afdeeling, waar slechts ernstige patiënten werden verpleegd en deze nam
Raffles mede, om hem in zijn werkzaamheden in te leiden.
Een beeld van vreeselijke ellende vertoonde zich aan Raffles’ oogen.
Eerst op een wandeling, die hij in den tuin moest maken met een reeks
patiënten, zag hij de inrichting in haar ware gedaante.
Met duidelijken blik zag Raffles een aantal van deze zieken, wien
letterlijk niets anders mankeerde dan de vrijheid.
Ook gelukte het hem, de gesprekken van eenige hunner af te luisteren.
Met veel belangstelling vernam hij, hoe twee patiënten over de
mogelijkheid van een eventueele vlucht spraken.
Andere tooneelen op die wandeling vervulden zijn ziel met afschuw.
Er waren patiënten, die als wilde dieren met een touw aan een paal
waren vastgebonden, op handen en voeten rondkropen en zich aanstelden
als totaal zinneloozen. Zij aten aarde en stieten woeste, toornige
kreten uit.
Weer andere spraken wartaal of stelden zich aan Raffles voor als keizer
van Rusland of de een of andere beroemdheid.
Een woesteling, die plotseling een aanval kreeg, werd als een groote
visch in een net gevangen en weggedragen.
Alle verschrikkingen der hel schenen hier vertegenwoordigd te zijn.
Met onverschillig gelaat keken de dienstdoende verplegers naar dit
alles, terwijl zij ongepaste grappen verkochten over de aan hun zorgen
toevertrouwde ongelukkigen.
Tevergeefs zocht Raffles naar inspecteur Baxter.
Wat zou er met hem gebeurd zijn?
Raffles had onder zijn hemd verborgen een bos kunstig gemaakte loopers
zoowel als zijn revolver, messen en scharen.
Toen het avond werd en hij de slaapzaal binnentrad, die hij met andere
verplegers deelde, wachtte hij totdat zijn collega’s zich ter ruste
hadden begeven. Daarop verliet hij het vertrek, om het gebouw in
oogenschouw te nemen.
Maar hij zag weldra in, dat het bij de vele verplegers, die nachtdienst
hadden en die in de gangen zaten te lezen, onmogelijk was om zijn plan
te volvoeren.
Hij moest in de slaapzaal terugkeeren en een andere gelegenheid
afwachten om het verblijf van den inspecteur van politie uit te vinden.
Den volgenden avond begaf hij zich met de hem overhandigde sleutels,
zooals hij tot zijn collega’s zeide, naar de keukens om naar een ouden
kennis van hem te vragen.
Deze moest, zoo vertelde hij aan de verplegers, een betrekking in de
keuken hebben gekregen.
De mannen kenden elkaar onderling niet, daar de inrichting zeer groot
en de ruimte te uitgestrekt was.
Zonder argwaan te verwekken, bereikte Raffles den tuin, dien hij moest
passeeren om in de keuken te komen. Daar hoorde hij uit het kleine
kelderraampje aan zijn rechterzijde vloekende en schimpende stemmen.
Haastig hurkte hij neer en was zoodoende in staat om een deel van het
gesprek mede aan te hooren, dat bankier Gulden met inspecteur Baxter
voerde.
Nu had Raffles de verblijfplaats van zijn vijand Baxter, wiens stem hij
dadelijk had herkend, ontdekt!
Hij ging in het gebouw terug en liep de trap naar den kelder af.
Niemand had hem opgemerkt.
Met lucifers, die hij had meegenomen, verlichtte hij zijn weg door de
donkere gangen, totdat hij bij de deur kwam, waarachter hij zooeven de
stemmen had vernomen.
Verscheidene seconden bleef hij voor de deur staan en overlegde, wat
hij zou doen.
Daarop haalde hij zijn bos loopers te voorschijn en opende met geringe
moeite de met ijzer beslagen, zware deur.
Zooals zijn gewoonte was, sloot hij deze weer achter zich dicht. Daarna
streek hij een lucifer aan om te zien, waar hij zich bevond.
