Reeds lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en groote wolken
dreven dicht over de aarde, in statige, eindelooze opvolging. Ze
breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden haar
trotsche koppen in het klare licht, dat daarboven scheen. Wondersnel
wisselden zonlicht en schaduw op de boomen, als een telkens opvlammend
vuur. Het werd Johannes angstig daarbij te moede; hij peinsde over het
boekje, niet recht geloovend, dat hij het heden vinden zou. Tusschen de
wolken, veel hooger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw
en daarop teedere, witte wolkjes, fijngepluimd, kalm zich uitstrekkend
in onbeweeglijke rust. 'Zóó moet het zijn,' dacht hij, 'zoo hoog, zoo
licht, zoo stil.' Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar.
'Het is goed, Johannes,' riep ze luid; 'je mag komen en het boek zien.'
'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend.
'Dat is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.'
Hij ging mede, voortdurend bij zich-zelven denkende: 'Het kan niet, zóó
kan het niet, het moest alles heel anders zijn.'
Doch hij volgde het glanzig-blonde haar, dat hem voorlichtte. Ach! nu
ging het droevig met den kleinen Johannes. Ik wenschte, dat zijn
geschiedenis hier eindigde. Hebt gij wel eens heerlijk gedroomd, van een
toovertuin met bloemen en dieren, die u liefhadden en tot u spraken? En
hebt gij dan wel in uw droom het besef gekregen, dat gij spoedig zoudt
ontwaken en al die heerlijkheid verliezen? Dan poogt gij vruchteloos
haar vast te houden en wilt het koude morgenlicht niet zien.
Zulk een gevoel had Johannes toen hij medeging.
Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken.
Hij rook de lucht van kleederen en spijzen; hij dacht aan lange dagen,
toen hij thuis had moeten blijven, aan schoolwerk, aan al wat somber en
koud in zijn leven was geweest.
Hij kwam in een kamer met menschen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten,
doch toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, het
had groote, onmogelijke bloemen met schelle kleuren. Zij waren even
vreemd en wanstaltig als die van het behangsel in zijn slaapkamer thuis.
'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zeide een stem recht tegenover hem.
'Kom maar hier, vriendje, je behoeft niet bang te zijn.'
En een andere stem klonk plotseling naast hem: 'Nu, Robbi, je hebt daar
wel een aardig vrijertje.'
Wat beteekende dat alles? Weer kwamen boven de donkere kinderoogen van
Johannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond.
Daar zat een zwart gekleede man en keek hem met koude, grijze oogen aan.
'En je wilde zoo kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert
me, dat je vader, dien ik als een vroom man ken, je dat niet heeft
gegeven.'
'U kent mijn vader niet, die is ver weg.'
'Zoo! nu, dat is hetzelfde. Ziehier, mijn vriendje! lees hier veel in,
het zal je op je levensweg ...'
Doch Johannes had het boek reeds herkend. Zóó kon hij het ook niet
krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde het hoofd.
'Neen, neen! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.'
Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle
zijden staken.
'Wat? Wat meen je, mannetje?'
'Ik ken dit boekje, het is het menschenboek. Maar het geeft niet genoeg,
anders zou er rust zijn onder de menschen en vrede. En die zijn er niet.
Ik bedoel iets anders, waaraan niemand twijfelen kan die het ziet,
waarin staat, waarom alles is zooals het is, precies en duidelijk.'
'Hoe is 't mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?'
'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?'
'Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!'
Zoo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, het begon
hem te duizelen, de kamer draaide, en de groote bloemen op het
vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zoo trouw
waarschuwde op school, dien eersten dag? Het was nu noodig.
'Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer
waard dan gij allen. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun
vertrouwde. Ik weet ook wat menschen zijn en hoe zij leven. Ik ken al de
geheimen van feeën en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de
menschen.'
Muisje! muisje!
Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en
suisde in zijn ooren.
'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.'
'Hij is niet recht bij 't hoofd.'
De man voor hem zeide: 'Als je Andersen kent, mannetje! dan moest je
meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord.'
'God!' dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.
'Ik heb geen eerbied voor God. God is een groote petroleumlamp, waardoor
duizenden verdwalen en verongelukken.'
Geen gelach, maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting
voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in den rug.
Het was als in zijn droom van den vorigen nacht.
De zwart-gekleede man stond op en nam hem bij den arm. Dat deed pijn en
brak bijna zijn moed.
'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven,
maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga heen en kom niet meer onder
mijn oogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet
je geen voet meer. Verstaan?'
