'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, een elf te
zijn? Elfen worden niet verliefd op menschenkinderen.'
'Maar het was Windekind ...' stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen
keek Pluizer ontzettend valsch en greep Johannes met zijn beenige handjes
bij de ooren.
'Wat is dat voor onzin! Wou je mij met dien snuiter bang maken? Die is
nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat
erger is, hij bestaat heelemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta
alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen,
dat ik er ben.'
En hij schudde den armen Johannes hard bij de ooren. Deze riep:
'Maar ik heb hem toch zoo lang gekend, en ik ben zoo ver met hem
weggetrokken.'
'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, he? Maar nu droom
je niet, voel je wel?'
'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep.
Het was reeds donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hunne
hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, geen blad bewoog
in het bosch.
'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes.'Naar mijn vader?'
'Je vader? wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel
vriendelijk ontvangen, nadat je zoo lang bent weggebleven.'
'Ik verlang naar huis,' zeide Johannes, en hij dacht aan de huiskamer
met het heldere lamplicht, waar hij zoo vaak bij zijn vader zat,
luisterend naar het krassen van diens pen. Daar was het vredig en
gezellig.
'Ja, dan hadt je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, ter
wille van dien mallen snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En
het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of
je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zoo'n vader, dat is toch
maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen
anderen zijn even goed en even knap? Ik ben even goed en veel knapper,
veel knapper.'
Johannes had geen moed tot antwoorden, hij sloot de oogen en knikte
flauw.
'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje
voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte dicht
aan zijn oor.
'Dat kind hield je even goed voor den gek als die anderen. Heb je niet
gezien dat ze in den hoek bleef zitten, en geen woord zeide, toen je
werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een
aardig jongetje en heeft met je gespeeld, zooals ze met een meikever zou
spelen. Het kon haar niet schelen of je wegging. En van dat boekje wist
ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal het je helpen
zoeken. Ik weet bijna alles.'
En Johannes begon hem te gelooven.
'Ga je met mij mede? Wil je met mij zoeken?'
'Ik ben zoo moe,' zeide Johannes, 'laat mij ergens slapen.'
'Ik houd anders niet van slapen,' zei Pluizer, 'daar ben ik te levendig
voor, een mensch moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je
met rust laten. Tot morgen.'
Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes
keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders zag. Zijn
hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes
schenen verder en verder te lichten, totdat zij sterren waren aan den
zwarten hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde,
alsof de aarde zich onder hem verwijderde, toen hield zijn denken op.
X
Nog eer hij goed ontwaakt was, had hij een vaag besef, dat er iets
bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Doch hij was niet
begeerig het te weten en om zich heen te zien. Hij wilde weer terug in
den droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, daarin was
Robinetta weder naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken,
zooals vroeger, daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in den
tuin met den vijver.
'Au!' dat was pijn. Wie deed dat? Johannes opende de oogen en zag in de
grauwe morgenschemering een klein mensch vlak bij zich, die hem aan de
haren trok. Hij lag in een bed en het licht was mat en ongelijk, als in
een kamer.
Doch het gezicht, dat over hem heenboog, bracht hem op eenmaal weder al
de ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizer's
gezicht, minder spookachtig en meer menschelijk, maar even leelijk en
angstwekkend als den vorigen avond.
'Och neen! laat mij droomen,' zeide hij.
Doch Pluizer schudde hem: 'ben je mal, luiaard, droomen is dwaasheid,
daarmee kom je niet verder. Een mensch moet werken en denken en zoeken.
Daar ben je een mensch voor.'
'Ik wil geen mensch zijn. Ik wil droomen.'
'Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen
zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je verlangt.
En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben.' Johannes
voelde een vage ontzetting. Doch het was alsof een overmacht hem drukte
en dwong. Willoos onderwierp hij zich.
Weg waren duinen, boomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig
verlicht kamertje, daarbuiten zag hij, zoover hij zien kon, huizen en
weder huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen.
Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige
nevel in de straten neer. En op die straten liepen de menschen als
groote, zwarte mieren haastig dooreen. Een verward gerucht steeg dof en
aanhoudend uit hun massa op.
'Zie Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allen
menschen en al die huizen zoover je zien kunt, nog verder dan die blauwe
toren daar, zijn ook vol menschen, van boven tot beneden vol. Is dat
niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.'
Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot,
verschrikkelijk ondier vertoond werd. Het was hem alsof hij op den rug
van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stroomen
en den donkeren adem uit honderd neusgaten zag stijgen. En hij werd bang
voor het onheilspellend grommen der ontzaglijke stem.
'Zie hoe hard al die menschen loopen, Johannes,' ging Pluizer voort.
'Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is
grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje
gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, die heet Hein ...'
'Wie is dat?' vroeg Johannes.
'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu
die Hein zegt dan: 'Zoek je mij?' Daarop zeggen de meesten gewoonlijk:
'O neen! ... jou bedoel ik niet!' maar dan antwoordt Hein weer: 'Er is
toch niets anders te vinden dan mij.' Dan moeten ze zich wel met Hein
tevreden stellen.'
Johannes begreep, dat hij van den dood sprak.
'En gaat dat altijd, altijd zoo?'
'Welzeker, altijd. Er komen echter iederen dag weer een massa nieuwen en
die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en
zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, zoo gaat het al een aardig
poosje lang en zoo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.'
'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...'
'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe, zoeken maar!
altijd blijven zoeken!'
'Maar het boekje dan, Pluizer, gij zoudt mij het boekje laten vinden.'
'Nu! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken,
zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft ons Wistik
geleerd. En er zijn er, die hun geheele leven zoeken om te weten
waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeeren, Johannes. Maar
als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit.'
'Dat is vreeselijk, Pluizer.'
