In hun _gedragingen_ tegenover de kinderen dienen de ouders waarheid te
betrachten, en dit beginne al bij de wieg. Wie een zuigeling bedriegt,
ent hem in met wantrouwen.
Aleer we nu willen nagaan, hoe het opgroeiend kind, dat met andere
kinderen en volwassenen in aanraking, in wrijving, in strijd komt, over
die anderen en zichzelf met waarheid moet leren _oordelen_, is het
nodig, tegen een algemeen voorkomende fout te waarschuwen, juist omdat
die fout in het oog der waarheidsliefde een deugd lijkt.
Het verkeer van kinderen onderling brengt botsingen mee--dit kan niet
anders. Vele opvoeders menen nu goed te doen, wanneer ze deze botsingen
altijd heel ernstig behandelen om daarbij--alsof ieder nesterijtje een
Dreyfuszaak was--de waarheid te doen zegevieren. Onze grootouders
maakten van die kinderkibbelarijen niet zo'n drukte. Ze zeiden, heel
kalmpjes: "Laat maar stil doodbloeden." En ze hadden gelijk.
Hoe zorgvuldiger men een geschil behandelt--gelijk een wond, die men
reinigt en verbindt--hoe "gevoeliger" het wordt. Laat het maar
onverzorgd, zodat het bloed er gans en al uit wegvloeit. Dan bloedt het
vanzelf dood.
Wat konden onze voorouders dat toch wijs en tekenachtig zeggen. Ze
verzorgden die konflikten, door ze onverzorgd te laten. Wij doen ze
uitgroeien, door overmaat aan gewichtigheid. En dit geldt zelfs bij
geschillen tussen volwassenen, die--schrijver dezes ingesloten--toch
niet meer dan grote kinderen zijn.
Er zijn mensen te over, ernstige, brave, waarheidlievende, diepzinnige
mensen, die ieder geschil door redenering willen oplossen, anders--zo
zeggen ze--blijft er toch wat zitten. Daarom pluizen ze hun
geschilpunten uit, geven er hun beschouwingen bij, ontdekken telkens
nieuwe elementen, wroeten in de aard van hun tegenpartij, en hebben
ten slotte gelijk. Met deze metode bereiken ze echter precies het
tegengestelde gevolg, van wat ze heetten te beogen. In plaats van het
geschil op te lossen, wordt het door de ontleding in zijn bestanddelen,
door de blootlegging van zijn finesses, steeds scherper, helderder,
bewuster. Het bloedt niet dood, maar leeft op. En dank zij de
zorgvuldige behandeling, groeit het uit tot een diepgaande vete.
Er zijn ook mensen--oppervlakkige naturen!--die hun geschillen niet
uitredeneren, maar afzoenen. "Kom, geef me maar een hand, en laten we 't
vergeten en vergeven." Deze oppervlakkigen konden echter wel eens véél
dieper zien, dan de anderen. Zij konden wel eens begrijpen, dat er bij
die geschillen ook psychiese faktoren in 't spel zijn, die zich niet in
een redenering laten omzetten, gevoelens, die misschien redeloos, maar
in elk geval onberedeneerbaar zijn. Ze konden wel eens instinktief
weten, dat juist bij de redenering de fijnste, de verborgenste
grootheden buiten bereik blijven en haar afwezigheid de hele konklusie
vals maakt; dat juist in die onmeet- en zelfs voor velen onmerkbare
grootheden de werkzaamste faktoren aan het analyserend verstand ontgaan.
Geschillen tussen echtgenoten over wederzijdse familie--geen
zeldzaamheden--worden nooit door redenering opgelost. Het bloed kruipt,
waar het niet kan gaan, en de scherpe kritiek der ene partij, al is ze
juist, roept in de andere partij gevoelens wakker, die zich verzetten
tegen een toch altijd eenzijdige beoordeling: het scherpziend is
meestal ook een voorbijziend verstand.
Twisten tussen onderwijzers en ouders over de kinderen lopen nooit
bevredigend af. Die moeder voelt heel iets anders dan de onderwijzer, en
beiden redeneren voortdurend langs malkaar heen, ieder zijn eigen rails
volgend.
