III.

Natuurlik ontveins ik mij niet het gevaar, aan het bespreken van de

fouten der volwassenen verbonden. Zelfs is het niet zonder bedenking,

het gedrag van kameraadjes aan ontleding en beoordeling te onderwerpen.

Het oog wordt zo veel te veel gescherpt op het zien van anderer

tekortkomingen en zou er ongemerkt op uit gaan, die op te sporen en te

ontdekken. Daarom begon ik het vorige artikel met de waarschuwing, toch

vooral niet van ieder kibbelpartijtje een gewichtig geval te maken, dat

"ernstig" behandeld moet worden, en wil ik ook nu nog eens nadrukkelik

verzekeren, dat naar mijn mening het dringen in eens anders daden

en omstandigheden alleen dan gerechtvaardigd is, wanneer het kind

toch reeds geoordeeld heeft en wij het tot zuiverder, billiker,

rechtvaardiger, liefdevoller oordeel willen brengen. De waarheid zeggen

en zoeken betekent niet: zich telkens weer met de zaken van een ander

bemoeien. Wanneer er lelike motieven moeten worden blootgelegd, laat het

dan de verkeerde motieven zijn, die bij 't kind zelf gewerkt hebben.

Daardoor kan het zelfkennis verwerven, zelfkritiek oefenen en heeft het

ten slotte geen tijd zich te spitsen op de fouten van anderen, gelijk

onze christelike maatschappij dat pleegt te doen--uit naastenliefde.

Tans gaan we over tot de bespreking van een derde punt van ons

onderwerp. Eerst beschouwden we onze _gedragingen_ tegenover de

kinderen; daarna het _oordelen_ van de kinderen over personen; nu komen

we tot de kinder_vragen_ en, in verband daarmee, onze antwoorden.

Die vragen betreffen de problemen, welke natuur en mensenleven het kind

voorleggen.

Er is, in 't algemeen, tweeërlei reden, waarom we ze eerlik

beantwoorden. Een kind verlangt te weten, anders vroeg het niet. Vragen

is een uiting van weetbegeerte. Kennis, voor zover ze uit zuivere

weetbegeerte voortvloeit, is in de regel heilzaam. We moeten evenwel een

beperking maken, omdat er ook kennis gezocht wordt ter wille van slechte

neigingen. Iemand kan b.v. willen weten, waar clandestiene drankverkoop

is, om zich te kunnen bedrinken. We denken nu echter alleen, aan weten

uit neutrale weetbegeerte, en dan is het in de regel nuttig, als dit

weten bij kinderen bevorderd wordt.

Nog belangrijker echter is de tweede reden, waarom eerlike antwoorden

worden aanbevolen. Zij gronden en versterken het vertrouwen van 't kind

in zijn opvoeders. We kunnen niet genoeg doen--en laten!--om ons dit

te verzekeren. Van het vertrouwen moeten we het hoofdzakelik hebben.

De opvoeder is lange tijd _de voedingsbodem van 't kind_. Met al de

fijne vezeltjes van zijn geestelik leven voelt het zich in de ouderen

geworteld. Al zijn vastheid, zijn zekerheid, zijn veiligheid, zijn

gerustheid hangt hiervan af. Daarom is het zo schandelik roekeloos, dit

vertrouwen te verzwakken.

Zuivere kennis is zeker niet te versmaden, maar meer en oneindig meer

dan deze is het vertrouwen, dat zelfs voor een goed deel de waarde der

kennis bepaalt. Veel van onze kennis toch is napraatkennis. We _weten_,

wat ons _gezegd_ is. _De betrouwbaarheid van de zegger is dus de macht

van onze kennis._ Heet kennis macht, die macht wordt dan voor een

overgroot deel ontleend aan het vertrouwen in de persoon, wiens zedelike

autoriteit voor ons de kennis tot ontwijfelbaarheid heeft gemaakt.

* * * * *

Het komt natuurlik vaak voor, dat we op kindervragen het antwoord niet

kunnen geven, omdat we 't zelf niet weten. Dan erkennen we dit gulweg.

