I.

Wat ik nu ga schrijven, zou ik even goed te boek kunnen brengen, wanneer

ik lid was ener roverbende en daar, wegens ongeschiktheid voor alle

andere en degeliker arbeid, was aangesteld tot rover-pedagoog.

Doch wat goed is voor rovers en moordenaars, kan toch kwalik worden

aangeprezen voor brave mensen als wij zijn, die op generlei wijze roven

en moorden, die zelfs niet, kwaadsprekend en lasterend, iemands eer

en goede naam stelen, noch simpellik de waarheid smoren om aldus een

mededinger te treffen?

Hoor eens, we mogen van geldrovers niet slechter denken dan van

eerrovers, en de lijfmoordenaars niet lager stellen dan de zieledoders,

en zulks alleen, omdat de eerste hun plunder- en vernielingswerk

meer in het stoffelike bedrijven en de laatste bij hun gewetenloos

bedrijf slechts nog een beetje huichelachtiger zijn. Dat gaat niet

aan. Ook georganiseerde _dieven_ hebben kinderen, die opgevoed behoren

te worden, d. w. z. naar de gangbare praktijk in de zeer brave kringen

der maatschappij: grootgebracht voor 't geldverzamelen. Ook roversjeugd

heeft leiding nodig. En waarom zou er zulk een reuzenverschil moeten

bestaan tussen de pedagogiek in het door flakkerende flambouwen

verlichte rovershol en die in de koud-wit electries verlichte huiskamer?

Dressuur tot het een of dressuur tot het ander, dressuur is toch

dressuur?

Evenwel, ik wil erkennen, dat er in de geordende samenleving ook nog wel

mensen voorkomen, die meer op het zedelik heil dan op het maatschappelik

succes van hun kinderen achtgeven, die in de allereerste plaats vragen

hoe ze hun kinderen braaf kunnen maken, en dat zulk een zorg in de

kringen der struikrovers de gemoederen niet bezwaren zal. Maar, ook

bij de aanvaarding van dit verschil in opvoedkundig doel, kunnen we

handhaven de mening, dat een pleidooi voor _waarheid in de opvoeding_

evenzeer gerechtvaardigd is, zonder bekeringstendenzen, in een rovershol

als in een bedehuis. En hieruit blijkt dan onmiddellik, hoe het

behandelde onderwerp geen pedagogies probleem van de eerste rang is.

Zulk een toch zou geen opgroei tot misdadigheid kunnen gedogen, laat

staan bevorderen. Het zou als onmisbare eis stellen: aankweking tot

deugd. En uit de toepasbaarheid en wenselikheid van de gestelde

opvoedingsregel, onafhankelik van elk opvoedings_doel_, volgt zijn

minderheid in rang, hetgeen niet zeggen wil: zijn minderwaardigheid.

_Waarheid in de opvoeding_ is een opvoedings_middel_, waaromtrent de

meest tegenstrijdige partijen het eens kunnen zijn, die dadelik uiteen

zouden gaan, waar het bijvoorbeeld de vraag gold: Wat _is_ waarheid.

Gelovigen en ongelovigen, materialisten en idealisten, vrijdenkers en

dogmatici, christenen en heidenen, mensenredders en moordenaars--allen

kunnen, voorzover ze aan opvoeding doen, daarin de waarheid als

onmisbaar middel eren en aanwenden. En zo ben ik wel verplicht, bij

voorbaat de verwachting der lezers niet al te hoog te spannen. Dat mooie

woord Waarheid--en de mooie zaak zelve--is misschien, allermisschienst,

nog meer tuis in het hol der beroepsmisdadigers, dan in het hof der

fatsoenlike wereld, en waarborgt dus geenszins Goedheid.

Nu behoeven we de waarde van dit opvoedingsmiddel echter al weer niet

te miskennen. Ook als we _goede_ mensen willen vormen, is het ons

onmisbaar, en gaarne houden we ons daarom aan de raad van onze wijze

Beets:

Zoo ge u goede menschen op wilt voeden,

Veins niet. Wie ge ook zijt, wees die ge zijt.

Waar de kinderen een rol vermoeden,

Zijt ge 't spel en al uw invloed kwijt.

Aan wiens blik de waarheid zich onttrekken,

Hoe de leugen zich verbergen moog',

't Godlijk en het kinderoog

Zullen beide ontdekken.

