geen

rhetorische overdrijving, maar _een feit uit het gebied der zielkunde_."

[3] Naar het 250ste duizendtal van de Engelsche uitgave door G.

Akersloot. Utrecht, H. Honig. 1912. Prijs f 1,25.

Men zal erkennen, dat deze uitspraak aan beslistheid niets te wensen

overlaat. En daarbij vergete men niet, dat de schr. leerling is van

Prof. William James, de psycholoog, aan wie hij zijn boek "met

bewondering en eerbied" opdraagt.

Deze kwestie brengt ons in het hart der zedelike opvoeding en we

hopen er, naar aanleiding van het genoemde boek, onze aandacht aan

te schenken. Wellicht moeten we dan tot de conclusie komen, dat de

"wedergeboorte" toch niet een "nieuwe persoonlikheid" schept, maar

verborgen elementen der oude persoonlikheid heeft doen uitschieten.

We kunnen ons onmogelik een te-voorschijn-komen van een nieuwe aard

voorstellen en het feit zelf verliest toch niets van zijn aangrijpende

betekenis, wanneer we aannemen, dat in de bekeerde latente eigenschappen

zo krachtig zijn opgetreden, dat ze de verschijning der persoonlikheid

als 't ware een geheel nieuw karakter hebben gegeven.

Hoe het zij, we kunnen noch wensen er op 't ogenblik dieper op in te

gaan. We moesten echter nóg eens duidelik uitspreken, dat de vorming

der morele persoonlikheid beheerst wordt door andere faktoren dan door

"waarheid in de opvoeding", al is dit "middel" belangrijk genoeg, om,

eer we eindigen, zijn betekenis ook nog toe te lichten in de omgang met

de oudere kinderen van 14-20 jaar.

* * * * *

Met jongelieden van deze leeftijd volkomen waar om te gaan, valt vele

volwassenen moeilik, moeiliker dan met kinderen beneden die leeftijd.

Dit is geen wonder.

Jonge kinderen, als ze naar belangrijke dingen vragen, vragen haast

altijd uit voorbijgaande nieuwsgierigheid. Hun weetgierigheid is meer

een geestelik spelletje dan uitvloeisel van diepgevoelde hartedrang. Ze

willen iets weten, omdat plotseling een vraag _vóór_ hen oprijst. Maar

de vragen rijzen niet zo _in_ hen op. Wanneer ze antwoord krijgen, zijn

ze dan ook onmiddellik tevreden en laten de pas verworven wijsheid

straks weer gemoedelik schieten. Ze hebben geen flauw besef van de

belangrijkheid hunner vragen en van het gewicht der antwoorden.

Niet alzo is het bij de jongelieden. Bij hen wordt het ernst. En daarom

kunnen vele ouders gemakkeliker waar zijn met de kleintjes, dan met

de groten. Bij die kleintjes blijft het toch maar aan de oppervlakte.

Die denken niet door. Die staan geheel in hun eigen kinderwereldje,

brengen daar de wijsheid der volwassenen heen en herleiden ze tot

kinderproporties. Ze maken van alles iets kinderliks, omdat ze de

gevoelens en denkbeelden der ouderen niet kúnnen verstaan.

De jongelieden echter gaan met hun _ervaringen_ gaandeweg in de wereld

der volwassenen over. Zij komen ons physies en psychies hoe langer

hoe dichter bij. Zij vragen niet uit speelse nieuwsgierigheid, zoals

zonnestraaltjes even door 't lover trillen, maar uit levensbehoefte,

gelijk wortels in de grond dringen om voedsel te halen en een

stevige stand te verzekeren. Hun opmerkingen zijn gekleurd door hun

persoonlikheid, die zich in steeds helderder en scherper trekken

openbaart. En de ouders voelen, dat langzamerhand gelijken hen naderen,

zij het ook dat deze nog vele kenmerken van onrijpheid vertonen. Dit

maakt vele ouders onrustig en ze ontwijken hun opgroeiende kinderen.