Vol ontzetting liet hij het licht vallen, toen hij de op den grond
vastgeklonken ongelukkigen zag.
Daar riep bankier Gulden plotseling uit:
„Wat wilt gij—schurk van een verpleger?”
„Stil, man! Ik ben geen verpleger. Ik wil u allen helpen!
„Bevindt de inspecteur van politie Baxter zich in dit verblijf?”
„Ja,” antwoordde deze, „ik lig hier vastgeketend en kan mij niet
bewegen.
„Wie zijt gij?”
Raffles streek een nieuwen lucifer aan en bij het licht daarvan
herkende hij den dichtbij hem liggenden inspecteur van politie.
„Ik ben het,” antwoordde Raffles, „een oude bekende van u, inspecteur.
„Ik heet John Raffles!”
De woorden klonken den inspecteur als een kanonschot in het oor. Hij
meende te droomen en een spook te zien.
„Zijt gij werkelijk John Raffles?” vroeg Baxter vol twijfel in zijn
toon.
„Ja,” antwoordde de groote onbekende, „ik ben het zelf”.
„Dan zijt gij op een merkwaardige plaats verzeild geraakt,” schertste
de inspecteur van politie, ondanks de wanhopige positie, waarin hij
zich bevond, „in dit verblijf zijn geen brandkasten, hier zijn geen
kostbaarheden te stelen!”
„Ik geloof toch,” antwoordde Raffles, „dat ik bijvoorbeeld vannacht den
Londenschen inspecteur van politie zou kunnen stelen.”
„Raffles,” antwoordde Baxter en zijn stem klonk voor het eerst
tegenover zijn gehaten vijand niet bevelend, „Raffles, wanneer gij een
medelijdend hart bezit, zooals de wereld dat van u vertelt, pleeg dan
den edelsten diefstal van uw geheele leven door mij en deze
ongelukkigen uit de macht van een schurk te redden.”
„Inspecteur,” sprak Raffles, „ondanks mijn handigheid, die gij kent,
ben ik daartoe niet in staat. Ik kan u niet hier vandaan stelen. Maar
houd goeden moed, ik zal u bevrijden, onder een voorwaarde.”
„En die is?” vroeg de inspecteur van politie met ingespannen
verwachting.
„Zweer mij bij uw ambtseed, dat gij, zoodra gij uw vrijheid terug hebt,
dr. Braddon en zijn medeplichtigen ter verantwoording zult roepen en
dit moordenaarshol in het belang van veel ongelukkigen zult sluiten.”
„Dat zweer ik u, zoo helpe mij God!” antwoordde Baxter op plechtigen
toon.
„Allright”, sprak Raffles, „binnen vier-en-twintig uur zult gij weer in
Scotland Yard terug zijn en kunt gij erover nadenken, hoe gij mij, den
grooten onbekende, den man, die u, naar gij beweert, krankzinnig maakt,
het best en het spoedigst naar Old Bailey kunt zenden.”
Raffles wilde juist de deur openen en bet verblijf weer verlaten, toen
hij een luid geschreeuw in den kelder hoorde.
„Stil,” fluisterde bankier Gulden, „er wordt een ongeluksvogel in dit
hol gebracht. Vlucht Raffles! Als men u ontdekt, zijt gij een kind des
doods.
„Spoorloos zal men u hier laten verdwijnen en gij wordt als voeder voor
de varkens geworpen.
„Verberg u in den lijkenkelder! Die deur voert er heen.”
Raffles ontstak weer een lucifer, snelde naar de kleine houten deur en
begon het slot met zijn loopers te bewerken.
Op het oogenblik, dat de verplegers een nieuwen patiënt naar binnen
sleepten, was Raffles den lijkenkelder binnengegaan en had hij de
houten deur achter zich dicht getrokken.
„Laat mij los!” hoorde hij de stem van een man in het andere vertrek
zeggen. „Men heeft mij met geweld hierheen gebracht! Ik ben niet
krankzinnig!—
„Mijn stiefvader is een schurk. Hij wil mij en mijn zuster uit den weg
ruimen, om van ons geld te leven.
