IV.

Wees waar in uw gedragingen tegenover uw ook nog heel kleine kinderen.

Gun dezen waar te zijn in hun oordelen over anderen.

Geef naar waarheid antwoord op hun vragen.

Deze drie voorschriften werden in de eerste drie artikelen aanbevolen.

Er zijn volwassenen, ouders, die er niet van willen weten.

Waarom niet?

Uit gemakzucht en lafheid, zijn we geneigd te zeggen. Ze zijn te traag

en missen de moed, om met de sleur te breken.

Zeker, dit komt veelvuldig voor, doch eer we hierover ons veroordelend

vonnis vellen, willen we aan het goede in deze "gemakzucht en lafheid"

recht doen wedervaren.

Niet iedereen heeft aanleg, gelegenheid en tijd, om zich ernstige

opvoedingsproblemen in te denken. Is het dan niet voorzichtiger, zich

bij 't oude te houden, waarbij men zelf niet verongelukt is, dan met

onvoldoend inzicht en ontoereikende kracht een nieuwe weg in te slaan,

waarvan het minstens nog twijfelachtig moet heten, of hij naar het doel

leidt?

Onze ouders hebben ons ook allerlei praatjes wijs gemaakt, met velerlei

kluitjes in 't riet gestuurd, en honderd malen het zwijgen opgelegd,

maar ze meenden het toch goed met hun kinderen, hebben ze met liefde

gekoesterd, hard voor ze gewerkt, ten slotte ze met ere grootgebracht.

Zullen wij nu hun opvoedingspraktijk willen critiseren en verbeteren?

Hun manier moge dan haar gebreken hebben, duizenden en millioenen hebben

er zich wel bij bevonden. Dit is geen principe, maar een ervaring. En

deze ervaring heeft bewijskracht. Wanneer de massa, in wie toch het

zelfbehoudsinstinkt werkt, met een gerust hart zekere paden volgt,

gedachte- en critiekloos, zijn daar zeker wel goede redenen voor te

vinden, ook al is men zich die niet bewust. Sleur is vaak: instinktief

vertrouwen in de wijsheid van 't voorgeslacht.

Met laatdunkende geringschatting wordt vaak van de "oude paden"

gesmaald. Dan heet het, dat we niet laks en lauw het "platgetreden pad"

moeten bewandelen en "nieuwe wegen" moeten zoeken. Maar het zou er

treurig met ons en met de vooruitgang uitzien, als we telkens door zand

en hei en woud en moeras nieuwe wegen moesten banen. We volgen heel

verstandig de wegen, door onze voorgangers platgetrapt, uitgehakt,

aangelegd, al verzuimen we niet ze te verbeteren en daarnaast de

nodige nieuwe wegen aan te leggen. Verguizing van het voorgeslacht is

ondankbaar en dom, loopt uit op schade en schande, en het is niet alleen

wijs en voorzichtig, wanneer jonge ouders gedachteloos het voorbeeld

hunner eigen ouders volgen, indien ze niet van een betre gedragslijn

overtuigd zijn, maar er spreekt ook een eerbiedvol vertrouwen uit,

dat--hoewel niet bestand tegen een onbarmhartige maar in zijn

verstandelikheid toch bekrompen critiek--én de ouderen én de jongeren

eert. Er is toch, ondanks het gemis aan wat men noemt "waarheid in de

opvoeding", een geest van gehechtheid aangekweekt, die op slot van

rekening ja wat meer levensgeluk meebrengt dan een helderheid van

inzicht, die de harten koud heeft gelaten.

* * * * *

Wat als gemakzucht veroordeeld wordt, is dus meermalen vertrouwenvolle

voorzichtigheid, die zich aan 't beproefde oude houdt en dit met zijn

deugden en gebreken overneemt, waar de critiek heeft gezwegen en de

drang tot reiner practijk ontbroken.

Zo is het verwijt van lafheid ook vaak ongegrond. Zeker, menigeen durft

niet de eenvoudige waarheid te zeggen, hij is er niet bij grootgebracht

en huivert er nu voor terug. 't Is hem, alsof hij zich in een vreemd

land begaf, waar in het duister der onbekendheid allerlei gevaren

dreigen, in ieder geval zich telkens nieuwe moeilikheden voordoen,

waarop hij niet gerekend had en waarvoor hij niet berekend is. Maar

mogen we deze vrees lafheid noemen? Er spreekt veeleer zelfkennis en

wijze behoedzaamheid uit.

Er is bij velen een angstig terugdeinzen voor de naakte, de geheel

naakte waarheid. Is dit lafheid? Het kan evenzeer schaamte zijn en

eerbiedige schroom.