Alle groothouderij is klein. Het geeft onze houding iets innerlik

onzekers en ontneemt haar met de vastheid de kracht, wanneer we een

schijn pogen te bewaren. Ook al zou het kind uitroepen: "Weet u dát niet

eens? O, wat bent ú dom!"--dan aanvaarden we dit oordeel met blijmoedige

berusting: "Ja kind, het is treurig." Ten hoogste kunnen we beloven, het

antwoord te zoeken, als we daar kans toe zien, maar niemand is gehouden

alles te weten en bij ernstige problemen is het óók een weten, als men

weet, dat men iets niet weet. Zo ver brengt de pedante domheid het maar

zelden.

In vroeger jaren heb ik meermalen horen beweren, dat de volwassenen voor

de kinderen de volmaaktheid dienden te vertegenwoordigen, en zij hierom,

waar het wezen natuurlik ontbrak, toch de schijn moesten ophouden. Vader

moest alles kunnen, alles weten. Dat boezemde de kinderen eerbied in.

Dat hield zijn gezag hoog. Dat zou hen aansporen tot navolging van dit

hoge voorbeeld. Wellicht is deze mening nog hier en daar de moeder of de

dochter ener onware verhouding, ook tussen volwassenen en volwassenen.

Ik acht haar uit een opvoedkundig oogpunt verkeerd. Schijn bedriegt, óók

hem die de schijn aanneemt en die er een vals gevoel van meerderheid

aan ontleent. Schijn geeft iemand een gevoel van zekerheid, dat hem

aanstonds onrustig maakt, als de waarheid dreigt door te breken. _In de

waarheid staat men onwankelbaar._ Ons kennisgebied, ons machts-terrein,

ze behoeven niet uitgestrekt te wezen. Erkennen wij, weinig te weten,

weinig te kunnen, als we van dit weinige maar _zeker_ zijn. Dan worden

we in dit weinige ook geëerd. Alle wáárlik nuttig weten en kunnen is

bruikbaar, is brood en achting waard, en verwerft die ook. Als ze maar

_echt_ zijn!

In dit vertrouwen moeten de kinderen opgroeien, en daarom moeten

de ouderen het _door hun leven_ de jongeren inboezemen. Wat een

geflodder zien we nog vaak met kleurige lappen van vertoon. Wat een

voornaamdoenerij, wat een voorwenderij. Het is of een schoolmeester zich

vooral schamen moet een schoolmeester te zijn. Hij moet een "meneer"

zijn, hij moet "over alles" mee kunnen praten. En wie een gewoon burger

is, moet de allures aannemen, alsof hij tot de aristokratie behoorde. My

house is my castle, zegt de Engelsman. Ik zeg: mijn ambt is mijn eer en

mijn stand is mijn trots. Wees wat ge zijt, maar wees dat goed. En als

ons gehele leven, en _dus_ ook onze opvoeding, in die toon staat, dan

kunnen we tegenover kinderen ook zonder enig bezwaar onze onwetendheid

belijden. Ze zúllen ons geen domheid verwijten, zelfs niet in de diepte

van hun hart.

Wie nu uit deze regelen afleidt, dat we geen verplichting hebben

ons zo knap mogelik te maken, ook ter wille van de kinderen; of dat

we met onze onwetendheid te koop moeten lopen; of dat we altijd

maar de schoolmeester moeten uithangen; of een andere gans niet

bedoelde dwaasheid, dat we b.v. trots moeten zijn op onze fouten

en achterlikheden, die heeft, om de waarheid te zeggen, het gezegde

niet precies begrepen. Ik heb gezegd, altans gemeend: poets uw ijzer,

uw tin, uw koper blinkend, en hebt ge goud, laat dan ook dit glanzen,

alleen--werk niet met klatergoud. En waar uw kinderen iets vragen, dat

gij niet weet, wapper dan niet met een flikkerend schijnsel, indien ge

geen rustig helder licht kunt doen stralen. Handhaaf uw gezag en

vermeerder hun eerbied door te erkennen: ik weet het niet.

* * * * *

Doch als we het wél weten, dan zijn we er daarmee nog lang niet. Dan

rijzen voor óns de vragen: kúnnen we en mógen we het kind wel de

waarheid zeggen. Het gaat niet aan, zo maar boudweg te verklaren,

zogenaamd "principiëel": de waarheid is altijd heilzaam. Met zulke

algemeenheden--ze heten dan echter heel gewichtig principes--schermt

de domheid, en daar kan ze dan een reuzensucces mee hebben in een

vergadering van mensen, die dolgraag de waarheid horen, als deze anderen

ontmaskert, maar zich woest verweren en het als groffe onbeschaamdheid

uitkrijten, wanneer hunzelf de waarheid wordt gezegd. Neen, de waarheid

is niet altijd heilzaam en we dienen wel degelik eens rustig te

overwegen, wanneer we haar de vragende kinderen kunnen geven of moeten

onthouden.