'O neen, volstrekt niet. Hein is een heel goedig man. Maar hij wordt
miskend.'
Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het
op de houten treden.
Klos! Klos! nader en naderbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het
was alsof ijzer op hout tikte.
Er kwam een groote man binnen. Hij had diepliggende oogen en lange,
magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje.
'Welzoo,' zeide Pluizer, 'zijt gij daar, ga zitten! Wij spraken juist
over u. Hoe gaat het u?'
'Druk, druk!' zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het
beenige bleeke voorhoofd.
Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende oogen, die strak
op hem gericht waren. Zij waren zeer ernstig en donker, doch niet wreed,
niet vijandig. Na eenige oogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte
zijn hart minder hevig.
'Dit is Johannes,' zeide Pluizer, 'hij heeft van een zeker boekje
gehoord, waarin staat, waarom alles is zooals het is, en dat zullen wij
nu samen gaan zoeken, niet waar?' Toen lachte Pluizer veelbeteekenend.
'Zoo! zoo! nu dat is goed!' zeide de Dood vriendelijk, en knikte
Johannes toe.
'Hij is bang het niet te vinden, maar ik zeide hem maar eerst vlijtig te
zoeken.'
'Zeker!' zeide de Dood, 'vlijtig zoeken is het beste.'
'Hij dacht, dat gij zoo verschrikkelijk waart. Nu zie je toch Johannes,
dat je je vergist hebt, niet waar?'
'Ach ja!' zeide de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik
heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.'
Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan
waarover hij spreekt. Toen wendde zich zijn donkere blik van Johannes af
naar buiten en dwaalde peinzend over de groote stad.
Lang waagde Johannes het niet te spreken, eindelijk zeide hij zacht:
'Zult gij mij medenemen?'
'Wat meen je, mijn jongen?' zeide de Dood, opkijkend uit zijn mijmering:
'Neen! nu nog niet. Gij moet opgroeien en een goed mensch worden.'
'Ik wil geen mensch worden als de anderen.'
'Kom! kom!' zeide de Dood, 'daar is niets aan te doen.'
Men kon hooren, dat dit een dagelijksche term van hem was. Hij ging
voort.
'Mijn vriend Pluizer kan u leeren, hoe men een goed mensch wordt. Men
kan het op verschillende wijzen, maar Pluizer leert het ook uitstekend.
Het is iets zeer schoons en begeerlijks een goed mensch te zijn. Daar
moet ge niet op neer zien, ventje!'
'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer.
'Zeker, zeker!' zei de Dood; en toen tot Pluizer: 'Bij wien zult ge hem
brengen?'
'Bij docter Cijfer, mijn oud-leerling.'
'A ja! dat is een goed leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een
mensch. Bijna volmaakt in zijn soort.'
'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend.
'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood. 'O! hij is al verliefd geweest
en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer
geniepig!
'Neen! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood, 'die dingen zul je bij
docter Cijfer wel verleeren. Wie zoekt wat gij zoekt, moet al het andere
verliezen. Alles of niets.'
'Ik zal een mensch uit één stuk van hem maken, ik zal hem eens laten
zien wat eigenlijk verliefdheid is, dan zal hij er zich wel doorheen
pluizen.'
En Pluizer lachte vroolijk, de Dood richtte weer zijn zwarte oogen op
den armen Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij
schaamde zich voor den Dood.
Deze rees plotseling op. 'Ik moet heen,' zeide hij, 'ik verpraat mijn
tijd. Er is hier veel te doen. Goeden dag, Johannes! wij zullen elkander
nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.'
'Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij
liever mede!'
Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend.
'Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik
vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.'
Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer zeer buitensporig. Hij
sprong over stoelen, buitelde over den grond, kroop op de kast en den
schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters.
'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij, 'vond je hem niet
aardig? Een beetje leelijk en knorrig van uitzicht. Maar hij kan ook
heel vroolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar dikwijls
verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.'
'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?'
Pluizer gluurde Johannes valsch en uitvorschend aan.
'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij
krijgen kan.'
Later heeft Johannes anders gezien. Doch nu wist hij niet beter of
Pluizer sprak waarheid in alles.
Zij gingen op de straat en bewogen zich door de krioelende menigte. De
zwarte menschen liepen dooreen, lachten, praatten, zoo vroolijk dat
Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte,
maar niemand beantwoordde den groet, allen keken vóór zich alsof ze
niets gezien hadden.
'Ze loopen nu te lachen,' zeide Pluizer, 'alsof zij mij geen van allen
kenden. Maar dat schijnt maar zoo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze
mij niet negeeren en dan zijn ze ook zoo vroolijk niet.' En onder het
gaan was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij
omkeek zag hij den langen, bleeken man, die met groote, onhoorbare
schreden tusschen de menschen schreed. Hij knikte Johannes toe.
'Zien de menschen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer.
'Ja zeker! allen, maar zij willen hem ook niet kennen. Nu ik gun hun
dien trots!'
De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdooving, die
hem zijn leed deed vergeten. De smalle straten en de hooge huizen, die
het hemelblauw in rechte strooken verdeelden, de menschen die langs hem
af en aan gingen, het slepen der voetstappen en het ratelen der wagens
verstoorden de oude visioenen en den droom van dien nacht, als een storm
de beelden in een waterspiegel. Het was hem alsof er niets anders
bestond dan muren, ramen en menschen, alsof hij mede moest doen, mede
draven in het rusteloos, ademloos gewoel.
Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met
grauwe, sierlooze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit.
Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde,
scherpe geuren, met een dompige kelderlucht tot grondtoon. In een kamer,
vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door
boeken, glazen en koperen voorwerpen, allen vreemd voor Johannes. Er
viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen in de kamer en fonkelde
op flesschen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door
een koperen buis en zag niet op.