„ik had het groote genoegen, een week geleden een partij whist met u te
spelen. Wij spraken toen af elkaar terug te zullen zien. Daar mijn tijd
tot dusverre steeds in beslag was genomen heb ik nu, op dit ongewone
uur, op u gewacht.”
„Als ik mij goed herinner”, antwoordde Lord Guildhall, „dan heb ik de
eer met Mr. Van German te spreken.”
Onder dezen naam, dien van een Hollander, stond Raffles in de
Sandwich-Club bekend.
„Zeer juist”, antwoordde Raffles met een lichte buiging, „ik ben
mijnheer Van German uit Amsterdam.”
Gedurende dit gesprek had de dienstdoende lakei het hek, dat den tuin
van de villa omgaf, geopend; hij stond nu met ontbloot hoofd vol
eerbied aan de deur.
„Mag ik u verzoeken met mij mee naar binnen te gaan?” sprak Lord
Guildhall, terwijl hij Raffles voorging het huis in.
In de studeerkamer van den Lord namen ze samen plaats; een oude
kamerdienaar zette op een Oostersch tafeltje mokka, sigaren en
sigaretten klaar.
„Laten wij het ons gemakkelijk maken”, zoo begon de gastheer. Bij die
woorden trok hij, zooals dat onder Engelsche gentlemen gewoonte is
wanneer zij onder elkaar zijn, zijn rok uit.
Daarop nam hij in onverschillige houding in een zachten fauteuil
plaats, strekte zijn beenen zoo ver mogelijk voor zich uit, gaapte
meerdere malen achter elkaar en slurpte langzaam een kop mokka.
Raffles volgde in alles zijn voorbeeld.
Nadat zij verscheidene minuten zwijgend tegenover elkaar hadden
gezeten, sprak Lord Guildhall:
„En nu ben ik zeer nieuwsgierig te vernemen, wat u in dit late uur of
liever gezegd zoo vroeg in den morgen, voor gewichtige zaken met mij te
bespreken hebt?”
„Zijt gij spiritist?”
„Wat?” lachte Lord Guildhall, „neen, mijn beste, aan dien onzin geloof
ik niet.”
„Maar ik wel,” antwoordde Raffles met ernstige stem, „en ik was
hedennacht op een spiritistische séance, waar ik merkwaardige dingen
hoorde, op u betrekking hebbende.”
Lord Guildhall werd onrustig. Met wantrouwende blikken keek hij den
bezoeker aan. Zou deze iets van zijn misdaad afweten?
Nadenkend stak de gastheer een sigaret aan om zijn stijgende onrust te
verbergen.
Nadat hij, om zich een houding te geven, zwijgend rookwolken om zich
heen had geblazen, sprak hij op schijnbaar onverschilligen toon:
„Vervloekt! Ik ben al blij, als de levenden mij met rust laten. Wat
willen de dooden van mij?”
„Dat zult gij dadelijk vernemen,” antwoordde Raffles. „De dooden hebben
dikwijls een groot conto met de levenden te verrekenen. Ik zelf ben een
goed medium en het is merkwaardig, dat ik dikwijls uitverkoren ben
geworden om de laatste wenschen van de afgestorvenen in vervulling te
brengen.”
„Praat toch geen onzin, dat is immers dwaasheid! Ik geloof niet aan
zulke vuile toovenarij!” riep Lord Guildhall op bruusken toon.
Raffles stond op, keek den Lord met een doordringenden blik van het
hoofd tot de voeten aan en antwoordde op scherpen toon, den nadruk
leggende op ieder woord:
„Ik hoop, Lord Guildhall, dat gij niet vergeet, dat wij beiden
gentlemen zijn. Ik verzoek u, de zooeven gesproken woorden met de
noodige verontschuldigingen terug te nemen. Anders....”
Lord Guildhall, wien de zaak zeer onaangenaam begon te worden, en wiens
onzuiver geweten in Raffles een vijand vermoedde, stond eveneens op en
sprak:
„Als Lord Guildhall ben ik gewend, nooit mijn woorden terug te nemen,
zelfs niet voor den koning van Engeland! Vóór ik hiertoe overga, brengt
mijn overtuiging mij liever op het schavot.”
„Of aan de galg,” antwoordde Raffles op koelen toon.
Beide mannen namen elkaar op met flikkerende oogen.