De eerste deugd is waarheid. Heb dan moed,

Waar te wezen, gij zijt groot en goed.

* * * * *

Of de waarheid de eerste deugd is, willen we voorlopig in 't midden

laten, maar dat niet velen "den moed" bezitten, om de roem van "groot

en goed" te zijn te veroveren, dát wordt ons bij een rondblikken in de

wereld, ook in de kleine wereld der huiskamer, al gauw duidelik. Reeds

in haar _gedragingen_ tegenover _kleine kinderen_ missen de meeste

moeders de moed om waar te zijn. 't Klinkt vreemd, maar de volwassen

vrouwen zijn dan _bang_ voor de drie- en vierjarigen.

Daar is kleine Mientje. Driejarig kindje, is ze haar moeder al te

machtig. 't Is bedtijd, en Moeder wil haar uitkleden. Maar 't kleintje

speelt daar zo prettig en is geheel in haar spel verloren. Nu ziet

Moeder er tegen op, het kind uit haar spel te halen, niet--omdat

ze daarmee een heerlik genot stoort en haar lieveling een ogenblik

ontstemmen moet, maar omdat de kleine dan gaat schreeuwen en zich

verzet. Moeder ziet op tegen het konflikt en zegt met een stem, die, zo

natuurlik mogelik, geen argwaan kan wekken: "Kom eens hier, Mientje, je

jurkje is los, dan zal Moeder het vastmaken."

Mientje laat even haar schatten liggen en gaat naar Moeder. Maar

in plaats het jurkje vast te maken, maakt Moeder het juist los, en

onderdehand praat Moeder wat vriendelike woordjes, die de aandacht van

het speelgoed afleiden. 't Gelukt haar aldus, zonder strijd, het meisje

uit te kleden en straks naar bed te brengen, en als 't kindje er goed en

wel in ligt, heeft Moeder een dankbaar, blijmoedig gevoel, dat ze met

zoveel takt--ze noemt dit takt--een huilbui heeft voorkomen.

Maar verdient die handelwijze nu afkeuring? vraagt iemand verbaasd. Is

het niet juist lief en handig van Moeder, om én het kind én zichzelf wat

narigheid te besparen? Kom, kom, wie dit onwaarheid noemt in Moeders

gedrag, heeft toch alle kijk op het leven en zijn eigenaardige eisen

verloren, en is véél te principiëel. Onwaarheid! Wat een groot woord bij

zulk een luttel geval!

En toch--het _is_ onwaarheid. Dat voelt Moeder in haar binnenste

heel goed. En al bespeurt het kind van dit bedrog nog niets, het zal in

zijn gevolgen verderfelik blijken. Het typeert de houding, die Moeder

tegenover het kind aanneemt, een houding van om-de-tuin-leiderij, en

daar die houding _voortvloeit uit vrees_, zal ze ook bij ernstige

gevallen en in volgende jaren worden aangenomen, en dan het vertrouwen

van 't kind in Moeder verzwakken. Dit is het fatale, dat Moeder reeds

vroeg het gans natuurlike en volkomen vertrouwen van 't kind verzwakt

in stede van het in toenemende mate te versterken, zodat het ontbreekt,

wanneer het kind, jong meisje geworden, zich geheel aan Moeder behoorde

te geven.

En Moeder gáát voort op die weg.

We weten, hoe naar het voor kleine kinderen is, als Moeder 's avonds

uitgaat. Vader, dat hindert niet, als Moeder maar tuis is. Maar Moeder

moet toch wel eens uit, en om nu de gemoedskalmte van 't kleintje

niet te verstoren--of _zichzelf_ enige moeilike ogenblikken te

besparen?--verzwijgt ze haar uitgang en laat het kind in onwetendheid.

Zulke kleine kinderen hebben echter fijne voelhorens. Aan iets ongewoons

in het gedrag van Moeder merken ze, dat er iets dreigt. Een andere

japon, een andere broche, wat vroeger eten, misschien iets onrustigs,

iets haastigs in de bewegingen, een gejaagd bevel aan de dienstbode--'t

is de kleine niet ontgaan en plotseling klinkt de vraag: "U gaat toch

niet uit?"

"Wel neen, hoe kom je er aan!"