Er zijn gevallen, waarin de kinderen door ontoereikend verstand ons

antwoord niet zouden begrijpen. Dan behoeven we echter niet te liegen,

maar antwoorden eenvoudig: "Dit is te moeilik voor je, dit begrijp je

nog niet," en dan zeggen we hierin toch de waarheid. Het is evenwel

opmerkelik, hoe sommige kinderen met dit antwoord niet tevreden zijn en

aandringen: "Zeg u het toch maar eens, misschien begrijp ik het wel."

Zulk een aandrang wijze men toch vooral niet met zekere korzeligheid

of gekrenktheid terug. Hij getuigt heel gunstig voor de leergierigheid

der kinderen. En wellicht hebben ze gelijk. Kinderen kunnen vaak meer

begrijpen, dan wij vermoeden. Beproef maar de verklaring te geven. Gaat

deze boven hun bevatting, dan zijn ze eerlik genoeg, om aanstonds te

zeggen: "Neen, scheid u maar uit, ik begrijp het toch niet." Doch lukt

het u, door de zaak _heel eenvoudig_ voor te stellen, hun opmerkzaamheid

te boeien, hun weetgierigheid te bevredigen, dan zult ge eens ervaren,

welk een dankbare leerlingen ge hebt, en uit hun verdere vragen zien,

dat ze inderdaad begrepen hebben. Wanneer wij zo zeggen: "Dit is te

moeilik voor je", moesten we meermalen eigenlik zeggen: "Dit kan _ik_

je niet eenvoudig genoeg maken." Oefenen we onszelf in deze kunst, dan

blijkt al gauw menige schijnbaar ingewikkelde zaak geheel binnen het

bereik van een normaal kinderverstand te liggen.

Met een paar voorbeelden willen we dit toelichten.

Een kind loopt met Vader of Moeder op straat en ziet, hoe een zwaar

ijzeren blok tussen twee palen telkens omhoog wordt getrokken, om dan op

een paal neer te vallen. Ze zijn aan 't heien. Al wat _beweegt_, trekt

de aandacht der kinderen, dus ook dat rijzende en vallende blok. "Wie

trekt dat toch omhoog?" vraagt het kind. "Dat doet die machine," is 't

antwoord. Menig vragend kind, en zelfs menig vragend volwassene, is

hiermee voldaan. Hun geest is te traag, om dieper door te dringen.

"Die machine" is de volle bevrediging van hun verlangen naar oplossing

van 't raadsel. Geef hun ter verklaring van honderderlei omringende

geheimzinnigheid maar altijd een "machine", en ze zijn content. Maar

er zijn ook kinderen, die dan verder gaan en vragen: "Hoe kán dat?"

Nu ligt voor de meeste ouders het antwoord voor de hand: "Dát kan ik

je niet uitleggen," en dit zeggen ze te beslister, omdat ze zelf die

machine niet begrijpen. Machines schijnen voor vele mensen, vooral

voor vrouwen, iets ontoegankeliks te hebben. Dames, die bij haar

theosofiese gesprekken niet terug deinzen voor verklaringen van

absoluut ontoegankelike mysteries, schrikken voor een machine als voor

een onoplosbaar probleem terug. Dat werktuig in zijn arbeid stap voor

stap te volgen, te zien, te begrijpen, is hun raadselachtiger, dan de

opvolgende incarnaties door de loop der volmaakt in het duister liggende

eeuwen.

Maar onze jonge moeders kunnen ook die geheimzinnige "machine"

benaderen, als ze maar eens naar hun eigen waterketel kijken. Dat deksel

gaat, als het heiblok, ook telkens op en neer. Wie duwt het op? De stoom

in de ketel. Wie doet het vallen? Zijn eigen zwaarte, als de stoom

ontsnapt is. En wie maakt die stoom? Dat doet het vuur onder de ketel.

Dus wie duwt _eigenlik_ het deksel op? Het vuur.