„Hoe meent gij dat?” vroeg de Lord vorschend.
„Hoe ik dat meen?” sprak Raffles, „mij dunkt, dat ik duidelijk genoeg
heb gesproken. Ik heb beweerd, dat gij ten slotte ook nog wel eens aan
de galg zoudt kunnen komen.”
„Sir,” sprak Lord Guildhall, ziedend van toorn, „voor dat woord verlang
ik rekenschap van u.”
Raffles had zijn armen gekruist over de borst en keek Lord Guildhall
met een kouden, ironischen blik aan. Hoon en verachting lag in zijn
stem, toen hij sprak:
„Zeer zeker! Wanneer ik deze woorden had gesproken tot een gentleman,
die in mijn oogen waard was om met hem te duelleeren. — —
„Maar,” hij maakte een korte pauze en trad een schrede nader op Lord
Guildhall toe, zoodat hij bijna vlak voor dezen stond, „men vecht niet
met een mensch, wiens handen bevlekt zijn met het bloed van zijn
broeder.”
Met doodsbleek gelaat wankelde Lord Guildhall achteruit, naar steun
zoekende.
„Gij liegt!” hijgde hij met moeite, in een zetel neervallende.
„No Sir,” antwoordde Raffles met harde stem, „ik heb in mijn geheele
leven nog nimmer een leugen gesproken en ik sta hier vóór u om u wegens
den dood van uw broer en uwe zuster ter verantwoording te roepen.
„Indien gij werkelijk nog een greintje eergevoel bezit, echt eergevoel,
zooals een Lord Guildhall dat behoort te hebben en niet de laffe
overmoed van een moordenaar, dan begeeft gij u naar gindsch wapenrek,
neemt een van de pistolen van uw vader er uit, zet die tegen uw slaap
en drukt af.
„Dan blijft gij er tenminste voor bewaard, dat in de annalen uwer
familie moet worden vermeld, hoe de laatste Lord Guildhall zijn leven
heeft gelaten aan de galg.”
De oogen van den jongen Lord puilden bijna uit zijn hoofd van vrees en
ontzetting, met starenden blik keek hij Raffles aan.
Al zijn moed was geweken onder het gewicht van deze beschuldiging,
welke Raffles hem naar het hoofd slingerde. Hij waagde het niet zich te
verdedigen.
Maar zijn lafheid en zijn lust om nog verder te blijven leven deden hem
een uitweg in deze netelige zaak bedenken.
Een verraderlijke blik vloog uit zijn oogen naar Raffles, daarop keek
hij naar het wapenrek, dat tegen een der muren van de kamer stond.
„Gij hebt gelijk,” sprak hij, „ik zal doen wat gij verlangt.”
Met wankelende schreden begaf hij zich naar het wapenrek en greep een
duelleer-pistool.
Zoodra hij dit in handen had draaide hij zich met een ruk naar Raffles
toe, hield hem het wapen voor en riep uit:
„Sterf, afperser.”
Maar Raffles was hierop voorbereid geweest!
Bliksemsnel trok hij zijn hand uit den zak; Lord Guildhall zag den mond
van een Browning-pistool op zich gericht, nog voordat hij zijn wapen
had kunnen afschieten.
Verscheiden seconden stonden de mannen sprakeloos tegenover elkaar.
Toen sprak Raffles met minachting:
„Foei, duivel! Gij zijt een vervloekte lafaard. Opdat gij echter zult
weten, dat mijn dood u niet zal baten deel ik u mee, dat mijn bediende
de opdracht heeft om de bewijsstukken van uw schuld, die ik verzameld
en schriftelijk gedeponeerd heb, hedenochtend aan den
politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard ter hand te stellen,
wanneer ik niet terug mocht keeren.
„Ik geef u nog twee minuten den tijd, uw wapenschild voor het oog der
wereld rein te houden. Richt u daarnaar!”
Het koude angstzweet kwam Lord Guildhall op het voorhoofd. Hij liet
zijn wapen zakken en fluisterde met heesche stem:
„Misschien is er nog een andere weg om met u tot een vergelijk te
komen.”
„En welke dan?” vroeg Raffles.
„Ik zal u mijn geheele vermogen, mijn kasteelen en bezittingen vermaken
en vertrek zelf naar Amerika.”
Raffles dacht even na en zei toen:
„Ik zie, dat u aan uw leven meer gelegen ligt dan dan uw eer!
