[1] Overgenomen uit: "De Vrouw, de vrouwenbeweging en het
vrouwenvraagstuk". Ingenaaid f 9,60, gebonden f 12,50. Uitgave
van de Uitgevers-Maatschappij "Elsevier", Amsterdam.
Terwijl ik dit schrijf, staat er een portret naast me. Het is van een
72-jarige vrouw.
De aanwezigheid van dit portret is geen uitzondering, want altijd,
wanneer ik schrijf, is het bij me. Maar even heb ik op te zien, en het
ziet mij aan, vriendelijk zacht, berustend en bemoedigend.
Ook des nachts is het in mijn onmiddellijke nabijheid. Nauwelijks word
ik 's morgens wakker, of die oogen zeggen mij goeden morgen. Eens, ruim
tien jaar geleden, moest ik voor gezondheid een halfjaar naar buiten.
Mijn vrouw was bij me. Maar zij ook, de vriendelijke oude. In slapelooze
nachten was ook zij een stille troosteres, die opwekte met hoop en
vertrouwen. Zij liet haar gansche verleden tot mij spreken: een verhaal
van toewijding, smart, vertwijfeling, trouw, strijd, zege.
Nooit gaan we sedert op reis, of zij gaat mee. Het is ons zoo vreemd,
als zij alleen achterblijft. En we zouden het stellig niet zoo rustig
vinden, als zij niet alles met ons meemaakte.
Eén ding spijt ons slechts: dat zij van haar aanwezigheid niet zoo kan
genieten als wij, dat aan dit stukje papier elke bewustheid ontbreekt.
Wat zou ze zich menigmaal verheugen!
Maar toch ook: wat zou ze zich menigmaal bedroeven! En bovenal: wat zou
ze zich vaak bekommerd maken over haar kinderen!
Neen, het is goed, dat zij geen besef heeft van het haar omringende
leven. Het is genoeg, dat _wij_ ervaren den invloed, die nog nu van haar
beeld uitgaat en die hieraan door haar leven verzekerd is.
Hoe is het aan dit leven gelukt, aldus het graf te overwinnen?
Simpel door moeder te zijn, niet anders dan moeder.
Het is zoo eenvoudig. Duizenden en millioenen vrouwen hebben die
levenstaak en daarin dezelfde macht.
Maar of iedere moeder zich goed van haar taak kwijt?
Er zijn er, die liever concerten aanhooren dan 't gebabbel hunner
kinderen, liever een mooi boek lezen dan een kinderhart. Er zijn er, die
aanstonds moe worden als haar kind veel te vertellen heeft, maar gansche
middagen kunnen luisteren naar de verhalen van vriendinnen. Er zijn er,
die de moedertaak eigenlijk niet voldoende vinden om een vrouwenleven te
vullen en niet naast maar boven de verzorging der kinderen hun meesten
en besten tijd geven aan geldverdienen, kunst of wetenschappelijk werk.
Dan wordt de moedertaak grootendeels overgedragen aan gehuurde vreemden
en verliest daarmee, wat haar juist zoo'n stillen, duurzamen, krachtigen
invloed geeft: het moederlijke. Men behoeft niet te verwachten, dat in
zulke gevallen moeders portret nog een menschenleeftijd na haar dood aan
de volwassen kinderen tot steun en opwekking kan wezen. Moeder leeft
niet _na_ haar sterven, omdat ze als moeder eigenlijk ook niet geleefd
heeft _voor_ haar sterven.
* * * * *
Het is nu eenmaal zoo: de vrouw wordt niet moeder door het voortbrengen
van kinderen, maar alleen door zich aan die kinderen te geven en blijde
toe te laten, dat de kinderen zich aan haar geven.
Wie oog heeft voor de schoonheid en de redelijkheid der natuur, moet wel
steeds met bewondering zien naar een zuigend kind aan de moederborst. Ik
weet in geen enkel beeld of feit de verhouding tusschen moeder en kind
mooier en juister uit te drukken.
