Er was eens een vrouw, die nooit den zin van haar man deed.
Men zal zoo zeggen: Dat is zoo'n bijzonderheid niet, zulke vrouwen zijn
er meer. En zelfs zijn er mannen, die nooit den zin van hun vrouw doen.
Maar zoo bedoel ik het niet.
Ik wilde zeggen, dat die vrouw _altijd_ den zin van haar man deed. En
ongedwongen, met haar volle hart. Echter niet, dan nadat ze eerst drie
minuten haar eigen zin had gedaan.
Haar eerste opwelling en haar eerste woord was steeds: "Hè neen!" Maar
dan volgde bijna geregeld, na een heel kort poosje, de tweede opwelling
en het tweede woord: "Nu ja dan maar!"
"Vrouw, willen we een uurtje gaan wandelen?"
"Hè neen!"
De weigerverzuchting was begrijpelijk. De man was klaar met zijn werk en
had wandellust. Maar de vrouw moest nog even wat in orde brengen en wou
dan juist, moede van het gedribbel, een oogenblikje rustig gaan zitten,
de krant inkijken. Hij wou zich wat bewegen. Zij eens even bekomen.
De man was echter een wijze. Sommigen zeggen: een slimmerd.
Hij klaagde niet, dat zijn vrouw "ook nooit" instemde met zijn
voorstellen. Hij dreigde niet, dat hij dan "in vredesnaam" maar alleen
zou gaan. Hij zweeg. En drie minuten later hoorde hij: "Nu, wil je
graag? Laten we dan maar gaan!"
Hij had op de tweede opwelling vertrouwd, en niet te vergeefs. Zóó sterk
en zóó zeker, dat hij nu zelfs grootmoedig dorst worden:
"Neen, neen, als jij moe bent en liever thuisblijft..." Doch niettemin
liep hij al naar den kapstok en greep reeds naar zijn hoed.
Die grootmoedigheid der mannen beperkt zich, gelijk we weten, tot het
bewaren van den edelen schijn. Daarmee hebben ze hun offers aan de
zelfverloochening gebracht. En spoedig wandelden man en vrouw samen
buiten, hij een en al ontspanning, zij niet zonder inspanning. Toch
durfde de edele huichelaar nog vragen, of ze 't nu niet heerlijk vond en
of hij niet goed had gedaan, met haar uit huis te jagen. Want gelijk we
andermaal weten, mannen willen niet alleen hun zin, ze willen ook gelijk
hebben.
De vrouw gaf hem gelijk. Nu ze eenmaal over de eerste opwelling
heen was en de tweede had opgevolgd, viel het haar gemakkelijk op
dien weg verder te gaan. De moeilijkheid bestond voor haar niet in de
opoffering--offeren is het ademhalen der vrouwelijke natuur--maar in het
maken van de onverwachte wending.
En dit is toch ook begrijpelijk. Wij allen leven onder zekere invloeden,
ervaren daarbij bepaalde stemmingen, ontwikkelen in harmonie daarmee
bepaalde gedachtengangen, vormen min of meer bewust onze bepaalde
plannen voor de allernaaste toekomst, en zitten dan midden in een vrij
samengestelde constructie van innerlijk leven. Ons denken, gevoelen,
willen, fantaseeren maakt een bepaalde kaleidoscopische figuur, en als
iemand, door zijn ingrijpen, daarvan een andere figuur wil maken, is het
noodig, dat de cylinder van onze psyche een halven draai wentelt. Dat nu
valt ons niet altijd licht. Het brengt ons uit ons doen. En het kost ons
dientengevolge eenige minuten van bezinning en zelfoverwinning, eer we
er toe komen. Vandaar het verzet van zoo menige "eerste opwelling". En
wijs is de man, doch ook de vrouw, die op de tweede wacht.
* * * * *
Het niet-aanstonds voldoen aan iemands wil, zelfs het niet-onmiddellijk
gehoorzamen van kinderen en ondergeschikten, behoeft volstrekt niet
tegen hen te getuigen. Integendeel--het kan juist bewijzen, dat ze
zich met hun heele hart aan hun werk hebben gegeven, zoodat ze daaraan
met tallooze draden verbonden zijn. Los te zijn van zijn taak is een
twijfelachtige deugd, ook al is het geriefelijk als iemand zich daardoor
snel richten kan naar onze wisselende bevelen. Beter is het, aldus één
te zijn met zijn arbeid, dat het verband maar niet zonder inspanning
verbroken wordt. We wachten liever op de tweede opwelling van een
ernstig werker, die zich in zijn arbeid verliest, dan gediend te worden
door mechanische onverschilligheid.