In al zulke gevallen doet men beter, een geschilpunt los te laten en
over te geven--hetgeen niet zeggen wil: de tegenpartij naar de mond te
praten. Dan zal, wanneer de gemoedsrust teruggekeerd is, ervaring
bewerken, wat ons opdringend betogen juist tegenhield. Polemiseren
concentreert eenzijdig alle licht op één punt, en maakt daardoor de
juiste kijk op het geheel onmogelik.
Wanneer dit waar blijkt bij volwassenen, is het ons toch een
waarschuwing, om de geschilletjes tussen kinderen niet te vertroebelen
door onze helderheid. Ga niet als een Hof van Arbitrage hun kleine
kibbelarijen behandelen. We zijn toch ook niet zo dom, de zwevende
wolkjes te fixeren, die een ogenblik de zon verduisteren. Een beetje
wind, wat regen, en de wolkjes zijn weg, de zon schijnt weer. Laat er
desnoods een moment tumult zijn in de kinderkring, laat er wat tranen
vloeien, dat geeft opluchting. Wat zegt ons volk dat weer prachtig: het
lucht op! Maar het redeneerzieke principe wil niet van zo'n opluchting
weten. Nu, laat het zich, in zijn _grondigheid_, dan aan de grond vast
redeneren!
Een kind holt, op de speelplaats, midden uit zijn spel naar de
onderwijzeres, en roept, de vinger omhoog: "Juffrouw, Willem trekt
aldoor aan ons touw!"
"O!" zegt de juffrouw. "Zeg maar, dat hij het _niet_ doen mag, hoor!" En
in dat _niet_ legt ze al het gewicht van haar persoontje.
Bevredigd holt de aanklager weg, en twee minuten later speelt hij met
Willem, is de touwtrekkerij glad vergeten.
Dat had een Hof van Arbitrage nooit bewerkt.
Dit houdt geen rekening met de vluchtigheid der stemming. En stemming
is, in haar snelle vergankelikheid, machtiger dan zichtbaar feit.
Het Hof rekent met feiten. Het leven met stemmingen.
En daarom--echtgenoten--zoent uw geschillen af.
* * * * *
Dus moeten we onrecht onrecht laten en de bedeesde kinderen onbeschermd
doen overheersen door de brutale?
Dit is ook weer de bedoeling niet.
Wanneer in een gezin of een klas enkele kinderen met harde,
brutale zelfzucht de baas spelen over anderen, gaat het niet aan de
gerechtvaardigde klachten terug te wijzen. Een volwassen vrouw vertelde
me eens, hoe haar gehele jeugd bedorven was door de meedogenloze,
onbeschaamde baasspelerij van een nog wel jonger zusje. Wanneer er dan
dientengevolge twist ontstond tussen de kinderen, twist die alleen
ontstaan was door de aanmatigende dwingelandij van die ene, werd deze
niet door de ouderlike macht binnen de perken gehouden, maar heette
het altijd: Waar twee kijven, hebben beiden schuld, en werden, zonder
onderzoek, de kinderen, soms nog wel met klappen, in hun verward
wereldje terug geworpen. Dat was dan een triomf voor de brutaliteit,
die natuurlik voortging met de vrijheid en de vreugde der anderen te
verstoren.
In zulke gevallen hebben de volwassenen tot dure en onafgebroken plicht,
de brutaliteit der baasspelerij aan banden te leggen, de broertjes
en zusjes te beschermen. Dit moet nadrukkelik gezegd worden, omdat
gemakzucht en ook vrees menigmaal de ouders weerhouden tegen die
baasspelerij op te treden. Vader en Moeder--het klinkt vreemd, maar ze
durven dat kind niet aan. En wanneer ze, in een driftvlaag, al eens hun
macht ontwikkelen, er wordt hier een aanhoudende waakzaamheid, een
onverzwakte spanning vereist, en daartoe zijn ze in staat noch bereid.
Zo worden de alledaagse kinderen de dupe der taaie tirannieke natuur. Zo
wordt het heerlikste levenstijdperk onherstelbaar bedorven. Ieder kind
heeft maar één jeugd. Laten we die gebruiken, maar toch ook ontzien.
