Wees waar in uw gedragingen tegenover uw ook nog heel kleine kinderen.
Gun dezen waar te zijn in hun oordelen over anderen.
Geef naar waarheid antwoord op hun vragen.
Deze drie voorschriften werden in de eerste drie artikelen aanbevolen.
Er zijn volwassenen, ouders, die er niet van willen weten.
Waarom niet?
Uit gemakzucht en lafheid, zijn we geneigd te zeggen. Ze zijn te traag
en missen de moed, om met de sleur te breken.
Zeker, dit komt veelvuldig voor, doch eer we hierover ons veroordelend
vonnis vellen, willen we aan het goede in deze "gemakzucht en lafheid"
recht doen wedervaren.
Niet iedereen heeft aanleg, gelegenheid en tijd, om zich ernstige
opvoedingsproblemen in te denken. Is het dan niet voorzichtiger, zich
bij 't oude te houden, waarbij men zelf niet verongelukt is, dan met
onvoldoend inzicht en ontoereikende kracht een nieuwe weg in te slaan,
waarvan het minstens nog twijfelachtig moet heten, of hij naar het doel
leidt?
Onze ouders hebben ons ook allerlei praatjes wijs gemaakt, met velerlei
kluitjes in 't riet gestuurd, en honderd malen het zwijgen opgelegd,
maar ze meenden het toch goed met hun kinderen, hebben ze met liefde
gekoesterd, hard voor ze gewerkt, ten slotte ze met ere grootgebracht.
Zullen wij nu hun opvoedingspraktijk willen critiseren en verbeteren?
Hun manier moge dan haar gebreken hebben, duizenden en millioenen hebben
er zich wel bij bevonden. Dit is geen principe, maar een ervaring. En
deze ervaring heeft bewijskracht. Wanneer de massa, in wie toch het
zelfbehoudsinstinkt werkt, met een gerust hart zekere paden volgt,
gedachte- en critiekloos, zijn daar zeker wel goede redenen voor te
vinden, ook al is men zich die niet bewust. Sleur is vaak: instinktief
vertrouwen in de wijsheid van 't voorgeslacht.
Met laatdunkende geringschatting wordt vaak van de "oude paden"
gesmaald. Dan heet het, dat we niet laks en lauw het "platgetreden pad"
moeten bewandelen en "nieuwe wegen" moeten zoeken. Maar het zou er
treurig met ons en met de vooruitgang uitzien, als we telkens door zand
en hei en woud en moeras nieuwe wegen moesten banen. We volgen heel
verstandig de wegen, door onze voorgangers platgetrapt, uitgehakt,
aangelegd, al verzuimen we niet ze te verbeteren en daarnaast de
nodige nieuwe wegen aan te leggen. Verguizing van het voorgeslacht is
ondankbaar en dom, loopt uit op schade en schande, en het is niet alleen
wijs en voorzichtig, wanneer jonge ouders gedachteloos het voorbeeld
hunner eigen ouders volgen, indien ze niet van een betre gedragslijn
overtuigd zijn, maar er spreekt ook een eerbiedvol vertrouwen uit,
dat--hoewel niet bestand tegen een onbarmhartige maar in zijn
verstandelikheid toch bekrompen critiek--én de ouderen én de jongeren
eert. Er is toch, ondanks het gemis aan wat men noemt "waarheid in de
opvoeding", een geest van gehechtheid aangekweekt, die op slot van
rekening ja wat meer levensgeluk meebrengt dan een helderheid van
inzicht, die de harten koud heeft gelaten.
* * * * *
Wat als gemakzucht veroordeeld wordt, is dus meermalen vertrouwenvolle
voorzichtigheid, die zich aan 't beproefde oude houdt en dit met zijn
deugden en gebreken overneemt, waar de critiek heeft gezwegen en de
drang tot reiner practijk ontbroken.
Zo is het verwijt van lafheid ook vaak ongegrond. Zeker, menigeen durft
niet de eenvoudige waarheid te zeggen, hij is er niet bij grootgebracht
en huivert er nu voor terug. 't Is hem, alsof hij zich in een vreemd
land begaf, waar in het duister der onbekendheid allerlei gevaren
dreigen, in ieder geval zich telkens nieuwe moeilikheden voordoen,
waarop hij niet gerekend had en waarvoor hij niet berekend is. Maar
mogen we deze vrees lafheid noemen? Er spreekt veeleer zelfkennis en
wijze behoedzaamheid uit.
Er is bij velen een angstig terugdeinzen voor de naakte, de geheel
naakte waarheid. Is dit lafheid? Het kan evenzeer schaamte zijn en
eerbiedige schroom.
