'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de eerste maal de sneeuw was
weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes bij groepjes te voorschijn
kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Doch zij
wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken,
alsof zij beschaamd waren over hun haast en wel weer weg wilden kruipen.
Konden zij maar! De verstijvende oostenwind begon alras weer te blazen,
en de sneeuw stapelde zich hoog over de voorbarige stumpertjes.
Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tusschen het
kreupelhout, en toen de zon lang en warm op den mossigen grond geschenen
had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden.
De schuwe violen met haar sterke geuren waren geheimzinnige voorboden
van komende heerlijkheid, doch de vroolijke primula's waren de blijde
werkelijkheid zelve. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen
vastgehouden en maakte er een gouden siersel van. 'Nu dan! nu komt hij
toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bezag hij de knoppen aan de
takken hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors
loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tusschen de bruine
schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes op die groene
blaadjes kijken, hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had
omgedraaid, schenen ze grooter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen
aankijk,' dacht hij.
Reeds begon het groen schaduw te werpen. Nog was Windekind niet gekomen,
geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken.
Als hij tot de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden
niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij.
Toen kwam hij op een zonnigen lentemorgen bij den vijver van het huis.
De ramen waren alle wijd geopend. Zouden er menschen in gekomen zijn?
De vogelkers-struik, die aan den vijver stond, was al heelemaal met
teedere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes
gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag
alleen haar licht-blauw kleedje en blond haar. Een roodborstje, dat op
haar schouder zat, pikte uit haar hand.
Op eenmaal wendde zij het hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!'
zeide zij en knikte vriendelijk.
Weer tintelde het Johannes van het hoofd tot de voeten. Dat waren
Windekind's oogen, dat was Windekind's stem.
'Wie zijt ge?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van aandoening. 'Ik ben
Robinetta! en dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je
van vogels?'
Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat
was juist als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.
'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zeide Windekind's stem.
'Kent gij mij niet? Weet ge niet, dat ik Johannes heet?'
'Hoe zou ik dat weten?'
Wat beteekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch
die donkere, hemeldiepe oogen.
'Hoe zie je mij zoo aan, Johannes? Heb je mij ooit meer gezien?'
'Ja ik geloof het wel.'
'Dat heb je toch zeker gedroomd.'
Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu
droomen?
'Waar zijt gij geboren?' vroeg hij.
'Heel ver van hier, in een groote stad.'
'Bij menschen?'
Robinetta lachte. Het was Windekind's lach. 'Ik geloof het wel. Jij
niet?'
'Ach ja, ik ook!'
'Spijt je dat? Hou je niet van menschen?'
'Neen! Wie zou van menschen houden?'
'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van
dieren?'
'O, veel meer, en van bloemen.'
'Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkelen keer. Maar dat is niet
goed. Wij moeten van menschen houden, zegt Vader.'
'Waarom is dat niet goed? ik houd van wien ik wil, of het goed is of
niet.'
'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou
je niet van hen?'
'Ja,' zeide Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet,
omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mensch is.'
'Waarom dan?'
'Dat weet ik niet, omdat hij niet is als andere menschen, omdat hij ook
van bloemen en vogels houdt.'
'Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje
op haar hand en sprak het vriendelijk toe.
'Dat weet ik,' zeide Johannes. 'Ik houd ook veel van u.'
'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je wel het
meeste?'
'Van ...' Johannes weifelde. Zou hij Windekind's naam noemen? De vrees,
dat die naam hem tegenover menschen mocht ontvallen, was onafscheidelijk
van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed
Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven?
'Van u!' zeide hij opeens en zag met vollen blik in de diepe oogen.
Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en
wachtte gespannen de ontvangst van zijn kostbaar geschenk.
Weer lachte Robinetta met helderen lach, doch zij vatte zijne hand, en
haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig.
'Wel, Johannes,' zeide zij, 'waarmeê heb ik dat zoo op eens verdiend?'
Johannes antwoordde niet en bleef haar aanzien met groeiend vertrouwen.
Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was
grooter dan hij.