Daardoor doen ze die opgroeiende kinderen te kort.

Over 't algemeen worden onze "jongelingen" en "jonge meisjes"

opvoedkundig niet zo goed verzorgd als de "kinderen". Hun halfslachtige

positie typeert hun hele leeftijd en komt reeds uit in het gemis van een

eigen naam. Er zijn kinderen en volwassenen. En daar tussen in?

Heeft men er wel eens aan gedacht, hoe impopulair de namen "jongelingen"

en "jongedochters" zijn? We durven ze haast niet te gebruiken. Met heel

veel gemak spreekt iedereen over kinderen, maar we voelen aanstonds

enige en soms grote stroefheid in onze spraakwerktuigen, als we 't

over jongelingen en jongedochters moeten hebben. Die woorden willen

ons niet familiaar worden en schijnen zich alleen tuis te gevoelen

in deftige verbindingen als "Christelijke Jongelingsvereeniging" en

stijve toespraken. Voor dit opgroeiend geslacht hebben we geen eigen,

vertrouwlike, inheemse namen, waarmee het volk in al zijn lagen voor

den dag durft komen, en de wetenschappelike opvoedkundige schrijvers

der laatste jaren vergasten ons op het woord _pubers_. Al herinnert

dit woord eraan, dat deze knapen en meisjes in de puberteitsperiode

zijn, is het daarom een woord, waarmee een gewone liefhebbende moeder

haar kinderen kan aanduiden? "Uw jongens en meisjes zijn gelukkig de

kinderleeftijd te boven, mevrouw!"--"Ja, meneer, dat zijn gelukkig al

pubers." Neen, dat gaat niet.

Dan maar liever gesproken van "jongemannen", "jongeheren", "jongedames",

al bewijzen deze woorden duidelik, dat de betrokkenen geen eigen namen

bezitten, maar tevreden moeten zijn met die der volwassenen voorafgegaan

door het beperkende "jonge". Te groot voor een servet en te klein voor

een tafellaken, moeten ze het stellen zonder eigen disdoek en zich in

vredesnaam met het tafellaken der ouderen maar leren zindelik houden.

Ze hebben een eigen positie, een eigen karakter, eigen noden, maar deze

worden niet derwijze erkend, dat er ook eigen namen, eigen rechten,

eigen voorzieningen komen.

Laat de eigen namen dan weg blijven, indien de eigen rechten maar

toegekend en de eigen voorzieningen verschaft worden. Nog oneindig meer

dan bij de opvoeding der kleinen is waarheid nodig in de omgang met de

groten. Voor hen kan het een levensredding zijn.

* * * * *

Doch nu wordt er van de ouders grote zelfverlochening geeist. Hoe

gaarne ze ook zagen, dat de jongelui de ideeën, idealen, beschouwingen

der ouders deelden, ze moeten het kunnen verdragen, dat het precies

omgekeerd is en de jongeren met hun denkbeelden en toekomstplannen

lijnrecht tegenover hen staan.

Vader en Moeder zijn steeds rechtzinnig godsdienstig geweest en hebben

hun kinderen trouw in die geest opgevoed. Nu komt er echter twijfel in

de harten dier kinderen. Een maar al te verklaarbare twijfel. Hun gemoed

komt in opstand tegen de voorstelling van een God, die zoveel zonde en

ellende toelaat ondanks zijn liefde en almacht, hun verstand heeft geen

vrede met het aannemen van waarheden, die strijden met rede en natuur.

Ze kunnen onmogelik geloven, dat water in wijn veranderd wordt en een

dode opgewekt, en alles in hen verzet zich tegen een Vaderliefde, die

een enige Zoon aan het Kruis doet nagelen, om door dat offer te voldoen

aan de eis der gekrenkte rechtvaardigheid. Zij zouden zelf zo geheel

anders doen, zij zouden geen "wonderen" nodig hebben om hun goddelikheid

te bewijzen en deze goddelikheid liever getoond hebben in het

_voorkomen_ van de zonde bij de mensenkinderen, dan in het offeren van

een enig kind nadat die mensenkinderen eerst in de zondeval waren

gelopen.