Het Paradijsverhaal laat de eerste mensen bedekking hunner naaktheid
zoeken, niet tegen de koude, niet ter bescherming tegen letsel, maar
uit ontwaakte schaamte na bedreven kwaad. Zondebesef maakt het hun
onmogelik, zich onbevangen te geven, gelijk ze zijn. En is dit tans, met
ons, nog niet volkomen hetzelfde? Wie durft zich gehéél te geven, gelijk
hij is? Alleen de schaamteloosheid, die geen oog heeft voor eigen grote
tekortkomingen, of de zuivere onschuld. Maar wij overigen, we hullen
ons in allerlei klederen van schijn, dekken ons met de vijgebladeren
van vormelike braafheid, omdat we ons innerlik, met al zijn zondige
bewegingen, niet eens tegenover ons zelf in zijn naakte waarheid durven
vertonen. We huiveren terug voor zulk een waarheid. En terecht.
Want wij kunnen de Waarheid niet dragen. Wanneer wij, door één woord uit
te spreken, eens plotseling _alles_ zouden zien, _alles_ horen, _alles_
weten, alle gedachten in alle mensenhoofden kennen, alle neigingen in
alle mensenharten, het gehele verleden, de volle toekomst, wie zou dat
woord durven uitspreken? Dan zouden we de gehele werkelikheid, en daarin
de waarheid hebben. Doch eer we er een millioen malen millioenste deel
van zouden ontvangen hebben, zouden we al bezweken zijn. Alleen de
oppervlakkige domheid durft de "naakte waarheid" aanvaarden, omdat ze
haar toch niet ziet.
Vertrouwen, schaamte, schroom weerhouden menigeen--ook al is hij zich
zelf de aard dezer remming niet bewust--de aanbevolen drie voorschriften
te volgen. Wel verre van dit te misprijzen, moet men gelukkig zijn met
de aanwezigheid en de uitwerking dier gemoeds-realiteiten. Zij zijn
de schatbewaarders onzer beste geestelike goederen. Zonder haar
behoudszucht zou de vooruitgang ons al te licht in 't moeras brengen. En
veel meer te vrezen is de voorthollende nieuwlichter, die bezwaren noch
gevaren ziet, dan de aarzelende "duisterling", zelfs al wordt hij als
"conservatief" gebrandmerkt, die niet waagt, omdat hij er anderen niet
gaarne aan waagt.
* * * * *
Kunnen we het goed recht bepleiten en waardering gevoelen voor de
opvatting van behoudszucht, waar deze kort en goed verklaart: "onze
ouders waren ook niet dom" en daarmee van een verandering in velerlei
levenspraktijk niet weten wil, niet zo welwillend zijn we gestemd
tegenover de mening, die de waarheid uit de opvoeding weren wil, omdat
ze de dood zou zijn voor alle poëzie. Want hier wordt eenvoudig wat
geleuterd.
"Alles wordt zo nuchter, zo prozaïsch," klaagt de in 't proza der
vormelikheid verdorde ziel, "wanneer het kind niet meer in Sint Niklaas
geloven mag en precies moet weten, dat Oom Willem maar voor Sint Niklaas
_speelt_; wanneer het niet meer mag uitzien naar de ooievaar, die
broertjes brengt, of zich voorstellen, hoe zusje uit de kool kruipt;
wanneer het horen moet, dat zusje in moeder groeit--o, shocking!--en
hoe dat lieve kindje ontstaan is uit de vereniging van twee cellen;
wanneer de sprookjes uit de kinderwereld verjaagd worden, de elfen en
de kabouters, de betoverde prinsessen en de wonderdoende tovenaars en
alle verdere bekoorlik- en griezeligheden. Dan blijft er tenlaatste
niets meer over dan sommen en zinsontledingen en geraamten van bladeren,
dieren en menselike wetenschap. En dan wordt het zo kil en zo donker in
het jonge gemoed."
Is de klacht gegrond?
Al aanstonds niet, waar ze vreest voor 't verbannen der sprookjes. Het
vertellen dier kleurige verbeeldingen kan heel best gepaard gaan met
"waarheid in de opvoeding." Of dieren kunnen spreken, is geen vraag. Ze
kúnnen spreken, zowel onder elkander als tegen de mensen. Dat weet ieder
die met dieren omgaat, al dringt hij niet door tot de finesses van hun
taal. Een verhaaltje met pratende dieren is natuurlik verdicht, maar
kan niettemin evenzeer waar zijn als een, ook verdicht, verhaal met
pratende mensen. En zijn er geen elfen, geen kabouters, geen betoverde
prinsessen? De wereld is er vol van, al zien ze er niet steeds precies
zo uit als de phantasie van ons dichterlik gemoed ze uitbeeldt.