Onderstel nu eens, dat ik aan een gezelschap van jonge moeders vroeg:

Jullie hebt nu alle tot je 18e jaar onderwijs genoten, op de lagere

school, op de middelbare school, op het gymnasium, _wie kan met vuur

een zwaar stuk ijzer optillen_, dan zou ik misschien meer verbaasde

gezichten zien, dan heldere antwoorden vernemen. En toch had ik ze maar

even mee te nemen naar de keuken, misschien naar de teeketel op het

gaskomfoor in de kamer, om ze het ei van Columbus te doen zien. Zó

dichtbij ligt vaak de oplossing van duister schijnende problemen. James

Watt zag als jongen de toekomstige stoommachine in de waterketel van

zijn tante.

Bind nu eens aan de knop van het deksel een dun draadje. Leid dat b.v.

over de leuning van een stoel. Hang aan de andere zijde der draad een

lucifer. Dan gaat deze met het deksel op en neer. Iets als ons heiblok.

Welke jonge moeder maakt zich niet sterk, dit haar vragend vijfjarig

ventje duidelik te maken? Moeders zijn knapper, dan ze zelf weten. Als

ze maar niet op school hadden gegaan! Daar is die knapheid vaak in

geleerdheid verduisterd!

Bij elke machine hebben we maar twee vragen: Welke kracht brengt haar in

beweging? En: Hoe wordt die beweging overgebracht?

De eerste vraag brengt ons naar de kracht van stromend water, stromende

lucht, spieren van mens en dier, spanning van stoom, electriciteit.

Natuurlik kunnen we dan weer verder vragen: Wat dóét het water stromen,

de lucht waaien, en zo verder. Dan reizen we van het stromende water

naar de zon, die eerst dit water als damp omhoog heeft gevoerd en zo

veroorzaakte, dat het daarna als regen of sneeuw de bergtoppen bezocht;

dan waaien we met de winden naar de zon, die luchtlagen verwarmde en

daarmee het evenwicht in de atmosfeer verstoorde, zodat nu de dampkring,

waaiende, herstel van dat evenwicht zoekend, en passant onze molens

doet draaien; dan doet de stoom ons in het vuur de wondere eigenschap

ontdekken, dat door verbinding van koolstof met zuurstof warmte

ontstaat, en leidt die koolstof ons weer naar de zon, door wier energie

zij uit de lucht in het plantenlichaam is gekomen; dan stijgen we

met de spieren van mens en dier ook al naar de zon, de krachtcentrale

onzer aarde; dan vinden we telkens weer in dit middelpunt van ons

planetensysteem het eindpunt onzer vragen, en--het beginpunt van nieuwe

vragen. Vragen naar de oorsprong der kracht brengt ons telkens aan een

ander adres, maar lost natuurlik het mysterie der kracht niet op.

Hoe de beweging wordt overgebracht is al heel gemakkelik na te gaan, zo

gemakkelik, dat ik me meermalen met verbazing heb afgevraagd, hoe een

deel der onderwijzerswereld toch zo verbijsterd is geworden door het

inwendige van mijn houtzaagmolen en daarna zelfs nijdig op mij, dat ik

ze in dat gewirwar had gebracht, alsof ik het boze opzet had gekoesterd,

kollega's daar tot planken te doen zagen. Bekijken we eens rustig

bijgaande tekening, dan zien we, hoe dood-eenvoudig onze goede windmolen

van binnen is, veel eenvoudiger dan ons eigen lichaam, dat door

diezelfde boze mensen met de kinderen wordt ontleed, alsof ze er alles

van wisten.

[Illustratie: De lezer volge bij deze doorsnede eens rustig de weg van

de wieken naar de zaagramen, zonder nog de verklaring te lezen.]

De windmolen is evenals het zeilschip de oplossing van het probleem, hoe

we de wind werk voor ons kunnen laten verrichten. De wind vaart maar als

een woestaard door onze boomgaarden, over onze huizen, smijt vruchten

af, bomen om, schoorstenen naar beneden, kunnen we die sinjeur niet van

vijand tot vriend maken en zijn kracht tot ons voordeel aanwenden?

De eerste eis is natuurlik, die kracht op te vangen. Dat geschiedt het

best in grote lappen, in zeilen.

Zie nu de molen. Zijn vier wieken zijn met zeilen bedekt en staan wat

schuin tegen de wind, zodat die er op los blaast en ze wegduwt. Ze

kunnen echter niet weg, ze zitten vast in een zware as. Nu moeten ze wel

in de rondte draaien, net als een steen aan een touw. En de as draait

mee.