Ze voelen er iets zo bitter, bitter oneerliks in: eerst de mensen

scheppen met eigenschappen, die hen zéér zeker zullen doen vallen en hun

daarna die val verwijten en ze ervoor straffen. En dan nog aan te nemen,

dat de niet alleen almachtige dit gans anders had kunnen inrichten, maar

de alwetende dit alles reeds van te voren wist, dat Hij, aleer de mensen

in 't aanzijn te roepen, reeds wist dat zij vallen zouden! Hoe, in

vredesnaam, blijft er voor die arme verdoolden, wier lot reeds lang te

voren bepaald was, enige verantwoordelikheid over voor bedreven schuld!

Indien hier schuld is, dan voorwaar niet bij deze slachtoffers, wier

lot was voorzien en voorzegd, en die, door goddelike almacht gedwongen,

door een goddelik raadsbesluit genoodzaakt, wel móésten vallen! Waren

de mensen zondenvrij gebleven, dan ware het goddelike raadsbesluit

niet uitgevoerd! De ongehoorzaamheid in het Paradijs was dus, in

eeuwigheidslicht beschouwd, eigenlik gehoorzaamheid. De eerste mensen

gehoorzaamden, en juist door hun overtreding, aan hetgeen de almachtige

reeds van eeuwigheid her besloten had. Maar moest hun die

"gehoorzaamheid" dan als vergrijp worden toegerekend?

Het is voor rechtzinnig gelovende ouders smartelik, als hun kinderen

met deze critiek tot hen komen, te smarteliker, waar zij er ongoddelike

machten in zien werken, eigengerechtigheid en geestelike hoogmoed,

eigenwillige dienst des verstands, en vrezen dat de zielen, in de greep

van Satan, verloren zullen gaan. Voor waarlik gelovenden openbaart zich

hier niet een "verschil van zienswijze", waarover te redeneren valt,

maar een _zwenking in zielerichting_, die--als God het niet verhoedt--op

verderf, op eeuwige rampzaligheid moet uitlopen. Oppervlakkig ongeloof

denkt hier zo licht over en ziet slechts een onderscheid van

beschouwing. Maar hoe voelen ongelovige ouders het, als hun meisjes,

hun huwbare dochters, aldus redeneren: "Die sexuele zelfbeheersing is

eigenlik onzin. Wij zijn geschapen met drang naar het moederschap. Aan

die drang moeten we voldoen. Dat is niet alleen gans rein en natuurlik,

het is zedelike plicht, het is gehoorzamen aan levensroeping. Huweliken

zijn maar menselike instellingen, verre daarboven gaat de zuivere

bevrediging van de spontane, ongereglementeerde behoefte onzer

scheppingsrijpe natuur. En in plaats van zonde is het deugd, wanneer een

meisje een onecht kind krijgt. De onechte kinderen zijn juist de echte."

Houdt een moeder, al is ze nog zo vrijzinnig, haar hart niet vast,

wanneer die gedachten in haar dochter opkomen? En hoe denkt die uiterst

verlichte vader erover, wanneer zijn achttienjarig kind, in eerlikheid

van overtuiging, die "weg der natuur" op wil? Gedachten zijn maar niet

ijdele hersenspinsels, het zijn de verstandelike lijnen en figuren,

waarin zich de gemoedsbewegingen, de neigingen, aan het bewustzijn

openbaren. En het is alleszins begrijpelik, wanneer de verlichtste

vrijzinnigheid onrustig wordt, wanneer dergelike gedachten door

jonkvrouwlik verlangen worden gevormd en geuit: Er dreigt voor ouders

en kind--zij het nog slechts in de verbeelding--nameloze ellende, een

volkomen verbrijzeld leven. Doch hoe, lieve vrijzinnige, moet het dan

ouders te moede zijn, die, in door u aangemoedigde en geprezen critiek

op geloofswaarheden, de donkere wolken zien aandrijven van een noodweer,

dat, losbarstend, _eeuwige_ ellende veroorzaakt in een volkomen

verbrijzeld zieleleven? Gevallen meisjes zijn nog op te richten, de

gevallen engelen zijn onredbaar in de afgrond gestort.