"O, ik dacht het." Het kind kan geen rekenschap geven, is zich niet

de gang van haar redenering bewust, maar het heeft de nadering van de

uitgang even stellig gevoeld, als het popelblad de nadering van een

schier onmerkbare luchtstroming. En het beweegt, het trilt. Maar Moeder

herleidt de fijne waarneming--hoe dankbaar moest ze haar opmerken!--tot

inbeelding. Ze lochent het feit en stelt, gelijk ze dat noemt, het kind

gerust.

We willen hier niet de nadruk leggen op de verwaarlozing van het

ontluikend verstand, waar dit, zuiver waarnemend, moedwillig op een

dwaalspoor wordt geleid. 't Is uitsluitend te doen om de verkrachting

van het zo broodnodige vertrouwen in het jonge zieltje. Straks, als 't

meisje slaapt, zegt Moeder: "Ziezo, ze slaapt rustig" en dan gáát ze

uit, het slapende kind bedriegend. "Ze slaapt." Dat is Moeder genoeg.

Een slapend kind weet niet en behoeft dus niet geëerd te worden. Maar

dat slapende kind kan wakker worden en om Moeder roepen. En dan? Dan

moet het dienstmeisje komen of een zuster, en die moet zeggen, dat

Moeder tóch uit is.

"En Moeder had gezegd van neen."

"Kom, ga nu maar rustig slapen, dadelik komt Moeder tuis, ze is maar

eventjes een boodschap," troost de vreemde.

Het kind schreit. Misschien schreit het ook niet. Wat doet het er toe.

Die tranen zijn gauw gedroogd. Maar héél zeker voelt het, dat Moeder

het bedrogen heeft. Dit gevoel is een gemoedservaring. Het geeft er

zich geen rekenschap van, maar het veroordeelt Moeder. Het laat Moeder

los. En wat nooit langs de weg der redenering in het kleine hoofdje kon

worden gebracht, heeft Moeder door haar daden in 't kleine hart gevoerd:

de overtuiging, dat Moeder niet te vertrouwen en 't kind met zijn noden

dus bij haar _niet_ veilig is.

Jonge moeders, in domme argeloosheid aldus handelend, weten niet,

hoeveel opvoedingsinvloed zij verspelen in die eerste levensjaren. En

dan durven ze later nog te klagen, dat de kinderen met hun belangen naar

vreemden gaan!

Er zijn erger en ernstiger gevallen dan de geschetste, ofschoon hier de

onderscheiding van erg en erger eigenlik niet bestaat, daar ze alle,

principiëel, even ernstig zijn: bedriegen van 't vertrouwende kind. Maar

de omstandigheden kunnen het ene geval aangrijpender maken dan het

andere.

Een klein meisje moest voor een operatie naar 't ziekenhuis. De moeder

bracht haar weg, maar verzweeg het doel van 't bezoek. Ze gingen maar

eens een visite maken bij een kennis daar, en dus stapte het kind vrolik

mee naar en in 't grote gebouw. Was dat nu niet wijs van die moeder? Nu

had het kind toch helemaal geen angst gekend!

Een verpleegster begreep al spoedig, dat Moeder het kind iets had wijs

gemaakt, en nam het patiëntje over. Maar hoe moest Moeder nu met goed

fatsoen wegkomen? Het kind zo maar alleen achter laten? O, dit zou veel

te vreeselik zijn voor----'t arme kind. Tenminste, dit dacht Moeder.

Wellicht zag Moeder tegen zulk een afscheid echter nog meer op voor

zichzelf. Zulke moeders "kunnen nooit een kind zien lijden" en bewijzen

daarmee een overgrote teerheid voor--zichzelf.

Het beste was dus, dat Moeder even koekjes ging kopen. Dan zou ze gauw

terugkomen. En inmiddels zou 't kindje even bij die lieve juffrouw

blijven.

En Moeder ging weg, het huis uit, de straat op, koekjes kopen.

Het kind bleef alleen achter, wachtende, wachtende, of Moeder terugkwam

met de koekjes.

De verpleegster moest het ontkleden, naar de dokter brengen, op de

operatie-tafel leggen.

Waar bleef Moeder met de koekjes?

Angstig dwaalden de oogjes rond. Ze zochten Moeder.

O, we weten het, Moeders kunnen niet bij een operatie zijn. Dát spreekt

vanzelf. Maar moeten ze zo, met leugens het kind paaiend, zichzelf

ontzien?

