Met een hoogmoedige en dombrutale uitdrukking op het gelaat

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 26 RECHERCHEUR BAXTER IN HET KRANKZINNIGENGESTICHT.

INSPECTEUR BAXTER IN HET KRANKZINNIGENGESTICHT.

EERSTE HOOFDSTUK.

HET KRIJGSPLAN VAN RAFFLES.

Raffles, de groote Raffles, de man, van wien geheel Londen en de pers

als van het grootste genie spraken, dat zich ooit met de

misdadigerssport had beziggehouden, Raffles zat met zijn jongen vriend

en helper, Charly Brand, in een café in de Cromwellstraat te Londen en

las couranten.

Charly Brand deed hetzelfde.

Niemand zou in de twee gedistingeerde gentlemen en door de politie

gevreesde en door de detectives gezochte amateur-misdadigers hebben

herkend.

Alsof er geen politie bestond, zoo kalm zat Raffles in het druk

bezochte lokaal, rookte zijn cigarette en fixeerde door zijn monocle af

en toe de overige gasten.

De couranten schenen zijn belangstelling wakker te roepen.

Plotseling nam hij uit zijn zak een zakmes, dat aan een gouden ketting

hing en waaraan zich ook een schaartje bevond en sneed een bericht uit

de Times uit.

Zorgvuldig stak hij het uitknipsel in zijn portefeuille. Daarop

betaalde hij de vertering en verliet met Charly Brand het café.

Op eenigen afstand daarvan bevond zich het natuurkundig museum en hier

ging hij binnen om naar hij beweerde, de schedels van eenige niet meer

bestaande diersoorten te bestudeeren.

Schijnbaar verdiepte hij zich in de beschouwing van verschillende

apenschedels uit het steenen tijdperk; hij maakte aanteekeningen en

begaf zich daarop naar de beide exemplaren van menschenschedels, die

uit het alleroudste tijdvak van het bestaan der wereld afstamden.

„Deze schedels hebben een merkwaardig model,” sprak hij tot Charly

Brand, die vol verbazing naar hem keek. „Als hier niet vermeld stond,

dat deze schedels afkomstig zijn van menschen, die voor ongeveer

twaalfduizend jaar hebben geleefd, dan zou ik bijna beweren, dat het

schedels waren van Sumatra-apen die een jaar geleden gestorven zijn.”

„Je schijnt plotseling een groote voorliefde te hebben voor

schedelstudie,” sprak zijn vriend lachend, „ik begrijp niet, wat je

daarmee voorhebt.”

Een fijn lachje zweefde om de lippen van Raffles, toen hij antwoordde:

„Aan deze ledige schedels kan men meer leeren dan aan volle, want deze

laatste bevatten meestal nog minder dan de leege.”

„Wil je een philosoof worden?” vroeg Charly Brand, „ik vind het een

vervelende geschiedenis.”

„Mijn lieve Charly,” sprak Raffles, terwijl hij zijn vriend op den

schouder klopte, „heb je wel ooit opgemerkt, dat ik iets doe zonder

bedoeling?”

„Neen, dat niet,” antwoordde Charly, „integendeel, ik vind, dat je te

veel met opzet handelt en je dwingt mij om altijd op mijn hoede te

zijn, omdat men nooit weet; wat je van plan bent.”

„Je moet je die zenuwachtigheid afwennen, beste vriend,” sprak Raffles.

„Kijk eens naar die voorhistorische schedels. Hoe liggen ze daar voor

ons in die glazen kast. Geen zweempje van zenuwachtigheid is er aan te

bespeuren. De zenuwen, die in deze schedelholte verborgen waren, zijn

verdwenen; zij hebben zich opgelost in andere elementen en niets is er

overgebleven dan de beenderen.”

„Wil je de rol van Hamlet bestudeeren?” vroeg Charly lachend.

„Dat niet,” antwoordde Raffles, „maar ik interesseer mij op het

oogenblik voor zielkunde. Hiertoe gaf mij een artikel in de Times

aanleiding. Ik wilde wel eens weten wat het gevolg is van

krankzinnigheid, wanneer de hersenen, het punt van uitgang onzer

zenuwen, ziek worden.”

„En ben je daar nu achter?” vroeg Charly Brand vol belangstelling,

terwijl hij den grooten onbekende aankeek.

„Ik geloof het wel.”

„En dat is?”

„Een ledige schedel.”

Bij die woorden sloeg Raffles zijn boek met aanteekeningen over apen-

en menschenschedels dicht en verliet, vergezeld door zijn trouwen

vriend, het natuurkundig museum.

Toen beiden de Cromwellstraat doorliepen naar het South Kensington

station, haalde Raffles nogmaals het courantenbericht te voorschijn,

las het weer door en knikte tevreden.

Met de Londoner Rail (spoor) reden zij naar het Strand, naar het

Charing Cross station, en gingen van daar per rijtuig naar hun nieuwe

woning aan het Waterlooplein.

Het was een voornaam, oud-Engelsch huis, dat Raffles eenige maanden

geleden had gekocht en betrokken.

Zijn oude villa aan het Regentpark had hij verlaten, omdat deze te veel

bekend was geworden bij politie en andere belanghebbenden.

Den geheelen inboedel had hij naar Liverpool gezonden en vandaar, nadat

zij wekenlang in een meubelpakhuis had gestaan, onder een vreemd adres

naar Londen teruggestuurd. Dit had hij gedaan om de politie om den tuin

te leiden.

Maar hij was voorzichtig genoeg om het nu door hem bewoonde huis van

bijzondere inrichtingen te laten voorzien en het zou den detectives van

Scotland Yard, als deze hem mochten zoeken, de merkwaardigste

verrassingen bieden.

Het gebouw bood nog een groot voordeel aan, dat niet met geld te

betalen was. Er onderlangs liepen namelijk de telegraaf- en

telefoonkabels van verschillende groote banken en van het hoofdbureau

van politie. Dit maakte het terrein voor Raffles zeer waardevol.

Door een toeval had hij op een wandeling deze ontdekking gedaan, toen

werklieden voor het huis den grond hadden opgebroken om herstellingen

aan de kabels aan te brengen.

Voor een flinke fooi hadden ze hem zelfs de verschillende geleidingen

uitgelegd en hieraan had hij, zonder dat de banken of het politiebureau

ervan wisten, geheime aansluitingen, welke waren aangebracht door

Charly Brand, die electrotechniek had bestudeerd. Raffles had in zijn

zoogenaamd laboratorium eenige toestellen, waarmee hij elk oogenblik de

gesprekken en berichten, die langs de verschillende lijnen gingen, kon

opvangen.

Aan het hek voor het huis was een groot bord aangebracht, waarop de

naam „Georg Jenning” te lezen stond.

Onder dien naam had Lord Lister het huis gekocht en stond hij in de

buurt bekend.

Als huisgenooten had hij slechts zijn ouden kamerdienaar en diens

vrouw, die voor alles zorgden.