„Ik beloof u duizend pond, als gij mij vrij laat.
„Ga naar mijn zuster, Miss Eliot, zij woont in de Old Broad Street no.
4.
„Vervloekt! Laat mij los! Pak mij niet zoo ruw beet! Wat heb ik dan
misdaan?”
„Je bek zal je houden!” schreeuwde een der verplegers. „Denk je, dat
wij ons door jou de beenderen stuk laten slaan? Twee van onze kameraden
heb je zoodanig toegetakeld, dat zij wekenlang in het gasthuis moeten
liggen.”
„Ik heb mij alleen maar verdedigd,” antwoordde de ongelukkige. „Gij
hebt het recht niet, mij hier vast te houden.”
„Legt hem vast,” zei een andere verpleger, „en laten wij maken, dat wij
weer uit dit hondenhok vandaan komen.”
Een laatste strijd begon, tusschen den ongelukkige en zijn beulen.
Zijn geschreeuw vermengde zich met het geluid van vuistslagen, die hem
werden toegediend en met de vloekwoorden, welke de andere gevangen den
verplegers naar het hoofd slingerden.
Toen de mannen met hun werk gereed waren, en hun slachtoffer op den
vloer was vastgelegd, zoodat hij geen vin meer kon verroeren, hoorde
Raffles de stem van dr. Braddon:
„Maak voort, hoofdverpleger, ik heb weinig tijd en moet binnen een uur
klaar zijn met de lijkschouwing. Daarna heb ik een soirée bij mij
thuis.”
Raffles begreep uit deze woorden, dat de dokter in het vertrek zou
komen, waar hij zich verborgen had.
Bij het licht van een lucifer ontdekte hij, dat in het midden van het
vertrek een lange tafel stond, die met een gummikleed was bedekt en
waarop het naakte lichaam van een jong meisje lag.
Op de planken langs den muur stond een groot aantal glazen flesschen,
met spiritus gevuld.
Raffles zocht dadelijk een schuilplaats en er bleef hem niets anders
over dan onder de operatietafel te kruipen.
Nauwelijks had hij zich daar verborgen, of de verpleger trad met dr.
Braddon binnen.
„Lord Guildhall,” sprak dr. Braddon, „zal blij zijn, dat zij dood is.
„Ik heb hem heden al mededeeling gedaan van het blijde nieuws. Zij had
een taai leven.”
„Zeer zeker,” sprak de hoofdverpleger, „vier weken lang heeft zij geen
voedsel tot zich genomen en altijd door maar gejammerd, dat men haar
hier gevangen hield.
„Nog in de laatste oogenblikken, voordat zij stierf, zwoer zij, dat het
geen idee fixe van haar was, dat Lord Guildhall haar broeder had
vermoord, opdat hij, de jongste, Lord zou worden en het familiekapitaal
zou erven.
„Haar broer was niet door een ongeluk op de jacht om het leven gekomen,
maar de jongste broer had hem vermoord, in den rug dood geschoten.”
„Nonsens”, beweerde dr. Braddon, „zij leed aan vervolgingswaanzin en
Lord Guildhall deed goed, haar in onze inrichting te brengen. Kom, wij
zullen het kort maken, en niet veel aan het lichaam snijden. Ik heb
zeer weinig tijd.
„Noteer hartzwakte en verval van krachten als oorzaak van den dood.
„Ik zie overigens, dat de ring van den vinger der doode is weggenomen.”
„Dat merk ik nu ook,” sprak de hoofdverpleger, „zij droeg een
briljanten ring.
„De verplegers zullen zich dien wel hebben toegeëigend. Och, men moet
hun die kleine bijverdiensten maar oogluikend laten behouden.”
„Zeer zeker”, antwoordde dr. Braddon. „Die beide jongens zijn nu zeer
bruikbaar voor ons geworden.
„Noteer de beide namen; zij zullen niet veel lust hebben om voor
verscheiden jaren de gevangenis in te draaien en zullen mij dus
voortaan als een paar honden dienen. Dergelijke lui zijn voor mij de
beste verplegers.”