Er is echter nog een ander gebied, waar de tweede opwelling van veel
ernstiger beteekenis is, waar de eerste onwil niet voortkomt uit wat
meermalen een deugd mag heeten, maar uit den donkeren afgrond eener
booze natuur; niet als het antwoord der vasthoudendheid op een vraag of
een gebod, maar als de spontane reactie op de prikkels van 't leven.
Daar is die onwil dan ook eigenlijk niet _onwil_, maar slechte wil.
Leelijke neigingen kronkelen als giftige slangen in de diepte van menig
menschengemoed. Zinnelijke lusten doen begeeren naar het verbodene. Nijd
en gierigheid willen den ondergang van een medemensch. We verfoeien
onszelf om de ontzettende opborrelingen onzer innerlijke boosheid.
Het recht van den rijke, de reinheid der onschuldige, de roem van
den begaafde--ze bestaan niet voor de laaghartige verlangens onzer
onbeheerschte zelfzucht. Dat recht wordt verkracht, die reinheid besmet,
die roem belasterd, door duizenden en nogmaals duizenden eerlijke,
brave, edele naturen, in de eerste opwelling van hun zondig hart. Hoe
zou de wereld er uitzien, wanneer eens plotseling openbaar werd het
verborgen leven der ongeremde begeerten. En hoe, wanneer deze aanstonds
in daden werden verwezenlijkt!
Er zijn maar weinige begenadigden, die, als eenmaal Hij, naar wien
de christenheid zich noemt, onbekommerd kunnen leven naar de eerste
aanwijzingen van al hun neigingen. Dat was een leven uit God. Uit deze
bron der heiligheid kon niets onheiligs voortvloeien. Wij, overigen,
mogen al dankbaar zijn, wanneer we nu en dan eens gehoor mogen geven
aan een eerste opwelling. Meestal moeten we haar in bedwang houden,
met geweld terugduwen, en een oogenblik, doch soms ook uren en dagen,
wachten, totdat de tweede, en in haar ons beter ik, is doorgebroken. Ons
beter ik, dat wellicht juister ons verbeterd ik kon heeten. Immers, het
is de vrucht der zedelijke, der christelijke opvoeding, die zich in deze
correctie onzer natuurlijke aandriften openbaart.
Het is raadzaam voor onszelf niet maar onnadenkend naar eerste opwelling
te oordeelen of te handelen, doch 't is niet minder plicht onze
medemenschen niet maar aanstonds te schatten naar hun onvoorbereid
doen en hen te houden aan hun rasse uitspraken. Menigeen is veel beter
dan hij schijnt, en veel zachter dan hij oordeelt. Deze uitingen
vertegenwoordigen niet zijn geheele persoonlijkheid. Er werken ook
andere elementen in hem. Gun ze den tijd naar buiten te komen en schort
uw oordeel op. Het is een der groote schaduwzijden van onze haastige
polemieken in vergadering en dagblad, dat zij den strijd doen voeren
tusschen de ongezuiverde machten der eerste opwellingen. Hoeveel mooier
en edeler kon het karakter van ons huiselijk en maatschappelijk leven
worden, als bezonnenheid haar louterende werking had verricht.
In Engelsch-Indië leefde eens een grijze weldoener, die als een heilige
werd vereerd. Op zekeren dag begaf zich een jongeling tot hem en vroeg:
Wat moet ik toch doen, om heilig te worden zooals gij?
Toen opende de oude zijn levensboek voor het eerbiedig oog van den
jongere, en daarin stonden te lezen de verachtelijkste en laaghartigste
misdaden. "Dat heb ik alles misdreven," zei de heilige man. "Zoo door en
door zondig is mijn hart."
De jongeling sidderde, alsof hij een adder had aangeraakt.
"Maar", ging de grijsaard voort, "ik heb het alleen misdreven in
gedachten. Het waren mijn eerste opwellingen. Ik heb die echter
telkens weer laten wegzinken in den onreinen poel, waaruit ze waren
voortgekomen. En daarna schonk God mij de kracht Zijn wil te
volbrengen."
De jongeling ging heen. Nu wist hij het: men wordt geen heilige, dan
door zelfbeheersching, loutering gehoorzaamheid. En waar de eerste
opwelling ons verraderlijk verrast, zij alle zedelijke kracht
geconcentreerd op--de tweede.