Het Paradijsverhaal laat de eerste mensen bedekking hunner naaktheid

zoeken, niet tegen de koude, niet ter bescherming tegen letsel, maar

uit ontwaakte schaamte na bedreven kwaad. Zondebesef maakt het hun

onmogelik, zich onbevangen te geven, gelijk ze zijn. En is dit tans, met

ons, nog niet volkomen hetzelfde? Wie durft zich gehéél te geven, gelijk

hij is? Alleen de schaamteloosheid, die geen oog heeft voor eigen grote

tekortkomingen, of de zuivere onschuld. Maar wij overigen, we hullen

ons in allerlei klederen van schijn, dekken ons met de vijgebladeren

van vormelike braafheid, omdat we ons innerlik, met al zijn zondige

bewegingen, niet eens tegenover ons zelf in zijn naakte waarheid durven

vertonen. We huiveren terug voor zulk een waarheid. En terecht.

Want wij kunnen de Waarheid niet dragen. Wanneer wij, door één woord uit

te spreken, eens plotseling _alles_ zouden zien, _alles_ horen, _alles_

weten, alle gedachten in alle mensenhoofden kennen, alle neigingen in

alle mensenharten, het gehele verleden, de volle toekomst, wie zou dat

woord durven uitspreken? Dan zouden we de gehele werkelikheid, en daarin

de waarheid hebben. Doch eer we er een millioen malen millioenste deel

van zouden ontvangen hebben, zouden we al bezweken zijn. Alleen de

oppervlakkige domheid durft de "naakte waarheid" aanvaarden, omdat ze

haar toch niet ziet.

Vertrouwen, schaamte, schroom weerhouden menigeen--ook al is hij zich

zelf de aard dezer remming niet bewust--de aanbevolen drie voorschriften

te volgen. Wel verre van dit te misprijzen, moet men gelukkig zijn met

de aanwezigheid en de uitwerking dier gemoeds-realiteiten. Zij zijn

de schatbewaarders onzer beste geestelike goederen. Zonder haar

behoudszucht zou de vooruitgang ons al te licht in 't moeras brengen. En

veel meer te vrezen is de voorthollende nieuwlichter, die bezwaren noch

gevaren ziet, dan de aarzelende "duisterling", zelfs al wordt hij als

"conservatief" gebrandmerkt, die niet waagt, omdat hij er anderen niet

gaarne aan waagt.

* * * * *

Kunnen we het goed recht bepleiten en waardering gevoelen voor de

opvatting van behoudszucht, waar deze kort en goed verklaart: "onze

ouders waren ook niet dom" en daarmee van een verandering in velerlei

levenspraktijk niet weten wil, niet zo welwillend zijn we gestemd

tegenover de mening, die de waarheid uit de opvoeding weren wil, omdat

ze de dood zou zijn voor alle poëzie. Want hier wordt eenvoudig wat

geleuterd.

"Alles wordt zo nuchter, zo prozaïsch," klaagt de in 't proza der

vormelikheid verdorde ziel, "wanneer het kind niet meer in Sint Niklaas

geloven mag en precies moet weten, dat Oom Willem maar voor Sint Niklaas

_speelt_; wanneer het niet meer mag uitzien naar de ooievaar, die

broertjes brengt, of zich voorstellen, hoe zusje uit de kool kruipt;

wanneer het horen moet, dat zusje in moeder groeit--o, shocking!--en

hoe dat lieve kindje ontstaan is uit de vereniging van twee cellen;

wanneer de sprookjes uit de kinderwereld verjaagd worden, de elfen en

de kabouters, de betoverde prinsessen en de wonderdoende tovenaars en

alle verdere bekoorlik- en griezeligheden. Dan blijft er tenlaatste

niets meer over dan sommen en zinsontledingen en geraamten van bladeren,

dieren en menselike wetenschap. En dan wordt het zo kil en zo donker in

het jonge gemoed."

Is de klacht gegrond?

Al aanstonds niet, waar ze vreest voor 't verbannen der sprookjes. Het

vertellen dier kleurige verbeeldingen kan heel best gepaard gaan met

"waarheid in de opvoeding." Of dieren kunnen spreken, is geen vraag. Ze

kúnnen spreken, zowel onder elkander als tegen de mensen. Dat weet ieder

die met dieren omgaat, al dringt hij niet door tot de finesses van hun

taal. Een verhaaltje met pratende dieren is natuurlik verdicht, maar

kan niettemin evenzeer waar zijn als een, ook verdicht, verhaal met

pratende mensen. En zijn er geen elfen, geen kabouters, geen betoverde

prinsessen? De wereld is er vol van, al zien ze er niet steeds precies

zo uit als de phantasie van ons dichterlik gemoed ze uitbeeldt.

