't Ging goed, wanneer onze kinderen alleen maar door zulk een geval,
daar heel in de verte, nu en dan iets van die afdwalingen vernamen.
Doch vergeten we niet, dat de gevaren henzelf bedreigen, en dat vaak
de teerste en liefste en welwillendste kinderen er het slachtoffer van
kunnen worden. Vergeten we niet, dat ons zwijgen oorzaak kan zijn, dat
onze eigen kinderen... Ouders krimpen ineen bij de gedachte, dat hun
jongetje aan zulke zielsangsten en lichaamsmarteling ten prooi zou
kunnen zijn. Maar wat dóén ze, om het, naar hun vermogen, te behoeden?
Het aangrijpende geval, in de kranten vermeld, geschiedde "daar heel in
de verte". Maar deze "verte" was in die kring zelf vreselike
dichtbijheid.
Driemaal in mijn leven ben ik in aanraking geweest met dit gevaar.
De eerste maal betrof het mijzelf. Als kind van dertien jaar stond ik,
bij schemeravond, op de Nieuwmarkt te Amsterdam, te kijken naar een
"boekenstalletje". Een jongeman van ruim 20 jaar kwam bij staan en begon
een praatje. Ik vond dit vreemd, maar gaf antwoord. Zwijgen zou toch
onbeleefd zijn geweest. Toen deed hij erg familiaar met zijn handen,
kneep me heel vriendschappelik, en zei allerlei dingen die me niets
aanstonden, alle van sexuele aard. Ik verstond en begreep, verstandelik,
heel goed, wat hij zei, maar doorzag het niet. Het beviel me echter
niets, maakte me onrustig, en ik ging weg. Maar hij liep mee, vroeg of
ik naar huis ging, waar ik woonde, zei dat hij ook die kant uit moest.
Ik kon hem natuurlik niet wegsturen en evenmin ontlopen, ofschoon mijn
bevreemding en afkeer steeds groter werden door zijn vuile praatjes en
onbeschaamde vieze voorstellen. Natuurlik kan ik die hier niet herhalen,
_ofschoon het heel nuttig kon zijn ouders eens te zeggen, wat hun
kinderen soms moeten horen van vreemden, als de opvoeders zwijgen_. Maar
daarvoor is het hier de plaats niet. Alleen wil ik nog mededelen, dat
hij ongeveer vijf minuten me bleef vergezellen en toen eindelik afdroop
op mijn hardnekkig en beslist weigeren. In mijn eentje ging ik naar
huis. 't Was inmiddels donker geworden en ik had nog wel een kwartier te
lopen langs een gedeeltelik heel stille weg. Bang was ik absoluut niet,
'k had ook geen aasje idee van 't gevaar dat me van zo nabij bedreigd
had. Daarvan begon ik pas iets te beseffen, toen ik tuis alles vertelde.
Mijn moeder werd wit van schrik. Allen luisterden met ontzetting en
waren innig dankbaar, dat ik niet meegegaan was. Maar nog zei niemand
me, wat die man gewild en beoogd had. Men gaf me alleen de algemene
inlichting, dat zulke mensen heel lelike dingen doen, en daarbij de
waarschuwing, nooit met ze mee te gaan. 't Gevaar was nu voorbij.
Ik wil niet beweren, dat mijn ouders me hadden behoren in te lichten.
Dit wil ik nog geheel in 't midden laten. Alleen moet ik opmerken, dat
het mislukken van de schandelike pogingen voor een groot deel gedankt
kon worden aan de grove, onhandige manier van de man. Had hij het
slimmer, voorzichtiger aangelegd, niets onbehoorliks gezegd, alleen een
beroep gedaan op mijn hulpvaardigheid, dan--schijnt het me nu toe--had
ik hem gaarne geholpen en had ik hem zeker, vol vertrouwen, langs stille
wegen begeleid. Zijn onbeschaamde, familiare manier van spreken en doen
was mijn behoud. Maar hij had fijner kunnen optreden.
We brachten--mijn vrouw, ik, en de kinderen--eens een zomervacantie
buiten door, toen in het stil en afgelegen hotel een heer zich
aanmeldde. Hij praatte met de kinderen der gasten en vroeg de weg.
Een der kinderen, een vriendelik, bereidvaardig jongetje van zes
jaar vertelde hem alles van de planten die hij geplukt had,
lief-vertrouwelik, gelijk sommige kinderen dat kunnen doen, en was
aanstonds klaar om met meneer een eindje op te lopen en hem zo de weg
te wijzen. Gelukkig kwamen juist de volwassenen, die met de kinderen
een wandeling zouden maken, en moest ook het kleine ventje mee, die er
echter hartzeer van had, dat hij die meneer niet had kunnen helpen.
Later, na de terugkeer van de wandeling, vernamen de ouders van de
hotelknecht, dat de veldwachters "die meneer" hadden meegenomen wegens
pogingen tot onzedelikheid met een boerejongen.