Evenwel, jeugd verdedigen en beschermen tegen harde aanmatiging is nog
iets anders dan van ieder kibbelarijtje een gewichtigheid maken. Het een
en het ander te onderscheiden zij ieders wijsheid overgelaten. We willen
nu met ons onderwerp voortgaan en overwegen, in hoever de _waarheid_
ontzien moet worden bij het _oordelen_ onzer kinderen over andere
kinderen en volwassenen.
Er zijn mensen, die van zulk oordelen in 't geheel niet willen weten.
Het past kinderen niet te oordelen over hun ouders en onderwijzers zo
heet het dan. Zij hebben te zwijgen en te luisteren.
Dit heeft mij altijd heel zonderling in de oren geklonken. Ik meende
altijd, dat ontwakend verstand zich juist door waarnemen en oordelen
kenmerkte en dat we dit ongepaste dus als gunstige verschijnselen
moesten begroeten.
Zo kan men wel zeggen: Het past kinderen niet, op te merken. Maar ze
hebben nu eenmaal ogen, en die gebruiken ze. Die ogen schijnen daarbij
met hersenen in verband te staan en die gebruiken ze ook. Wie dat
opmerken niet wenst, moet dan maar bidden, dat Onze lieve Heer zijn kind
blind maakt, en wie het denken en oordelen niet begeert, moet eigenlik
verdrietig zijn, dat zijn kind niet idioot is.
Opmerken en oordelen behoort bij het uitbottend geestesleven, en dat
kinderen, die met andere kinderen en ook met volwassenen omgaan, d. w.
z. met hen vaak in wrijving komen, daarbij de wezenlike of vermeende
fouten dier volwassenen zien en zich hieraan stoten, spreekt zo vanzelf,
dat we--wel verre van dit te willen smoren, het met blijdschap moeten
constateren, en er rekening mee houden.
Met smoren komt men er niet. Men verstikt het oordeel niet en ook niet
de uiting. Het normale verstand blijft werken, al menen wij met ons
gebod de geestelike machine te hebben stop gezet. En waar we in onze
tegenwoordigheid de uiting niet dulden, daar zal deze haar weg zoeken
buiten onze tegenwoordigheid. Wat, in heerlike openhartigheid, ons werd
meegedeeld, wordt nu aan vriendjes verteld: "Het hart wil een klager
hebben."
Onbegrijpelik is de struisvogeldomheid van zulke het-zwijgen-opleggende
ouders en onderwijzers. Ze moesten toch uit hun jeugd weten, dat
kinderen spreken _moeten_, en dat de woorden, die het oor der opvoeders
gesloten vinden, daarom niet ongesproken blijven. Die woorden worden nu
alleen tot anderen gericht en dragen daarbij meteen het vertrouwen aan
die anderen over. Weten de ouders aan wie? Zijn ze ervan overtuigd, dat
die vertrouwden het beter met hun kind bedoelen, dan zijzelf?
Laat uw kinderen hun hele hart uitzeggen, _tegenover u_. Ook hun
onbarmhartige kritiek op kameraadjes, onderwijzers, dominees, op--uzelf.
* * * * *
Het eerste voordeel dier openhartigheid is, dat de kinderen bij u
blijven. Het tweede, dat ge ze leert kennen, gelijk ze zijn, en niet
zoals ze zich uit eerbied voor uw gezag behoren te huichelen. Het derde,
dat ge nu, door uw rijper en milder oordeel, invloed op het hunne kunt
oefenen.
Wanneer een kind in een geschil met een ander kind of met een
volwassene--dienstbode, onderwijzer, familielid--ongelijk heeft,
moet dit zonder beperking door de ouders worden gezegd. Dit is niet
steeds gemakkelik. Vooreerst al niet, omdat het kind een partijdige
voorstelling van de zaak geeft: zijn eigenbelang, zijn bewogen gemoed
benevelden de zuivere kijk op het geval, en niet uit leugenachtigheid,
niet in welbewuste bedriegerij, maar door onvoldoende kennis en verkeerd
voelen zag het de feiten onjuist en gaf ze onjuist terug. Wie in zulke
gevallen, beter wetende, het kind toevoegt: _Je liegt_, doet het
onrecht. Het kind liegt niet, het zegt _zijn_ waarheid, en 't kan niet
helpen, dat deze een valse weerspiegeling van de werkelikheid geeft.