Na deze woorden verlieten de beide schurken het lijkenhok en Raffles
kon uit zijn schuilplaats weer te voorschijn komen.
Nog eenmaal sloot hij de deur die naar het verblijf der ongelukkige
gevangenen leidde, open en riep:
„Wees onbezorgd, heer inspecteur, morgen reeds bevindt gij u weer in
Scotland Yard”.
Daarop verdween hij als een schaduw en Baxter zegende voor den eersten
keer in zijn leven zijn gevaarlijken tegenstander.
Raffles was weer in den tuin gegaan, om van hier uit in de woning van
dokter Braddon te komen, die zich op de eerste étage bevond.
Hij had op zijn wandeling met de patiënten de vensters der woning open
zien staan en opgemerkt, dat de slaapkamer van den dokter uitzicht had
op den tuin.
Het was een kleinigheid voor hem in dat vertrek binnen te dringen.
Een groote kleerkast, die in de kamer stond, wekte vóór alles zijn
belangstelling.
Hij opende deze en vond wat hij zocht.
Een gekleed avondtoilet, dat hem vrij goed paste, terwijl hij bovendien
een grooten voorraad fijn linnengoed en handschoenen vond, waarvan hij
ook gebruik maakte.
Niemand nam notitie van hem, niemand kwam de kamer binnen, daar alle
dienstboden in de salons bezig waren om de gasten te bedienen.
Op zijn doode gemak kleedde Raffles zich en na een kwartier verliet hij
de slaapkamer door de deur, om zich naar de salons te begeven.
Hij kwam in een lange gang, die in een hall uitkwam, waar de bezoekers
hun pelsjassen en mantels hadden afgelegd.
De bediende, die daar slaperig op een stoel zat, lette niet op den
binnentredende. Hij dacht, dat Raffles een der genoodigden was, die
hierheen was gekomen om iets uit zijn overjas te halen.
Raffles begaf zich naar de salons, waar hij zich bij de aanwezige
gasten voegde.
Zijn doel was, de studeerkamer van dr. Braddon te bereiken. Hij wist,
dat de krankzinnigendokter de sleutels van zijn brandkast in zijn
schrijfbureau bewaarde.
Zonder de opmerkzaamheid der gasten van dr. Braddon te trekken, gelukte
hem zijn plan.
Eenige minuten later bevond hij zich in het vertrek, waar de brandkast
stond en voorzichtig opende hij deze.
Bij het licht van een lucifer nam hij er meerdere duizenden pond
sterling uit en hij verliet het vertrek even onopgemerkt als hij er was
binnengekomen.
Nu begaf hij zich naar de hall, koos met vluchtige blikken een pelsjas,
die ongeveer bij zijn lengte paste, benevens een cylinder, gaf den
bediende, die hem hielp een flinke fooi, en verliet het gebouw.
Het was nog niet laat, ongeveer tien uur in den avond.
Hij liep de Old Broad street door en bleef staan voor het huis, dat no.
14 droeg, hetzelfde, dat de nieuwe patiënt, die in het kelderverblijf
was gesleept, als zijn woning had opgegeven.
Raffles dacht nog eens na over hetgeen hij, in den lijkenkelder
verborgen, had aangehoord.
Een wreede stiefvader had den jongen man, naar diens woorden te
oordeelen, aan dr. Braddon overgeleverd.
Raffles bekeek het huis en zag, dat het goed gesloten was.
„Ik moet mij hier eerst oriënteeren”, sprak hij tot zichzelf en ging
een paar huizen verder naar een kleine winkelzaak, voor welker deur hij
peinzend staan bleef.
Hij keek met scherpe blikken de straat door en nam het oogenblik waar,
dat hij door niemand kon worden gezien, om met een looper de winkeldeur
te openen en het huis binnen te gaan.
Dit was zijn gebruikelijke weg als hij een huis wilde binnengaan,
waarvan de deur gesloten was.
Hij ging de trappen op tot aan den zolder, opende een dakvenster en
trok zich op naar het dak. Daar sloop hij over de daken terug naar het
huis, dat hij wilde binnendringen.
