Laatst ontving ik een brief van een jonggehuwde vrouw, die haar
eersteling verwachtte. Maar 't was geen brief vol blijde hoop. Er lag nu
reeds een schaduw over dat toekomstig geluk. Er was twijfel aan eigen
geschiktheid voor de verantwoordelijke taak van het moeder-zijn. "Zal
ik ooit in staat blijken, het teere wezentje, dat straks in mijn armen
ligt, op te voeden tot een braaf en gelukkig mensch?" Die zorg drukte
de blijdschap der zoete verwachting neer. "Het lijkt me zoo uiterst
moeilijk, een kind naar behooren op te voeden. En toch, dit is immers
onze dure plicht, waar wij dat nieuwe schepseltje in 't aanzijn hebben
geroepen?"
Toen heb ik de schrijfster geantwoord, dat ze blijkbaar veel te veel
waarde hechtte aan haar eigen beteekenis, aan haar eigen invloed, aan
de middelen eener weloverdachte, beginselvaste opvoeding, en te weinig
vertrouwen had in het kindje, dat ze nog krijgen moest. Niet dat ik haar
zorgeloosheid toewenschte, maar wel de onbezorgdheid, die vrucht is van
geloof en vertrouwen. Er is in tijden als de onze, waarin op allerlei
gebied het redeneerend verstand heerschappij wil voeren, te weinig
geloof. Ik bedoel niet: geloof in een of andere theologische of
politieke of oeconomische leerstelling. Aan dàt geloof is waarlijk geen
gebrek. Ook niet aan het geloof in paedagogische dogma's. Hooren we niet
dagelijks en uurlijks bij allerlei principes en grondstellingen zweren?
Maar geloof in den zin van _vertrouwen_.
In ieder kind bloeit, stil verborgen, een wonderbloem. Terwijl uw
zuigeling daar in de wieg ligt--zoo'n lekkere dikkert!--ontkiemt en wast
daarbinnen iets heel teers en fijns. Ge ziet er aanvankelijk nog niets
van. En zelfs kan het jaren duren, eer het zich aan U, eer het zich
aan zichzelf openbaart. Maar toch is het er, reeds van den beginne af.
Want als het er niet was, vanwaar zou het dan later komen? Dat is het
persoonlijke, het eigene, het individueele, het eenig hem toebehoorende,
ja _dat is uw kind_. Niet het lichaampje, dat door u met zooveel zorg
wordt gereinigd en gevoed, niet het verstand, dat door u met zooveel
kennis wordt opgebouwd--neen, uw kind is geen samenstel van stof of van
begrippen. Wie daarop bouwt, komt tenslotte bedrogen uit. Want de stof
is zelfzuchtig, en begrippen zijn hard en koud. Maar in die stof, en als
onzichtbare heerscheres over die begrippen, leeft en werkt de _ikheid_,
de niet te omschrijven onbekende, de ziel. Zij alleen is uw kind. En
haar kunt ge vervangen noch veranderen. Integendeel, zij zal alles
beschouwen en wijzigen naar de bizondere eigenschappen van haar aard.
Doch ge kunt op haar vertrouwen. En ge móét op haar vertrouwen. Als
ergens in het mensch-zijn zich iets van de Godheid doet bespeuren, dan
is het daar.
Toen De Genestet een leelijk trekje ontdekt had in het hart van zijn
lieveling, maakte hij zich daar bekommerd over, en zon op allerlei
middelen, om dat kwaad te bestrijden. Maar zijn wijsheid schoot te kort.
Toen bad hij, en wachtte. En zie--"'t hooghartig zondaresje" kwam uit
zichzelve tot hem, "nederig en klein." Wie had dat wonder bewerkt? Niet
de paedagogische middelen van den vader. Doch zelf getuigde deze: "Meest
werkt de _macht ten goede_, door God in 't hart gelegd." Vertrouw op die
macht ten goede.
* * * * *
Daar zit ge op een avond bij de wieg van uw eersteling. De ademhaling
van het slapend kleintje gaat zoo rustig. Met een kleurtje op de wangen
ligt het daar. En in uw eigen ziel is de vrede, die van dit blozend
koontje straalt en uit die blonde lokjes licht. Wat zalig gevoel! Geen
zorg voor de toekomst kwelt u, geen besef van eigen onvolmaaktheid drukt
u neer. Ge denkt er wel niet aan, maar de overtuiging leeft toch in u,
dat menschelijke wijsheid vaak het wonderbloempje der kinderziel doet
welken, menschelijke wijsheid, die zoo vaak dwaas ingrijpen is in het
stille werk Gods. Ge vat uw taak wel ernstig op, maar verwacht niet
_alle_ heil, zelfs niet het _meeste_ heil van uw middelen. Er is
vertrouwen in u gekomen, vertrouwen in de _macht ten goede_, thans reeds
werkend in dat jonge zieltje. En zwijgend geeft ge u over aan de
weldadige kalmte van dat stille vertrouwen.