Lieftallige zegenende natuurtjes, kleine kwelgeesten, lelike eendjes

die ten slotte mooie zwanen blijken, ze omringen ons, dag aan dag, en

onze fout is alleen, dat we ze alleen maar zien in de vertellingen,

dat we niet dichterlik genoeg zijn om ze in de levende werkelikheid te

aanschouwen. Die klagers en klaagsters over het prozaische der nuchtere

waarheid zijn eigenlik echte prozamensen, zo door en door prozamensen,

dat ze de verbeeldingen van anderen behoeven, om daarmee hun lege

gemoedshuis te meubileren.

De sprookjes blijven dus en alleen uit erbarmen met het kind besparen

we dit de ijselikheden van grootmoeders-verslindende-wolven, zoals we

het tere gemoed ook niet willen verscheuren met de angsten van kleine

knaapjes, in de greep van sexueel krankzinnige moordenaars. Niet het

verbeeldingrijke is de grief tegen vele sprookjes van Grimm, maar het

grove, gevoelloze, schokkende, en we verhalen evenmin met aangrijpende

aanschouwelikheid de ontzettendheden van het slagveld, de epidemieën,

of de gevangenissen, als die uit de sprookjeswereld. Hier gaat het niet

om waarheid of onwaarheid, maar om de hygiëne van het kinderlik

gemoedsleven.

Dat de jeugd van wonderdoende tovenaars vervreemd wordt, wanneer de

waarheid haar strenge eisen stelt, kan alleen opkomen in het brein der

breinloze onnozelheid. Is niet het ontspruiten van iedere zaadkiem een

wonder en het openen van iedere bloemknop? Wie tovert daar uit de zwarte

grond die groene stengels met die kleurige kelken? Daar droppelen wat

nevels op de aarde, daar spelen wat gouden stralen over die donkerheid,

en er verrijzen groene zuiltjes, zwevend van lenigheid, en waarop zich

rode en gele en blauwe offerschalen ontplooien, die bedwelmend zoete

geuren omhoog zenden. En het grootste wonder bij dit wonder is, dat

we de toverwereld zien, zonder dat de tovenaar zelf aanwezig schijnt.

Een man, die uit een lege hoed levende vogels schijnt te halen,

gapen we met eerbied aan. Doch zie nu, daar ontstaat vanzelf--kan

het toverachtiger?--vanzélf een weelde van vormen en kleuren en

geuren, en we zien het niet, en zo al, dan aanvaarden we het als een

"vanzelfsheid", waaraan alle wonder vreemd is. Alleen onze blindheid

voor de toverwereld der werkelikheid klaagt over armoede te midden van

de rijkdom, en het zijn weer, vrees ik, de misdeelde zielen, die voor de

gekunsteldheid der menselike tovenaars pleiten, omdat ze instinktmatig

voelen alles te verliezen, waar dit maakwerk hun ontvalt. 't Is echter

wat veel gevergd, hun hol gelawaai, hun conventioneel gekerm, hun

grootwoordige gevoelloosheid te respekteren als bewijzen hunner warme

liefde voor het wondervolle. Zolang er leven is, is er wonder, en ieder

vliegje, zwevend door de kamer, is met zijn gazen vleugeltjes of waar

het straks langs de vensterruit wandelt, een zwevend sprookje, een

wandelend mysterie.

* * * * *

Het is verre van mij, sprookjes en wonderverhalen te willen verbannen,

doch men vergete toch niet, dat deze niet verteld worden als antwoorden

op kindervragen. Geheel iets anders is het met de ooievaarshistorie en

de Sint Niklaasmanifestatie. Hier wordt niet als vertelseltje, niet als

toneelspel, maar als werkelikheid aangeboden en onbevangen aangenomen,

wat geen werkelikheid is. Bij 't verhaal van de wolf en de zeven geitjes

weten de kinderen heel goed, dat het "een verhaaltje" is, en geen moeder

heeft er plezier in, haar kind met alle geweld te doen geloven, dat de

geitjes weer levend te voorschijn kwamen, toen de buik van de wolf werd

opengesneden. Het kind luistert en leeft mee, alsof het waarheid was,

maar wéét het tegendeel, en de moeder laat het daarbij. Maar zelfs als

het kind uit zichzelf begint te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die

bisschop en niet meer kán geloven, dat een ooievaar een kindje door de

lucht kan dragen, doen de volwassenen nog hun best, deze twijfel te

onderdrukken, vrezende het feest dan al zijn heerlikheid en de geboorte

al haar reinheid te doen verliezen, beide van hun "heerlike poëzie" te

beroven. Dit nu wijst op een averechtse opvatting van poëzie, volgens

welke deze onmogelik zou wezen zonder zulke geloverijen in overgeleverde

voorstellingen.