* * * * *

In critiek op geloofswaarheden openbaart zich een zielerichting, en

deze is het, die gelovige ouders met angst vervult. Te meer reden voor

die ouders, om aan zulke critiek niet het zwijgen op te leggen. Laat

de jongeren maar uitzeggen, volkomen eerlik uitzeggen, wat er in hen

omgaat. Dan hebben de ouders de beste gelegenheid, invloed te oefenen.

Doch ik zou nog verder willen gaan. Laat de jongeren niet alleen zeggen

wat ze denken, maar, kunnen ze niet meer bidden, verplicht ze dan

niet tot een huichelend vertoon; voelen ze zich in de kerk niet meer

tuis, dwing ze dan niet tot kerkbezoek. Er is geen groter zonde dan de

leugen en terecht wordt Satan de vorst der leugenen genoemd. Leugen is

duisternis. En wie zich in de duisternis rustig voelt, zoekt nooit naar

het licht. Liever openlik bekend en getoond, wat er in ons omgaat, dan

een schijnleven geleid, dat anderen en ons zelf bedriegt.

Dit geldt ook in gevallen, wanneer, juist omgekeerd, de kinderen tegen

de zin der ouders, zeer rechtzinnig worden. Het "Leger des Heils"

vindt men heel mooi, vooral sinds de Generaal aan vorstelike hoven

is ontvangen, maar men acht het toch minder wenselik, dat zijn eigen

kinderen er in dienst nemen: dan is er iets dweepzieks en zelfs iets

ordinairs in. Zie nu toch: in plaats dat de ouders zich verheugen over

de ernst hunner kinderen, welke geen vrede heeft met vrome praatjes maar

pas rust vindt in _doen_--de daad is toch pas de waarachtige uitzegging

van ons zijn--tonen die ouders zich bang voor eerlikheid en zien ze hun

kinderen maar 't liefst streberig afstevenen op een mooie, voordelige

en vooral fatsoenlike positie. Ze willen hun kinderen wel doen aannemen

tot lid van een kerkgenootschap en behoorlik naar de kerk zien gaan,

dat staat netjes, is ook meermalen niet onvoordelig, maar hun meisjes

te zien meetrekken met "het Leger" of hun jongens te horen praten van

"zendeling-worden"--dat geeft zo'n akelig gevoel van onrust.

Niet anders is het, wanneer de jongeren in het sociale en politieke

leven een andere richting willen inslaan dan de ouders, wanneer de

dochter voor vrouwenkiesrecht gaat ijveren en de zoon zich bij de

sociaal-democratie aansluit. Dan loopt menig ouder langs het water van

't leven, als moeder kip, toen een van haar kuikentjes niet in 't droge

zand bleef scharrelen, maar brutaal te water ging. Angst, angst, angst,

dat het kind verdrinken zal. Maar als dit kind nu in 't water zijn

element vindt?