Daar hebben we de kracht al opgevangen en omgezet in een draaiende

beweging. Met die beweging kunnen we nu verder werken. Willen we ermee

hijsen, dan binden we een touw aan de as en de wind trekt onze lasten

op, terwijl het touw om de draaiende as wordt opgerold. Doch nu willen

we er planken mee zagen. Hoe spelen we dat klaar?

Om de as brengen we een rad met tanden. Deze draaien met de as mee en

grijpen onderdehand tussen de staafjes van een liggend rad, dat op die

manier op zijn beurt in de rondte wordt geduwd. Draait het, dan draait

de spil mee, waar het aan verbonden is, en beneden aan de spil ook een

tweede rad. De tanden van dit laatste grijpen weer tussen de staafjes

van een staand rad, dat ook begint te draaien en in zijn wentelende

beweging een lange horizontale ijzeren kruk doet delen, die dwars door

de hele molen ligt. Sommige stukjes van deze kruk zijn wat uitgebogen.

Juist daar zijn er stokken los aan verbonden. Die stokken draaien met de

boogjes mee, omhoog, omlaag, en daardoor gaan de zaagramen, onder aan

die stokken, ook omhoog, omlaag. Leg er een boom voor, en ze zagen hem

aan planken. "Ze"--maar dat is dan eigenlik de wind, die langs de weg

van wieken, as, asrad, spilrad, spil, onderste spilrad, krukrad, kruk en

kolderstokken[2] de zaagramen op en neer beweegt.

[2] De naam kolderstokken is wel heel aardig: die stokken kolderen of

draaien. Heeft een paard ook niet soms de kolder in de kop?

Is nu dat overbrengen der kracht niet gemakkelik te volgen? En dit wordt

er niets moeiliker op, als we in plaats van tandraderen, wielen met

drijfriemen hebben en de wrijving van de lederen riem de duwende dienst

der tanden verricht.

Zal de molen goed wind vangen, dan mogen de wieken niet te klein zijn

en moet hij dus vrij hoog gebouwd worden. Hiervan is het gevolg, dat

hij verschillende zolders heeft--hoe kan de molenaar anders in de kap

komen. Eigenaardig zijn die zolders benoemd naar de voornaamste delen

van 't werktuig, die zich op die zolders bevinden, gelijk men op de

tekening zien kan. Nu is het natuurlik niet nodig, dat een leek die

namen kent, maar is er iets bizonders in de namen as, spil, kruk, raam?

Alleen de kolderstokken zijn vreemdelingen, maar deze worden heel aardig

geïntroduceerd door kolderende paarden.

Nog eens--'t is de bedoeling niet, iemands geheugen te belasten met vele

namen, doch alleen werd hier de vraag gesteld: Is het zo moeilik in een

dergelik werktuig het overbrengen der kracht te volgen? Ik hoop, dat

zelfs moeders antwoorden: "Wel neen! Als je 't maar weet!" Welnu, laat

de school zorgen, dat zulke eenvoudige kennis iemand niet terugschrikt.

* * * * *

Er zijn vragen, die gemakkeliker schijnen, doch veel moeiliker zijn.

Dat zijn de vragen, die alleen door _levenservaring_ beantwoord kunnen

worden, en deze is voor een kind ja wat ontoegankeliker dan een

werktuig. Hier komt men er niet met een waterketel, een draad, een

lucifer, of een tekening, en het is een der grote domheden van de

redeneerpedagogiek, dat ze kinderen door mededeling en redenering

wijsheid heeft willen inprenten, die alleen door levenservaring kan

worden verworven.

Die redeneerpedagogiek heeft met veel goede bedoeling veel onvruchtbaar

werk gedaan en gaat hiermee nog trouw voort bij ouders, die menen dat

verstandelike voorlichting steeds mogelik, voldoende en plichtmatig is.

Een paar eenvoudige voorbeelden kunnen het tegendeel bewijzen.