Lieftallige zegenende natuurtjes, kleine kwelgeesten, lelike eendjes
die ten slotte mooie zwanen blijken, ze omringen ons, dag aan dag, en
onze fout is alleen, dat we ze alleen maar zien in de vertellingen,
dat we niet dichterlik genoeg zijn om ze in de levende werkelikheid te
aanschouwen. Die klagers en klaagsters over het prozaische der nuchtere
waarheid zijn eigenlik echte prozamensen, zo door en door prozamensen,
dat ze de verbeeldingen van anderen behoeven, om daarmee hun lege
gemoedshuis te meubileren.
De sprookjes blijven dus en alleen uit erbarmen met het kind besparen
we dit de ijselikheden van grootmoeders-verslindende-wolven, zoals we
het tere gemoed ook niet willen verscheuren met de angsten van kleine
knaapjes, in de greep van sexueel krankzinnige moordenaars. Niet het
verbeeldingrijke is de grief tegen vele sprookjes van Grimm, maar het
grove, gevoelloze, schokkende, en we verhalen evenmin met aangrijpende
aanschouwelikheid de ontzettendheden van het slagveld, de epidemieën,
of de gevangenissen, als die uit de sprookjeswereld. Hier gaat het niet
om waarheid of onwaarheid, maar om de hygiëne van het kinderlik
gemoedsleven.
Dat de jeugd van wonderdoende tovenaars vervreemd wordt, wanneer de
waarheid haar strenge eisen stelt, kan alleen opkomen in het brein der
breinloze onnozelheid. Is niet het ontspruiten van iedere zaadkiem een
wonder en het openen van iedere bloemknop? Wie tovert daar uit de zwarte
grond die groene stengels met die kleurige kelken? Daar droppelen wat
nevels op de aarde, daar spelen wat gouden stralen over die donkerheid,
en er verrijzen groene zuiltjes, zwevend van lenigheid, en waarop zich
rode en gele en blauwe offerschalen ontplooien, die bedwelmend zoete
geuren omhoog zenden. En het grootste wonder bij dit wonder is, dat
we de toverwereld zien, zonder dat de tovenaar zelf aanwezig schijnt.
Een man, die uit een lege hoed levende vogels schijnt te halen,
gapen we met eerbied aan. Doch zie nu, daar ontstaat vanzelf--kan
het toverachtiger?--vanzélf een weelde van vormen en kleuren en
geuren, en we zien het niet, en zo al, dan aanvaarden we het als een
"vanzelfsheid", waaraan alle wonder vreemd is. Alleen onze blindheid
voor de toverwereld der werkelikheid klaagt over armoede te midden van
de rijkdom, en het zijn weer, vrees ik, de misdeelde zielen, die voor de
gekunsteldheid der menselike tovenaars pleiten, omdat ze instinktmatig
voelen alles te verliezen, waar dit maakwerk hun ontvalt. 't Is echter
wat veel gevergd, hun hol gelawaai, hun conventioneel gekerm, hun
grootwoordige gevoelloosheid te respekteren als bewijzen hunner warme
liefde voor het wondervolle. Zolang er leven is, is er wonder, en ieder
vliegje, zwevend door de kamer, is met zijn gazen vleugeltjes of waar
het straks langs de vensterruit wandelt, een zwevend sprookje, een
wandelend mysterie.
* * * * *
Het is verre van mij, sprookjes en wonderverhalen te willen verbannen,
doch men vergete toch niet, dat deze niet verteld worden als antwoorden
op kindervragen. Geheel iets anders is het met de ooievaarshistorie en
de Sint Niklaasmanifestatie. Hier wordt niet als vertelseltje, niet als
toneelspel, maar als werkelikheid aangeboden en onbevangen aangenomen,
wat geen werkelikheid is. Bij 't verhaal van de wolf en de zeven geitjes
weten de kinderen heel goed, dat het "een verhaaltje" is, en geen moeder
heeft er plezier in, haar kind met alle geweld te doen geloven, dat de
geitjes weer levend te voorschijn kwamen, toen de buik van de wolf werd
opengesneden. Het kind luistert en leeft mee, alsof het waarheid was,
maar wéét het tegendeel, en de moeder laat het daarbij. Maar zelfs als
het kind uit zichzelf begint te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die
bisschop en niet meer kán geloven, dat een ooievaar een kindje door de
lucht kan dragen, doen de volwassenen nog hun best, deze twijfel te
onderdrukken, vrezende het feest dan al zijn heerlikheid en de geboorte
al haar reinheid te doen verliezen, beide van hun "heerlike poëzie" te
beroven. Dit nu wijst op een averechtse opvatting van poëzie, volgens
welke deze onmogelik zou wezen zonder zulke geloverijen in overgeleverde
voorstellingen.