Jongeren, als ze _echt_ zijn, móéten rood zijn, rood in godsdienst,

rood in politiek, rood in ieder opzicht. Rood is de kleur van de

dageraad. We weten immers dat dage_raad_ letterlik wil zeggen

dage_rood_? Wat jong is, kent het leven niet, kent zichzelf niet, ziet

alleen zijn ideaal van volmaaktheid en wil dit verwerkeliken. Heerlike

jonglingschap! Wat jong is, gelóóft! Gelooft, ook al zegt het van

geloof niets te willen weten. Gelooft in gelijkheid, in broederschap,

in sociale rechtvaardigheid, in den adel der menselike natuur, in

verwerkeliking van humanitaire denkbeelden, in een hemel op aarde! En

_dit_ geloof is _echt_ gelóóf. Het is niet een verstandelik voor waar

houden, niet het gevoelloos onderschrijven van een belijdenis, van een

programma, maar het is een in 't diepst der ziel overtuigd zijn, het

is een volkomen _gemoedsverzekerdheid_. Ach ja, ze menen wel, recht

verstandelik te zijn en hun opvattingen zuiver te kunnen beredeneren,

maar dat nemen we op den koop toe. Hoofdzaak is, dat ze het geloof in

zich hebben als een gemoedskracht, die hen drijft en sterkt. En dit

geloof, al kleedt het zich vaak, naar de eisen van deze tijd, in

sociaal-democratiese denkbeelden, is het behoud der mensheid. Daardoor

ontspruit in elke nieuwe lente der mensheid nieuw groen. Zonder dat zou

de boom tenslotte niets hebben dan dorre, verkleurde bladeren, en

sterven.

Daarom, maak u niet bekommerd, als uw kinderen "rood" worden. Verheug

u veeleer. Mits ze het _echt_ zijn. Mits ze vol zijn van barmhartig

meegevoel, niet alleen machtig in de critiek, maar bovenal bewogen door

reddingsliefde tot al wat zwak en misdeeld is. Werkt deze _liefde_ in

hen, geloof gij dan maar dat ze met christendom zijn ingeënt, ook al

menen ze, door verkeerd begrip, voor 't ogenblik op het christendom te

moeten afgeven. Verkeerd begrip is wel een droevig ding, maar véél

droeviger is een verkeerde harteneiging. Dat begrip komt wel weer

terecht, maar er moeten geweldige krachten komen, om een zelfzuchtige te

bekeren, dat is: om te keren, tot een toewijdende. Waar toewijding is,

is het beste wat een mens hebben kan. Terecht zingt een onzer psalmen:

"Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen," en durft zelfs

getuigen: "Daar woont Hij zelf."

Daar woont Hij zelf. Stouter kan het niet gezegd worden. Maar dan moeten

we er ook wel diep van doordrongen zijn, dat er zuivere liefde werkt

en niet anders dan deze. Wie zich "rood" noemt en dit meent te moeten

tonen door schampere critiek, lasterend ondermijnen, boosaardig verdacht

maken, felle haat, die is een niet minder groot huichelaar dan de

schijnvromen die hij bestrijdt. Want ook hij, onder de vlag van het

mensenminnend idealisme, dient slechts zijn eigen zelfzucht van een zeer

laag gehalte.

Wanneer nu onze opgroeiende kinderen, gedreven door liefdevol medelijden

en edele rechtvaardigheidszin, zich--zij het in kortzichtigheid--stellen

tegenover onze godsdienstige of sociale of staatkundige beschouwing

en zich zelfs willen aansluiten bij onze tegenpartijders, behoeven we

daarover niet te treuren en past ons in geen geval dwang, die hen tot

een onoprechte positie verplicht. Onze beste houding is: de kinderen

volle vrijheid te geven, en ze daarbij de eis te stellen: Wees wat ge

zijt, maar wees het echt.

* * * * *

In de gelijkenis van "De verloren zoon" wordt ieder getroffen door de

blijdschap, waarmee de vader zijn berouwhebbend kind weer ontvangt.

Het kind is van de vader afgedwaald, heeft al zijn geld verkwist in

"liederlik leven", en keert daarna pas terug. De twijfel is volkomen

begrijpelik, of dit berouw wel het echte is. De zoon komt tot inzicht,

als hij niet meer heeft, honger moet lijden, en zich niet eens mag

voeden met zwijnendraf. Letterlik uit armoede zoekt hij zijn vader weer

op, en zijn berouw komt pas in de bitterste nood. De vader vraagt echter

niet, of de omstandigheden dit berouw niet een beetje verdacht maken.