Hier aangekomen, luisterde hij in de openingen der schoorsteenen om te
weten te komen, in welk vertrek van het huis zich menschen bevonden.
Bij een der schoorsteenen bleef Raffles vol aandacht staan.
Duidelijk hoorde hij de stem van een ouden man en het geween van een
jong meisje.
Waarover gesproken werd, kon Raffles niet verstaan, daar de woorden te
onduidelijk klonken.
Maar het moest een ernstige zaak zijn, want de stemmen klonken
opgewonden.
Om zich verder op de hoogte te stellen trok Raffles nu zijn pels uit,
legde zijn cylinder weg, opende een zoldervenster en wierp de
kleedingstukken in het zich daaronder bevindende zolderkamertje.
Daarop klauterde hij als een schoorsteenveger in de opening en ging
langs de ijzeren uitsteeksels, die zich in den schoorsteen bevonden,
onhoorbaar als een kat naar beneden.
Langs dezen weg bereikte hij een opening, die zich in den schoorsteen
bevond en die door een hoog ijzeren traliewerk was afgesloten, daar de
schoorsteen niet voor kachels werd gebruikt.
Deze schoorsteenen zijn nog afkomstig uit vroegere jaren, toen men in
Londen met kolen en hout stookte, terwijl tegenwoordig de meeste huizen
door middel van gas of heete lucht worden verwarmd.
Juist doordat de schoorsteen niet in gebruik was, was het Raffles
mogelijk, zich erin te verbergen.
Hij kon, op de plek, waar hij zich bevond, de geheele kamer overzien.
Op geringen afstand van hem zat in een ouderwetschen leunstoel een man,
wiens gelaat aan een havik deed denken.
Een jong meisje knielde voor hem neer. Zij had de handen smeekend naar
hem opgeheven.
In den schoorsteen verborgen luisterde John Raffles naar het wanhopig
smeeken van het jonge meisje:
„Gij zult niet zoo wreed zijn om mijn broer in die afschuwelijke
inrichting te laten. O, ik bid u, geef mij mijn broer terug!” (Zie het
titelblad).
De oude man antwoordde met een kouden, harden lach:
„Gekken behooren daar, waar zij hun medemenschen niet meer kunnen
hinderen!”
„Als mijn vader en mijn moeder dat nog hadden beleefd!” snikte het
jonge meisje verder.
„Die twee vertegenwoordig ik”, sprak de oude man op harden toon en
dreigend vervolgde hij:
„Als jij je niet eindelijk verstandig gedraagt en met je gejammer en
geklaag ophoudt, veronderstel ik, dat je eveneens krankzinnig bent en
ik denk wel, dat in het gesticht van Dr. Braddon ook nog een plaats
voor jou zal zijn!”
„Ja, breng mij gerust daarheen, dan ben ik ten minste bij mijn broeder
en zie niets van u en van uw neef, met wien gij mij wilt laten trouwen.
„Nooit neem ik dien man tot echtgenoot!”
„Ik zal je tegenstand we weten te breken!” sprak de oude op hoonenden
toon.
Toen stond het jonge meisje op, wierp het hoofd trotsch in den nek en
mat den harteloozen grijsaard met een blik vol haat en minachting.
„De hemel zal mij bijstaan”, sprak zij, „en mij niet verlaten.”
„Dat zal wel”, spotte de oude man, „ik heb maling aan den hemel!— —”
Daarop verlieten beiden het vertrek om zich naar hun slaapkamers te
begeven.
Raffles had genoeg gehoord.
Onhoorbaar kroop hij door den schoorsteen weer naar boven, en na zich
op de hoogte gesteld te hebben van de inrichting der woning, sloop hij
de slaapkamer binnen, waarin zich de oude man bevond.
Deze was nog op en Raffles zag door een reet van het gordijn,
waarachter hij zich verborg, dat hij bezig was geld te tellen.
Hebzucht straalde uit zijn oogen en deed zijn handen beven.
Vol liefde streek hij elke banknoot glad en maakte er met andere
keurige stapels van.