Het kind moet gevoed worden. Hoe eenvoudig, en toch hoe wondervol, dat
het kind zelf, alleen door het feit van zijn geboorte, de moederborst
doet zwellen, de melkklieren in werking stelt. De borst groeit uit in
zulk een vorm, dat ze als 't ware naar het kind heen trekt, en de kleine
vlijt zich zoo gemakkelijk in moeders arm, bij het warme, zachte
lichaam, en zuigt. Hoe is het mogelijk, dat moeders, anders dan in nood,
in de plaats van haar malsche, warme, mildvloeiende natuurbronnen de
harde, koude flesch hebben geschoven. Dat is reeds afstand doen van de
moedertaak. Voor niets ter wereld had de vrouw ooit de natuur moeten
verloochenen, hààr natuur, en haar voor de kinderen, en alleen voor de
kinderen gevormde borst mogen vervangen door een flesch met een speen.
Zooals de moedermelk vanzelf komt met het kind, zoo worden in het
moederhart ook allerlei sentimenten wakker, die slechts gewacht hebben
op de eerste kinderkreten. Een drang tot verzorgen, tot koesteren
openbaart zich, waaraan de jonge moeder slechts heeft te gehoorzamen, om
aanstonds tusschen de kleine en haar het verbroken stoffelijke contact
geestelijk te herstellen.
Er zijn moeders, die het eigenlijk zonde van haar gaven en talenten
achten, haar zuigelingen te verzorgen. Die kleine wezentjes voeden,
reinigen, wasschen, dat kan een ander even goed en misschien nog beter;
den tijd en de kracht daaraan besteed, kan moeder vruchtbaarder
gebruiken door te schilderen, te musiceeren, te studeeren, geld te
verdienen. Die kindertjes merken toch niet, wie ze behandelt. En later,
als het geestelijk leven ontwikkeld moet worden, is het voor moeder
vroeg genoeg om op te treden.
Maar wie zoo redeneeren, hebben het mis. Dat zegt reeds haar eigen
moederinstinct, dat haar, ondanks al die schijnware motieven, naar
het kind heen drijft. Een moeder, die haar zuigeling aan vreemden
toevertrouwt, om zelf "nuttiger" dingen te doen, verloochent haar
innigst wezen. Zij voelt dit heel goed, maar laat zich van den weg
brengen door eenzijdig geredeneer.
Wie het kind wascht, wie het schoone luiers omdoet, wie het voedt,
geeft middelerwijl ook haar gansche persoonlijkheid. In hààr handen,
in hààr stem, in de wijze waarop zij het kind hanteert, toespreekt,
aankijkt, leeft hààr geest, hààr gemoed, hààr liefde. Zoo weeft ze in
haar woorden, in haar liedjes, in haar manieren, in haar geheele zijn
en doen een breede verbinding tusschen het kind en haar, een onzichtbare
navelstreng, waardoor haar geestelijk leven het kind toevloeit. In het
eerste jaar, reeds in de eerste maanden en weken, begint de moedertaak,
omdat dan de moederinvloed begint. En wie dit tijdperk niet telt is als
de man, die de gletscherbeekjes van geen belang acht voor de rivier,
omdat je in die ondiepe, water-arme dingetjes toch niet varen kunt.
* * * * *
Een moeder in de huiskamer te midden van een kring kinderen van
verschillenden leeftijd is een compleet landsbestuur: vereenigde
wetgevende en uitvoerende macht. En dan is ze nog veel meer. Eigenlijk
ken ik maar één beeld, dat haar beteekenis juist weergeeft: zij is de
zon van dit kleine wereldje.
Het is niet noodig, dat ze zich aanhoudend met de kinderen bemoeit.
De zon staat stil en straalt. Zoo kan moeder rustig op haar plaatsje
zitten en door haar tegenwoordigheid licht en warmte brengen in de
huiskamer-atmosfeer. Daarbij groeien de kinderen verstandelijk, maar
vooral zedelijk.