Zijn studeerkamer had hij op dezelfde wijze ingericht als in zijn

vroegere woning. Het zware leeren behangsel met echte gobelins bedekte

aan den eenen kant een kostbare verzameling wapens, terwijl oude

familieportretten—Raffles was de laatste afstammeling uit het voorname

geslacht der Lord Listers—de andere muren versierden.

Slechts een enkele deur gaf, naar het scheen, toegang tot het vertrek,

maar in werkelijkheid waren er, door gobelins en lederen behangsel

verborgen, nog drie geheime deuren, die zoo kunstig waren aangebracht,

dat slechts het toeval ze zou kunnen verraden.

Een dezer deuren leidde naar de kleedkamer van den meesterdief, een

langwerpig vertrek met in den muur gebouwde kasten en een grooten

spiegel.

Hiervoor waren electrische lampen aangebracht, wier licht werd

verdubbeld door reflectors.

In deze kamer waren de meest verschillende costuums voorradig en

pruiken en baarden, welke Raffles voor zijn vermommingen noodig had.

Deze kunst oefende hij in het practische leven uit met de handigheid

van een acteur.

Hij kon elke gedaante, elken leeftijd voorstellen.

Naar deze kleedkamer ging hij nu, terwijl Charly Brand in de

studeerkamer wachtte en na een half uur kwam hij weer te voorschijn met

een geheel ander uiterlijk.

Hij maakte den indruk van een zeventigjarig man.

Iedereen moest hem voor een waardigen, ouden geleerde houden.

Zelfs de bril ontbrak niet op den neus.

Charly Brand kende de verkleedingsvaardigheid van zijn meester en

sprak:

„Wel, professor, waarheen leidt uw weg?”

Raffles overhandigde Charly nu het bericht uit de „Times” en sprak:

„Lees eens, welk interessants ik vanmorgen in de „Times” vond.”

En Charly Brand las het volgende:

„Een vreemde zaak houdt op het oogenblik de voorname Londensche kringen

bezig.— —

„De door zijn groote weldadigheid bekende millionnair John Gulden is op

verzoek van zijn zoon, James Gulden, gisteren naar het

zenuwlijdersgesticht van dr. E. Braddon gebracht.

„De oude bankier moet in den laatsten tijd herhaaldelijk sporen hebben

getoond van vervolgingswaanzin en heeft dingen bedreven, die deden

vreezen, dat hij zijn vermogen zou weggeven aan onwaardigen.

„Meermalen moet hij tegenover de bedienden de vrees hebben geuit, dat

zijn zoon hem wilde vergeven.

„Vrienden van den ouden bankier beweren, dat deze mededeelingen

berusten op kwaadaardigheid van den zoon, teneinde de millioenen van

den vader ongestoord in zijn bezit te krijgen.

„Dr. Braddon zelf deelde ons mede, dat de millionnair ongetwijfeld

lijdende is aan een zware zielsziekte en dat hij in zijn eigen belang

in de inrichting moest worden opgenomen”.

Charly Brand begreep niet, wat Raffles met dit bericht van plan was te

doen. Met een vragenden blik keek hij zijn vriend aan.

„Ik was reeds meermalen van plan mij bezig te houden met de geheimen

der Londensche krankzinnigengestichten”, sprak Raffles, haar het

courantenuitknipsel wijzend.

„Er zijn onder de particuliere krankzinnigengestichten gevaarlijke

moordenaarsholen. Men kan daar iedereen, die tot last is, laten

verdwijnen, zonder dat iemand het recht heeft, politie noch regeering,

zich ermee te bemoeien. Ten minste als men geld genoeg bezit om ervoor

te betalen.

„Men mompelt omtrent dien mr. Braddon allerlei geheimzinnige dingen.

„Hij is, voor zoover ik te weten ben gekomen, een hartelooze zakenman,

voor wien geld een hoofdrol speelt in het leven, hoewel hij

verschillende eerebaantjes bekleedt in Londen en medelid is van

allerlei vereenigingen.

„In zijn inrichting heeft hij als doctoren alleen zijn beide zoons en

een zwager. Vreemde doctoren overschrijden nimmer den drempel er van.

Daardoor is het voor ieder, die daar is opgesloten, onmogelijk om iets

voor zijn bevrijding te doen. Nu wil ik beproeven, de geheimen van dat

huis te doorgronden en dr. Braddon met zijn beide zoons daarheen te

brengen, waar zij behooren—naar Old Bailey. Onze gele pers noemt hem

spottend: den koning der gekken.”

Charly Brand keek zijn meester verschrikt aan en sprak:

„Ben je misschien van plan om je in de inrichting van dr. Braddon te

begeven?”

Raffles lachte, stak een cigarette aan en sprak:

„Mijn lieve Charly, je weet, dat ik stalen zenuwen heb en dat er niet

licht iets kan gebeuren, dat mij vrees zou kunnen aanjagen. Maar”,

Raffles lachte weer en blies groote rookwolken in de lucht—„ik bedank

er voor, mij in dat roovershol te begeven, omdat het een nutteloos

gevaar zou zijn”.

„In hoeverre nutteloos?” vroeg Charly Brand weer.

„Och”, antwoordde Raffles—„het zou inderdaad doelloos zijn. Want,

gesteld, dat het mij gelukte om ongelukkigen te vinden, die op

misdadige wijze tegen hun wil daar worden vastgehouden en die even

gezond van geest zijn als jij en ik, dan zou ik ze op geen enkele wijze

uit hun kerker kunnen bevrijden.

„Ik zou duizendmaal kunnen bezweren, dat de ongelukkigen gezond en

slachtoffers van een misdaad waren. Dr. Braddon en zijn zoons zouden

het tegendeel beweren en hen voor volslagen krankzinnig verklaren.

„Zelfs de vlucht zou hen niet kunnen redden. Zoodra de politie of een

persoon, die er belang bij heeft, hun verblijfplaats ontdekte, zouden

zij weer binnen de muren van het gekkenhuis worden teruggebracht.”

„Dat is verschrikkelijk,” sprak Charly Brand, „dat is ontzettend!

Iedere moordenaar is er dan beter aan toe dan die rampzaligen.”

„Ongetwijfeld,” antwoordde Raffles op ernstigen toon, „iedere

tuchthuisboef krijgt zijn straf en zoodra deze achter den rug is,

openen zich de deuren van zijn cel en is hij een vrij man.

„Bovendien weet hij, waarom hij zich in het tuchthuis bevindt.

„Maar deze ongelukkigen zijn levenslang van hun vrijheid verstoken,

omdat zij de belangen van anderen in den weg staan. Denk eens, Charly,

wat het wil zeggen, voor altijd van de buitenwereld afgesloten te zijn.

De gezondste hersenen worden onder die omstandigheden abnormaal.”

„Wat ben je van plan om met Dr. Braddon te doen?”

„Ik zal hem inspecteur Baxter in zijn inrichting zenden. Die moet

inlichtingen inwinnen. De verklaringen voor het gerecht van dezen

hooggeplaatsten ambtenaar omtrent dat, wat hij in de inrichting heeft

gezien en ondervonden, zullen voldoende zijn om Dr. Braddon, als hij

werkelijk een schurk is, den nek te breken.”