Aller blikken waren koud en vijandig evenals dien nacht.
Johannes zag angstig rond.
'Robinetta! Waar is Robinetta!'
'Jawel, mijn kind bederven! Pas op, als je ooit weer tot haar spreekt!'
'Neen! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. Robinetta!' schreide
Johannes.
Doch zij zat angstig in een hoek en keek niet op.
'Voort, bengel! hoor je niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te
komen!'
En de pijnlijke greep leidde hem door de klinkende gang, de glazen deur
rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende
wolken.
Hij weende niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam
voortliep. De droevige rimpels boven zijn oogen waren dieper, en gingen
niet meer weg.
Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil
en staarde zwijgend terug. Doch er was geen vertrouwen meer in de
schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge
diertje in een snorrende vlucht heen. 'Weg! weg! een mensch,' tjilpten
de musschen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar
alle zijden uiteen.
Ook de opene bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig,
zooals zij bij iederen vreemde doen.
Doch Johannes vatte die teekens niet, maar dacht aan de krenking, die de
menschen hem hadden aangedaan. Het was hem of zijn innig binnenste door
koude, harde handen was ontwijd. 'Zij zullen mij gelooven,' dacht hij;
'ik zal mijn sleuteltje halen en het hun toonen.'
'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje
in een hulstboom, en de groote oogen van Wistik keken over den rand.
'Waar gaat ge heen?'
'Het is alles uw schuld, Wistik,' zeide Johannes. 'Laat mij met rust!'
'Wat doet ge er ook met menschen over te spreken, menschen begrijpen u
toch niet. Waarom zegt ge die dingen aan menschen? dat is heel dom.'
'Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens!
ik haat ze.'
'Neen Johannes, ge houdt van hen.'
'Neen! neen!'
'Anders zou het u minder verdriet doen, dat zij niet zijn als gij; dan
zou het u niet kunnen schelen, wat zij zeggen. Ge moet u minder om
menschen bekommeren.'
'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun toonen.'
'Dat moet ge niet doen, ze zouden u toch niet gelooven. Waartoe zou het
dienen?'
'Ik wil mijn sleuteltje, onder den rozenstruik. Weet ge dien te vinden?'
'Ja wel! bij den vijver, niet waar? Ja dien weet ik.'
'Breng mij er dan, Wistik!'
Wistik klom op Johannes' schouder en zeide hem den weg. Zij liepen den
ganschen dag, het woei en van tijd tot tijd vielen regenbuien, doch
tegen den avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange
gouden en grauwe strooken.
Toen zij aan het duin kwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te
moede en hij fluisterde telkens 'Windekind! Windekind!'
Daar was het konijnenhol, en de duin, waartegen hij eens geslapen had.
Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn
voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met haar
bedwelmenden, flauwen geur staken bij honderden de kelken op. Hooger nog
rezen de lange, trotsche toortsplanten met dikke, vilten bladeren.
Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de
duinroos.
'Waar is zij, Wistik, ik zie haar niet.'
'Ik weet er niet van,' zeide Wistik. 'Gij hebt het sleuteltje verborgen,
ik niet.'
Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die
wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg haar en ook de toortsplanten;
die waren echter veel te trotsch, want haar lange bloemtros stak ver
boven hem uit, en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op
den zandgrond.
Doch niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allen van dezen zomer.
Zelfs de verwaande toortsplant, die zoo hoog was.
'Ach, waar is zij? waar is zij?'
'Hebt _gij_ mij ook al beet genomen?' zeide Wistik. 'Ik dacht het wel,
dat heb je altijd met menschen.'
En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tusschen het
helm.
Wanhopend staarde Johannes rond, daar stond een klein duinrozestruikje.
'Waar is de groote roos,' vroeg Johannes, 'de groote die hier vroeger
stond?'
'Wij spreken niet met menschen,' zeide het struikje.
Dat was het laatste, wat hij hoorde, al het levende om hem zweeg, alleen
de helmen suisden in den zachten avondwind.
'Ben ik een mensch?' dacht Johannes. 'Neen, dat kan niet, dat kan niet.
Ik wil geen mensch zijn. Ik haat de menschen.'
Hij was moede en dof van geest. Hij ging liggen aan den rand van 't
veldje, op het weeke, grijze mos, dat een vochtigen, sterken geur
verspreidde.
'Nu kan ik niet terugkeeren, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Zou
ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een
mensch zijn, een mensch zooals die anderen, die mij uitlachten?'