Moeder preekt niet. Ze verbiedt weinig. Ze geeft het voorbeeld van
welwillendheid, inschikkelijkheid, opoffering, werkzaamheid. Ze stemt
aldus het veelsnarig instrument van het huisgezin. En bij die stille
muziek geniet vader. En onder haar invloed komen ook de dienstboden.
Ik kan me niet voorstellen, hoe men speciaal de huismoeder een sloof kan
noemen en haar taak als iets minderwaardigs beschouwen. Zeker, het werk
kan haar wel eens over 't hoofd loopen, maar dat overkomt den man ook,
hetzij hij minister is, journalist, koopman of predikant. Wie heeft
echter zijn dagtaak te verrichten in een kring, die zoo rechtstreeks
zijn sympathie heeft, als de moeder? Elk lid van 't gezin behoort haar
als 't ware toe, is een deel van haar zelf. Zij drijft altijd "eigen
zaken".
En die zaken zijn van een opwekkende verscheidenheid. Vervelend? Het
huismoederbestaan vervelend en eentonig? Haar leven, altijd zoo binnen
vier muren bekrompen? Maar ieder kind brengt toch zijn eigen aard mee
en daarin zijn eigen behoeften? Een gezin van vier kinderen is al een
rijkdom aan verscheidenheid, voldoende om een geest bezig te houden
en dag aan dag met nieuwe toestanden en verhoudingen en problemen te
boeien. Telkens onder 't opgroeien der kinderen komen er in dezen
kleinen levenden caleidoscoop andere figuren te voorschijn, en eer kan
men zeggen, dat het moeder wel eens te machtig wordt, alweer opnieuw
raad te schaffen en oplossing te bewerken, dan dat ze verdrogen zou door
de doodende eenvormigheid van een uurwerkarbeid.
Elk kind brengt zijn eigen aard mee en vraagt dienovereenkomstig zijn
eigen behandeling. Vergelijk daarmee het administratieve werk van menige
"zelfstandige" vrouw, die "zich zelf" kan wezen in een "onafhankelijke"
positie buitenshuis. Niemand zal ontkennen, dat ook deze arbeid
geestverfrisschend _kan_ wezen, maar moet daartegenover de taak
der huismoeder geestdoodend zijn? Moeilijk zal men, vrees ik, een
arbeidsveld voor de vrouw vinden, dat zoo alle gaven van geest en gemoed
vordert en ontwikkelt, als het terrein der huiskamer. De kinderen worden
opgevoed door moeder, maar juist hierdoor groeit moeder zelf uit,
ontplooit zij zich. Onze eigenschappen komen alleen te voorschijn,
als ze door het leven worden opgeroepen, en slechts in de practijk
kunnen zij gesterkt en gelouterd worden. Aldus wordt het individu
een persoonlijkheid. En den besten kans op vorming van eigen leven
hebben zij, die dagelijks met anderen hebben te verkeeren bij heel
vertrouwelijken omgang. In dit opzicht is de moeder zeker buitengewoon
begunstigd. Hoe men ooit zulk een positie als iets minderwaardigs kan
beschouwen, is mij een raadsel.
* * * * *
"Als ik uit de kleine kinderen ben, krijg ik wat meer tijd," meent
menige huismoeder. Ik hoop voor haar, dat ze ongelijk heeft. En waar
alles naar behooren gaat, zal de toekomst haar ook in 't ongelijk
stellen. De kinderen worden grooter, maar kunnen moeder nog niet missen.
Ze raadplegen haar bij hoeden en japonnen, bij boorden en dassen.