Charly Brand was opgesprongen en stond voor Raffles met een uitdrukking

op het gelaat, alsof zijn vriend Chineesch met hem sprak.

„Wie?” vroeg hij, „wien wil je naar Dr. Braddon zenden?”

„Inspecteur van politie Baxter,” antwoordde Raffles bedaard.

„Men zal hem geen toegang tot de inrichting verstrekken,” antwoordde

Charly Brand.

„Niet als inspecteur van politie, wel echter als patiënt!”

Met nog grooter verbazing riep Charly Brand nu uit:

„Als wat? Als patiënt?—Als patiënt?—Sinds wanneer is de inspecteur van

politie Baxter ziek of krankzinnig?”

„Mijn beste Charly,” sprak Raffles lachend, „dat kan ik niet

onderzoeken.

„Volgens mijn meening is inspecteur Baxter niet zoo gezond als jij

meent.

„Minstens zwakzinnig, daarvoor heb ik bewijzen genoeg. Maar alle

gekheid op een stokje. Baxter is een gezonde baas. Wees er echter van

verzekerd, dat er slechts één klasse van menschen bestaat, die niet

voor krankzinnig kan worden verklaard en dat zijn de heeren doctoren

der gekkenhuizen zelf. Alle anderen zijn in de oogen van deze koningen

onder de doctoren idioten”.

Charly Brand lachte hartelijk.

„Je kunt gelijk hebben, kerel. Ik ben alleen nieuwsgierig, of

inspecteur Baxter zich door jou als patiënt naar dr. Braddon laat

brengen. Ik betwijfel het zeer.”

„Heb je ooit opgemerkt, dat ik een of ander voornemen niet ten uitvoer

heb gebracht?”

„Neen, nooit!” verzekerde de jonge man oprecht.

„All right,” antwoordde Raffles, „ga nu met mij mee naar den koning der

gekken. Onderweg zal ik zeggen, wat je te doen hebt.”

TWEEDE HOOFDSTUK.

RAFFLES BIJ DEN KONING DER GEKKEN.

De inrichting van dr. Braddon bevatte een groot complex van terreinen.

Aan de zijde der straat bevond zich een groot gebouw, waarbij

verschillende villa’s en woonhuizen behoorden. Men kon daaraan

duidelijk zien, dat de inrichting in den loop der jaren was uitgebreid.

Zoodra dr. Braddon meer patiënten had dan hij kon plaatsen, kocht hij

een huis aan, dat grensde aan zijn eigendommen en verbond het aan zijn

inrichting.

Een breede tuin grensde aan den anderen kant aan de gebouwen en een

vier meter hooge schutting met een ijzeren poort maakte het elken

voorbijganger onmogelijk, in den voortuin te komen.

Alle vensters waren van stevige traliën voorzien en inplaats van gewone

ruiten had men ondoorzichtig en onbreekbaar glas gebruikt.

Door de dikke vensters en muren drong geen enkele kreet van de

gevangenen tot de buitenwereld door.

Aan den achterkant van deze huizen grensde een klein park met hooge

muren, waarin de patiënten konden wandelen.

Als wilde dieren werden de ongelukkigen door gevoellooze oppassers op

hun wandelingen vergezeld en bewaakt.

Het kleine park was weer omringd door gebouwen, zoodat ontvluchten tot

de onmogelijkheden behoorde.

Op de étage gelijkvloers bevonden zich de ontvang- en consultkamers van

dr. Braddon en hieraan grensde zijn woning, die met vorstelijke weelde

was ingericht.

In een kleine, smaakvol ingerichte kamer zaten Raffles en Charly Brand

te wachten, tot dr. Braddon te spreken zou zijn.

Een bediende in livrei stond bij de deur der ontvangkamer gereed om,

zoo noodig, oogenblikkelijk de wenschen der bezoekers ten uitvoer te

brengen.

Inderdaad echter was deze reusachtig gebouwde man een spion en

vertrouweling van dr. Braddon, om zoowel de gesprekken der bezoekers te

beluisteren, als om de eventueele vlucht van nieuwe patiënten te

verhinderen.

Een zilveren bel in de kamer van dr. Braddon weerklonk ten teeken, dat

de bediende de wachtenden kon binnenlaten.

Raffles en Charly Brand betraden de spreekkamer van dr. Braddon.

Met scherp onderzoekende blikken keek Raffles door het vertrek en naar

den persoon van dr. Braddon, die met een korten groet slechts even van

zijn stoel bij de schrijftafel opstond en met zijn vette hand vol

ringen Raffles en diens vriend uitnoodigde om naderbij te komen.

Een peper en zoutkleurige, eertijds zwarte baard omgaf het breede,

eenigszins opgezette gelaat van den „gekkenkoning”, zooals hem de

Londensche pers noemde.

Van onder dikke wenkbrauwen keken een paar zwarte, loerende oogen

Raffles aan. Dikke wallen omgaven die oogen, terwijl de neus veel te

dik was en koperkleurig.

„Die kerel drinkt,” sprak Raffles tot zichzelf, den dokter nauwkeurig

opnemende.

Een dunne haardos bedekte den glimmenden schedel. De gestalte van den

man was gedrongen en sterk en geleek op die van een spekslager.

Een tamelijk dikke buik belette hem zelfs om gemakkelijk te zitten.

„Wat wenscht gij?” vroeg hij met heesche stem op hoogmoedigen toon.

Raffles was naast de schrijftafel komen slaan, terwijl Charly bij de

deur was gebleven.

„Ik kom naar aanleiding van een droevige zaak,” sprak de groote

onbekende met veranderde stem. „Mijn naam is Edward Stanhope, professor

in de Anthropologie. Dus een collega van u, dr. Braddon.”

Hij legde voor den dokter een visitekaartje neer, dat den naam

professor Edward Stanhope droeg.

Dr. Braddon, wiens gelaat tot dusverre een onvriendelijke uitdrukking

had gehad, veranderde dadelijk en een beminnelijk, onderdanig

glimlachje speelde om zijn mond, toen hij antwoordde:

„Ik ben innig verheugd, kennis met u te maken. Ik meen uw naam

meermalen in wetenschappelijke tijdschriften te hebben gelezen,

professor. Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

„Zooals ik zei,” herhaalde Raffles op ernstigen toon, „het is een

treurige aangelegenheid, die mij dwingt, u op te zoeken en uw hulp te

vragen.

„Sta mij toe,” hij maakte een handbeweging in de richting van Charly

Brand, „u mijn assistent, dr. Harry Smith, voor te stellen.”

Dr. Braddon en Charly bogen en wisselden de gebruikelijke

beleefdheidswoorden.

„Ik veronderstel, dat het om een zieke te doen is”, sprak dr. Braddon.

„Juist,” antwoordde Raffles, „om mijn broer. Ik heb hem een jaar lang

bij mij aan huis laten verplegen en zou hem ook niet laten heengaan,

maar een reis naar Borneo dwingt mij, hem eenigen tijd aan andere

handen toe te vertrouwen. Een wetenschappelijk doel, een belangrijke

ontdekking betreffende, noodzaakt mij, deze reis te ondernemen.