„Zoo iemand heeft niet het recht, zich aristocraat te noemen. Ik doe u
het volgende voorstel:
„Gij schenkt uw geheele vermogen aan de stad Londen met het doel,
daarvoor een tehuis voor ouderlooze en buitenechtelijke kinderen te
stichten.
„Het bestuur daarvan mag niet aan een kerkelijke gemeente worden
opgedragen, maar een vrijmetselaarsloge zal de zaak in handen nemen.
„Onder deze voorwaarde zie ik van den kogel af; de eer van uw
wapenschild kunt gij op geen manier meer redden. Gij moogt in Amerika
uw leven eindigen aan de galg, zooals personen van uw slag gewoonlijk
hun loopbaan eindigen.
„Kunt gij u met dit voorstel vereenigen?”
„Jawel, dat kan ik,” zuchtte Lord Guildhall.
„Goed,” antwoordde de groote onbekende. „Ik verwacht u morgen om tien
uur precies bij notaris Tyler, Strand 111.
„Komt gij niet, dan zijt gij een uur later een gevangene.”
Voordat Lord Guildhall tijd had om iets te antwoorden, had Raffles de
kamer reeds verlaten en was na een paar minuten uit het huis verdwenen.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE INVAL IN HET KRANKZINNIGENGESTICHT.
Het was nog vroeg in den morgen in de reuzenstad.
Zooals het aanzwellen van een zeegolf, begon het drukke leven in de
straten van Londen.
Te midden van het geweldige lawaai klonk de schelle roep van de eerste
courantenverkoopers, die in alle mogelijke toonaarden uitriepen:
„Politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard spoorloos verdwenen!
„Een geheimzinnige misdaad!
„Sedert vijf dagen ontvoerd!”
Toen Raffles dit bericht van Charly Brand vernam, kleedde hij zich
haastig aan en zei lachend tot zijn vriend:
„Ik zal aan de menschen in Scotland Yard een vingerwijzing doen
toekomen, die de grap gekruid zal maken.”
Hij liep naar de telefoon en liet zich met Scotland Yard aansluiten.
„Hier detective Marholm, Scotland Yard,” meldde zich het hoofdbureau.
„Hier uw oude bekende, John Raffles,” antwoordde Lord Lister met
innerlijke vreugde.
Beiden konden zij den wederzijdschen glimlach niet zien, die op hun
gezicht lag uitgedrukt gedurende dit onderhoud aan de telefoon.
„Wat is er voor nieuws, John Raffles?” vroeg detective Marholm. „Hebt
gij misschien ontdekt, waar onze inspecteur van politie verborgen zit?”
„Ja, juist,” sprak de groote onbekende, vroolijk lachend, „ik heb hem
eens naar buiten gezonden.”
„Duivelsch!” riep detective Marholm uit, „wij hebben gisteren van zijn
familie vernomen, dat onze hooggeachte chef spoorloos verdwenen is. Ik
zei juist al tot mijn collega’s: daar zit John Raffles zeker weer
achter.”
„Ongetwijfeld!” gaf Lord Lister lachend ten antwoord. „Gisteren nog heb
ik met uw inspecteur gesproken; hij smeekte me, hem te stelen.”
„Wat?” riep detective Marholm uit, „dat begrijp ik niet.”
„Baxter zal u dit alles verklaren,” antwoordde Raffles, „het is, zooals
ik u zeg.
„Maar in weerwil van al mijn vaardigheid, was het mij niet mogelijk,
aan zijn verzoek te voldoen. Ik zal u echter thans vertellen, waar de
inspecteur van politie te vinden is.”
„Heel graag!”
„Neem verscheiden van de beste beambten van Scotland Yard en rijd
dadelijk met hen naar dr. Braddon, den gekkenkoning.”
„Braddon?” vroeg detective Marholm verbaasd, „Braddon? De dokter
telefoneerde een uur geleden, dat bij hem de brandkast voor eenige
duizenden pond sterling in den afgeloopen nacht was beroofd.”
„Hoe hoog is dat bedrag?” vroeg Raffles.
„Dat heb ik nog niet kunnen vaststellen,” antwoordde detective Marholm.
„Ik zal het u precies zeggen,” antwoordde de Groote Onbekende in de
telefoon, „het waren een onnoozele zevenduizend pond, acht shilling en
zes pence!”