Het heet alles in 't belang der kinderen, wanneer moeders ze in allerlei

min of meer ernstige en zelfs in heel onschuldige gevallen met een

leugentje geruststellen. Maar ik geloof dit niet. Ze liegen, om

zich-zelf uit de moeilikheid te redden, uit gemakzucht en eigenliefde.

* * * * *

Hoe had dan in al deze gevallen gehandeld moeten worden?

Toen het voor kleine Mientje tijd was, om naar bed te gaan, had Moeder

moeten zeggen: "Kom, lieve Mien, nu zullen we de poppen eens naar bed

brengen, want Mientje moet ook gaan slapen." Of als ze winkeltje

speelde: "Nu moeten we de winkel sluiten, want de mensen gaan naar bed."

Men behoeft de waarheid juist niet onaangenaam te zeggen. In de eerste

plaats al niet, omdat ze niet altijd onaangenaam is, ook al schijnt ze

dit. Het naar bed moeten schijnt onaangenaam voor kinderen, die volop

genieten van hun spel, maar 't behoeft dit niet te wezen. Buitengewoon

veel hangt er van af, hoe de moeder, van jongs af, dit verwisselen van

spel met slaap heeft "gestemd". Er zijn moeders, die het in 't spel

der kinderen hebben opgenomen, zodat de kinderen het zelfs een pretje

vinden, zichzelf uit te kleden--zichzelf!--"zelf" hun kleertjes op te

vouwen en neer te leggen of uit te hangen, en dan "zelf" in bed te

klauteren. Het is verwonderlik, hoe alleen reeds dit "zelf" mogen doen

de plicht tot een genot kan maken.

Een jonge moeder schreef me: "Wanneer ik iets van mijn kinderen (7 en 4

jaar) gedaan wil hebben, wat ik weet dat ze naar vinden, geef ik geen

bepaald gebod, maar kleed 't als een spelletje in, fantaseer er een

klein verhaaltje omheen. Zo b.v. wanneer de kroes melk leeggedronken

moet worden, is die kroes de electriese tram van Amsterdam naar

Zandvoort. Soms is 't een "sneltrein", soms stopt hij te Sloterdijk,

Halfweg en Haarlem."

Ziedaar--dit is pedagogiek van de hoogste rang. Die vloeit uit het

moederhart, evenals de melk uit de moederborst.

Maar nu schrijft deze moeder er nog bij: "Nu wordt mij vaak de opmerking

gemaakt: dat moet je niet doen, je moet je kortweg laten gehoorzamen,

niet door omwegen."

Ik denk, dat deze opmerksters haar eigen zuigelingen zuurkool met spek

te eten geven. En als ze "Onze lieve Heer" waren geweest, hadden ze het

bevruchtingsproces zeker nooit ingeleid met kleurige bloemen, maar

kortweg uit het hout een vrucht doen uitpuilen, zo'n bruin uitwas.

Waartoe al die omwegen?

Men verwarre toch niet waarheid met kilheid, en verbeelding met leugen.

De leugen zit nooit in de vorm, maar altijd in het wezen. Toen Moeder

Mientje tot zich riep, om het jurkje vast te maken, bracht Moeder

het kind in de waan, dat ze aangekleed werd, en ze werd uitgekleed.

Moeder stuurde het gedachteleven van het kind in een richting, precies

tegengesteld aan de richting der werkelikheid. Dat moet tenslotte op

ontnuchtering en wantrouwen uitlopen. Maar als Moeder gezegd had: "Ik

hoor boven een ledikantje piepen en dat vraagt: waar blijft mijn lieve

Mientje? En ik hoor een kussentje fluisteren: Ik ben zo alleen, waar

blijft mijn lieve Mientje?" dan had zij de gedachten van het kind in de

lijn der werkelikheid gebracht en 't kindje _niet_ bedrogen; dan had ze

de roepstemmen van de plicht tot zonnestraaltjes gemaakt, zoals onze

Vader in de hemelen dat ook doet, als hij de wereld tot werkzaamheid

aanzet.

Ik geloof héél zeker, dat Moeders--die zich waarachtig aan het wezenlik

heil hunner kinderen wijden--zuivere pedagogiek "voortbrengen".