Hij laat zijn kind niet eens de tijd, woorden van berouw te uiten. Toen

hij zijn zoon van verre zag, werd zijn hart door medelijden bewogen,

liep hij zijn kind te gemoet, viel hem om de hals, en kuste hem. En

wanneer de verarmde verkwister uitroept: "ik heb gezondigd tegen de

hemel en voor u en ben niet meer waard, uw zoon te heten", is het

antwoord niet een verwijt, een strafpredikatie, een instemming, zelfs

niet een dankuiting voor dit blijk van berouw, maar zegt de vader tot

zijn knechten: "Haalt aanstonds het beste feestkleed en trekt het hem

aan," en laat hij--een feestmaaltijd aanrichten!

Die vader is prachtig en we mogen ons maar innig gelukkig prijzen, dat

ook ons berouw niet krities onderzocht wordt, wanneer we ten slotte

uit de zelfbewerkte ellende, uit de smartvolle gevolgen onzer zonden

vluchten naar zulk een Vader, die ons ook nog aannemen wil als we "uit

armoede" tot hem komen.

Toch is deze trek van vaderliefde niet het enige, wat ons deze

gelijkenis zo geliefd maakt. Heel in 't begin komt in de houding van

de vader iets naar voren, dat niet minder opmerkenswaard is en door

velen voorbij wordt gezien. Wanneer de zoon zegt: "Vader, geef mij mijn

kinderlik erfdeel" horen we alleen, dat de vader het goed onder de twee

verdeelde. En wanneer de jongste zoon daarna ver weg reist naar een

vreemd land, horen we niet, dat zijn vader hem dit verbood.

Deze houding van de vader is zeer zeker ongewoon. Zullen er veel

vaders zijn, die zonder bezwaar hun kinderen het hen toekomende

geld uitbetalen? Zullen de meesten zich niet gegriefd tonen, als

een ongehuwde zoon--zonder dat zijn "zaken" het eisen--zijn erfdeel

opvraagt? Zal dit niet verwijdering geven tussen vader en kind? En wat

zal daarna de vader doen, als zijn zoon met dit geld de wereld intrekt,

om ervan te genieten? Zal de bezorgdheid over de toekomst van zijn kind

niet verergerd worden door de vrees voor het verlies van zijn geld? Met

het uitbetalen van het kinderlik erfdeel bracht de vader en zijn zoon én

zijn geld in gevaar. En toch deed hij het.

En we horen niet, dat hij erbij murmureerde. We horen alleen, dat hij

het deed op het vragen van zijn zoon. De zoon vroeg en de vader gaf. En

meent ge, dat de vader de zinnelike neigingen, de lichtzinnige aard van

zijn kind niet kende? De vader gaf, hoewel hij--ja misschien wel, omdat

hij zijn kind kende; hoewel--misschien omdat hij de toekomst voorzag. De

vader gaf en liet zijn kind gaan.

Nog eens, deze houding is ongewoon. Ze is niet menselik. Dat durven

we niet. We zijn te bang, voor ons geld en voor ons kind. Wie van ons

durft een heel erfdeel te wagen aan de levensvorming van zijn kind?

We zetten liever het kapitaal voor hem vast. En wie durft--de vraag is

diep-ernstig, al schijnt ze ongerijmd--wie durft de maatschappelike

welvaart, de goede naam, de gezondheid van 't kind te wagen aan zijn

zedelik heil? We zetten ook liever het kind vast in verboden en

angstvallig bewaarde schijnbraafheid.

Wie heeft zijn zoon zo lief, dat hij hem kan zien verongelukken, wetende

dat alleen ervaring hem wijs, smart hem beter kan maken?

Neen, ik vraag niet: Wie wil zijn kind ongelukkig maken? Ik vraag ook

niet: Wie ziet met blijdschap, dat een kind zichzelf ongelukkig maakt?