„Voor den duivel,” klonk het terug, „gij weet het bedrag zoo precies,
alsof ge het zelf hadt weggenomen.”
„Jawel,” antwoordde Raffles, „dat komt uit. Ik nam het geld mee als
belooning voor twee dagen werk, die ik bij dr. Braddon als verpleger
heb doorgebracht.”
„Zijt gij krankzinnigenverpleger geweest bij dr. Braddon?” vroeg
Marholm verbaasd.
„Waarom niet?” lachte Raffles, „’t is altijd nog beter in die
inrichting verpleger te zijn dan patiënt.”
„Best mogelijk,” luidde het antwoord van Scotland Yard, „maar vertel
mij nu toch om Godswil, waar zit inspecteur Baxter?”
„Bij dr. Braddon,” antwoordde Raffles. „Waar zou hij anders zijn? Hij
bevindt zich in het krankzinnigengesticht als patiënt.”
„Daar begrijp ik niets van,” antwoordde Marholm verbaasd.
„Maar ik wel,” sprak Raffles; „en ik zal het u uitleggen:
„De inspecteur van politie Baxter is door mij persoonlijk, terwijl ik
mij uitgaf voor professor Stanhope, in het gesticht van dr. Braddon
gebracht als zijnde mijn krankzinnige broer.
„Ik deed dat met de bedoeling, dat Baxter zich in zijne qualiteit van
detective op de hoogte kon stellen van de toestanden in dat
moordenaarshol, door zelf te zien en te ondervinden, hoe de patiënten
er behandeld worden.
„Ik herhaal: Neem den grootsten politiewagen en eenige doktoren mee, en
bereid bovendien verscheiden ziekenhuizen voor op de opname van
patiënten, want gij zult in dat krankzinnigengesticht zóóveel werk
vinden—en wel een zeer nuttig werk—als Scotland Yard nog hooit heeft
gehad.
„Iedere dokter en iedere verpleger daar is rijp voor de galg. Zeer vele
van de patiënten moeten dadelijk onder dokters behandeling komen, omdat
zij door de onmenschelijke behandeling van dr. Braddon en zijn
handlangers in beklagenswaardigen toestand gebracht zijn!
„Opdat gij er volkomen van op de hoogte zijt, waar gij den inspecteur
van politie in de inrichting moet zoeken, deel ik u mede, dat hij zich
bevindt in den kelder van het hoofdgebouw naast de lijkenkamer, in
gezelschap van vier andere ongelukkige slachtoffers en aan den grond
vastgeketend.
„En nu haast u en groet inspecteur Baxter hartelijk van mij.”
Aan weerszijden werd de telefoonhoorn opgehangen. Het gesprek was
geëindigd.
Detective Marholm, die met klimmende verbazing en steeds grootere
verwondering had geluisterd, sprak tot zijn collega’s, nadat hij
eindelijk weer tot zich zelf was gekomen:
„Dat is de meest ongehoorde zaak, die ik ooit heb beleefd!
„Voorwaarts! Laten we onmiddellijk alles in gereedheid brengen om aan
den oproep van Raffles gevolg te geven! Onze inspecteur van politie
ligt als krankzinnig patiënt in de inrichting van dr. Braddon en wacht
op ons!”
Detective Marholm, die door Raffles steeds als de bekwaamste van geheel
Scotland Yard werd beschouwd, nam zelf de leiding op zich om de
inrichting van dr. Braddon te overvallen.
In verscheiden wagens reed hij met een paar dozijn beambten naar de
buurt van het krankzinnigengesticht en liet daar de rijtuigen
stilhouden.
Daarop begaf hij zich met vier beambten naar het gesticht.
Nadat de portier de zware ijzeren deur, zooals een tuchthuis ze niet
solieder kon bezitten, had geopend, verklaarde Marholm aan den
ontstelden beambte, terwijl hij zijn ambtspenning liet zien, dat deze
zijn gevangene was en bij de geringste poging om alarm te maken, of om
aan de detectives te ontvluchten, neergeschoten zou worden.
Marholm plaatste een zijner detectives naast den portier, posteerde een
tweede bij de open poort en zond een derde naar de bij de rijtuigen
wachtende beambten met bevel om zich in het krankzinnigengesticht te
begeven.
Dit alles ging zoo snel, binnen een paar seconden, in zijn werk, dat
noch een portier, noch iemand anders uit de inrichting er iets van
bemerkte.