"Moeder, hoe vindt u, dat die das staat?" vraagt de 18-jarige jongen,
die tien minuten lang voor den spiegel heeft gestaan en tenslotte
zekerheid wil hebben door moeders oordeel. Moeder heeft haar jongen
altijd vrij gelaten in zijn eigen smaak, zich nooit tusschen haar zoon
en zijn das geplaatst--gelijk ze zich ook nooit tusschen hem en zijn
meisje zal dringen: _hij_ moet het weten--maar hiervan is 't gevolg
juist, dat de jongen geen rust heeft, eer hij moeders meening heeft
ingewonnen, haar uitspraak heeft vernomen, en zijn vrijheid geniet in
het handelen naar moeders hartewensch. Had zij geboden, hij had zich
verzet. Nu zij, liefdevol meelevend, vrij heeft gelaten, voelt hij zich
aan haar gebonden.
Het gevolg is, zeiden we, dat de jongen geen rust heeft, eer hij moeders
meening heeft ingewonnen. En hieruit blijkt, dat ook moeder geen rust
krijgt bij 't opgroeien van haar kroost. "Als ik uit de kleine kinderen
ben....." Jawel, maar een rechtgeaarde moeder komt _uit_ de kleine
kinderen, om _in_ de groote kinderen te zitten. En hebben de kleine haar
handen gebonden--"handenbindertjes" noemt ons volk aardig dat onbeholpen
grut--de groote binden haar hoofd en hart, waar ze bij alles moeders
raad en belangstelling behoeven.
Een mooi gezicht is een jonge moeder met een kind aan de borst.
Niet minder mooi, de huisvrouw te midden van een kinderschaar.
Dat kleine goed scharrelt wel overal rond, maar als kuikens om de
klokhen. Nauwelijks dreigt er eenig gevaar, van welken aard ook, of
ze zoeken veiligheid onder moeders vleugels. Maar van een eigenaardig
schoon, onopgemerkt door de oppervlakkigheid, doch verrukkelijk voor
scherpziende belangstelling, is de verhouding tusschen de half- en
heel-volwassen kinderen en de moeder. Er is een bizonder humoristisch
element in deze verhouding, dat een glimlach wekt en tegelijk ontroert.
Zij--de moeder--kan tegen dat groote goed niet meer op. Die jongens,
die meisjes, ze zijn lichamelijk en geestelijk zoo ontwikkeld. De baard
ontspruit, de boezem zwelt. Ze heeten in de buitenwereld heeren en
dames. En ze zijn ook zoo knap. In wis- en natuurkunde zweven ze als
in vliegmachines onzichtbaar hoog boven moeders hoofd, ver uit haar
horizon. "Neen, Moeder, daar weet U nu heelemaal niets van." En
moeder berust daarin met gelatenheid. Over de nieuwste boeken in de
wereldliteratuur hebben ze haar oordeel. "Neen, Moeder, heusch, dààrin
bent U een beetje ouderwetsch." En ze zijn ook in maatschappelijke
vraagstukken veel dieper doorgedrongen, dan moeder, die er eigenlijk
nooit in doorgedrongen is, omdat ze nooit een leeraar heeft gehad,
die zijn sociaal-politieke inzichten ontwikkelde voor zijn onrijpe
leerlingen. Ze zijn in alle opzichten moeder de baas: in lichaamskracht,
in kennis, in ontwikkeling, in inzicht. En moeder denkt er het hare van:
die zelfoverschatting is eigen aan dien leeftijd, kom, laat ieder de
dwaasheid van zijn jaren genieten.
Doch zie nu, als die krachtige, verstandige, inzichtvolle
zelfstandigheden in moeilijkheid komen, in zeer reëele moeilijkheid.
