II. VERTROUWEN.

Laatst ontving ik een brief van een jonggehuwde vrouw, die haar

eersteling verwachtte. Maar 't was geen brief vol blijde hoop. Er lag nu

reeds een schaduw over dat toekomstig geluk. Er was twijfel aan eigen

geschiktheid voor de verantwoordelijke taak van het moeder-zijn. "Zal

ik ooit in staat blijken, het teere wezentje, dat straks in mijn armen

ligt, op te voeden tot een braaf en gelukkig mensch?" Die zorg drukte

de blijdschap der zoete verwachting neer. "Het lijkt me zoo uiterst

moeilijk, een kind naar behooren op te voeden. En toch, dit is immers

onze dure plicht, waar wij dat nieuwe schepseltje in 't aanzijn hebben

geroepen?"

Toen heb ik de schrijfster geantwoord, dat ze blijkbaar veel te veel

waarde hechtte aan haar eigen beteekenis, aan haar eigen invloed, aan

de middelen eener weloverdachte, beginselvaste opvoeding, en te weinig

vertrouwen had in het kindje, dat ze nog krijgen moest. Niet dat ik haar

zorgeloosheid toewenschte, maar wel de onbezorgdheid, die vrucht is van

geloof en vertrouwen. Er is in tijden als de onze, waarin op allerlei

gebied het redeneerend verstand heerschappij wil voeren, te weinig

geloof. Ik bedoel niet: geloof in een of andere theologische of

politieke of oeconomische leerstelling. Aan dàt geloof is waarlijk geen

gebrek. Ook niet aan het geloof in paedagogische dogma's. Hooren we niet

dagelijks en uurlijks bij allerlei principes en grondstellingen zweren?

Maar geloof in den zin van _vertrouwen_.

In ieder kind bloeit, stil verborgen, een wonderbloem. Terwijl uw

zuigeling daar in de wieg ligt--zoo'n lekkere dikkert!--ontkiemt en wast

daarbinnen iets heel teers en fijns. Ge ziet er aanvankelijk nog niets

van. En zelfs kan het jaren duren, eer het zich aan U, eer het zich

aan zichzelf openbaart. Maar toch is het er, reeds van den beginne af.

Want als het er niet was, vanwaar zou het dan later komen? Dat is het

persoonlijke, het eigene, het individueele, het eenig hem toebehoorende,

ja _dat is uw kind_. Niet het lichaampje, dat door u met zooveel zorg

wordt gereinigd en gevoed, niet het verstand, dat door u met zooveel

kennis wordt opgebouwd--neen, uw kind is geen samenstel van stof of van

begrippen. Wie daarop bouwt, komt tenslotte bedrogen uit. Want de stof

is zelfzuchtig, en begrippen zijn hard en koud. Maar in die stof, en als

onzichtbare heerscheres over die begrippen, leeft en werkt de _ikheid_,

de niet te omschrijven onbekende, de ziel. Zij alleen is uw kind. En

haar kunt ge vervangen noch veranderen. Integendeel, zij zal alles

beschouwen en wijzigen naar de bizondere eigenschappen van haar aard.

Doch ge kunt op haar vertrouwen. En ge móét op haar vertrouwen. Als

ergens in het mensch-zijn zich iets van de Godheid doet bespeuren, dan

is het daar.

Toen De Genestet een leelijk trekje ontdekt had in het hart van zijn

lieveling, maakte hij zich daar bekommerd over, en zon op allerlei

middelen, om dat kwaad te bestrijden. Maar zijn wijsheid schoot te kort.

Toen bad hij, en wachtte. En zie--"'t hooghartig zondaresje" kwam uit

zichzelve tot hem, "nederig en klein." Wie had dat wonder bewerkt? Niet

de paedagogische middelen van den vader. Doch zelf getuigde deze: "Meest

werkt de _macht ten goede_, door God in 't hart gelegd." Vertrouw op die

macht ten goede.

* * * * *

Daar zit ge op een avond bij de wieg van uw eersteling. De ademhaling

van het slapend kleintje gaat zoo rustig. Met een kleurtje op de wangen

ligt het daar. En in uw eigen ziel is de vrede, die van dit blozend

koontje straalt en uit die blonde lokjes licht. Wat zalig gevoel! Geen

zorg voor de toekomst kwelt u, geen besef van eigen onvolmaaktheid drukt

u neer. Ge denkt er wel niet aan, maar de overtuiging leeft toch in u,

dat menschelijke wijsheid vaak het wonderbloempje der kinderziel doet

welken, menschelijke wijsheid, die zoo vaak dwaas ingrijpen is in het

stille werk Gods. Ge vat uw taak wel ernstig op, maar verwacht niet

_alle_ heil, zelfs niet het _meeste_ heil van uw middelen. Er is

vertrouwen in u gekomen, vertrouwen in de _macht ten goede_, thans reeds

werkend in dat jonge zieltje. En zwijgend geeft ge u over aan de

weldadige kalmte van dat stille vertrouwen.

Verspreide Opstellen, II · 第 7 / 55 题