Poëzie is een _kracht_ in de mens. Zij openbaart zich in verbeeldingen

en materialisaties. Zo kunnen de scheppingen van het voorgeslacht de

poëzie vertolken van vergane eeuwen. Maar in zichzelf zijn ze geen

poëzie.

Men kan wel zeggen, dat in ieder kind deze kracht werkt. Een jonge

moeder schrijft me van haar vierjarig dochtertje: "Op 't ogenblik

amuseert ze zich nog al eens met vijf kleine dochters en twee kleine

broertjes, die enkel in haar verbeelding bestaan, maar waarvoor ze

toch in Gouda blauwe en witte jurken gaat kopen, waarvoor ze kleren

strijkt, die ze te eten geeft en in het bad stopt." Waar komen al deze

dochtertjes en broertjes vandaan? Wie maakt ze zo werkelik, dat Anneke

jurken voor ze koopt en deze zelfs strijkt? Behoeft de moeder daarvoor

't kind iets wijs te maken? Wel neen, 't kind maakt zichzelf iets wijs,

en dit is de ware aard der poëzie: deze kracht heeft scheppingsvermogen.

Poëzie komt van een werkwoord, dat _maken_ beteekent, zij maakt iets,

zij schept, zij beeldt uit, zij geeft stemming gestalte, zij maakt

neiging tot droom en droom tot levensrealiteit. En _deze_ poëzie maakt

het mensenkind rijk te midden der armoede.

Heeft niet elke moeder die kracht in haar kinderen zien werken? Ze is

niet verbeelding. Ze _gebruikt_ verbeelding. Deze is haar dienaresse. Ze

is niet schoonheid. Ze tovert schoonheid. Ze is, wat de levenskracht in

de natuur is. Ze is scheppingsvermogen, opborrelend uit de geheimzinnige

bron van het leven zelf. En gelijk die levenskracht in de natuur de

sprookjes der bloemen- en dierenwereld voor onze ogen als reëele

schoonheid doet verschijnen, zo roept zij uit de donkere aardbodem der

kinderziel de sprookjes van kindertjes in blauwe jurkjes, die grote

reizen maken in de spoortreinen der stoelen.

Nooit heb ik kinderen--én mensen!--gelukkiger gezien, dan wanneer

ze hun eigen scheppingsdrang konden volgen. Verloren in arbeid,

maakten ze, rustig gelukkig, hun mooie, ook wel hun constructieve

verbeeldingen--kleine ingenieurs--tot zichtbare en tastbare

werkelikheid. Dan waren ze aan het dichten. Dan werkte de Poëzie

in hen. En deze Poëzie kon door de verhaaltjes van wolven en elfen

en Sint-Niklazen wel van haar oorspronkelikheid verliezen, door de

ooievaarshistorie wel in voorvaderlike banen geleid of misleid worden,

maar behoefde dit verbeeldingsmateriaal niet, om te worden gewekt of

gevoed.

Men versta mij nogmaals wel: ik bestrijd hier niet het vertellen van

deze dingen, ik betwist alleen, dat zij nodig zouden zijn, om wat poëzie

te brengen in de kinderwereld.

En zo vreze men dus niet, door zuiver-zakelike inlichtingen, door

eerlik-nauwkeurige antwoorden de poëzie in de kinderziel te doden. Het

kind gebruikt de verworven kennis als bouwstoffen voor zijn scheppingen.

Doch laten we nu de zaak niet omkeren. Wanneer het kind toverpaleizen

maakt van stoven en prinsessen van poken, wanneer kiezelsteentjes tot

uitgezochte versnaperingen worden en nietsigheden tot prachtdingen,

wanneer het uit de lucht vriendjes en vriendinnetjes oproept en met

deze phantomen ernstige gesprekken voert en zelfs vrolike spelletjes

speelt, dan moeten wij niet zeggen: dat alles bestaat niet, dat is maar

verbeelding, want dan vergrijpen we ons evenzeer aan de ziel van het

kind, als wanneer we deze met leugens menen te vormen. We moeten het

goed beseffen: rijmende regels maken geen gedicht en conventionele

voorstellingen geen poëzie. Het gedicht zingt zelf zijn rythmiese

regels, de poëzie roept zelf haar verbeeldingen op, en beide komen, als

vogelgejubel uit verliefde keeltjes, als schone uitlevingen van het

bewogen gemoed.

Verspreide Opstellen, II · 第 16 / 55 题