Zodra een kind geboren is, beginnen bij Moeder de melkklieren het

voedingsvocht af te scheiden. Niet vroeger, niet later, maar juist op

tijd. Zo geloof ik ook, dat Moeders een geheim soort "opvoedingsklieren"

hebben--de Wetenschap zal ze nog wel eens ontdekken, net zo goed als

het lang onbekende evenwichts-orgaan--en dat deze hun geestelike melk

afscheiden, zodra de geest van het kind erom vraagt. De weg wordt Moeder

gewezen door haar zuiver Moederinstinkt--als ze maar echt van het kind

houdt. Men hore dit evenwel goed: van het _kind_. Niet van zichzelf.

Moeders, die een uitgang verkiezen boven de gemoedsrust van haar

kind--dat zijn de echte niet. Zij hebben ons omtrent de opvoeding

niets te leren. Zij scheiden geen pedagogiek af. En als ze toch met

beginselen--mijn hemel, met beginselen! alsof de beginselen, de

beginnen, niet even geheimzinnig verborgen waren, als het begin der

wereld!--als ze dan toch met beginselen aan het redeneren trekken, denk

ik: altemaal denkweefsels, om uw naaktheid te dekken.

* * * * *

Verre intussen van mij, te menen, dat alles met zachtheid móét

geschieden. Wanneer Mientje--reeds bedorven door toegevendheid--Moeder

laat aanpraten, acht ik het veel beter, dat Moeder er haar rust en de

huiselike vrede en zelfs een burengerucht aan waagt, dan dat ze zich

niet gehoorzamen laat. Want ongehoorzaamheid is misschien wel de

grootste fout. Laat Mientje maar schreeuwen, desnoods het huis bij

elkaar, maar als Moeder zegt: naar bed, dan moet ze naar bed. Daar helpt

geen lievemoederen aan. Niet Mientje, maar Moeder moet de baas blijven.

Het blijkt telkens nodig, dit nadrukkelik te verklaren, omdat de

mensen zachtheid en wijsheid steeds weer verwarren met toegevendheid en

slapheid. Doch men kan de baas blijven zonder al die strijd, volgens de

oude leer: Fortiter in re, suaviter in modo: wees sterk in de zaak, wees

zacht in de manier. En een der eisen voor die zachtheid is, dat men zich

richt naar de geestes- en gemoedsgesteldheid van hen, die geleid moeten

worden. Dat sluit geen bedrog in en geen waarheid uit.

De moeder, die uitging en haar kind bedroog, deed absoluut verkeerd. Dan

nog beter de andere, die kort en goed zegt, dat ze uitgaat en dat het

kind daar niets tegen te reclameren heeft. Dan weet het kind tenminste,

waaraan zich te houden. Maar er is ook een derde houding mogelik: de

waarheid zeggen zonder het kind pijn te doen, zelfs met de willige

medewerking van 't kind te winnen. En van deze derde houding bezitten

sommige moeders het heerlike geheim, dat haar zo maar zonder pedagogiese

voorlichting geopenbaard is.

Moeder brengt zelf het meisje naar bed, en zegt: "Moesje moet vanavond

uit. Zul je rustig blijven slapen?"

"Hè Moeder, moet u uit?" klinkt het teleurstellend. "Waar naartoe?"

En nu vertelt Moeder de hele geschiedenis, ook of ze 't prettig vindt of

niet, ook of Vader meegaat, ook hoe laat ze vertrekt en of ze gaat

wandelen dan wel per tram of rijtuig--ze vertelt alles tot op een

haartje, zodat het kleintje de hele uitgang volgen kan.

"En hoe laat komt u terug?"

"Dat weet ik nog niet precies. Misschien om tien uur, misschien wordt

het wel elf."

"Komt u me dan nog even toedekken?"

"Ja hoor, dan kom ik je nog even toestoppen. Nu, nacht schatje!"

"Nacht Moeder!"

"Zul je lekker slapen?"

"Ja Moeder!"

En 't kind legt haar hoofdje rustig neer, zeker omtrent de naaste

toekomst, zeker--ook in haar slaap. En Moeder gaat rustig uit, ook zeker

dat haar lieveling rustig zal inslapen en niet verdrietig worden kan

door een vergeefs roepen om Moeder, als ze eens door een nare droom

onrustig mocht ontwaken.