Wie acht zich in staat aan een kind een zuiver denkbeeld te geven van

verliefdheid? Dit kunnen we zelfs niet aan een volwassene. Verliefdheid

leren we alleen maar kennen door verliefdheid, en wie nooit echt

verliefd is geweest zal dit gevoel nooit begrijpen, ook al heeft hij

zijn zilveren bruiloft gevierd met de beste en mooiste vrouw van de

wereld, al is hij mijnentwege tweemaal getrouwd geweest. Verliefdheid is

de verrukkelikste en de gevaarlikste, de zaligste en de noodlottigste

bedwelming ter wereld. Wie nooit verliefd is geweest, heeft een hemel

op aarde gederfd--mijn vader zei van verliefden te recht: ze zijn in de

zevende hemel--maar zulk een misdeelde kan daardoor dan ook niet over

verliefdheid meespreken en mag over verliefden niet oordelen. Doet de

onverlaat dit toch, en spot hij b.v. met de heerlike dwaasheden van

jonge verliefden of bederft hij hun kleurig minnespel door het grauw

van zijn nuchterheid en de rauwheid van zijn tirannieke bemoeizucht,

hij verdient op zijn oude dag tot over zijn oren hopeloos verliefd te

worden, opdat hij ervare en met schade en schande--ik zeg niet: wijs

worde, maar de gelegenheid hebbe, de dwaasheid zijner nuchterheid in de

wijsheid der verliefdheid onschadelik te maken.

Zullen we een kind op zijn vragen aan 't verstand pogen te brengen,

waarom die jongelui "zo gek" doen? Al zit in de rups een vlinder

verborgen, laat de rups rups, rondscharrelen door het malse groen.

Wanneer de tijd daar is, zal hij vanzelf wel zijn vleugeltjes ontplooien

en zijn vlinderweelde leren kennen. Een kruipend diertje zal nooit het

vliegen begrijpen.

Jonge moeders en vaders moesten uit hun eigen verliefdheidsperiode--ik

hoop, dat ze er nog telkenkeer in leven?--genoeg geleerd hebben, om met

hun opgroeiende kinderen niet over onderwerpen te spreken aan hun jaren

en ervaren vreemd. En anders kunnen ze die les nog trekken uit hun

ouderlike gevoelens. Wat een moeder is, weet je pas als je moeder bent,

en daar een man nooit dit voorrecht zal hebben, dient hij met gepaste

bescheidenheid zijn vrouw dwaasheden te laten begaan in de omgang met

haar kinderen. Ook hem is niet volkomen aan 't verstand te brengen,

wat er in een moederhart leeft en werkt, al kan hij 't in begrijpen

een heel eind brengen, wanneer hij zich herinnert, wat hem als kind

zo weldadig in moeders handelen aandeed. Dan zal hij daar liefheidjes

en onredelikheidjes ontdekken, die tans zijn wijze vaderpedagogiek zou

willen veroordelen, maar die hem als knaap verkwikt, gekoesterd en

gesteund hebben. Maar ten volle zijn vrouw als moeder begrijpen, het

lukt hem nooit. Hij zie er daarom maar wijzelik van af en tevens van

elke poging, om zijn kroost, redenerende, in de wereld der volwassenen

binnen te leiden.

* * * * *

Doen de mensen dat dan?

Het komt mij voor van wel. En het schijnt me zelfs toe, dat ze de

laatste decenniën als gevolgen van het intellectualisties streven daarin

al aardig ver zijn gegaan.

Kinderen leren oordelen over de geheel-onthouding, het militarisme, het

socialisme. De volwassen drijvers zijn uiterst bang, dat de jeugd hun

ontsnapt, en stichten kinderverenigingen met komplete programma's. De

kleinen memoriseren een nieuw soort catechismussen en redeneren--als in

de slechte godsdienstige opvoeding--ganse beschouwingen na.

Het is ons aller plicht, kinderen te oefenen in matigheid, in afkeer van

gevaarlike prikkels, in vredelievende gezindheid, in gemeenschapszin.

Die eigenschappen hebben ze reeds als kind nodig, in de huiskamer, in

de buurt, op school, bij spel en werk. Maar daarom zijn ze nog niet in

staat over het alcoholvraagstuk, het soldatenwezen, het kapitalisme te

oordelen. Hoeveel kennis van de menselike natuur, van volkeren in hun

onderlinge verhoudingen, van oeconomiese faktoren wordt er vereist, om

die problemen te doorzien, te overzien, in hun oplossing te beinvloeden.

Maar tegenwoordig schijnt die kennis gemeengoed te zijn van de massa.