Zoo wandelden zij door het bosch en plukten groote bundels sleutelbloemen,
totdat zij wel weg konden schuilen onder den berg van doorschijnend geel
gebloemte. Het roodborstje vloog mede van tak tot tak en gluurde naar hen
met schiiterende zwarte oogjes.
Zij spraken niet veel, doch keken elkaar dikwijls van ter zijde aan. Zij
waren beiden verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van
elkaar denken moesten.
Doch spoedig moest Robinetta terug, het speet haar.
'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens wandelen met me? Ik vind
je een aardig jongetje,' zeide zij bij 't heengaan.
'Wiet! wiet!' zei het roodborstje en vloog haar achterna.
Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde
hij er niet meer aan wie zij was.
Zij was dezelfde wie hij al zijn vriendschap had gegeven, de naam
Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.
En alles werd weer om hem heen, zooals het vroeger geweest was. De
bloemen knikten vroolijk, en haar geur verdreef het weemoedig verlangen
naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekweekt had. Tusschen het
teedere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich op eens
thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen
uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zoo gelukkig. Op den weg naar
huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit,
altijd voor hem uit, welken kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de
zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik medevloog.
Van dien dag af ging Johannes elken helderen morgen naar den vijver. Hij
ging vroeg, zoodra hij gewekt werd door het kijven der musschen in de
klimopbladeren om zijn venster, en het gekwetter en gerekte getjilp der
spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krieuwden in den jongen
zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het
huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur
hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen.
Dan wandelden zij door het bosch en door de duinen, waaraan het bosch
grensde. Zij spraken over al wat zij zagen, over de boomen en de planten
en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar
liep, hij dacht zich somtijds weer zoo licht dat hij door de lucht zou
kunnen vliegen. Doch dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen,
die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Doch hij vergat hoe
hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen
Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in
haar oogen en hij sprak tot haar, zooals hij vroeger tot zijn hondje
gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of schuwheid.
De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid
deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden.
En zij-zelve scheen altoos zoo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij
en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zoo graag
wandelde als met hem.
'Maar, Johannes,' vroeg zij eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet
je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het
konijnenhol en op den bodem van het water uitziet?'
'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een
konijnenhol geweest en op den bodem van het water.'
Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan.
Doch zij vond geen valschheid.
Zij zaten onder seringenboomen, waarvan dikke, paarse bloemtrossen
afhingen. Vóór hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte
torretjes in kringen over het vlak glijden en roode spinnetjes bedrijvig
op en neder duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes
keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zeide:
'Daar ben ik eens gedoken; ik gleed langs een riethalm af en kwam op den
bodem. Die is heelemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zoo licht
en zacht. Het is altijd schemerig, groene schemering, want het licht
valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte
worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen
zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zulke groote
dieren zoo over je heen zwemmen, en ik kon niet ver vooruitzien, daar
was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als
zwarte schaduwen te voorschijn. Watertorren met roeipooten en platte
wantsen, soms ook een klein vischje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof
ik, en midden in was een groot bosch van waterplanten, waar slakken
tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden.
Stekelbaarsjes schoten er door en bleven mij soms met open mond en
trillende vinnen aankijken, zoo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis
gemaakt met een aal, wien ik bij ongeluk op zijn staart trapte. Die
heeft mij van zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zeide
hij. Men had hem daarom koning gemaakt in den vijver, want niemand was
zoover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer
hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel.
Dat was omdat hij koning was, men wilde graag een dikken koning, dat
stond deftig. O, het was prachtig mooi in dien vijver!'
'Waarom kun je dan nu niet meer daarheen gaan?'
'Nu?' vroeg Johannes en keek haar met groote peinzende oogen aan.
'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet
noodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.'
Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over
het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan den rand van den
vijver allerlei lekkernijen scheen te vinden. Hij keek even op en bleef
beiden een oogenblik met zijn heldere oogjes aanzien.
'Begrijp jij er iets van, vogelijn?'
Het vogelijn keek heel slim en ging toen voort met zoeken en pikken.
'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.'
Dat deed Johannes gaarne, en Robinetta luisterde, geloovig en
aandachtig.
'Maar waarom is dat alles opgehouden? Waarom kun je nu met mij niet
gaan? daar overal heen? Ik wilde ook graag.'