Daarop nam hij de goudstukken, wreef ze met een zijden zakdoek op en
luisterde met innig welbehagen naar den klank van het edele metaal.
Met een minachtend glimlachje om den mond naderde Raffles den ouden man
onhoorbaar, sloeg hem hard met zijn hand op den schouder en sprak
langzaam:
„Good evening, Sir!”
Doodelijk ontsteld keerde de vrek zich om. Hij keek in de opening van
een revolver, die Raffles hem glimlachend voorhield.
„Geen tegenstand, Sir”, vervolgde Raffles, „of uw laatste oogenblik
heeft geslagen.”
„Wat wilt gij van mij?” vroeg de oude bleek van schrik, terwijl hij
opstond.
„Ga zitten”, beval Raffles op heerschenden toon. „uw zijt zwak door den
schrik, die mijn verschijning heeft veroorzaakt. Het is merkwaardig,
dat schurken zulke zwakke zenuwen hebben.
„Ik moet u spreken.”
Sidderend zonk de oude in een zetel neer en Raffles ging, alsof hij een
doodgewoon bezoek aflegde, tegenover hem zitten.
„Waar komt gij vandaan?” waagde de man te vragen.
„Van den hemel”, sprak Raffles lachend, „van den hemel, waaraan gij
maling hebt, waarover gij vol minachting hebt gesproken tegen zekere
jonge dame.”
„Wie zijt gij?” hijgde de oude vrek op bijna onhoorbaren toon.
Een scherpe blik van Raffles trof hem, een dier blikken, waarvan Charly
Brand beweerde, dat zij leeuwen en tijgers konden hypnotiseeren.
Terwijl de oude man vol angst in elkaar dook, sprak de groote
onbekende:
„Ik ben Raffles!”
De grijsaard hief doodelijk verschrikt de handen op; hij wilde spreken,
maar kon geen geluid te voorschijn brengen.
De naam Raffles ontnam hem het laatste restje van zijn moed.
„Ik zie”, sprak Lord Lister, „dat gij een hebzuchtige oude vrek zijt,
dat de zucht naar geld u van uw verstand heeft beroofd.
„Dergelijke creaturen zijn voor mij de walgelijkste schepsels, die er
kunnen bestaan. Het zijn menschen, die voor niets deugen, die in hun
hartstocht gelijk staan met krankzinnigen en voor wie een inrichting
als die van Dr. Braddon een uitmuntend verblijf zou zijn.”
Als door een zweepslag getroffen, kromp de oude bij liet hooren van den
naam Braddon in elkaar.
Raffles bemerkte het; hij legde de revolver op zijn knieën, stak een
sigarette aan en sprak, terwijl hij rookte, op korten en beslisten toon
tot den ouden man:
„Ik geloof, mijn waarde, dat u meer aan uw leven gelegen is dan aan uw
geld; ik stel u nu voor de keus: òf gij schrijft een door mij
gedicteerde verklaring, òf — — —”
Glimlachend nam Raffles de revolver weer in de hand en hield die den
oude vlak voor zijn oogen, zoodat de opening van den loop diens
voorhoofd aanraakte.
„Dus—wilt gij de verklaring op papier zetten?”
„Ja”, hijgde de oude met trillende lippen.
„Goed”, antwoordde Raffles op kalmen toon. „Hier op tafel zie ik
papier, pen en inkt. Schrijf maar op.”
Raffles dicteerde en sidderend gehoorzaamde de oude man:
„Bij dezen verklaar ik, dat ik mijn stiefzoon in het
krankzinnigengesticht van Dr. Braddon heb laten opsluiten, om mij zijn
vermogen toe te eigenen.”
„Zet uw naam er onder”, beval Raffles.
Ook dit deed de oude en Raffles las:
„James Eliot.”
Nu nam de groote onbekende de verklaring op en stak het schrijven in
zijn borstzak.
„Gij zijt een schurk!” sprak hij nu tot den ouden vrek, „gij verdient
de galg.