„Misschien hebt gij, dr. Braddon, reeds gehoord, dat op Borneo, evenals

in Frankrijk, een schedelopgraving heeft plaats gehad, die

waarschijnlijk van oudere tijden spreekt dan alles wat tot dusverre op

dat gebied is ontdekt.

„Ik zelf heb voor ons wetenschappelijk museum meerdere menschelijke

schedels in de steengroeve te Lausanne gevonden en zou de gelegenheid,

welke deze nieuwe ontdekking aanbiedt, niet willen laten voorbijgaan en

misschien een nieuw, testbaar resultaat voor het bestaan der menschen

in de ijsperiode te verkrijgen.”

Hij zweeg even en vervolgde na een poosje:

„Neem mij niet kwalijk, dr. Braddon, de belangstelling in mijn vak

leidt mij geheel van de reden mijner komst af.

„Om dus weer op mijn broer terug te komen, ik ben van plan, u den zieke

gedurende mijn afwezigheid toe te vertrouwen.”

„Zeer aangenaam,” sprak dr. Braddon verheugd met een buiging. „Het zal

uw broer bij mij aan niets ontbreken, professor. Mag ik vragen, welke

ziekteverschijnselen, zich bij uw broer voordoen?”

Raffles kuchte en sprak:

„Een bijzonder geval. Het is merkwaardig, welke ideeën zich in een ziek

brein kunnen nestelen.

„Mijn broer is jurist. Zijn vermogen staat hem toe, zonder een beroep

uit te oefenen, verder te studeeren. Ik heb reeds in de jeugd van mijn

broer vreemde gedachten bij hem opgemerkt, maar heb toch nooit vermoed,

dat het zoover met hem zou komen. Zijn ideaal is altijd geweest om zich

bezig te houden met het ontdekken van zware misdaden.

„Een jaar geleden deelde hij mij mede, dat zijn theorieën hem niet meer

bevredigden en dat hij zich in de practijk wilde bezighouden met het

opsporen van misdaden.

„Maandenlang was hij uit mijn huis verdwenen en ik weet op het

oogenblik nog niet, waar hij zich heeft opgehouden. In het kort, op

zekeren avond verscheen hij in mijn studeerkamer in de kleeren van een

beambte van politie, die hij bij den een of anderen uitdrager had

gekocht en sprak tot mij:

„„Ik verklaar u in naam der wet als mijn gevangene. Ik ben inspecteur

van politie Baxter uit Londen.”

„Ik lachte erom, want ik dacht, dat mijn broer schertste.

„Maar helaas, ik zag weldra in, dat zijn optreden treurige

werkelijkheid was, dat mijn broeder krankzinnig was geworden.”

Dr. Braddon knikte met het hoofd en sprak:

„Een dergelijk geval komt hier dikwijls voor. Een idee fixe.

Vervolgingswaanzin! Is uw broer kwaadaardig?”

„Hoe meent gij dat?” vroeg Raffles.

„Ik bedoel, als men hem tegenspreekt, dat hij de Londensche inspecteur

van politie is, dan begint hij te razen en te tieren, nietwaar?”

„Ja,” antwoordde Raffles, „af en toe heeft hij zich zelfs voorzien van

revolvers en andere wapenen en mijn assistent en ik moesten veel moeite

aanwenden om hem te kalmeeren.”

„Een dergelijken patiënt mag men nooit tegenspreken,” sprak dr.

Braddon, „dat is helaas een ongeneeslijke ziekte. Wanneer denkt gij af

te reizen, professor?”

„Reeds over eenige dagen,” antwoordde Raffles, „ik moet u daarom

verzoeken, mijn broeder reeds morgen in uw inrichting op te nemen.”

„Ik heb op het oogenblik een zeer mooie kamer disponibel,” vertelde dr.

Braddon, in een boek bladerend, dat op zijn schrijftafel lag. „Het is

no. 310; die kamer kost met verpleging eerste klasse en een bijzonderen

bewaker driehonderd pond sterling per maand.

„Ik neem geen patiënten aan, zonder dat de prijs van een jaar is

vooruitbetaald. Ik verzoek u dus, professor, om aan mijn kassier het

bedrag van drieduizend zeshonderd pond sterling te betalen.

„Indien gij wenscht, dat uw broeder sigaren of alcoholische dranken

gebruikt, welke niet in de verpleging zijn begrepen, dan moet ik u

verzoeken, een extra bedrag te deponeeren. Voor eventueele bijzondere

uitgaven moet tweehonderd pond sterling worden betaald. Medicijnen en,

zoo noodig, medische behandeling, worden u in rekening gebracht.

„Kleeren, evenals lijfgoed, bedde- en tafellinnen moeten worden

meegebracht. Zoodra gij voor dit alles hebt gezorgd, ben ik bereid, uw

broeder in mijn inrichting op te nemen.”

„Goed”, sprak Raffles, „ik zal u morgenochtend het gewenschte door mijn

bediende laten brengen en morgenmiddag zal mijn broer bij u komen. Daar

hij, evenals alle dergelijke zieken, zeer wantrouwend is en

waarschijnlijk zou weigeren, onder mijn geleide hier te komen, verzoek

ik u, mij een brief voor hem mee te geven van den volgenden inhoud:

„Waarde Heer!

In zake een gewichtige misdaad verzoek ik u om mij in den middag

tusschen 4 en 5 uur te willen bezoeken.

Hoogachtend, enz.”

„Ik zal het bedrag van duizend pond sterling dadelijk bij u deponeeren

en de rest morgen door mijn bediende u toezenden.”

Raffles zag, hoe dr. Braddon met begeerige oogen het biljet van duizend

pond, dat de groote onbekende uit zijn portefeuille nam, opstreek.

Dr. Braddon schreef hiervoor een kwitantie.

Daarop ham hij een vel papier, met zijn naam bedrukt, en schreef wat

Raffles verlangde.

Met beleefde woorden namen de bezoekers afscheid. Toen zij het bureau

hadden verlaten, grijnslachte dr. Braddon, wreef zich vergenoegd de

handen en sprak:

„De zaak bloeit! Nu is de laatste vrije kamer weer bezet.

„Er zijn meer gekken in de wereld dan ik kamers heb om ze te

herbergen.”

Raffles had intusschen in een huurrijtuig plaats genomen en reed terug

naar zijn huis aan het Waterlooplein.

Ook hij was zeer tevreden en sprak tot Charly Brand:

„De val is gezet, mijn lieve Braddon, morgen klapt ze dicht.”

DERDE HOOFDSTUK.

TWEE HEEREN DIENEN.

Den volgenden voormiddag verliet Raffles zijn woning, vermomd als een

bediende van deftigen huize.

Met een hoogmoedige en dombrutale uitdrukking op het gelaat ging hij

naar verschillende winkels in linnengoederen en kocht de door dr.

Braddon verlangde uitrusting voor inspecteur Baxter.

Daarop nam hij een rijtuig en reed met het pakket naar de inrichting

van dr. Braddon.

Hij werd in een kantoor gebracht, waar men hem het goed afnam.

Daarop ging hij naar de kas, om het nog ontbrekende bedrag te betalen.