Ouders, het kind kennende, altans behorende te kennen, dienen dan beter
te weten en de ogen van 't kind te openen voor zijn ongelijk.
Maar, en dit is het tweede en veel grootere bezwaar, vele ouders zijn
al even verblind als het kind zelf. Waar het hun eigen kroost betreft,
zijn ze onmiddellik geneigd, dit gelijk te geven. 't Gaat ook al weer
onopzettelik, doch dit maakt het bijna te erger--niet in zedelike,
maar in verstandelike zin. Ze kunnen van hun kind geen kwaad horen,
omdat ze er geen kwaad van kunnen geloven. Vooral moeders zijn in dit
opzicht merkwaardig--ik zeg niet onwillig, maar onmachtig. Ons aller
zelfverblinding, waar het eigen gebreken betreft, wordt schitterend
overtroffen door de verblinding der moeders, waar het haar kinderen
geldt.
Men moet de waarde dezer verblinding niet onderschatten. Inderdaad--hoe
vreemd het menigeen toeschijne--deze in de natuur der mensen liggende
onmacht, om zichzelf en de geliefde personen te zien gelijk ze zijn,
heeft grote waarde. Ze houdt het geloof, het vertrouwen staande in het
goede der menselike natuur. Zolang iemand nog in ons gelooft, zijn
we niet verloren. Dit geloof, ook waar het ongegrond schijnt, roept
verantwoordelikheden wakker, en deze weer alle nog beschikbare krachten
ter opheffing uit een gezonken staat. Alléén door in misdadigers te
geloven, redde Jezus hen. Bij Hem ging dit niet gepaard met blindheid
voor hun zonden. Hij zag het kwade--én het goede. Doch ook waar moeders
het kwade niet zien--ongetwijfeld een fout!--is toch het geloof in het
goede een deugd, een onmisbare faktor in hun opvoedingstaak. Hoe zouden
ze kunnen verbeteren, waar ze het goede niet onderstelden?
Die verblinding der ouders mag ons dus niet ergeren, al moeten we
beproeven, deze sluier weg te nemen, zonder het geloof in de aanleg
tot verbetering te verzwakken. Slagen we hierin, en zien de ouders
hun kinderen zoals ze zijn, dan reikt de ouderlike invloed nog veel
verder. Dan kunnen ze hun kinderen tot _zelfontdekking_ brengen, een
der moeilikste, maar nodigste vermogens. En dan beschikt de opvoeding,
ook de zelfopvoeding, over een der werkzaamste krachten. Naast geloof
in eigen louteringsvatbaarheid, is er nodig: zelfkennis, echte,
onvertroebelde, exacte zelfkennis. Het klassieke voorbeeld van de
profeet Nathan hebben we daarom na te volgen: eerst het oog openen voor
de realiteit en de lelikheid van het gepleegde kwaad, en daarna het
onweerspreekbaar, verpletterende, maar in zijn verplettering reddende:
_Gij_ zijt die man!
* * * * *
Moeiliker wordt het, wanneer de kinderen in hun geschillen gelijk
hebben en wanneer dit dan is tegenover volwassenen, die in hun positie
gezag en moraliteit vertegenwoordigen: onderwijzers, predikanten. Dienen
we dan de ouderen zogenoemd te handhaven en de jongeren de mond te
snoeren? Nooit! Er is maar één ding te handhaven en hoog te houden:
de Waarheid. Wie haar verkracht, verkracht ook de zedelike natuur der
kinderen. Wie haar eert, voedt zijn kinderen op.
De schromelike dwaling is echter weer, dat men meent door het eren der
waarheid de eerbied voor personen te kort te doen en hun zogenoemd gezag
te ondermijnen. Kinderen moeten in hun opvoeders een soort heiligen
zien, zo meent men. Vader kan geen fouten hebben. Wat Vader doet, is
goed, _omdat_ Vader het doet. In Vader is de deugd belichaamd, zijn
leven is de zichtbare norm voor der kinderen zedelik streven.