Johannes spande zijne herinnering in, doch een zonnig waas bedekte den
donkeren afgrond, dien hij was overgegaan. Hij wist niet juist meer, hoe
hij zijn vorig geluk verloren had.
'Ik weet het niet recht, gij moet er niet naar vragen. Een naar klein
wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan
vroeger.'
De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons der
vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met
zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piependen zwaai begon
te luiden, en Robinetta haastig wegvloog.
Toen Johannes dien avond in zijn kamertje kwam en naar de maan-schaduwen
der klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, scheen het alsof er
tegen het glas getikt werd.
Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in den nachtwind trilde.
Doch het tikte zoo duidelijk, telkens driemaal achtereen, dat Johannes
zachtkens het venster opende en behoedzaam rondzag. De klimopbladeren
tegen het huisje glansden in den blauwen schijn, onder hen was een
duistere wereld vol geheim: daar waren holen en spelonken, waarin het
maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog
dieper maakten.
Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag
hij eindelijk den vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster,
verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik dadelijk aan
de groote, verwonderde oogen onder de hooggetrokken wenkbrauwen. Op het
puntje van Wistik's langen neus tekende de maan een klein vonkje.
'Hebt ge mij vergeten, Johannes? Waarom denkt ge er nu niet aan? Het is
de rechte tijd. Hebt ge roodborstje den weg niet gevraagd?'
'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan.
Ik heb Robinetta.'
'Maar dat zal niet lang duren. En gij kunt nog gelukkiger worden en
Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen?
Denk eens hoe heerlijk als gij beiden het boekje vindt. Vraag er
roodborstje naar; ik zal u helpen als ik kan.'
'Ik kan er altijd naar vragen,' zeide Johannes.
Wistik knikte en klom vlug naar beneden.
Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende
klimopbladeren voor hij naar bed ging.
Den volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het den weg wist naar het
gouden kistje. Robinetta hoorde verwonderd. Johannes zag het roodborstje
knikken en schuins naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte
het vogeltje.
'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta.
'Weet ge er niets van, Robinetta? Weet ge niet, waar het te vinden is?
Wacht ge niet op het gouden sleuteltje?'
'Neen, neen! Vertel eens, wat is dat?'
Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist.
'En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat gij het gouden kistje
hadt. Is het niet zoo, vogelijn?'
Doch het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tusschen het
jonge, lichte beukengroen.
Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuke- en sparreboomen
stonden. Een groen paadje liep er schuins tegen op, en zij zaten aan den
rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen der
laagste boompjes heen zien, op een groene looverzee met licht- en donker-
getinte golven.
'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je
vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom
je daaraan?'
'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' prevelde Johannes en staarde
over het groen in de verte.
Als waren zij plotseling in het zonnige blauw ontstaan, kwamen hem
opeens twee witte vlinders voor den blik. Zij dwarrelden, trilden en
schitterden in het zonlicht, met onbestemde, grillige vlucht. Doch zij
kwamen dichterbij.
'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens in herinnering.
'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta.
Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tusschen het gras
vóór hem, schenen Johannes opeens geweldig verschrikt aan te staren, met
hun wijde, witte oogjes.
'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder. Johannes knikte en
zweeg, doch zij wilde meer weten. 'Wie was dat? Heeft die je alles
geleerd? Waar is hij?'
'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan
Robinetta, alleen Robinetta.' Hij omvatte haar arm en drukte er zijn
hoofdje tegen.
'Mal jongetje!' zeide zij en lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden,
ik weet waar het is.'
'Maar dan moet ik den sleutel gaan halen, en die is ver weg.'
'Neen, neen dat behoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen,
ik beloof het je.
Toen zij naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit.
Johannes droomde dien nacht van zijn vader, van Robinetta en van vele
anderen. Het waren allen goede vrienden; zij stonden om hem heen en
zagen hem innig en vertrouwelijk aan. Doch op eenmaal waren de gezichten
veranderd, hun blikken koel en spottend, hij keek angstig om, aan alle
zijden wreede vijandige gezichten. Hij voelde een namelooze beklemming
en werd schreiend wakker.