Toen hij de quitantie had ontvangen, kwam de bediende van dr. Braddon

uit de wachtkamer en meldde:

„Dr. Braddon wenscht u te spreken.”

„Mijn tijd is zeer beperkt,” antwoordde Raffles met het domverwaande

gezicht van een deftigen bediende. „Ik heb nog veel te doen.”

„Het zal maar eenige minuten duren,” meende de bediende van den dokter.

Raffles volgde hem in de studeerkamer van zijn meester. Dr. Braddon zat

weer aan zijn schrijftafel en zonder Raffles, die als een welopgevoed

ondergeschikte bij de deur bleef staan, dichterbij te laten komen,

vroeg hij:

„Hoe lang zijt gij al in dienst bij professor Stanhope?”

„Reeds tien jaar,” antwoordde Raffles.

„Zoo, zoo,” antwoordde Braddon, schijnbaar in verschillende papieren

snuffelend. „Rijke familie?”

„Ja,” antwoordde Raffles, „maar het spijt mij u te moeten zeggen, dat

ik mij niet gaarne over mijn meester laat uithooren.”

„Praat geen nonsens,” bulderde dr. Braddon hem toe.

„Groet mijnheer den professor en zeg hem, dat ik zijn broer op den

afgesproken tijd, vanmiddag tusschen 4 en 5, verwacht. Zeg eens,

bedient gij den broer, den patiënt?”

„Ja,” antwoordde Raffles, „en ik zal mijnheer vanmiddag zelf brengen.

Hij volgt mij in alles. Ik kan heel goed met hem opschieten.”

„Het is goed. Gij kunt gaan.”

Raffles verdween en begaf zich naar zijn huis terug.

Het was tegen half vier in den namiddag, toen Raffles, nog steeds als

bediende verkleed, met hetzelfde verwaande uiterlijk als des morgens,

zich tot den dienstdoenden beambte in Scotland Yard wendde en dezen

meedeelde, dat hij een brief persoonlijk aan inspecteur Baxter moest

overhandigen. Argeloos bracht de beambte hem naar den chef der

Londensche politie.

Raffles bleef beleefd voor den inspecteur staan, maakte een buiging en

sprak:

„Compliment van mijn meester en ik moet u dezen brief geven.”

Inspecteur Baxter nam den brief, die den vorigen dag door dr. Braddon

was geschreven en las hem.

„Wenscht gij antwoord mee te hebben?” vroeg de inspecteur.

„Gaarne,” antwoordde Raffles, „ik kreeg opdracht, mijnheer den

inspecteur dadelijk mee te brengen.”

„Allright,” sprak Baxter, „er schijnt iets gewichtigs bij u te zijn

voorgevallen. Ik zal dadelijk met u meegaan.”

Hij maakte zich gereed en volgde Raffles.

Deze riep een auto aan, opende het portier en bleef met zijn hoed in de

hand staan, totdat de inspecteur in den wagen had plaats genomen.

Daarop sloot Raffles de deur en nam naast den chauffeur plaats, als een

goed geschoold bediende, met gekruiste armen.

Na een rit van een half uur hield de auto stil voor de inrichting van

dr. Braddon.

Weer opende Raffles het portier der auto, opnieuw nam hij zijn hoed af

voor den uitstappenden inspecteur van politie en daarna ging hij hem

voor het gebouw binnen.

Dr. Braddon verwachtte hen reeds.

Raffles bracht den inspecteur door de kleine voorkamer, klopte aan de

deur van het studeervertrek, opende deze en diende aan: inspecteur van

politie Baxter uit Londen.

Op dit oogenblik drukte dr. Braddon op een electrisch knopje, dat zich

onder zijn bureau bevond en gaf daardoor een teeken aan de in het

souterrain gelegen verplegerskamer.

Hij drukte driemaal en dit beteekende drie verplegers.

Al naarmate hij de lichaamskracht van den patiënt taxeerde, liet hij

een of meer verplegers komen. Dr. Braddon stond uit zijn stoel op en

ging den inspecteur tegemoet.

Met een vriendelijk glimlachje reikte hij hem een hand en sprak:

„Ik ben zeer verheugd, heer inspecteur van politie, dat gij gevolg hebt

gegeven aan mijn brief en ik verzoek u, plaats te nemen.”

Baxter ging zitten en antwoordde:

„Ik moet u verzoeken, doctor, de zaak zoo snel mogelijk te behandelen,

daar ik heden nog met mijn rechercheurs een groote misdaad moet

behandelen.”

Dr. Braddon glimlachte goedig.

„De zaak zal spoedig opgeknapt zijn, inspecteur, en ik hoop, dat gij

tevreden over mij zult zijn.”

„Waarover handelt het?” vroeg Baxter vol belangstelling.

De stoel, waarop de bezoeker zat, was een uitvinding van dr. Braddon en

zoo ingericht, dat men weerspannige patiënten er gemakkelijk op vast

kon binden.

Achter de rugleuning was een onzichtbare deur aangebracht. De op den

stoel zittende kon dus niet zien, wanneer deze geopend werd.

Door die deur waren onhoorbaar, op schoenen met gummizolen, drie

forschgebouwde verplegers binnengekomen en wachtten op een wenk, om

zich op inspecteur Baxter te werpen en dezen te boeien.

Nu hief dr. Braddon zijn arm op, ten teeken, dat de inspecteur moest

worden weggebracht.

Baxter, die zich juist begon te verbazen, dat dr. Braddon geen antwoord

gaf, kreeg dit op onverwachte wijze. Op het teeken van den dokter

sprongen de drie bewakers naar den inspecteur toe, en voordat deze een

kreet kon slaken, was hij op zijn stoel vastgesnoerd, zoodat hij zich

op geen enkele manier kon bewegen.

„Wat wilt gij van mij? Zijt gij gek?” riep Baxter uit, woest om zich

heen slaande.

„Voor den duivel! Laat mij los! Ik ben de inspecteur van Scotland

Yard!”

„Zeker, zeker,” lachte Braddon, „gij zijt de inspecteur van politie van

Scotland Yard. Daaraan twijfelen wij geen oogenblik. En daarom moet

gij, om een misdaad aan het licht te brengen, eenigen tijd uw tenten

bij mij opslaan.”

„Vervloekt Sir! daarvoor is het toch niet noodig om mij als een

krankzinnige te boeien.”

„Laat dat maar aan mij over,” sprak dr. Braddon. „Brengt hem weg.”

De verplegers tilden den van handvatten voorzienen stoel met den

vastgebonden inspecteur van politie op en droegen den patiënt, die nu

luid brullend begon te vloeken, uit de kamer.

Nu keerde Braddon zich om en zag den bij de deur wachtenden bediende,

die zijn zakdoek voor de oogen hield en snikte.

„Huil niet!” sprak dr. Braddon.

„Mijn goede heer— —mijn beste, brave heer!—” riep Raffles uit.

„Hij blijft slechts eenige minuten in den stoel,” stelde dr. Braddon

den bediende gerust.

„Zoodra hij gekalmeerd is, wordt hij losgelaten en bevindt zich dan in

een zeer goed ingerichte kamer. Meld nu den professor, dat zijn broer

goed bezorgd is.”