Beheerst door een ongetwijfeld prijzenswaardig hunkeren naar het heil

der mensheid, weet nu iedere arbeider, iedere kantoorklerk, iedere

schoolmeester de bedwelmingsprikkel te bezweren, de oorlog op te

ruimen, de geldmacht te vernietigen. Je stemt maar vóór dit en

tégen dat, en we zijn er. De ingewikkeldste vraagstukken, waar de

gecompliceerdheid en boosheid der menselike natuur ons voor plaatst,

worden in cursusvergaderingen gemakkelik opgelost. En om die oplossing

te verhaasten worden ook al kinderen tot overtuigde en bewuste

medestrijders gemaakt.

Ik eer natuurlik de nobele bedoelingen, ik sympathiseer gehéél met de

zedelike drijfveren, maar krijg toch de indruk, dat men torens bouwt van

dominostenen. Dit nu is geen kwaad in de kinderkamer, daar is het één

en al spel. Maar als men waant, in die torens te kunnen wonen, komt men

bedrogen uit. We behoeven niet eens zo heel hoog te klimmen, reeds

gelijkvloers zijn ze onbruikbaar.

Al die Babeltorens, uit beginselen en stelsels opgetrokken, zijn zo

bedriegelik. Redenerende in vergadering of op papier, doen we ze netjes

en snel verrijzen. Doch straks storten ze ineen bij de spraakverwarring

der praktijk. Veiliger en vruchtbaarder dunkt het me daarom, steeds in

het klein te beginnen met de _toepassing_. _Leef het beginsel uit._

Dan blijkt zijn levenskracht, zijn echtheid, zijn vruchtbaarheid. Dan

ervaren we onmiddellik de onverbiddelike contrôle en kritiek van het

leven en worden daardoor wijs.

Gemakkeliker is het echter, te redeneren. Dat geeft ons het

plezier van 't verstandelik opbouwen, het genot van een zuivere

hervormingsbraafheid, en 't eist geen opoffering van neigingen en lusten

in het gewone leven van huiskamer en werkplaats. Doch wil men inderdaad

in en door zijn kinderen het heil der toekomstige mensheid bevorderen,

dan schijnt mij de aangewezen weg: Praat ze niet vroegrijp met allerlei

ongepeilde beginselen en ongewogen algemeenheden en onbegrepen

theorieën, maar doe ze dag aan dag ervaren--ervaren!--wat het betekent,

een verkeerde lust te beheersen, een slechte neiging te bedwingen,

een lelike stemming onder de knie te krijgen, een onedel gevoel op te

lossen. Kinderen, die zich strijdend geoefend hebben in zelfverbetering,

verrijken de mensheid--maar denken later niet zo eenvoudig over

"maatschappelike hervormingen". We leren--door dóén.

* * * * *

Soms antwoorden we dus niet, omdat de kennis alleen door levenservaring

kan worden aangebracht, een ander maal bovendien, omdat het juiste

antwoord het kind al te hevig kan aangrijpen, zijn gemoedsrust

verstoren, zijn verbeelding bezoedelen.

Er zijn allerlei lichamelike en zedelike ziekten onder de volwassenen,

waarover we met het kind niet spreken.

Dat is nog al natuurlik, zal men zeggen. Maar zó natuurlik is dit niet.

De kinderen horen op school, lezen wellicht op een aanplakbiljet, dat

er een jongetje vermoord is. Het signalement van de vermoedelike dader

wordt beschreven, het waarschijnlike motief voor zijn misdaad aangeduid.

Nu komen de kinderen tuis en vragen, gelijk dat bij een goede verhouding

vanzelf spreekt: "Maar Moeder, waaróm heeft die man dat jongetje

vermoord? Wat had hij eraan?" Ze begrijpen, dat er een duistere

bedoeling achter ligt, hebben misschien reeds enige bizonderheden

gehoord, weten dat de man het kind met lekkernijen, met beloften, met

een beroep op lieve kinderlike hulpvaardigheid heeft meegelokt, het

water over, langs stille zandwegen, door de weiden, in de duinen. En

voelende, dat zulk een gevaar ook hen zou kunnen bedreigen, vragen ze

met onrustige aandrang: "Waarom dééd die man dat dan?"

Moeten we nu spreken van abnormale sexuele neigingen?

"Natúúrlik niet!" roept men weer, en nu nog beslister dan zo even.

Verspreide Opstellen, II · 第 14 / 55 题