Ik acht dit gewoonweg onzin. Indien Vader wezenlik zo'n heilige is--we
willen het echter voor de kinderen niet hopen--welnu, laat de kinderen
hem dan aanbidden. Gelukkig evenwel is er in de meeste gezinnen niet
veel kans op. En zo kunnen de kinderen daar niet alleen zijn gewoon
menselike fouten zien, maar ook gadeslaan--wat een prachtige gelegenheid
voor zijn opvoedkundige theorieën!--hoe hij deze bestrijdt. Dan leren
de kleinen zeker nog meer van zijn worstelend overwinnen, wat ook hún
roeping is, dan van zijn ongerepte heiligheid, die ze toch niet kunnen
bereiken en die eenmaal, ook voor hun oog, ontmaskerd zal worden.
Laat de kinderen veilig weten, dat de volwassenen gebreken hebben, waar
ze die gebreken met eigen ogen zien en aan eigen stemming ervaren. En
haasten we ons, die gebreken te erkennen, wanneer de kinderen er de dupe
van zijn geworden, en zelfs, waar ze die alleen maar hebben opgemerkt.
Doch--laten we het bij die erkenning niet doen blijven! Er is dan, juist
dan, nog iets meer te doen.
Kinderen zijn in de hoogste mate onbillik in hun oordeel. Dit is
echter niet te wijten aan een zekere hardheid of aan een tekort aan
rechtvaardigheidsgevoel, maar aan onwetendheid. Zij hebben, door hun
gebrek aan levenservaring, niet genoeg kennis van het innerlik leven der
volwassenen, leggen daardoor veel te weinig gegevens in de schaal, en
hierdoor worden we bij hun wegerijen te licht bevonden. Een dergelijke
onzuivere gewichtsbepaling merken we op, wanneer volwassenen malkander
wegen. Mevrouwen en dienstboden beoordelen malkander gewoonlik onjuist,
officieren en soldaten, gehuwden en ongehuwden, ouders en kinderlozen,
zelfs mannen en vrouwen. De een kent het werk, het leven, de moeiten
van de ander niet, en nu ligt het in de menselike natuur die altijd te
onderschatten. Eigen taak voelen we zwaar en gewichtig--geen wonder,
die hebben we ook te vervullen. De taak van de ander tellen we licht.
Waarlik, in dit opzicht zijn we vaak niets beter dan de kinderen. Ook
wij voelen andermans druk niet op onze eigen schouders en zijn in ons
oordeel onrechtvaardig uit domheid.
We moeten leren, ons in anderen te verplaatsen. En dit moeten we ook
onze kinderen leren. Bedrieg ze niet met schijn, ontzeg ze ook niet het
recht tot oordelen. Maar leer ze, wanneer ze een deel der werkelikheid
zien, de _volle_ werkelikheid zien. Dan zal hun ergernis vaak veranderen
in medelijden, hun kritiek in waardering, en veroordeling plaats maken
voor zelfbeschaming.
* * * * *
Een onderwijzer heeft een kind in drift een ruw woord toegevoegd of
zelfs een klap gegeven. Het kind klaagt er tuis over, 't voelt zich
onbillik behandeld.
Leg het nu niet het zwijgen op; zeg niet, dat het met die
"kletspraatjes" niet moet aankomen; beslis ook niet zonder onderzoek:
"dan zul je 't wel verdiend hebben." Laat het kind uitpraten en, als het
in 't algemeen geloofwaardig is, geef het dan gelijk in zijn klacht en
keur met hem die handelwijze af. Zeg gerust: "dat had meneer niet moeten
doen, dat is verkeerd van hem." Ge zult eens zien, wat dat het kind een
kalmte geeft, en hoe het daarna gaarne bereid is, met u te zoeken naar
een verklaring, een verontschuldiging van die uitval. Meneer heeft de
avond te voren nog laat zitten studeren, hij moet gauw een examen doen,
hij is wat moe; hij had hoofdpijn; zijn vrouw, zijn kind was ziek,
hij heeft een deel van de nacht gewaakt; hij is teleurgesteld in een
verwachting--oorzaken te over, die een kind begrijpen kan, omdat ze hun
aequivalenten hebben in het kinderleven, en die het kind, als men ze hem
maar eerst bewust maakt, gaarne ter vrijpleiting van zijn onderwijzer
wil aanwenden.