Daar zag hij op eenmaal de twee witte vlinders weer, die van den kant
der ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun
vlucht. Zouden zij hem den weg wijzen? Zij vlogen hem over 't hoofd,
elkaar naderende en weer verlatende, om elkaar heen dwarrelende in
wispelturig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden
eindelijk over den rand der duinen naar het bosch, waarvan alleen de
hoogste toppen nog kleurden in den avondschijn, die rood en schel onder
de lange sombere wolkenrijen uit lichtte.
Johannes volgde hen. Doch toen ze boven de eerste boomen waren, zag hij
hoe een donkere schaduw hen in onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en
inhaalde. Het volgende oogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw
schoot snel op hem toe, en angstig dekte hij het gezicht met de handen.
'Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe,
spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een groote vleermuis op
zich zien afkomen, doch toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het
duin, niet veel grooter dan hij-zelf. Hij had een groot hoofd met groote
ooren, die donker afstaken tegen den lichten avondhemel, en een mager
figuurtje met dunne beenen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de
kleine, schitterende oogen.
'Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zeide
hij. Doch Johannes schudde zwijgend het hoofd.
'Kijk eens! wil je die van mij hebben?' begon hij weer en opende zijn
hand.
Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het
waren de witte kapelletjes, die stervend met de gescheurde en gebroken
vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem
tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde
wezen op.
'Wie zijt gij?' vroeg hij.
'Wou je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, familjaarweg
Pluizer. Ik heb nog wel mooier namen, maar die begrijp je toch niet.'
'Zijt gij een mensch?'
'Wel nu nog mooier! Nu heb ik nogal armen en beenen en een hoofd, kijk
eens wat een hoofd! en nu vraagt zoo'n jongen nog of ik een mensch ben.
Maar, Johannes! Johannes!' En het mannetje lachte met een piepend,
doordringend geluid.
'Hoe weet ge wie ik ben?' vroeg Johannes.
'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet
ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend
veel, bijna alles.'
'Ach, mijnheer Pluizer ...'
'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.'
'Weet ge dan ook ...' Doch Johannes zweeg plotseling. 'Het is een mensch,'
dacht hij.
'Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!'
'Maar ik dacht niet, dat menschen daarvan konden weten.'
'Domme jongen! En Wistik heeft het al zoovelen verklapt.'
'Kent ge Wistik dan ook?'
'O ja! een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik
wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een
goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!' En Pluizer
klopte zelfvoldaan met zijn mager handje op zijn groot hoofd.
'Weet je, Johannes,' ging hij voort, 'wat een groot gebrek van Wistik
is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.'
'Nu, wat dan?' vroeg Johannes.
'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten.
En hij zegt van mij, dat ik niet besta, maar dat liegt hij. Of ik besta!
Drommels goed!'
En Pluizer stak de kapelletjes in zijn zak en ging plotseling voor
Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg leelijk en stak een
lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak gevoelde
alleen met dit wonderlijk wezen, bij den vallenden avond in het eenzame
duin, rilde nu van angst.
'Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken,' zeide
Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staande. 'Als je wilt, zal ik je het
ook leeren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.'
En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en wendde zich op de
handen om. Toen de roode avondgloed op het omgekeerde gelaat viel, vond
Johannes het afschuwelijk, de kleine oogjes knipten in het licht en
lieten het wit zien, aan den kant waar men het niet gewoon is.
'Zie je, zoo schijnen de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de
wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven
of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken
zijn.'
Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een geploegd
land geleken met roode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee
straalde de poort van de wolkgrot.
'Kan men daarheen gaan en daarin komen?' vroeg hij.
'Gekheid!' zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn beenen, tot
groote verlichting van Johannes. 'Gekheid! Als je daar bent, is het
precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie
wolken dáár is het mistig, grijs en koud.'
'Ik geloof u niet,' zeide Johannes; 'nu zie ik eerst goed dat ge een
mensch zijt.'
'Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mensch ben? en
wat ben je zelf dan wel voor bizonders?'
'O Pluizer, ben ik ook een mensch?'
'Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd.' En Pluizer ging
vlak voor Johannes zitten, de beenen onder zich gekruist en grijnsde hem
strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen
onder dien blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken.
Doch hij kon zijn oogen niet meer afwenden.
'Alleen menschen worden verliefd, Johannes, hoor je! en dat is maar goed
ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de
beste, al ben je nog zoo klein. Aan wie denk je op 't oogenblik?'
'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar.
'Naar wie verlang je het meest?'
'Robinetta!'
'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?'