Raffles maakte een buiging en verliet de inrichting.

Toen hij thuis was, sprak hij tot Charly Brand:

„Nu is Scotland Yard zonder inspecteur van politie en opdat dit niet

opvalt, zal ik mij telefonisch met Scotland Yard in verbinding stellen

en daar meedeelen, alsof ik inspecteur Baxter was, dat ik verscheiden

dagen buiten Londen moet blijven. Ook zijn familie zal ik dit bericht

doen toekomen.

„De val is dicht, dr. Braddon!”

VIERDE HOOFDSTUK.

IN HET KRANKZINNIGENGESTICHT.

Inspecteur Baxter kon nu persoonlijk ervaren, wat het zeggen wil om

voor de overmacht te moeten bukken.

Op het hoofdbureau van politie bracht men verstokte misdadigers zonder

erbarming in een donkere cel, waar zij met knuppels en gummistokken

zoolang bewerkt werden, tot zij een bekentenis aflegden, of murw

geslagen werden.

Dat noemde men den derden graad toepassen.

Toen de bewakers hem van den stoel losbonden om hem naar zijn kamer te

brengen, stortte hij zich op den dichtstbijstaande, sloeg dezen neer en

wilde zich op den tweede werpen, toen een half dozijn mannen hem

beetpakten en hem, ondanks wanhopigen tegenstand, in een cel voor

gevaarlijke krankzinnigen wierpen.

Uit dit vensterlooze, door dikke muren omgeven vertrek, waarheen

dubbele deuren toegang gaven, tusschen welke een bewaker kon staan om

den in de cel opgeslotene te bespieden, drong geen enkel geluid.

De parketvloer was spiegelglad geboend, opdat de voeten van den

ongelukkige geen steunpunt vonden.

De bewakers daarentegen, met hun gummizolen, stonden er vast op.

In een dergelijke cel brachten de bewakers den inspecteur en ranselden

zoolang op hem, totdat hij in een hoek lag en om genade smeekte.

„Allright”, sprak de hoofdverpleger, „nu ken je onze manieren. Neem je

voortaan in acht en denk niet, dat je met ons kunt doen wat je wilt.

Hier zijn wij de baas en als je nog eens lust mocht krijgen om met ons

te beginnen, dan hebben wij nog betere dwangmiddelen. Denk daaraan.”

Inspecteur Baxter zag in, dat verzet tegen de overmacht hem niets zou

baten. Hij besloot dus, zich door list te helpen.

Men had hem de kleeren uitgetrokken en een dwangbuis aangedaan. Dat was

van onscheurbaar dril en zonder naad gemaakt en werd op den rug met

zoogenaamde patentknoopen gesloten. De mouwen waren een halve meter te

lang en konden zoodanig geknoopt worden, dat de persoon, die het buis

droeg zijn armen en handen niet kon gebruiken.

Een met lucht gevulde zak lag in een hoek der cel als slaapgelegenheid.

Hier liet men den nieuwen patiënt twee dagen lang. Daarop kwam dr.

Braddon, vergezeld door den hoofdverpleger, bleef in de deur staan en

sprak:

„Breng den man nu naar zijn kamer. Zoodra hij zich wederom weerspannig

mocht toonen, wordt hij in de keldercel opgesloten.”

„Ik maak er u attent op,” sprak Baxter, „dat gij de gevolgen van uw

handelwijze moet afwachten. Aan mij is een misdaad begaan; ik ben niet

krankzinnig en even verstandig als gij. Ik herhaal u, dat ik de

inspecteur van politie van Scotland Yard ben.”

Dr. Braddon antwoordde met een glimlach.

„Goed, goed, ik weet, dat gij de inspecteur van Scotland Yard zijt en

gij bevindt u bij mij in uitstekend gezelschap. Gij zult bij mij den

Koning van Engeland, den Keizer van Rusland en andere allerhoogste

potentaten aantreffen, zelfs is de lieve God bij mij.

„Ik zou niet weten, waarom gij, als inspecteur van politie, niet

evengoed verblijf bij mij zoudt houden.

„Ik hoop, dat het u hier goed zal bevallen en dat wij de beste vrienden

zullen worden.”

Dr. Braddon verliet de cel en inspecteur Baxter werd naar zijn kamer op

de vierde verdieping gebracht.

Het was een vertrek met verschillende bedden, in het midden stond een

groote tafel, waaraan eenige verplegers zaten te kaartspelen.

Op een leeren sofa hadden verscheiden ongelukkigen plaats genomen, die

den binnentredende inspecteur met groote oogen aankeken.

„Hier is de nieuwe”, sprak de verpleger tot zijn collega’s, terwijl hij

Baxter naar binnenduwde.

„De kerel verbeeldt zich, de Londensche inspecteur van politie te

zijn.”

„Dien kunnen wij hier juist gebruiken,” antwoordde de hoofdverpleger

van de afdeeling en naderde den binnentredende.

Hij pakte hem ruw beet en spotte:

„Wel, inspecteur van politie? Blij, kennis met je te maken, leelijke

hond! Je zult het goed bij mij hebben. Wij leeren elkaar hier beter

kennen dan wanneer ik bij bij jou in Scotland Yard was. Ik sla je al je

tanden uit je bek, als je mij gevangen wilt nemen. En ga nu op de sofa

zitten en geef geen geluid, anders zal je eens wat ondervinden.

„Ik houd van rust, denk daaraan!”

Baxter antwoordde geen woord, maar ging naast de ongelukkige zieken op

de sofa zitten, terwijl de verplegers, ruw vloekend, verder speelden.

Wel een uur lang had hij zoo gezeten, toen een der patiënten met

haperende stem begon te bidden.

„Stilte!” gebood dé hoofdverpleger den man. „Vervloekte schijnheilige,

wil je zwijgen?”

Maar de patiënt, die aan godsdienstwaanzin leed, lette niet op dit

verbod, stond op en bad verder.

Toen een der verplegers hem op de sofa terug wilde duwen, sloeg hij met

zijn hand naar dezen.

Dit was het teeken om den ongelukkige aan te vallen.

Als een bende wilde bandieten wierpen de verplegers zich op den

patiënt, gooiden hem op een bed en begonnen hem onbarmhartig met hun

vuisten te slaan.

Dit benam Baxter zijn laatste kalmte.

Hij sprong op, greep een stoel en sloeg hiermee op de verplegers los.

En het gelukte den vier mannen niet, den woedenden en zich als dol

aanstellenden inspecteur te overweldigen.

Gillend moesten zij uit de kamer vluchten en andere verplegers te hulp

roepen.

Baxter wist, wat nu zou gebeuren. Hij schoof de bedden en tafels voor

de deur en barrikadeerde deze.

Daarop sloeg hij met een stoelpoot de vensterruit stuk en riep door de

opening luide om hulp.

Maar het vertrek lag niet aan den straatkant, maar kwam uit op de

binnenplaats.

Voor de deur waren de verplegers samengekomen en Baxter dacht elk

oogenblik, dat een nieuw gevecht zou beginnen.