Hier zien we, hoe gevallen, heel in de verte, ons soms heel dichtbij
kunnen naderen, en behoedzaamheid plicht is. Achten we het al niet
nodig en zelfs verkeerd, kinderen bizonderheden mee te delen, uit vrees
daarmee blijvend hun verbeelding te verontreinigen en hun gemoed te
verontrusten, een algemeen en zeer beslist verbod om _nooit_ met vreemde
mensen mee te gaan, is toch haast onvermijdelik.
En eenmaal is het mij in mijn onderwijzersloopbaan gebeurd, dat
ik mee heb kunnen helpen, een oud-leerling, een fijn en braaf
kind, te beschermen tegen de zeer verleidelike en voor de ouders
bedriegelik-mooie aanbiedingen van een rijk heer. Dit leek nu inderdaad
heel onschuldig. Mag een rijke zich niet het lot van een arme jongen
aantrekken, hem uit zijn sfeer ophalen, en voor zijn toekomst zorgen? De
ouders werden bang bij 't mooie aanbod, ontvingen van betrouwbare zijde
nog tijdig een waarschuwing, en waren het met mij eens, dat arme jongens
hun toekomst met hard werken moeten veroveren en die niet moeten
ontvangen uit de handen van rijke meneren.
De moeder vertelde, toen 't gevaar voorbij was, dat de kameraden van de
jongen hem precies verteld hadden, wat "die smerige vent" op het oog
had. "Meester, ze hebben 't hem zo maar ronduit gezegd."--En weet hij
't nu? "Ja hoor." En waarom hebben zijn vader en moeder niet met hem
gesproken? Die zijn er toch het naast toe? "Ja, waarom! Dat moest een
mens eigenlik doen. Maar Meester, dat durf je dan niet."--Waarom niet?
* * * * *
Is het mogelik en daarbij goed, kinderen de volle waarheid te zeggen in
sexuele vragen. De volle waarheid kan men hun natuurlik nooit geven, en
dat niet zo zeer uit een oogpunt van kiesheid, maar omdat de _volle_
waarheid insluit en allereerst eist: de sexuele neigingen en driften.
Deze zijn _de_ hoofdzaak van het probleem, en hierover kan niemand
inlichting geven dan het leven zelf. Hier geldt wat ik reeds van
verliefdheid en moederliefde zei: de realiteit is hier niet _het
physies gebeuren_ en nog minder _de kennis daarvan_, maar _het psychies
ervaren_. En zo zou men iemand van deze geheimenissen _alles_ kunnen
zeggen, met het gevolg, dat hij er nog niet het _echte_ van wist.
De mysteries van ons gemoeds- en neigingenleven worden niet door
verstandelike voorlichting, maar alleen door levenservaring geopenbaard.
Wat er overblijft en eigenlik alleen mee te delen valt, is een stuk
natuurwetenschap. En nu wil ik wel eerlik verklaren, dat ik niet
begrijpen kan, hoe iemand daar enig bezwaar in kan zien. Het gehele
bevruchtingsproces bij planten, dieren en mensen is--natuurkundig
bekeken--niets anders dan de samenbrenging van twee verschillende
cellen. En ik begrijp bij al de haren op mijn hoofd niet, wat daar vies
of onkies in kan wezen. De weg, waarlangs die samenbrenging geschiedt,
is in 't ene geval wat anders dan in 't andere, maar dit is alleen een
kwestie van physiologiese bouw.
Wanneer men met kinderen van opeenvolgende leeftijden--en dat kan al
op het vierde jaar beginnen--platen van het inwendig menselik lichaam
bekijkt, behoeft men maar simpel de luchtpijp, de longen, de slokdarm,
de maag, de darmen, het hart, de aderen, de urinewegen, de baarmoeder,
de eierstokken aan te wijzen, en daarbij, in overeenstemming met de
leeftijd der kinderen, te vertellen, waartoe die organen dienen,
om al spoedig te ervaren, dat de kinderen het ene orgaan even
belangrijk vinden als het andere, en in _geen enkel opzicht_ aan de
geslachtsorganen en hun funkties meer belangstelling wijden dan b.v. aan
die der spijsvertering. Alles is hun even (of even weinig) interessant.
Men kan heus op alle vragen, die de kinderen in deze materie tot ons
richten--op alle!--heel eerlik antwoorden, mits men vroegtijdig beginne
en niet gewichtig-geheimzinnig, maar eenvoudig-wetenschappelik
antwoorde.
Vroegtijdig beginnen. Hebt ge ooit gemerkt, dat kinderen 't vreemd
vonden, dat Vader een baard had en Moeder niet? dat de zon overdag
scheen en 's nachts niet? dat vissen zwommen en duiven vlogen? dat
stenen vielen en pluisjes zweefden? Kinderen wennen bijna al te
gemakkelik aan de wonderen om hen en in hen. Maar als ze op hun tiende
jaar voor 't eerst een neger zien, dan kijken ze vreemd op. Wacht niet.