Ik weet veel te goed, dat het ouderhart wegkrimpt van smart, als het

kind verongelukt.

Maar ik vraag: Wie durft het voorbeeld van de vader uit de gelijkenis te

volgen? Wie durft zijn geld, zijn goed, zijn naam, zijn gemoedsrust,

zijn liefde eraan te wagen, als hij weet, dat zijn eigenzinnig,

lichtzinnig, genotlievend kind slechts gered wordt door ondergang?

Dat durft alleen, wie het zedelik louteringsproces hoger stelt dan

de glimmendste schijnbraafheid; wie het om de waarheid en niets dan

de waarheid te doen is; wie zijn kind de leerschool van 't leven kan

insturen en niet vraagt naar het schoolgeld, maar naar de grote les die

daar geleerd wordt en die de verloren zoon bij zijn tuiskomst _uit eigen

hart_ opzei zonder dat iemand ze hem had voorgezegd: "Vader, ik ben niet

waard uw zoon genaamd te worden, maak mij tot een van uw huurlingen."

* * * * *

Het komt niet in me op, iemand de ouderzorg van een "verloren zoon" toe

te wensen, maar die zorg kan men niemand besparen aan wie ze opgelegd

is. In dat geval is er voor hem een troost: De "verloren zoon" is

dikwels de verloren zoon niet. Hij komt weer terecht na en zelfs door

zijn afdwalen. Maar de eigengerechtige, naijverige, wangunstige oudste

broeder, die zo braaf, voor zichzelf zorgend, bij zijn vader bleef,

hij is de eigenlike verloren zoon, verdwaald in geestelike hoogmoed

en zelfzucht. Het is de vraag, of hij--ofschoon hij dageliks met hem

omgaat--ooit zijn vader vindt. Jezus had het meest te kampen met de

Farizeeërs.

Maar dan is er toch ook iets te doen, om, als de gevaarlike jaren komen,

het gevaar voor afdwalen te verminderen.

Herhaaldelik hebben we er op gewezen, hoe waarheid in 't verkeer met

de kinderen vertrouwen kweekt. Wie dit vertrouwen van jongsaf doet

aanwassen in kracht en zuiverheid, zal ervaren hoe het én de opvoeders

én de jongemensen tot steun kan zijn. Het is heerlik te zien, hoe

opgroeiende jongelingen en jongemeisjes dan met al hun noden bij de

ouders komen. Met _al_ hun noden.

Ik wéét het, hoe in zulke gevallen jongelingen met hun godsdienstige

worstelingen en, wat misschien nog meer zegt, met hun strijd tegen

zinnelike driften bij bij hun vader kwamen, deze om raad, om bijstand

vroegen, ook in het bestrijden van geslachtelike zwakheden, hoe ze hun

vader alles beleden, uit eigen beweging, en de maatregelen toepasten,

door vader aanbevolen, hoe ze met vaders hulp streden en overwonnen.

Ook wéét ik, hoe verliefde en verloofde meisjes alles met moeder

bespraken, zo eenvoudig, zo oprecht, zo rein, en met een gemakkelikheid,

die voor de meerderheid der mensen een ondenkbaarheid is.

De meerderheid der mensen? Het ontbreekt hun aan ernst, aan moed, aan

waarheidsliefde. De fout is niet bij de jongeren. Als zij bij waarheid

worden grootgebracht, zijn ze in niets verlegen, om ermee bij de ouders

te komen. Maar de ouders zijn verlegen. Die vervreemden hun eigen

kinderen van hen. En daarvan openbaren zich later vaak de treurige

gevolgen.

Slechts een heel kleine minderheid, slechts betrekkelik zeer weinige

ouders durven onafgebroken volkomen waar met hun kinderen om te gaan.

Doch zij zullen weten, hoe het vertrouwen, reeds vroeg ontwikkeld,

later, als van alle kanten de gevaren dreigend kwamen opzetten, de

zegenrijkste vruchten droeg.