Maar hij vergiste zich.

De verplegers hadden respect voor zijn kracht gekregen en wisten, dat

hij gewapend was.

Ook dr. Braddon, die bericht had gekregen, was verschenen.

Hij gaf nu aan, welke maatregelen genomen moesten worden om den

razenden Baxter onschadelijk te maken.

Boven de deur bevond zich een klein venster, dat diende om het licht

van een gasvlam, die op de gang brandde, in de kamer te doen schijnen.

Dit venster werd nu geopend en een verpleger verscheen ervoor.

Hij bracht den mond van een waterslang in de kamer.

Voordat Baxter nog wist, wat de verpleger hiermee wilde doen, trof hem

een straal warm water dat hem tot op de huid nat maakte.

Baxter trachtte, zich tegen den waterstraal te beschermen, maar dit was

te vergeefsch.

De kamer bood hem geen bescherming tegen het natte element. Plotseling

voelde de inspecteur, dat de straal al warmer en warmer werd, totdat

deze zoo heet was dat hij het bijna niet meer kon uithouden.

„Brand hem het vleesch van het lijf!” schreeuwde dr. Braddon.

Nu begreep Baxter het vreeselijke gevaar, waarin hij zich bevond.

De onmenschen hadden de waterslang aan de stoomverwarming van het

gebouw aangesloten met de bedoeling, den oproerigen patiënt te

verbranden.

Met een tafelblad als schild trachtte Baxter zich tegen het kokende

water te beschermen.

De patiënten, die zich met hem in de kamer bevonden, brulden van pijn,

want ook zij werden door de heete stralen getroffen.

„Verzuipt den geheelen troep”, riep de hoofdverpleger buiten.

Baxter zag in, dat hij tegen dit paardemiddel machteloos was en riep

tot den verpleger, die de slang vasthield:

„Houdt op, ik geef mij over!”

„Allright!” sprak dr. Braddon, die naast den verpleger op een ladder

stond, „maak de deur open!”

Inspecteur Baxter ruimde de voor de deur aangebrachte barricade weg en

wachtte, zonder zich verder te verdedigen, de verplegers af.

Als een bende jachthonden vlogen zij op hem aan, scheurden hem de natte

kleeren van het lichaam en trokken hem opnieuw een dwangbuis aan.

„Dit is een moordenaarshol!” riep Baxter tot dr. Braddon, die het

tooneel stond aan te kijken.

„Slaat den kerel!” schreeuwde dr. Braddon en als hagelsteenen vielen de

vuistslagen op Baxter neer.

Daarop beval dr. Braddon:

„Brengt hem in den kelder en sluit hem aan. Wij zullen hem wel tam

krijgen. De hond brengt anders de geheele inrichting in opstand.”

Door acht verplegers werd Baxter nu naar den kelder gebracht en in een

vertrek geduwd, dat volkomen donker en ijskoud was.

Een electrische lamp aan de zoldering werd opgedraaid en Baxter zag

drie slachtoffers, die in verschillende hoeken van den kerker op den

steenen vloer lagen zonder iets om op te liggen en die met ijzeren

ringen zoodanig aan den vloer waren vastgemaakt, dat zij niets eens

konden opstaan.

Zij hieven een woest gebrul aan, toen de verplegers met Baxter

binnentraden.

„Beulsknechten!—moordenaars!—galgenhonden!—vervloekte misdadigers!”

riepen de gevangenen tot hun pijnigers.

Deze antwoordden met een ruwen lach.

De inspecteur van politie trachtte nog eenmaal om zich te verzetten;

het gelukte hem ook, twee zijner vijanden door trappen onschadelijk te

maken, maar daarop overweldigden de anderen hem en sloten hem aan

ijzeren ringen vast.

Nadat zij hem nog verscheiden vuistslagen hadden toegebracht en met de

voeten hadden getrapt, verlieten zij het vertrek, sloten de zware deur

achter zich dicht en draaiden het licht uit. De inspecteur van politie

bevond zich, als een wild dier onschadelijk gemaakt, in een vertrek,

zooals zijn phantasie het niet griezeliger kon uitdenken.

Hij had daar wel een kwartier gelegen, toen hij de stem van een zijner

lotgenooten in het donker hoorde, die tot hem riep:

„Waart gij ook zoo dwaas? Hebt ge u ook tegen die moordenaars willen

verzetten?”

„Ja”, antwoordde inspecteur Baxter, „Wie zijt gij?”

„Ik ben bankier Gulden”, antwoordde de stem, „en sinds drie dagen in

dit moordenaarshol. Mijn zoon heeft mij hierheen gebracht, om zich mijn

vermogen toe te eigenen en die schurk, dokter Braddon, helpt hem

erbij.”

„Wie zijt gij?”

Baxter dacht erover na, of hij den bankier zijn werkelijken naam zou

meededen; hij zag geen enkele reden, om dien te verbergen en

antwoordde: „Ik ben de inspecteur van politie Baxter van Scotland

Yard.”

„Wie zijt gij?” vroeg bankier Gulden met groote verbazing. „Zijt gij de

inspecteur van politie van Scotland Yard? Mijn hemel! Dan zijt gij de

persoon, aan wien ik hier voortdurend denk”.

„Ja,” herhaalde Baxter nogmaals, „ik ben de inspecteur van politie van

Scotland Yard”.

„Maar dat is immers onmogelijk, dat kan niet,” antwoordde Gulden,

„verbeeldt gij u dat misschien ook?”

„Neen”, sprak Baxter, „maar ik ben door een misdadiger in deze

vreeselijke hel vol menschelijke ellende gesleept!”

„Heer in den hemel, ik dank u!” fluisterde bankier Gulden, „als gij de

waarheid spreekt en werkelijk de Londensche inspecteur van politie

zijt, dan zijn wij gered. Men zal er zich in Scotland Yard toch zeker

mee bemoeien, waar gij gebleven zijt.”

In zijn opgewondenheid had de inspecteur nog niet gedacht aan datgene,

wat de bankier nu zeide. Zijn woorden vielen als een heldere

zonnestraal in den vreeselijken nacht van ellende, die hem omgaf.

In Scotland Yard zou men zoeken—men moest hem vinden.

„Hier liggen nog drie ongelukkigen,” sprak bankier Gulden.

„Zij zijn al maandenlang hier in dit vreeselijk verblijf en evengoed

bij hun verstand als gij en ik. Maar hun misdadige familie en deze

moordenaar Braddon, die tot alles in staat is om geld te verdienen,

houdt ze even vast als mij. Wij hebben ons allen even wanhopig

verdedigd als gij en daarmede het beste bewijs gegeven, dat wij

toerekenbaar zijn. Maar wat kon ieder van ons tegen de overmacht

uitrichten? Het is krankzinnig, om dat te probeeren.”

„Ja” antwoordde Baxter, „het is zinneloos, men speelt het met deze

schurken alleen klaar, als men zich rustig houdt.”