Wie wacht, vermeerdert ieder jaar de moeilikheid. Doch wie vroeg begint,
ontmóét zelfs geen moeilikheden, dan wellicht in zijn eigen verdorven
natuur.
En maak geen nodeloze ontroeringen. Ik houd er niet van, als Moeders
zo buitengewoon teer en uiterst behoedzaam, in een schemerhoekje, over
deze dingen met de kinderen spreken en daarbij zelfs hun eigen pijnen en
weeën te berde brengen, om het kind tot liefde en dankbaar medelijden
te stemmen. Zo maken ze stemming en zogenaamd eerbiedige schroom. Zeg
de dingen zakelik, niet bruut, niet ruw, maar wel nuchter, fris. Kweek
zakelike belangstelling, zo blijven de kinderen het best geestelik
gezond. Broeikasstemming kweekt exotiese gewassen.
* * * * *
Het heeft me altijd verbaasd en geërgerd, wanneer fatsoenlike en zelfs
godsdienstige mensen het geslachtelik leven onbetamelik en vies vonden.
Hoe nu? Heeft God het dan niet aldus ingericht, en hebben wij ons voor
Gods werk te schamen? Zouden wij het misschien nog op 't ogenblik God
willen verbeteren? Al is het waar, dat de zonde dit terrein tot haar
bedervende en vernielende werking kiest, die zonde openbaart zich
hier wellicht het snelst en het zichtbaarst, maar waarlik niet in
haar ernstigste karakter. Zij sluipt ook het gebedsleven binnen, het
geestelike verkeer met God, en vergiftigt de ziel met opborrelende
bewondering voor eigen welsprekendheid bij het openlik belijden
van eigen onmacht. Zullen we ons nu schamen voor het gebed? Onze
arbeidzaamheid, ons winnen van het dageliks brood, weet zij tot gierig
opzamelen te doen ontaarden, waarbij we een medemens laten verkwijnen.
Zullen we nu afkerig worden van werken en winnen? De zonde vergiftigt
iedere openbaring van zinnelik en geestelik leven en dan dunken mij de
hoogmoed, de nijd, de gierigheid ja wat heillozer dan de zinnelike
afdwaling.
Zoals God onze lichamelike funktiën heeft ingericht, hebben wij ze te
aanvaarden en te eren en te bewonderen. Wat zouden wij er dan bezwaar
tegen inbrengen, ze--physiologies--met onze kinderen te bespreken?
Wie het doet met eenvoud, oprechtheid, zonder gewichtigdoenerij, zal
ervaren, dat noch de reinheid, noch de fijnheid van het kinderlik gemoed
er ook maar iets bij heeft in te boeten, en beide juist veel echter en
mooier worden.
Vergissen we ons evenwel niet. Het gaat hier alleen om _waarheid in de
opvoeding_. Want wie menen mocht, dat in de eerlike voorlichting de
_zedelike opvoeding_ bestaat, komt bedrogen uit. Als dát waar was,
zouden alle mediese studenten wel engelen van reinheid moeten zijn.
En hoe wensenswaard we dit mochten achten in hun eigen belang en dat
hunner toekomstige vrouwen en kinderen, we mogen het op grond van hun
wetenschappelike opleiding toch maar zo grif niet aannemen. Kennis
heet macht. We mochten willen, dat het, op dit gebied, waar bleek.
Dan viel de zedelike opvoeding, ook de zedelike zelfopvoeding, ja wat
gemakkeliker. Kennis waarborgt in geen enkel opzicht morele gezindheid,
morele kracht, niet eens wijs beleid. Alleen heiliging der neiging kan
ons helpen. En die wordt niet door kennis verkregen.
Waarom we dan toch op kennis aandringen?
Omdat ze later onmisbaar is en ze het best geleidelik met vroegtijdig
wennen wordt aangebracht, en dan door de ouders zelf. Het kind vraagt en
zal blijven vragen, en ontvangt het geen antwoord van zijn ouders, dan
zullen vriendjes en vriendinnetjes het zelfs ongevraagd inlichten. Hoe?
Dat is toch wel algemeen bekend: onjuist, onrein, met zeer gevaarlike
bijmengselen voor gemoed en verbeelding, die--en men vergete dit toch
niet--het kind in een apart wereldje doen leven, verwijderd van zijn
ouders. Niet ouderlike voorlichting, maar de troebele bron der geheime
mededeling bederft enorm veel kinderreinheid en kinderbegrip, die beide
ontzien en zelfs gebaat zouden zijn door tijdige opheldering van de
alleen bevoegden. In donker vermenigvuldigen zich vele schadelike
bakteriën, die door 't zonnelicht gedood worden.