Niet het kind in de wieg kan _mensch_ heeten, ook al lacht en schreit
het; niet de knaap in de schoolbank, ook al denkt en gevoelt hij, al
ontwikkelt zich zijn taal met zijn geest. Eerst wanneer
"bei der Leidenschaft Ruf der Jüngling erwachet,
Und des Bewusztseins Blitz dämmernd die Welt ihm erhellt",
eerst dan wordt het kind _mensch_. Dan spiegelt zich alles af in zijn
ziel en wekt daar tal van vragen, waarvan de knaap geen flauw vermoeden
had. Wanneer het _Bewustzijn_ als een bliksemstraal te voorschijn
springt uit den dommelenden, droomenden geest, en een flauw schemerlicht
werpt over alles, dat zich om en in ons bevindt, dan, bij dien dageraad
des zielelevens, ontvangen we pas _besef_, schoon nog zwak: besef van
onzen toestand op aarde, besef van ons stoffelijk en geestelijk bestaan,
besef van verwantschap onzer ziel met andere menschenzielen, besef van
onze nauwe betrekking tot de omringende wereld, tot de gansche grootsche
schepping, tot den bewusten of onbewusten oorsprong aller dingen, tot de
werkende kracht of den scheppenden God.
Bij den eenen mensch is dit ontwaken een zachte, geleidelijke overgang;
langzaam, schier onmerkbaar, rijst de bleeke zon van 't zelfbewustzijn
aan den donkeren, maar rustigen hemel des zielelevens; zoete melancholie
murmelt het morgenlied.
Bij den anderen echter gaat deze kentering gepaard met woedende stormen;
hemel en aarde wankelen op hun grondvesten; alles hult zich in diepe
duisternis; nergens is licht, nergens vastheid; angst, radeloosheid,
wanhoop, trekken als geesten der nacht het hart binnen en heerschen daar
onbeperkt, tenzij er een vriendelijke stemme, ruischend om het hoofd,
met zachten klem gebiedt:
"toch niet bezorgd te wezen."
Zooals bij de wisseling der seizoenen de natuur in opstand geraakt en de
voorjaarszon door bliksemstralen en donderslagen wordt aangekondigd, zoo
voeren bij de voornaamste wisseling der levenstijdperken vaak allerlei
machten een geweldigen strijd in de ziel.--Herhaaldelijk lezen we in
den Bijbel, dat aarde en hemel in beroering zijn, dat alle elementen in
onderlingen kamp zijn losgebroken, wanneer de God des Hemels zich aan de
Aarde vertoont, wanneer het Licht der Schepping door de wolken breekt,
die Hemel en Aarde scheiden. Maar evenzeer herhaaldelijk, neen duizend
en duizenden malen zien we in de harten onzer medemenschen, dat ook dáár
de chaos schijnt weer te keeren, wanneer de goddelijke vonk van 't
zelfbewustzijn als uit de krachtige aanraking van den geest met de
wereld ontspringt en schittert door de nevelen der kinderlijke
droomwereld. Onder barensweeën wordt de mensch "wederom geboren."
Daar zijn er ook, die van dit alles niets verstaan. Misschien..... zijn
deze de "normale", de gezonde menschennaturen. Misschien ook zijn ze de
gelukkigste, doch, in ieder geval, de _grootste_ zijn ze niet. De
hoogste aristocratie des geestes heeft in den strijd, dikwijls tot
stervens toe gewond, den ridderslag ontvangen.