I. ZIELSONTWAKEN.

Niet het kind in de wieg kan _mensch_ heeten, ook al lacht en schreit

het; niet de knaap in de schoolbank, ook al denkt en gevoelt hij, al

ontwikkelt zich zijn taal met zijn geest. Eerst wanneer

"bei der Leidenschaft Ruf der Jüngling erwachet,

Und des Bewusztseins Blitz dämmernd die Welt ihm erhellt",

eerst dan wordt het kind _mensch_. Dan spiegelt zich alles af in zijn

ziel en wekt daar tal van vragen, waarvan de knaap geen flauw vermoeden

had. Wanneer het _Bewustzijn_ als een bliksemstraal te voorschijn

springt uit den dommelenden, droomenden geest, en een flauw schemerlicht

werpt over alles, dat zich om en in ons bevindt, dan, bij dien dageraad

des zielelevens, ontvangen we pas _besef_, schoon nog zwak: besef van

onzen toestand op aarde, besef van ons stoffelijk en geestelijk bestaan,

besef van verwantschap onzer ziel met andere menschenzielen, besef van

onze nauwe betrekking tot de omringende wereld, tot de gansche grootsche

schepping, tot den bewusten of onbewusten oorsprong aller dingen, tot de

werkende kracht of den scheppenden God.

Bij den eenen mensch is dit ontwaken een zachte, geleidelijke overgang;

langzaam, schier onmerkbaar, rijst de bleeke zon van 't zelfbewustzijn

aan den donkeren, maar rustigen hemel des zielelevens; zoete melancholie

murmelt het morgenlied.

Bij den anderen echter gaat deze kentering gepaard met woedende stormen;

hemel en aarde wankelen op hun grondvesten; alles hult zich in diepe

duisternis; nergens is licht, nergens vastheid; angst, radeloosheid,

wanhoop, trekken als geesten der nacht het hart binnen en heerschen daar

onbeperkt, tenzij er een vriendelijke stemme, ruischend om het hoofd,

met zachten klem gebiedt:

"toch niet bezorgd te wezen."

Zooals bij de wisseling der seizoenen de natuur in opstand geraakt en de

voorjaarszon door bliksemstralen en donderslagen wordt aangekondigd, zoo

voeren bij de voornaamste wisseling der levenstijdperken vaak allerlei

machten een geweldigen strijd in de ziel.--Herhaaldelijk lezen we in

den Bijbel, dat aarde en hemel in beroering zijn, dat alle elementen in

onderlingen kamp zijn losgebroken, wanneer de God des Hemels zich aan de

Aarde vertoont, wanneer het Licht der Schepping door de wolken breekt,

die Hemel en Aarde scheiden. Maar evenzeer herhaaldelijk, neen duizend

en duizenden malen zien we in de harten onzer medemenschen, dat ook dáár

de chaos schijnt weer te keeren, wanneer de goddelijke vonk van 't

zelfbewustzijn als uit de krachtige aanraking van den geest met de

wereld ontspringt en schittert door de nevelen der kinderlijke

droomwereld. Onder barensweeën wordt de mensch "wederom geboren."

Daar zijn er ook, die van dit alles niets verstaan. Misschien..... zijn

deze de "normale", de gezonde menschennaturen. Misschien ook zijn ze de

gelukkigste, doch, in ieder geval, de _grootste_ zijn ze niet. De

hoogste aristocratie des geestes heeft in den strijd, dikwijls tot

stervens toe gewond, den ridderslag ontvangen.

Verspreide Opstellen, II · 第 6 / 55 题