Acht iemand zich te hoog, om op die manier voor zijn gedrag te worden
vrijgepleit--door een kind?
Of vreest men, dat het kind daardoor in eigenwijsheid en
eigengerechtigheid het kinderlike zal verliezen, als rechter vonnissend
over volwassenen en de zonden zijner meerderen grootmoedig vergevend?
Wat heeft men dan toch weinig vertrouwen in de kracht der waarheid, in
de natuurlike goedhartigheid van 't kind, en in de doorwerking van zijn
eigen invloed.
Ik heb het eens bijgewoond, hoe een predikant het ontgelden moest, omdat
hij zich boos had gemaakt op een catechisant: "En dominé zegt zelf, dat
we altijd geduld en liefde moeten betonen. Hij geeft ons een mooi
voorbeeld, hoor!"
De vader zei: "Ja, dat is zeker al een heel slecht voorbeeld. Die man
deugt eigenlik niet voor zijn taak. En is hij altijd zo?"
"Neen, gelukkig niet. Maar een dominé behoorde toch eigenlik _nooit_ zo
te wezen."
"Daar heb je gelijk aan. Toevallig weet ik, dat Dominé Zondag tweemaal
gepreekt heeft en in 't middaguur nog bezoeken heeft gehad; dat hij
Maandag zeven uur gecatechiseerd heeft, Dinsdag de hele voormiddag
in zijn wijk armen en zieken heeft bezocht, Dinsdagnamiddag drie uur
catechisatie heeft gehad, Dinsdagavond Bijbellezing heeft gehouden,
Dinsdagnacht bij een stervende is geroepen, Woensdagmorgen weer zieken
heeft bezocht, en nu vind ik met jou, dat hij, al was hij dan ook
wat moe, Woensdagmiddag niet boos had mogen worden, ook al gaf een
catechisant daar aanleiding toe. Een dominé moet nu eenmaal volmaakt
zijn, en catechisanten hebben geen plichten."
"O neen, zo bedoel ik het niet."
"Hoe dan? Ik geef je immers toe, dat Dominé niet het recht had, boos te
worden?"
"Ja maar, als hij dan zo moe was, is dat toch wel een beetje te
begrijpen, en die jongen leert ook nooit zijn les."
Ziedaar de macht der waarheid. Het eerlik uitgesproken oordeel werd
aangehoord, aanvaard, toegelicht, teruggenomen. De aanklager werd
pleitbezorger, doch zou dat nooit geworden zijn, als men hem het recht
der aanklacht ontzegd had.
Gunt ge uw kinderen het recht, ook over úw daden te oordelen?
Overbodige vraag: ze oordelen, of ge ze het recht toekent of niet.
Maar gunt ge ze de vrijheid, dit oordeel uit te spreken?
Dringend zou ik u raden: doe het toch, want--nog eens--anders doen ze
het bij vreemden.
Vader wil niet, dat de kinderen aan de ontbijttafel lezen. Terecht. Ook
niet, dat ze dan nog even hun les nakijken. Alweer terecht. Het boek zit
de boterham in de weg.
Maar nu leest hij zelf onder 't ontbijt de krant....
Of hij hieraan goed of verkeerd doet, laten we in 't midden. Maar hij
doet het, en de kinderen zien het.
"Nu leest u zelf de krant," zegt er een, "en wij mogen niet lezen, omdat
het ongezond is."
Wat zal Vader zeggen? "Wil jij je brutale mond wel eens houden"?
Neen, dat zegt hij niet.
Hij zegt alleen: "Je hebt gelijk. Dat moest Vader ook niet doen. 't Is
voor mij ook niet goed." En hij legt de krant neer.
Of hij geeft de verklaring: "Vader móét de krant even doorkijken, en
anders heeft hij geen tijd. 't Is jammer genoeg." Als hij met die
verklaring tenminste niet liegt.
't Is wonderlik, hoe bevredigd de vrije kritiek wordt door zulk een
eerlik antwoord.
En hoe het gezag--het echte!--erdoor wordt bevestigd.