Zoodra de detectives in het voorportaal bij elkaar waren, sprak Marholm
tot hen:
„Neemt uw revolvers in de hand en verdeelt u, zoo goed en zoo kwaad als
de plaatselijke kennis dit toelaat, over het geheele gesticht.
„Bezet alle trappen en portalen en verklaart iedereen, die het gebouw
wil verlaten, als uw gevangene, totdat ik nadere bevelen zal hebben
gegeven.”
Daarna stapte hij met de detectives, die hij voor mogelijke
noodzakelijkheid bij zich hield, de wachtkamer binnen.
Toen de daar aanwezige portier naar hun naam en hun verlangen vroeg,
sprak Marholm, wederom zijn ambtspenning vertoonend:
„Wij zijn ambtenaren van Scotland Yard en komen hier in verband met den
diefstal, die hier in den afgeloopen nacht werd gepleegd.”
„Ik zal het dadelijk aan dr. Braddon meedeelen,” antwoordde de portier
en verdween in de studeerkamer van zijn chef.
Reeds na een paar seconden kwam hij terug en sprak:
„Mijnheer de directeur laat u verzoeken, binnen te komen.”
Marholm en zijn begeleiders stapten naar binnen.
De gekkendokter zat nog in zijn chamber-cloack voor zijn schrijftafel;
hij ontving de ambtenaren met een mismoedig gelaat.
„U is dr. Braddon?” vroeg detective Marholm en keek den voor hem
zittende bij die woorden zeer scherp aan.
„Juist,” antwoordde deze en nam den detective zeer uit de hoogte op,
„spreek als ’t u belieft op een beleefden toon tot mij. Ik ben niet uw
ondergeschikte!”
„Maar mijn gevangene!” riep detective Marholm
Voordat dr. Braddon nog iets kon antwoorden, werd hij bij zijn armen
beetgepakt en geboeid.
„Help!” riep hij ontsteld uit en de portier, die dezen kreet om hulp
hoorde, snelde het studeervertrek binnen.
„Handen op!” beval Marholm en hield den man zijn revolver voor.
„Ik verklaar u mijn gevangene, wegens vermoedelijke medeplichtigheid
aan de misdaden van dr. Braddon. Wij zijn ambtenaren van Scotland
Yard!”
Sidderend van vrees bleef de portier midden in de kamer staan en waagde
het niet, zich te verroeren.
Marholm liet zijn collega’s als wacht bij dr. Braddon achter. Hijzelf
begaf zich op onderzoek naar het verblijf van den inspecteur van
politie.
In de administratiekamer der inrichting, daar waar de brandkast stond,
hadden zich de beambten van het krankzinnigengesticht verzameld; zij
stonden schuw om den hoofdportier geschaard, toen Marholm binnentrad.
„Wie van u,” vroeg de detective, „bezit de sleutels van alle vertrekken
der inrichting?”
Met knikkende knieën stapte de hoofdportier naar Marholm toe en
antwoordde:
„Ik ben de hoofdportier, wat wenscht gij?”
„Volg mij!” beval Marholm.
Hij begaf zich daarna, zooals Raffles hem had aangeduid, naar den
kelder en nam verscheiden van zijn beambten mee daarheen.
„Maak de deur open!” sprak hij, toen zij beneden waren gekomen.
Tegelijkertijd wees hij op een ingang, die naar het verblijf voerde,
waarin de inspecteur van politie en zijn vier ongelukkige lotgenooten
lagen.
De hoofdportier draaide het electrische licht op en opende de deur.
In het volgende oogenblik trad Marholm de kelderruimte binnen, doch
deinsde met een kreet van ontzetting terug bij den aanblik dien de
ongelukkigen boden.
Daarop snelde hij naar inspecteur Baxter toe, dien hij dadelijk had
herkend.
„Marholm!” riep deze verheugd uit, „zijt gij het werkelijk?”
„Ja,” antwoordde de trouwe detective met bleeke lippen, „John Raffles
zendt mij tot u.”
„Een edel mensch is hij, bij God een nobele kerel!” antwoordde
inspecteur Baxter met ontroerde stem.
„Ontdoe die ongelukkigen van hun boeien!” beval Marholm den
hoofdverpleger.
Deze gehoorzaamde aan zijn bevel, terwijl de beambten van Scotland Yard
hem behulpzaam waren.