Poëzie is een _kracht_ in de mens. Zij openbaart zich in verbeeldingen
en materialisaties. Zo kunnen de scheppingen van het voorgeslacht de
poëzie vertolken van vergane eeuwen. Maar in zichzelf zijn ze geen
poëzie.
Men kan wel zeggen, dat in ieder kind deze kracht werkt. Een jonge
moeder schrijft me van haar vierjarig dochtertje: "Op 't ogenblik
amuseert ze zich nog al eens met vijf kleine dochters en twee kleine
broertjes, die enkel in haar verbeelding bestaan, maar waarvoor ze
toch in Gouda blauwe en witte jurken gaat kopen, waarvoor ze kleren
strijkt, die ze te eten geeft en in het bad stopt." Waar komen al deze
dochtertjes en broertjes vandaan? Wie maakt ze zo werkelik, dat Anneke
jurken voor ze koopt en deze zelfs strijkt? Behoeft de moeder daarvoor
't kind iets wijs te maken? Wel neen, 't kind maakt zichzelf iets wijs,
en dit is de ware aard der poëzie: deze kracht heeft scheppingsvermogen.
Poëzie komt van een werkwoord, dat _maken_ beteekent, zij maakt iets,
zij schept, zij beeldt uit, zij geeft stemming gestalte, zij maakt
neiging tot droom en droom tot levensrealiteit. En _deze_ poëzie maakt
het mensenkind rijk te midden der armoede.
Heeft niet elke moeder die kracht in haar kinderen zien werken? Ze is
niet verbeelding. Ze _gebruikt_ verbeelding. Deze is haar dienaresse. Ze
is niet schoonheid. Ze tovert schoonheid. Ze is, wat de levenskracht in
de natuur is. Ze is scheppingsvermogen, opborrelend uit de geheimzinnige
bron van het leven zelf. En gelijk die levenskracht in de natuur de
sprookjes der bloemen- en dierenwereld voor onze ogen als reëele
schoonheid doet verschijnen, zo roept zij uit de donkere aardbodem der
kinderziel de sprookjes van kindertjes in blauwe jurkjes, die grote
reizen maken in de spoortreinen der stoelen.
Nooit heb ik kinderen--én mensen!--gelukkiger gezien, dan wanneer
ze hun eigen scheppingsdrang konden volgen. Verloren in arbeid,
maakten ze, rustig gelukkig, hun mooie, ook wel hun constructieve
verbeeldingen--kleine ingenieurs--tot zichtbare en tastbare
werkelikheid. Dan waren ze aan het dichten. Dan werkte de Poëzie
in hen. En deze Poëzie kon door de verhaaltjes van wolven en elfen
en Sint-Niklazen wel van haar oorspronkelikheid verliezen, door de
ooievaarshistorie wel in voorvaderlike banen geleid of misleid worden,
maar behoefde dit verbeeldingsmateriaal niet, om te worden gewekt of
gevoed.
Men versta mij nogmaals wel: ik bestrijd hier niet het vertellen van
deze dingen, ik betwist alleen, dat zij nodig zouden zijn, om wat poëzie
te brengen in de kinderwereld.
En zo vreze men dus niet, door zuiver-zakelike inlichtingen, door
eerlik-nauwkeurige antwoorden de poëzie in de kinderziel te doden. Het
kind gebruikt de verworven kennis als bouwstoffen voor zijn scheppingen.
Doch laten we nu de zaak niet omkeren. Wanneer het kind toverpaleizen
maakt van stoven en prinsessen van poken, wanneer kiezelsteentjes tot
uitgezochte versnaperingen worden en nietsigheden tot prachtdingen,
wanneer het uit de lucht vriendjes en vriendinnetjes oproept en met
deze phantomen ernstige gesprekken voert en zelfs vrolike spelletjes
speelt, dan moeten wij niet zeggen: dat alles bestaat niet, dat is maar
verbeelding, want dan vergrijpen we ons evenzeer aan de ziel van het
kind, als wanneer we deze met leugens menen te vormen. We moeten het
goed beseffen: rijmende regels maken geen gedicht en conventionele
voorstellingen geen poëzie. Het gedicht zingt zelf zijn rythmiese
regels, de poëzie roept zelf haar verbeeldingen op, en beide komen, als
vogelgejubel uit verliefde keeltjes, als schone uitlevingen van het
bewogen gemoed.