Wie vertrouwen wil maaien, dient het tijdig te zaaien.

Niet overal, waar het aan waarheid ontbrak, vertoonden zich noodlottige

gevolgen. Gelukkig. Maar dit mogen we veilig zeggen: zeer vele

misstappen met de daaraan verbonden smarten hadden voorkomen kunnen

worden, indien de ouders de liefde, de wijsheid, de moed hadden bezeten,

de zelfverlochening en soms ook de zelfopoffering, om _gedurende de

ganse opvoeding hunner kinderen_, van de wieg tot de bruiloftskoets, de

waarheid te doen heersen.

Ik zou het verloofden en jonggehuwden, op grond van rijpe ervaring, wel

op 't hart willen binden: Waag het maar. Ge zult eens zien, hoe innig

en rijk de omgang tussen u en uw kinderen wordt. Bezwaren? Ze bestaan

niet, ze vernevelen, verijlen, vervluchtigen. Vrees maakt ze massief,

vertrouwen doet ze verdampen. En dan zult ge ook ervaren hoe ge,

derwijze uw kinderen opvoedend, tevens uzelf opvoedt. Want waarheden,

die we onze kinderen moeten zeggen, houden onszelf onder tucht.

* * * * *

"De eerste deugd is waarheid."

We hebben dit oordeel van Beets aanvankelik in 't midden gelaten. Nu we

echter onze beschouwingen hebben geëindigd, willen we die uitspraak nog

even onder de ogen zien. Is waarheid de eerste deugd?

Het komt mij voor van niet.

Wie zich alleen door waarheid laat leiden en in de eerste plaats met

haar te rade gaat, doet vaak nodeloos pijn.

Het is waar, dat uw gelaat lelik is, dat uw neus uw gehele uiterlik

ontsiert. Is het nodig, dat ik u deze mijn mening vooral niet onthoud?

Grofheid, hardheid, onbeschaamdheid besparen ons menige krenkende en

kwetsende ervaring niet, zogenoemd in dienst der waarheid. Dan menen ze

aan de waarheid verplicht te zijn, ons vooral het onaangename te zeggen.

Het aangename? Dat zou op vleierij kunnen lijken. Maar het onaangename.

Dat is eerlik.

Ik geloof niet, dat dergelike eerlikheid goed doet. Ze maakt de spreker

gevoelloos en onbarmhartig, berokkent de hoorder nodeloos verdriet.

Waarheid is een gevaarlike eigenschap, wanneer ze niet terzij wordt

gestaan door kiesheid en liefde. Dan is ze een scherp mes, dat niet

alleen zieke plekken opereert, maar ook in 't gezonde vlees snijdt en

het lichaam verminkt. Ze ontstemt, verbittert, verhardt, wekt wrevel en

weerwraak.

Waarheid moet ons heil beogen en alleen met dit doel aangewend worden.

Zij moet voortvloeien uit liefde en geleid worden door liefde. Zij moet

_dienares_ wezen der Liefde. Eerst dan kunnen we haar zonder bezwaar

gebruiken.

Dienares. Het lijkt een vernederende positie. De Waarheid--dienares! De

Waarheid--waar de mensen zo groot van opgeven!

En toch, het is niet anders. Zij is middel. In dienst der

boosaardigheid, der haat, een vreselik middel. In dienst der Liefde een

heilmiddel.

"Al ware het", zegt Paulus, "dat ik de talen der menschen en der Engelen

sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of

luidende schel geworden.

"De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet

afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet

opgeblazen.

"Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen,

zij verdraagt alle dingen."

Kennis--zij zal te niet gedaan worden. En gelukkig, want wij,

hardvochtige waarheidszeggers, "wij kennen ten deele."

Maar "de liefde vergaat nimmermeer".

"En nu blijft", zegt de apostel ten slotte, niet waarheid, maar "geloof,

hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde."

Verspreide Opstellen, II · 第 17 / 55 题