Baxter was zóó zwak, dat hij op den arm van Marholm moest steunen, toen
deze hem naar boven bracht, terwijl de andere ongelukkigen gedragen
moesten worden.
Dr. Braddon staarde den inspecteur van politie aan alsof hij een
spookverschijning zag, toen deze met detective Marholm de kamer van den
geneesheer binnentrad.
„Kent gij dezen man?” vroeg Marholm den dokter, die met vaalbleek
gelaat in zijn stoel was gezonken.
„Jawel,” fluisterde hij met trillende stem, „het is een ongeneeslijke
patiënt, die wegens razernij in een aparte cel gebracht moest worden.”
„Schoft”, viel Baxter hem in de rede. „Erbarmelijke schoft. Ik ben de
Londensche inspecteur van politie en evenmin krankzinnig als de
ongelukkigen, die het hol met mij deelden.”
„Nu hoort ge het zelf,” sprak dr. Braddon. „Die man verbeeldt zich, dat
hij de inspecteur van politie van Londen is.”
„Neen”, antwoordde detective Marholm, „dezen keer zijt ge aan het
verkeerde adres gekomen. Deze zoogenaamde patiënt beeldt zich niets in;
hij is inderdaad de inspecteur van politie van Scotland Yard.
„Raffles—John Raffles—de Groote Onbekende—de meesterdief van Londen,
heeft, vermomd en onder den naam van professor Stanhope, den inspecteur
van politie in uwe inrichting gebracht, opdat hij zich persoonlijk zou
kunnen overtuigen van de ontzettende toestanden die hier heerschen en
van de schandelijke misdaden, die gij tot heden ongestraft op de
ongelukkige patiënten hebt kunnen plegen.”
„Raffles!” riepen bijna tegelijkertijd dr. Braddon en de inspecteur van
politie uit.
„Jawel, Raffles!” herhaalde Marholm en keerde zich tot Baxter.
„Hij heeft u hier binnengebracht en u ook weer uit uw weinig
benijdenswaardige positie bevrijd. Zijn bedoeling was het, dat gij door
eigen aanschouwing de misdaden van dr. Braddon zoudt leeren kennen.”
„En dat was, bij God, meer dan tijd,” sprak de inspecteur van politie
Baxter. „Deze mensch daar”—hij wees op den verpletterden
geneesheer-directeur—„is erger dan de gevreesde Jack the Ripper.”
Hij trad op den in zijn stoel sidderenden dr. Braddon toe, liet zijn
hand zwaar op diens schouder vallen, en sprak:
„In naam van de Engelsche wet neem ik u gevangen, dr. Braddon! en
beschuldig u van moord en zeer veel andere misdaden, waarmede ik het
gerecht in kennis zal stellen.”
Allereerst werd dr. Braddon zwaar geboeid uit de inrichting geleid,
daarop volgde de hoofdverpleger en eindelijk het geheele personeel.
De gevangenwagens boden niet voldoende plaats voor alle gevangenen.
Spoedig daarop traden doktoren uit de ziekenhuizen het
krankzinnigengesticht binnen, om de verpleging der patiënten over te
nemen.
Afschuwelijke vertrekken werden gevonden, waarin zich de ongelukkigen
jarenlang moesten ophouden.
„Deze misdaden zijn zwaarder en verdienen grootere straf,” sprak de
inspecteur van politie Baxter tot Marholm, „dan die van dieven en
moordenaars.”
Het Londensche publiek geraakte in koortsachtige opgewondenheid, toen
de couranten de eerste berichten brachten over den inval der detectives
in het krankzinnigengesticht en de gevangenneming van den gekkendokter.
Duizenden vloeken werden uitgebraakt tegen dr. Braddon, maar ook werd
er hartelijk gelachen, toen het publiek uit de nieuwsbladen vernam, hoe
het nieuwste meesterstuk van John Raffles ook nu weer schitterend was
gelukt.
Lord Guildhall was gevlucht en had zijn onrechtmatig verkregen
vermogen, overeenkomstig den wensch van Raffles, aan de stad Londen
vermaakt.
Bijna iedere dag van onderzoek bracht nieuwe misdaden uit het
krankzinnigengesticht aan het licht en steeds weer was het die eene
naam, waarvan de geheele pers met lof gewaagde—de naam van den genialen
meesterdief John Raffles!