„Opdat gij echter, nadat ik vertrokken ben, geen verdere misdaden zult
plegen om in het bezit te komen van het geld, dat u niet toebehoort,
zal ik het voorzichtigheidshalve voorloopig bewaren.”
De vrek begon zacht te weeklagen, toen hij zag, hoe Raffles het geld
telde en in een kistje legde, dat hij afsloot.
„Het is tweehonderddertig duizend pond sterling”, sprak hij en hij
schreef een kwitantie tot dat bedrag, die hij den oude gaf.
Daarop nam hij het kistje, stak een nieuwe sigarette aan en wendde zich
nogmaals tot den man, die als verlamd op zijn stoel zat.
„Ik wensch u goeden nacht, mijnheer. Ik maak er u opmerkzaam op, dat,
in geval gij alarm mocht maken, dat in uw eigen nadeel zou zijn.
„De verklaring, die gij mij hebt gegeven, is voldoende voor de
politie.”
Reeds had Raffles de deur bereikt, toen hij bemerkte, dat hij had
vergeten, zijn revolver weer bij zich te steken.
Deze was op de schrijftafel blijven liggen.
Op hetzelfde oogenblik echter had ook de oude man dit gezien.
Met een haastige beweging greep hij het wapen, richtte het op Raffles
en riep:
„Blijf staan, schurk, of ik schiet.”
Raffles keek den opgewonden oude kalm glimlachend aan.
„Gij vergist u, Sir”, antwoordde hij op deze bedreiging, „dat wapen
laat ik hier als aandenken achter. Als gij er iemand mee wilt raken,
moet gij het eerst laden.
„Onthoud, dat John Raffles nog nooit met een revolver op een mensch
heeft geschoten en dat hij het ook nooit zal doen. Het wapen maakt den
man niet, maar hij, die het in handen heeft, is de gevaarlijkste
tegenstander van beiden. En nu nogmaals goeden nacht, Sir.”
Deze met groote kalmte uitgesproken woorden verbaasden den ouden man.
Hij wilde zich overtuigen, of de revolver geladen was. Daartoe draaide
hij het wapen om en keek in den mond. Tegelijkertijd moesten zijn
vingers onwillekeurig den haan hebben aangeraakt.
Een schot knalde en, in het voorhoofd getroffen, zonk de oude
gierigaard voorover op den vloer.
Dadelijk werd het levendig in huis. Stemmen weerklonken door elkaar;
deuren werden open en dicht geslagen.
Raffles snelde haastig terug naar den ouden man, legde het geld weer op
tafel, de verklaring er naast en verliet het huis langs denzelfden weg,
waarlangs hij was gekomen.
Op straat nam de groote onbekende een rijtuig en beval den koetsier om
hem naar Hydepark te brengen.
Hij wilde nu met Lord Guildhall afrekenen. Hij kende dezen jongen man
uit de Sandwich-Club.
In de nabijheid van de villa aan het Hydepark, die er uitzag als een
vorstelijk paleis en die door den bankierszoon werd bewoond, liet
Raffles stilhouden en te voet begaf hij zich naar het huis.
Het was intusschen twee uur in den morgen geworden. Raffles wist zeer
goed, dat de Lord zelden voor drie of vier uur ’s nachts thuiskwam en
op deze wetenschap had hij zijn plan gebouwd.
Terwijl hij genoeglijk een sigaret rookte, wandelde hij met het
grootste geduld voor de villa heen en weer. Een tweede Browning-pistool
hield hij geladen in zijn zak gereed.
Hij had niet tevergeefs gewacht.
Het liep tegen drie uur, toen de auto van Lord Guildhall naderde en de
nachtbraker in halfbeschonken toestand uitstapte.
Hij verschrikte, toen Raffles uit het donker naar hem toekwam, zijn
hoed afnam en tot hem sprak:
„Goeden morgen, Lord Guildhall, ik heb hier al eenigen tijd op u
gewacht om een gewichtige zaak met u te bespreken.”
„Wie zijt gij?” vroeg Lord Guildhall verbaasd, terwijl hij den
vreemdeling vol wantrouwen van het hoofd tot de voeten bekeek.