Bedenken de moeders van het leugentje wel, wat het _is_ voor een kind,

wakker te worden, om Moeder te roepen, een ander gezicht te zien, en te

ervaren, dat Moeder het bedrogen heeft? En zij die voorzichtigheidshalve

zwijgen, weten zij wel de rust die van het spreken uitgaat? Zij vrezen

door inlichting de rust van 't kind te verstoren. Juist omgekeerd. Mits

zij heel vroeg begonnen zijn, het kind in te lichten omtrent alles wat

het rechtstreeks betrof, en hiermee trouw zijn voortgegaan, zullen ze

ondervinden, hoe dit vertrouwen _in_ het kind wordt beantwoord door

vertrouwen _van_ het kind, en hoe hieruit voortvloeit een trouwhartig,

eerlik samenwerken, waarbij de kleine volstrekt niet in offervaardigheid

behoeft achter te staan bij de grote. Ach, men kent de kinderen niet.

Vaak valt op hen veel vaster te rekenen dan op volwassenen. Mits men

niet begonnen is met hun naief vertrouwen al vroegtijdig te vergiftigen.

* * * * *

Moelik, uiterst moeilik kan het vallen, een kind, dat ter operatie naar

een ziekenhuis moet, eerlik de waarheid te zeggen. En toch, ons gemoed

komt er tegen in opstand, wanneer een moeder, een Moeder, zich met

koekjes-koperij aan haar liefdetaak onttrekt. Wie kan het kind in nood

en dood meer--ik zeg niet practiese hulp, maar meer zedelike bijstand

verlenen, dan de vrouw, die dag aan dag, van de geboorte af, met het

kind heeft meegeleefd en met wie het innig vertrouwd is? Moeders

nabijheid is dan, juist dán, kracht voor de kleine. En die kracht

onthoudt de Moeder haar kind uit teergevoeligheid voor zichzelf.

Hoe geheel anders kan de Moederliefde handelen, als ze echt is en niet,

naar Paulus' woord, zichzelf zoekt.

Het was een jongetje van negen jaar. Plotseling kreeg het kind hevige

koortsen, meer dan veertig graden hoog. De dokter kwam, achtte

darmontsteking mogelik, oordeelde onderzoek in een ziekenhuis

noodzakelik.

"Wat zegt de dokter, Moeder?"

"De dokter denkt, dat het blindedarm-ontsteking is."

"En wat wil hij nu?"

"Hij wil je doen opereren in het ziekenhuis."

"Laten we dan maar dadelik gaan, Moeder."

Het werd gezegd met dat hoge, strakke stemmetje, dat Moeders wel kennen,

die bij 't ziekbed van een kind hebben gezeten, met dat schijn-opgewekte

koorts-stemmetje. En Moeder deed een rijtuig voorkomen, wikkelde haar

jongen in een wollen deken.

"Mag ik mijn fluit meenemen, Moeder?"

"Zeker."

En hij nam zijn fluit mee, die hem ook in bed steeds verzelde.

De pleegzuster legde hem in zijn bedje.

Toen móést Moeder weg.

"Zuster," zei het kind, "u hoeft niet in de kamer te blijven. Als ik u

nodig heb, zal ik wel fluiten. Want ik heb mijn fluit bij me. Kijk u

maar."

Moeder móést weg. Maar ze ging naar de wachtkamer, en bleef daar wachten

één, twee uur, al maar wachten--totdat ze eindelik geroepen werd, en

horen moest, dat het hopeloos was.

Toen barstte ze niet in wanhoopsklachten uit. Ze dacht alleen aan haar

kind.

Ze zette zich aan 't bedje, hield het hete handje vast, koelde het

gloeiende hoofdje, en kalmeerde haar ijlende lieveling met vriendelike

woordjes, leidde het dwalende geestje.

Zo bleef ze de hele nacht waken, zichzelf geheel vergetende, geheel

gevende, niet als een offer, maar als een zaligheid, dat ze bij haar

kind mocht blijven, zijn gezichtje zien, zijn stemmetje horen.

* * * * *

Toen het kind in de morgen stierf, legde ze het handje neer.

En toen pas ging ze heen.

* * * * *

Deze moeder had haar kinderen met Waarheid opgevoed. Ze had hen niet

alleen met het leven, maar ook met het sterven vertrouwd gemaakt.

Behoort de dood niet bij het leven? En ze heeft er rijkelik haar

loon voor gekregen: van hen die nog leven dag aan dag een volkómen

vertrouwen, en van de teer-sterke knaap die heengegaan is: een

wondervolle zelfstandigheid in uren, dat de krachtige man bezwijkt.

Verspreide Opstellen, II · 第 12 / 55 题