„Gij kunt hier de vreeselijkste geschiedenissen hooren,” vervolgde

bankier Gulden, „geschiedenissen, die u de haren te berge doen rijzen,

hoewel gij een detective zijt. Hier vlak bij bevindt zich de

lijkenkelder. Gisteren hebben zij iemand, die nauwelijks dood was,

geschouwd. Gij kunt de kleine, houten deur, die zich hier dicht bij

mijn plaats bevindt, niet zien, maar hooren kunt gij elk woord, dat

daar gesproken wordt.

„Dr. Braddon moet de lijken van zijn vroegere patiënten, zooals de wet

dat voorschrijft, schouwen, om de doodsoorzaak vast te stellen.

„Eergisteren hoorden wij, dat iemand in den lijkenkelder werd gebracht.

„Gistermorgen kwam dr. Braddon met zijn assistent en hoofdverpleger.

„„Het is tijd, dat de man mijn inrichting verlaat.

„„Hij heeft geen familie en als betaling voor de jarenlange verpleging,

die hij heeft genoten, terwijl hij hier was, krijg ik zijn

levensverzekering uitbetaald.

„„Zoo, laat ons nu de lijkschouwing beginnen.””

„Gij denkt dus, dat de arme drommel zijn natuurlijken dood niet is

gestorven?” vroeg Baxter.

„Zeer weinigen doen dat hier, òf zij verhongeren, òf de vreeselijke

mishandelingen van deze beulen doen hen een ellendigen dood sterven.”

„Ontzettend,” mompelde de inspecteur, „het is nauwelijks te gelooven,

wat gij vertelt.”

„Ik zweer het bij God den Almachtige,” sprak mr. Gulden, „en mijn

lotgenooten kunnen het bevestigen.”

„He—Frederik!” riep hij tot een der anderen, „vertel jij eens wat je

weet. Jij bent nu bijna acht jaar in dit moordhol.”

„Ja,” antwoordde een matte stem uit het donker, „acht lange jaren ben

ik al hier. Mijn vrouw heeft mij hier gebracht, omdat zij van een ander

hield en ik mij niet van haar wilde laten scheiden.

„Die ander was mijn koetsier. Ik was hun in den weg en toen ruimden zij

mij op die manier op.”

„Wie zijt gij?” vroeg Baxter.

„Ik was advocaat en heet Frederik Larson,” antwoordde de onbekende.

„Mijn kantoor lag aan het Strand, van mijn vader bezat ik een groot

vermogen. Ik trouwde ondoordacht met een kellnerin en dacht, een beter

mensch van haar te kunnen maken. Tot dank daarvoor bevind ik mij sinds

acht jaar in deze inrichting.”

„Wordt hier dan nooit controle uitgeoefend?” vroeg Baxter.

„Ja,” antwoordde de advocaat, „eens per jaar. Maar die wordt steeds van

te voren aangekondigd en op den dag, waarop dat geschiedt, worden wij

„gevaarlijke patiënten,” in een cel voor woestelingen gebracht en

daarin komt niemand.

„Dr. Braddon is een zeer geslepen schurk.”

Het rommelen van sleutels bij de deur maakte voorloopig een einde aan

het gesprek.

De verplegers kwamen nu het vertrek binnen met een schaal soep.

Het electrische licht, werd weer opgedraaid en nu kon Baxter zijn op

den vloer vastgeketende lotgenooten zien.

Verwilderde baarden omgaven hun gezichten, die verwrongen waren van

smart en woede en uit hun diepe kassen keken de oogen troosteloos rond.

„Neemt de soep weer mee,” riep bankier Gulden uit, „wij laten ons niet

vergiftigen door uw duivelstuig.”

Inspecteur Baxter, die honger had, wilde zich iets van het voedsel

laten geven. Maar de advocaat sprak:

„Neem niets van de soep—die bevat een sterk slaapmiddel—chloral—en dat

maakt iemand zoo suf, dat men niet meer kan denken.”

Baxter spuwde de lepel vol soep, die hij reeds in den mond had, weer

uit.

Een der verplegers gaf hem daarvoor een trap en daarop verlieten zij

het vertrek weer.

Opnieuw begonnen de ongelukkigen elkaar in het donker de gruwelijke

geschiedenissen te vertellen, die zij in de inrichting hadden

meegemaakt.

Inspecteur Baxters haren rezen te berge, om alles, wat hij dien nacht

te hooren kreeg.

Een hel kon geen grooter gruwelen verbergen dan het

krankzinnigengesticht van dr. Braddon.

Tegen den morgen toen Baxter zou inslapen, hoorde hij, hoe de deur van

den lijkenkelder geopend werd en de verplegers een lijk binnenbrachten.

„Jammer voor het meisje,” zei een van hen, „maar zij deed als een gek.

Zij wilde in het geheel niet eten, hoewel zij zelf toch moest

begrijpen, dat dat het verstandigste was.”

„Trek haar den briljanten ring van den vinger” sprak de andere

verpleger.

„Ik heb het al geprobeerd, maar die zit te vast.”

Baxter hoorde de verplegers nog eenigen tijd samen spreken, daarop

verlieten zij onder ruwe scherts het vertrek en Baxter viel, uitgeput

door alles wat hij had gezien en gehoord, in slaap.

Benauwde droomen, waarin het doorleefde nogmaals met groote

duidelijkheid voor zijn geest kwam, maakten zijn slaap onrustig en nog

voordat de morgen was aangebroken, waren Baxter en zijn lotgenooten

ontwaakt en vulden met hun zuchten en klagen de plek van de misdaad.

VIJFDE HOOFDSTUK.

RAFFLES IN HET GESTICHT.

„Hoewel inspecteur Baxter mijn gezworen doodsvijand is,” sprak Raffles

tot Charly Brand, „moet ik hem toch te hulp komen. Ik heb een prachtig

plan uitgedacht.

„Ik zal mij als verpleger door dr. Braddon laten aannemen.”

Charly Brand trachtte tevergeefs, Raffles van zijn voornemen af te

brengen.

De groote onbekende trok eenvoudige kleeren aan, deed een onzindelijken

boord en slordig dasje om zijn hals en begaf zich, ondanks het koude

winterweer, zonder overjas op weg naar dr. Braddon.

Hij maakte nu een verwaarloosden en armoedigen indruk.

Hij zag er uit als een jonge man, die werkeloos is en, door nood en

ellende gedreven, langs de Londensche straten zwerft.

Toen hij in het kantoor van de inrichting zijn verzoek voordroeg en

allerlei papieren met goede getuigschriften, welke hij jaren geleden in

de zakken van een op straat verongelukten jongen man had gevonden, voor

dr. Braddon neerlegde, antwoordde de geneesheer hem na eenig nadenken:

„Ik zal u een plaats geven. Gij krijgt tien pond per maand, vrije

inwoning en kleeding. Betoont gij u als een bruikbaar mensch, dan

krijgt gij elke maand een pond opslag.

„Bij de geringste onregelmatigheid of verzuim tegen de regelen van dit

huis of tegen mijn bevelen zal ik u onmiddellijk ontslaan.”

Raffles zegevierde!

Het plan was gemakkelijker gelukt dan hij had gedacht.

Lord Lister No. 0026: Inspecteur Baxter in het krankzinnigengesticht · 第 1 / 3 段