Dan draaien ze om moeder heen, dan zijn ze onrustig, dan verliezen ze
die sterk gevoelde zekerheid, en zijn weer de afhankelijke kinderen
van ouds. Bij moeder schreien ze hun nooden uit, bij haar zoeken ze
troost en voorlichting, al hun zelfstandigheid lost op, waar die met
een verantwoordelijkheid gepaard gaat, die het onervaren hart niet
dragen kan. Het is zoo gemakkelijk te redeneeren, te oordeelen, te
veroordeelen, te phantaseeren, en zoo uiterst moeilijk te leven. In
het redeneeren en phantaseeren, in het oordeelen en veroordeelen, zijn
ze moeder verreweg de meerdere, maar als het op leven aankomt, als de
problemen niet aan het hoofd of de phantasie, doch aan de daad oplossing
vragen, dan moet moeder er bij komen, de onmisbare, en uit den nood
helpen.
Dat is het humoristische in deze verhouding, dat de waanwijze
zelfstandigheid om uitredding drentelt om de bescheiden hulpvaardigheid
en, na de verlossing, straks toch weer in haar zelfoverschatting
vervalt. Ach, wat hebben juist die ouderen moeder nog dringend noodig!
* * * * *
Een moeder is een wezen, dat alle waardeering verdient en zich goedig
moet laten welgevallen, dat alle waardeering haar onthouden wordt. Haar
invloed is zoo weinig tastbaar en meetbaar, dat hij der grove zelfzucht
ontgaat. Maar 't is een moeder niet om waardeering te doen, 't is haar
alleen te doen om moeder te zijn naar den drang van haar instinct. En
ook alleen dan heeft zij succes.
Principiëel kan niemand moeder zijn. Men is het krachtens natuur en
aanleg.
Eén der kenmerken der moeder is toewijding, zelfverloochening. Eigenlijk
drukt dit laatste woord nog niet zuiver de bedoelde eigenschap uit. Het
doet nog denken aan opzet, bewustheid, inspanning. Een moeder behoeft
haar zelf niet te verloochenen, omdat ze geen zelf heeft. "Al mijn
égoïsme zijt gij," laat Hildebrand iemand zeggen. Dat is Moedertaal. Een
moeder bestaat niet, alleen haar kinderen bestaan, en gelijk haar borst
voedingsbron werd voor den zuigeling, werd dit heel haar bestaan
levenslang voor de kinderen. Haar wezen is wijden.
Zóó is de Moeder. En waar zij zoo is, behoeft zij zich nooit bekommerd
te maken over paedagogiek. Zij brengt paedagogiek voort. Die vloeit uit
haar toegewijd leven. Die roept het kind in haar wakker als moedermelk.
De mannen der wetenschap gaan tot haar en zien haar de paedagogiek af,
die zij, onbewust van haar gave, zoo maar als levensrealiteit
uitstroomt.
Maar dit geschiedt alleen, als zij waarlijk moeder is. Want er zijn ook
veel onechte moeders, nog veel meer dan "onechte" kinderen. Die willen
leven voor zichzelf, ja, begeeren dat de kinderen voor haar leven, alsof
de zuigeling moeder moest worden. Dit zijn echter geen moeders, alleen
voortbrengsters van kinderen.
De echte moeder zorgt altijd voor haar kinderen, zelfs nog na haar dood.
Een zeer goede vriendin schreef mij over de onoverkomelijke
moeilijkheden, om in haar armoede een nieuwe woning te huren; woordelijk
stond in dien brief na het droeve verslag van alle vergeefsche pogingen:
"Verleden week was ik wanhopend, tot ik op een nacht met Moeder bezig
was en ik haar hoorde zeggen: "Kind, verlies den moed maar niet, je komt
er wel weer door." En toen ik den volgenden dag er op uit trok, vond ik
een woning."
Voor de volkomen waarheid hiervan sta ik in, want die vriendin was mijn
zuster, en haar moeder de mijne. Haar brief--zij weet het zelf niet--heb
ik bewaard als een schitterend bewijsstuk van wat een echte moeder
vermag, en wanneer ik dit citaat hier aan de openbaarheid prijs geef,
het is--opdat het alle moeders zal overtuigen van haar buitengewone
beteekenis voor de kinderen, en opwekken tot de heerlijke, gezegende
taak, goede Moeders te zijn.